Abonneer Log in

Sociaaldemocratie versus economische evolutie

Samenleving & Politiek, Jaargang 11, 2004, nr. 8 (oktober), pagina 36 tot 44

We vinden hierna een nuttig, globaal en vergelijkend overzicht van de evolutie van de sociaaldemocratie in Europa. Het is leerrijk om de evolutie van de drie verschillende Europese welvaartsstaten nog eens schematisch voor te stellen. We kunnen lessen trekken van hoe het elders gaat en ging en zeker in moeilijke economische tijden.

Democratie tegen kapitalisme

Een volmaakte democratie zou inhouden dat regeringen in staat zijn de economische ontwikkeling en de inkomensverdeling volledig te beheersen. In werkelijkheid beschikken ze in de hedendaagse kapitalistische maatschappij over beperkte mogelijkheden om de belangen van de diverse bevolkingsgroepen op een rechtmatige wijze te behartigen. Na de grote crisis van de jaren dertig ontwierpen economisten zoals de Brit John Maynard Keynes (1883-1946) en de Zweden Karl Gunnar Myrdal (1898-1987) en Erik Lindahl (1891-1960) een economisch beleid dat de overheid in staat moest stellen het economisch leven te beheersen en economische crisissen met hoge werkloosheid te vermijden. Weldra bleek dat zo’n beleid slechts de gestelde doeleinden kon bereiken in een bijna volledig gesloten economie. Een inkomensbeleid dat er op gericht is een snelle aangroei van de vraag naar goederen en diensten af te remmen om prijsstijgingen tegen te gaan, faalt indien de producenten een groot deel van hun productie uitvoeren of indien kapitaal wordt ingevoerd. Omgekeerd leidt een overheidsdeficit slechts tot meer koopkracht voor de bevolking indien geen groot deel van de supplementaire inkomens wordt aangewend voor de aankoop van ingevoerde producten. Hieruit volgt dat naarmate de internationale handel toeneemt de vat van de regeringen op de economische evolutie verzwakt. Een andere ernstige hinderpaal voor het voeren van een economisch beleid is het toenemend aandeel van multinationale bedrijven in de productieve en financiële activiteiten van de diverse landen.
De Britse economiste Noreena Hertz (°1967) publiceerde in 2001 hierover het ophefmakend boek De stille Overname, waarin ze beweerde dat regeringen doen wat multinationals vragen. Regeringen die niet ingaan op hun wensen, worden afgestraft met de sluiting van filialen in hun land. En gezien multinationals over het grootste deel van de brevetten inzake moderne technologie beschikken, kunnen regeringen de betrokken bedrijven niet overnemen en leidt een conflict met deze vennootschappen tot ontslagen en massale werkloosheid. Politici moeten natuurlijk rekening houden met de verlangens van de meerderheid van de bevolking. Deze wil voldoende werkgelegenheid, goede lonen en allerhande vormen van sociale zekerheid, wat niet altijd verzoenbaar is met de wensen van multinationals. Dit plaatst politici dikwijls voor een pijnlijke keuze. Naargelang de structuren die ze ontworpen hebben om deze tegenstrijdige belangen te verzoenen, onderscheidt de Britse economist E. Esping-Andersen in zijn boek The Three Worlds of Welfare Capitalism (1990) drie types van welvaartsstaten:
1) De liberale welvaartsstaten: het betreft de Angelsaksische landen en Zwitserland. De martkeconomie behoudt haar overwegende positie. Sociale subsidies worden voorbehouden voor personen die door invaliditeit, een zwakke gezondheid of ouderdom niet in staat zijn een degelijk inkomen te verwerven. Private verzekeringsmaatschappijen bieden de nodige levensverzekeringscontracten aan om voor een pensioen te zorgen.
2) De conservatief-corporatistische welvaartsstaten (Duitsland, Frankrijk, België, Oostenrijk, Italië): in deze landen werden instellingen opgericht voor het verzekeren van sociale diensten en vergoedingen onder invloed van de sociaal- en christelijk-democratische bewegingen voor de diverse sociale groepen (arbeiders, landbouwers, middenstanders, ambtenaars). Het sociaal beleid van de overheid wordt gevoerd in samenwerking met deze corporatistische organisaties.
3) De sociaaldemocratische welvaartsstaten (de Scandinavische landen en Finland): de overheid voorziet sociale diensten en vergoedingen voor alle burgers zonder onderscheid. De financiële kosten ervan worden volledig of grotendeels uit de belastingen geput. Overheidspensioenen kunnen worden aangevuld door verzekeringscontracten bij private maatschappijen (H. Deleeck, 2003, p.78).

