Log in

Ouderen en politiek: potentieel en participatie

In het huidige politieke discours regeren termen als ‘verjonging’ en ‘vernieuwing’. Paradoxaal in een grijze samenleving? In dit artikel zoeken we uit hoe het gesteld is met ouderen en hun politieke participatie.

Ouderen en politiek

In onze vergrijzende samenleving lijkt het er op dat ouderen steeds minder een stem hebben op het politieke toneel. Na de voorbije parlementsverkiezingen (mei 2003 en juni 2004) berichtten zowel diverse media als wetenschappers over het lage aandeel ouderen bij de kandidaten en de verkozenen.
Oudere politici zelf ventileerden hun frustraties via de pers. Jaak Gabriëls reageerde, samen met andere ‘actieve ouderen’, via een heus manifest met de titel ‘Vijftigplussers zijn onmisbaar’ (maart 2004). Ook het volgende citaat van André Denys, 55 jaar, in De Standaard (11/07/2003), getuigt van enige kritiek op de nietsontziende verjonging:
‘Ik ben nu op m’n best. Ik heb een mentaal evenwicht dat ik niet had toen ik dertiger was. Ik voel me fysiek goed, ik heb ervaring en ik ben niet uitgeblust. En toch geeft de politiek de voorkeur aan dertigers. Een foute trend. (…) In de politiek moet alles jong, flashy en spectaculair zijn. Vroeger kregen jongeren in de politiek weinig kansen. Nu zijn het de ouderen die uit de boot vallen.’

Ouderen lijken vandaag de dag in de politieke besluitvorming met minder kansen bedeeld te zijn. ‘Vernieuwing’ wordt door de partijen vaak gelijkgesteld met ‘verjonging’. Oudere politici stellen het leeftijdsgerelateerde beleid van hun partij aan de kaak. Het lijkt erop dat ouderen aan de kant worden gezet. En dit terwijl beslissingen over de actuele politieke agendapunten (betaalbaarheid van pensioenen, gezondheidszorg, …) net erg veel impact hebben op de ouderenpopulatie. Bovendien maakt de gestage toename van het aandeel ouderen in de bevolking dit gegeven nog meer paradoxaal.
En toch. Recent (april 2004) keurde het Vlaamse Parlement het voorstel van decreet goed houdende de stimulering van een inclusief Vlaams ouderenbeleid en de beleidsparticipatie van ouderen. Concreet betekent dit onder andere dat ouderen, zij het op het lokale beleidsniveau, kunnen meespreken via de oprichting van gemeentelijke ouderenadviesraden.
Het - wederzijdse - belang van ‘ouderen en politiek’ kunnen we niet ontkennen. Enerzijds is politieke besluitvorming voor de ouderen van belang: heel wat beleidsbeslissingen hebben een - al dan niet directe - impact op hun leven. Er zijn heel wat belangen te verdedigen. Bovendien kunnen voor een aantal ouderen de politieke bezigheden een zinvolle invulling vormen voor de vrijgekomen tijd na pensionering. Iecovich (2001) stelt zelfs dat de betrokkenheid en participatie van ouderen in de politiek de mate weerspiegelt waarin ouderen geïntegreerd zijn in de samenleving.
Anderzijds zijn de ouderen ook van belang voor de politiek. Ouderen vormen immers een grote groep, en ook steeds meer een mondige groep. In deze tekst nemen we de ouderenpopulatie - kwantitatief en kwalitatief - onder de loep en gaan we vervolgens na hoe het nu precies zit met hun politieke participatie.

De ouderenpopulatie nader bekeken

Kwantitatief bekeken… in omvang een sterke groep

Kwantitatief bekeken kwamen we door middel van schattingen1 op basis van demografische gegevens tot de conclusie dat zowat een kwart van het electoraat 65 jaar2 of ouder is. Uitgedrukt in aandeel ‘gepensioneerden’3 komen we zelfs tot eenderde van het kiezerspubliek. Numeriek gezien blijkt er aldus een groot potentieel voorhanden. Belangenorganisaties van ouderen wijzen graag op hun omvangrijke achterban: de ‘electorale bluf’ is één van de belangrijkste machtsvormen waarover zij kunnen beschikken (Binstock en Quadagno, 2001).
Of men al dan niet op de besluitvorming kan wegen, hangt echter niet enkel af van de omvang van de groep. Het verschil tussen de potentiële, de reële, en de concrete groep is essentieel. De potentiële groep omvat de brede sociale categorie van ouderen, bijvoorbeeld iedereen die ouder is dan 65 jaar, of iedereen die niet meer werkt. Met de reële groep bedoelt men die personen uit de potentiële groep die deel uitmaken van een belangenorganisatie of een drukkingsgroep. Een groot aandeel van die leden van ouderenorganisaties is echter voornamelijk lid omwille van de recreatieve activiteiten, zelfs in organisaties die onder meer op belangenvertegenwoordiging zijn gericht. De concrete groep tenslotte zijn die personen uit de reële groep die zich werkelijk engageren, de militanten. Het gaat dan bijvoorbeeld om personen die manifesteren, staken, een petitie tekenen. Bij het omvormen van een potentiële groep tot een reële en een concrete groep staan recrutering, opleiding en motivatie centraal. Daarnaast zijn ook organisatie en mobilisatie van de leden van de potentiële groep onmisbaar (Viriot-Durandal, 2003). Uit de internationale onderzoeksliteratuur blijkt dat heel wat factoren dit bemoeilijken.
Een gebrek aan groepsidentiteit bijvoorbeeld. Iecovich (2001) stelt dat ouderen zich weinig kunnen identificeren met leeftijdsgenoten, en eerder vasthouden aan andere identiteiten die zij tijdens de levensloop hebben opgebouwd. Bovendien vormen de ouderen geen homogene groep: hun gemeenschappelijke belangen wegen niet op tegen de vele onderlinge verschillen. Onderzoek van Walker (1998) wijst in dezelfde richting: ouderen delen niet noodzakelijk omwille van hun leeftijd dezelfde belangen. De factor leeftijd is op zich onvoldoende om een groepssolidariteit te creëren. Ook Vlaams onderzoek (Jacobs, 2004) wijst uit dat de overgrote meerderheid van de ouderen (83% van de 55-plussers) zich niet oud voelt. Het lijkt ons weinig waarschijnlijk dat deze omvangrijke groep - die zich niet oud voelt - zich gaat identificeren met de categorie ‘ouderen’. Een andere Vlaamse studie (Thijssen, 2003) wijst uit dat jongere senioren zich op gebied van waarden en