Tot welke groep van welvaartsstaten een bepaald land behoort, hangt af van zijn politieke en religieuze tradities, die moeilijk te wijzigen zijn op korte termijn. Hierna kijken we naar de evolutie van het sociaaldemocratisch beleid in een land van elk type, nl. in Zweden, Duitsland en Groot-Brittannië.

Het sociaaleconomisch beleid in Zweden

Zweden is het land waar voor het eerst een uitgesproken sociaaldemocratisch bewind tot stand kwam. In 1932 behaalde de sociaaldemocratische partij er 41,7% van de stemmen en vormde een minderheidsregering. Ze had geen duidelijk programma maar stelde een commissie aan van economisten, waaronder Gunnar Myrdal. Deze commissie raadde aan om grote openbare werken te laten uitvoeren en deze te financieren met overheidsleningen. Ondanks heftig verzet van o.m. de gouverneur van de Centrale Bank, werd dit plan in mei 1933 door het parlement goedgekeurd, en dit dankzij de steun van de agrarische partij. Deze had van de regering de belofte gekregen dat de landbouwers 10 miljoen dollar aan langetermijnsteun zouden ontvangen (P. Whyman, 2003, pp.28-30).
Dat werd het vertrekpunt van een Keynesiaans beleid, dat vooral gericht was op het terugdringen van de werkloosheid. De gezagvoerders van de grote ondernemingen zagen in dat minder werkloosheid tot looneisen en stakingen kon leiden en wensten dit te voorkomen door collectieve overeenkomsten af te sluiten. De collectieve overeenkomsten werden aangegaan voor een duur van één tot drie jaar en hielden vanwege de syndicale organisaties de belofte in geen stakingen te organiseren of te ondersteunen (D. Broussolle, 1990, p.7). In 1938 werd een Raad voor Arbeidsgeschillen opgericht met afgevaardigden van de patroonsorganisatie (SAF) en van het vakverbond voor arbeiders en bedienden (LO). Dit moest in alle potentiële en lopende conflicten bemiddelen.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog kon Zweden heel wat leveren aan de oorlogvoerende partijen. Vooral Duitsland kocht veel Zweeds ijzererts. Hiervan werd een deel betaald met goud aangeslagen bij de joden (KSA, aug. 2000, p.482). Ook na de oorlog bleef de economische positie van Zweden erg gunstig. Het kon basismaterialen leveren voor de heropbouw van de verwoeste gewesten. De Zweden waren zich bewust van hun bevoorrechte positie en de sociaaldemocratische partij, SAP, won regelmatig de verkiezingen. Ze maakte hiervan gebruik om haar controle over alle sectoren en vooral over de banken in sterke mate uit te breiden. Uiteindelijk verwierf de SAP-regering volledige controle over alle grootbanken.
De werkloosheid werd zeer laag gehouden (minder dan 2% van de beroepsbevolking) door de efficiënte werking van de ‘Zweedse Administratie van de Nationale Arbeidsmarkt.’ Deze verzamelde alle werkaanbiedingen. Werklozen kregen geschikte jobs aangeboden en mogelijkheden om de nodige opleidingscursussen te volgen (T. Svensson, 2002, p.209 en P. Whyman, 2003, p.175). De lage werkloosheid oefende een opwaartse druk uit op de lonen, maar de productiekosten stegen in mindere mate dankzij de toename van de productiviteit. Van 1960 tot 1965 steeg deze met 7,8% per jaar en van 1965 tot 1970 met 7,6% per jaar (L. Magnusson, 2000, p.205).
Aan deze uitzonderlijk gunstige evolutie kwam een einde in de jaren zeventig. Een crisis in de mijnen, de staalnijverheid, de textielnijverheid en de scheepsbouw leidde tot meer werkloosheid. De inflatie op gang gebracht door de petroleumcrisis leidde tot sociale conflicten. De overheidsinkomsten daalden en de staat was verplicht de belastingsdruk te verhogen en leningen uit te schrijven teneinde zijn sociaal beleid te kunnen voortzetten. In 1976 verloor de SAP haar parlementaire meerderheid en werd een coalitieregering van rechtse en centrumpartijen gevormd. Om de export te bevorderen devalueerde ze de munt met 7% en verleende subsidies aan bedrijven in moeilijkheden. In april-mei 1980 werd ze geconfronteerd met een stakingsgolf in de openbare en in de privésectoren (Encyclopaedia Britannica, Book of the Year 1981, pp.639-640). De werknemers protesteerden omdat hun lonen niet regelmatig aan de sterk gestegen kosten van levensonderhoud werden aangepast.
In 1982 behaalde de SAP een verkiezingsoverwinning en kon een nieuwe regering vormen onder leiding van de populaire Olaf Palme (P. Whyman , 2003, pp.85-88). Om de nadelige weerslag van de sterk gestegen lonen op de uitvoermogelijkheden te beperken - de stijging van de productiviteit bedroeg in de periode 1975-1980 slechts 2,4% per jaar meer (L. Magnusson, 2000, p.205) - devalueerde de regering in 1982 de kroon met 18% en beperkte de stijging van de lonen door overeenkomsten tussen vakbonden en ondernemersgroeperingen (Ibidem, p.261-262). Om de vakbondsleiding voor zijn beleid te winnen, stelde Olaf Palme voor om een deel van de winsten van de bedrijven te storten aan vijf fondsen beheerd door de vakbonden. Hiermee zouden deze aandelen kopen van bedrijven en op die manier medezeggenschap verwerven in het beheer (TE,10 dec.1983, p.68). Dit voorstel stuitte op heftig verzet van de Federatie van de Ondernemers (SAF) en werd met weinig geestdrift onthaald door de syndicalisten. Gezien hun minderheidspositie in de beheerraden vreesden ze weinig invloed te kunnen uitoefenen op het beleid. Hun achterban zou ze verantwoordelijk stellen voor beslissingen die tegen hun wil toch werden genomen. Dit was de laatste poging om een meer socialistisch getint beleid te voeren. De wet werd eind 1983 door het parlement goedgekeurd dankzij de steun van de Linkse partij (de Communisten), maar bij de volgende verkiezingen in 1985 gingen de linkse partijen achteruit, wat aanzette tot meer omzichtigheid bij het toepassen van de wet. Op 28 februari 1986 werd Olaf Palme vermoord en in 1988 leed de SAP een nieuwe verkiezingsnederlaag. De SAP-minderheidsregering moest nu rekenen op de steun van de liberalen, die de verkiezingen hadden gewonnen.
De regering schakelde over op een ander economisch beleid. De overheidscontrole op de economie werd teruggedrongen (de laatste grote bank werd in 1984 gedeeltelijk geprivatiseerd (T. Svensson , 2002, p. 208)) en de concurrentie onder de ondernemingen uit de diverse sectoren werd aangemoedigd. Ze hoopte zo de inflatie af te remmen die door de gunstige conjunctuur in de hand werd gewerkt. Niet alleen in de industrie maar ook in de gezondheidszorg en het onderwijs werd de concurrentie tussen de diverse instellingen aangewakkerd. De hospitalen en klinieken, die afhingen van lokale overheden, kregen een grote autonomie. Privéscholen verwierven de mogelijkheid om dankzij overheidssubsidies met de publieke instellingen te concurreren (T.Svensson, 2002, p.213). Decentraliseren en de beslissingsmacht overdragen aan de leiding van de instellingen werd de nieuwe politiek van de regering. De hoge belastingsdruk (tweeverdieners moesten ongeveer 50% van hun inkomen afstaan aan de fiscus) ondermijnde de populariteit van de regering. Om een einde te maken aan de uitwijking van bedrijven en de ontevredenheid van veel burgers keurde ze in 1989 een belastingshervorming goed die vooral aan de middelhoge inkomens ten goede kwam (T.Arronson en M.Palme, 1998, p. 41-42).
Het was evenwel te laat. In de verkiezingen van 1991 behaalden de niet-socialistische partijen 170 zetels in het parlement tegen slechts 154 voor de SAP en de Linkse partij. Carl Bildt, de leider van de gematigde (lees conservatieve) partij, vormde een regering die verdere belastingsverminderingen doorvoerde en een compensatie voor het verlies aan inkomsten zocht in een verhoging van de BTW. Het beleid van die rechtse regering werd een grote mislukking. De werkloosheid steeg tot meer dan 10% in 1994 (S. Steinmo, 2002, p.851) en de regering kon haar begroting niet sluitend houden en werd geconfronteerd met een vertrouwenscrisis (FT, 25 aug.1994, p.11). De Zweedse kroon werd een zwevende munt en onderging een ontwaarding van ongeveer 25% (L. Magnusson, 2000, p.265). In september 1994 behaalden de sociaaldemocraten een grote verkiezingsoverwinning en konden van dan af de regering in handen houden (FT, 10 jan 1995, p.3). Het beleid richtte zich op het verzekeren van werkzekerheid gecombineerd met het laag houden van de belastingsdruk op de bedrijven. In 1986 bedroeg de basisratio van de belasting op de bedrijven 52%. In 1995 was hij verminderd tot 28%, tegen 33% in Groot-Brittannië en 35% in de Verenigde Staten (S. Steinmo, 2003, p.224). De regering streefde naar muntstabiliteit en richtte op 14 september 2003 een referendum in over een eventuele aansluiting bij de euro. Dit voorstel werd verworpen met 56,8% van de stemmen (KHA, okt. 2003, p.616). Blijkbaar vreesden vele Zweden dat aansluiting bij de euro een prijsstijging op gang zou brengen. Het geringe onderscheid tussen het beleid van een sociaaldemocratische en een rechts-centrum regering heeft de politieke onverschilligheid van een groot deel van de bevolking in de hand gewerkt. De vraag werd opgeworpen of in dergelijke omstandigheden een rechtse populistische partij geen kans maakt een doorbraak te forceren. De gehechtheid van de grote meerderheid van de Zweden aan hun democratische instellingen en de faam van Zweden als gastvrij land is evenwel een waarborg tegen de opkomst van een partij die vreemdelingenhaat in haar vaandel draagt (J.Rydgren, 2002, p.27).

Het sociaaleconomisch beleid in Duitsland

De uitbouw van de Duitse welvaartsstaat startte op het einde van de 19de eeuw met de gelijktijdige uitvaardiging van de eerste sociale wetten door Bismarck en de uitbouw van een hele reeks instellingen door de sociaaldemocratische en de christelijk-democratische bewegingen, zoals vakbonden, coöperatieven, mutualiteiten, steunkassen voor werklozen, culturele en sportieve groeperingen. De ondernemingen werden regelmatig geconfronteerd met stakingen en wilden die voorkomen door collectieve arbeidsovereenkomsten te sluiten met de vakbonden (H.Bechtel, 1967, p.173).
Tijdens de Eerste Wereldoorlog nam de behoefte tot samenwerking tussen patroons en werknemers toe en na het beëindigen van de vijandelijkheden en de onderdrukking van de Spartakistische opstanden kende Duitsland een herstel dankzij de toevoer van vreemd kapitaal en de hechte samenwerking tussen de vakbonden en de ondernemersgroeperingen. De grote meerderheid van de werknemers sloot zich in die periode aan bij een vakverbond en werd meteen lid van de aanverwante organisaties (coöperatieven, mutualiteiten, vermaak- en sportclubs). De leden van de middenstand en van de vrije beroepen richtten ook groeperingen op voor de verdediging van hun belangen. Deze structuren werden na de Tweede Wereldoorlog opnieuw in het leven geroepen, m.a.w Duitsland was een corporatistische staat (J.J. Lee ,1978, p.490).
In mei 1950 eiste het Duitse vakverbond (DGB) medezeggenschap van de arbeiders in de beheersorganen van de grote industriële ondernemingen. De sociaaldemocraten hadden dit reeds na de Eerste Wereldoorlog willen invoeren, maar hadden te vlug de macht verloren om het te verwezenlijken (D.Schneider en R.F. Kuda, 1969, p.149). Door de wet van 10 april 1951 kregen de syndicale organisaties uit de steenkolen-, ijzer- en staalnijverheid het recht op paritaire basis toe te treden tot de Aufsichtrate van de vennootschappen uit die sectoren. Een van de leden van het directiecomité (Der Vorstand) moest een afgevaardigde zijn van de syndicale organisaties. Meestal werd die belast met het personeelsbeleid. Om een bepaalde graad van medezeggenschap te realiseren in de andere sectoren kwam in 1956 een wet tot Mitbestimmung tot stand die één derde van de mandaten in de Aufsichtrate voorbehield voor afgevaardigden van de werknemers. Deze typische Duitse structuren gaven aan de syndicale afgevaardigden de mogelijkheid de evoluties in de voornaamste bedrijven op de voet te volgen en telkens zich hiertoe de gelegenheid voordeed, voordelen (loonsverhogingen, bevorderingen, betaalde verlofdagen, bijdragen tot pensioenkassen, e.a) van de directie los te peuteren. Zo verwierven de Duitse arbeiders in de meeste sectoren een bevoorrechte positie in vergelijking met hun collega’s in de andere Europese landen. Als men het Duitse gemiddeld uurloon in 1981 gelijk stelde aan 100, bedroeg het Franse slechts 74 en het Britse 57. De weerslag op de prijzen van de Duitse industriële producten was evenwel niet zo groot omdat de Duitse productiviteit die in Frankrijk en Groot-Brittannië overtrof. Als men de Duitse arbeidskost per uur gelijkstelde aan 100 was de Franse gelijk aan 89 en de Britse aan 114 (FT, 12 jan.1982, p.2).
De Duitse industriëlen konden de concurrentie met de andere Europese landen niet alleen volhouden door de hogere productiviteit van hun bedrijven maar ook door de goede kwaliteit van de meeste van hun producten. Dit was niet alleen te danken aan de Duitse zin voor organisatie en tuchtvol werken, maar ook aan de goede vorming van de meeste werknemers dankzij een efficiënt systeem voor de opleiding van leerjongens. Ongeveer de helft van de jongeren van 16 tot 19 jaar volgt zo’n opleiding, die naargelang de moeilijkheidsgraad van het werk 2 a 3,5 jaar in beslag neemt. Er zijn zo’n 360 verschillende opleidingen voorzien en een speciale instelling, Das Bundesinstitut für Berufsbildung, gaat na of de jongeren in de bedrijven de kans krijgen zich te bekwamen (T. Korpi en R. Materes, 2003, p.599-600). Duitsland werd in de loop van de jaren 1980 meer en meer geconfronteerd met te lage geboortecijfers om de bevolking op peil te houden. In 1964 bedroeg het aantal kinderen per vrouw nog 2,54 en in 1975 was dit gedaald tot 1,4. Van 1975 af overtrof jaarlijks het aantal sterfgevallen het aantal geboorten (G. Beckstein, 2002, p.10). Er moest beroep worden gedaan op buitenlandse arbeidskrachten, die moeilijker konden opgeleid worden omdat ze veelal de Duitse taal onvoldoende machtig waren. Dit leidde niet alleen tot spanningen tussen de bevolkingsgroepen met verschillende culturele achtergrond maar ook tot een gebrek aan goed geschoolde arbeidskrachten en een grotere werkloosheid.
De opslorping van de DDR in 1990 versterkte de Duitse crisissituatie. Ze legde een zware last op de openbare financiën. De vele overheidsbedrijven in de DDR werkten in de regel met verouderde productiemethodes en moesten volledig gemoderniseerd worden. West-Duitse firma’s werden met grote subsidiebedragen aangezet om deze firma’s over te nemen. Ze waren evenwel niet bereid alle werknemers bij te houden, want veel bedrijven waren overbemand. Het communistisch regime duldde geen werklozen en had de bedrijfsleiders ertoe aangezet meer personeel aan te werven dan noodzakelijk was. Kanselier Helmut Kohl van de CDU slaagde er niet in de begroting in evenwicht te houden hoewel hij de belastingen verhoogde en de werkloosheidsvergoedingen in 1993 verlaagde. Ze werden verminderd van 67 tot 68% van het voordien verdiende loon tot ongeveer 60% (E. Tálos, 2004, p.221). Na enkele jaren vonden veel Duitsers dat Kohl te oud was om het land goed te regeren. In september 1998 wonnen de sociaaldemocraten de verkiezingen en vormden met de Groenen een regering. In 1999 kende Europa een hoogconjunctuur en die leidde tot een verhoging van de overheidsinkomsten (TE, 8 juli 2000, p. 21). De euforie duurde evenwel niet lang. Eind 2000 ving een crisis aan en steeg de werkloosheid. De minister van financiën Hans Eichel kon opnieuw de begroting niet sluitend houden. De populariteit van de socialistische kanselier nam af maar hij slaagde er niettemin in bij de verkiezingen van september 2002 met een nauwe marge te winnen (G.Vandewalle, 2002, pp.26-28). Maar er moest bespaard worden, want het deficit was opgelopen tot boven de toegelaten 3% van het bnp (Maastrichtnorm). Schröder vormde een commissie onder leiding van Peter Hartz, een gewezen hoge ambtenaar. Deze stelde besparingen voor in vier verschillende gebieden. Vooral de vierde groep, aangeduid als Hartz IV, botste op veel verzet. Ze voorzag dat de werkloze voortaan slechts gedurende één jaar het recht op een vergoeding zou behouden. Daarna zou hij ten laste komen van de sociale bijstand, die hem slechts een onderhoudsgeld zou betalen als hij niet over bezittingen zoals een huis of voldoende besparingen beschikt. Dat ook de gelden belegd op de spaarboekjes van kinderen als bezittingen zouden aangerekend worden, beschouwen vele Duitsers als een schandaal (DZ, 12 aug. 2004, p.20).
In de gewezen DDR, waar ongeveer 18% van de bevolking tussen 20 en 65 jaar werkloos is, werden o.m. in Leipzig grote protestmanifestaties gehouden. De voornaamste oppositiepartij, de CDU-CSU, is het evenwel met Schröder eens dat een fusie van de werkloosheidsvergoedingen en van de openbare onderstand noodzakelijk is (EP, 12 aug. 2004, p.4). Ook van de ondernemers krijgt Schröder veel steun (FT, 15 sept. 2004, p.2). Of dit evenwel van aard is zijn populariteit te verhogen is twijfelachtig. Hij treedt ook niet op tegen de pogingen van meerdere bedrijfsleiders om de arbeiders meer uren te laten presteren zonder vergoeding en laat hen dreigen met de delocalisatie van een deel van hun onderneming. Dat maakt Schröder ook niet geliefd bij zijn traditionele achterban. Hij stevent waarschijnlijk af naar een zware verkiezingsnederlaag in 2006.

Het sociaaleconomisch beleid in Groot-Brittannië

Tot 1945 was Groot-Brittannië een uitgesproken kapitalistisch land. Pas na de verkiezingen van 5 juli 1945 kwam een Labour-meerderheidsregering aan de macht die een ‘stille revolutie’ doorvoerde (AJJ. P. Taylor, 1966, p 597). Groot-Brittannië werd omgevormd tot een gemengde economie met een belangrijke overheidssector en sociale voorzieningen. Vooral de oprichting van de Nationale Gezondheidsdienst (NHS) betekende de realisatie van een socialistische idee in het traditionele conservatieve Groot-Brittannië. De belastingsdruk op de hoge inkomens was loodzwaar en het vrij initiatief werd in vele sectoren, o.m.in de private woningbouw, beperkt om materiaal te reserveren voor sociale huisvesting. Een reactie was onvermijdelijk en van 1951 tot 1964 en opnieuw van 1970 tot 1974 verwierf de conservatieve partij het bewind en voerde enkele privatiseringen en belastingsverminderingen door. Geen enkele regering slaagde er evenwel in de industriële structuur van Groot-Brittannië in voldoende mate te moderniseren. De productiviteit was hierdoor in vele bedrijfstakken lager dan in de andere industriestaten. De regering was herhaaldelijk verplicht het pond sterling te devalueren om de weerslag van de relatief te hoge lonen op de uitvoerprijzen te verminderen. De Labourregering die in 1974 aan het bewind kwam, trachtte door een inkomenspolitiek, waarbij de vakbonden zich verbonden tot loonsmatiging, de nood aan nieuwe devaluaties te voorkomen. Tijdens de winter van 1979 braken er echter grote stakingen uit, waarbij een aantal noodwendige overheidsdiensten (gezondheidszorg,openbaar vervoer, e.a.) hun activiteit onderbraken en de economie van het land volledig in de war stuurden. Deze winter of discontent discrediteerde de Labourregering. Bij de verkiezingen van 1979 verwierf de conservatieve partij een volledige meerderheid in het parlement en werd Margaret Thatcher premier.
Ze voerde een ware ‘contrarevolutie’ door. Tijdens achttien jaar conservatief bewind werden bijna alle overheidsbedrijven geprivatiseerd, de directe belastingen fel verlaagd en de indirecte verhoogd, het privéonderwijs gesubsidieerd en de mogelijkheid geschapen voor de opname van de privé-patienten van dokters in openbare hospitalen. De bemiddelde burgers kregen het grootste deel van hun traditionele voorrechten terug. De arme zieken hadden het moeilijker om zich te laten verzorgen. Er waren bv. te weinig tandartsen. Wie beroep deed op een private tandarts moest ongeveer zesmaal het NHS-tarief betalen (TT, 6 sept. 2001, p.4). De klassen in het openbaar onderwijs waren dikwijls overbevolkt, de wachtlijsten voor heelkundige bewerkingen in de openbare klinieken te lang.
Pas in 1997 slaagde Tony Blair als leider van een hernieuwde Labourpartij erin de verkiezingen te winnen en de contrarevolutie te beëindigen (TE,13 juni 1999, pp. 43-44). Hij had evenwel vóór de verkiezingen beloofd de directe belastingen niet te verhogen en beschikte hierdoor niet over de nodige fondsen om het openbaar onderwijs en de nationale gezondheidsdienst te saneren. Ook aan de privatisering van de vele overheidsdiensten - de slecht werkende spoorwegen incluis - durfde hij niet te raken. De vele kleine burgers, die aandelen van de onder de conservatieven opgerichte privébedrijven hadden gekocht, zouden het hem niet vergeven indien de overheid ze tegen een lage prijs zou overnemen. De lagere belastingsdruk op de bedrijven had geleid tot de oprichting van filialen door Amerikaanse, Duitse en Japanse ondernemingen en zo tot een modernisering van een groot deel van de Britse industrie. Hierdoor kende het land bij het begin van de 21ste eeuw een betere conjuncturele evolutie dan de meeste andere Europese staten. Blair mag dus hopen dat de overheidsinkomsten geleidelijk zullen stijgen en hem toelaten de geplande verbeteringen in het onderwijs en de gezondheidszorg te realiseren. Zijn kanselier van de schatkist, George Brown, heeft een ander middel bedacht om sneller fondsen te verzamelen. Hij wil de administratie moderniseren en 100.000 ambtelijke jobs schrappen. Als dit niet lukt zou hij voor £30 miljard aan overheidsbezittingen kunnen verkopen (FT, 13 juli 2004, p.3).

Conclusie

In de drie hiervoor behandelde landen hebben de sociaaldemocraten de belastingsdruk op de bedrijven in sterke mate verlicht. In Zweden konden ze het verlies aan inkomsten compenseren door een verhoging van de inkomensbelastingen en indirecte heffingen. Er greep een economische evolutie plaats naar een meer liberale staat maar de generositeit van de meeste sociale diensten bleef grotendeels behouden (A.Lindbom, 2001, p.187).
In Groot-Brittannië was dit niet mogelijk en zijn de overheidsinkomsten onvoldoende om een aantal essentiële sociale diensten efficiënt de laten werken. De meerderheid van de personen met een gemiddeld inkomen is er niet bereid meer belastingen te betalen om sociale diensten te verbeteren, waarvan ze veelal wegens de geringe kwaliteit niet wensen gebruik te maken.
In Duitsland dringt zich een afbouw op van een aantal gulle sociale subsidiëringen. Hiertegen rijst evenwel veel verzet en dit zal waarschijnlijk een verkiezingsnederlaag inhouden voor de sociaaldemocraten in 2006. De CDU-CSU, die de verkiezingen zal winnen, zal evenwel geconfronteerd worden met dezelfde problemen en heeft ook geen oplossing. Het land wordt hierdoor moeilijk regeerbaar.

Gaston Vandewalle
Professor emeritus Universiteit Gent

Bronnen
- T. Arronson en M. Palme, ‘A Decade of Tax and Benefit Reforms in Sweden’, Economica, 1998.
- G. Beckstein, ‘Demografische Herausforderung’, Politische Studien, juli 2002.
- T. Broussolle, Le modèle suédois dans les années 1980, Oeso, Parijs 1990.
- H. Deleeck, De Architectuur van de Welvaartstaat opnieuw bekeken, Acco, Leuven, Leusden, Tweede Uitgave 2003.
- T. Korpi en R. Materes,’Training Systems and Labor Mobility in Germany and Sweden’, The Scandinavian Journal of Economics, 2003, Nr.4.
- J.J. Lee, Labour in German Industrialisation, Cambridge Economic History of Europe, Deel VII, University Press, Cambridge, Londen, N Y, Melbourne, 1978.
- A. Lindbom, ‘Dismantling the Social democratic Welfare State Model?’, Scandinavian Political Studies, 2001, nr.3.
- L. Magnusson, An Economic History of Sweden, Routledge, Londen-NY, 2000.
- J. Rydgren, ‘Radical Right Population in Sweden - Still a Failure, But for how long?’ Scandinavian Political Studies , 2002,nr.1.
- D. Schneider en F. Kuda, ‘Mitbestimmung’, Deutsches Taschenbuch Verlag, München,1969.
- T. Steinmo, ‘Globalisation and Taxation’, Comparative Political Studies, sept. 2002
‘Tax Policy in the 20 th Century’, Journal of Politics and International Relations, mei 2003.
- T. Svensson, ‘Globalisation, Marketisation and Power, The Swedish Case of Institutional Change’, Scandinavian Political Studies, 2002, nr.3.
- T. Svenson en P.O. Öberg, ‘Labour Market Organization, Participation in Swedish Public Policy Making’, Scandinavian Political Studies, 2002, nR 4.
- E. Tálos,’Umbau des Sozialstaates? Österreich und Deutschland im Vergleich’, Politische Vierteljahresschrift, juni 2004.
- A.J.P. Taylor, English History 1914-1945, At the Clarendon Press, Oxford, 1966.
- G Vandewalle, ‘De Europese Sociaaldemocratie: Herstel na een ernstig crisisjaar?’ Samenleving en politiek, november 2002.
- P. Whymans, Sweden and the third Way, Ashgate Publishing Ltd, Aldershot (England) en Asgate Publishing Comp. Burlington (VS) 2003.

*Gebruikte Afkortingen *
DZ: Die Zeit
EP: El País
FT: Financial Times
TE: The Economist
TT: The Times

economie - sociaaldemocratie

Samenleving & Politiek, Jaargang 11, 2004, nr. 8 (oktober), pagina 36 tot 44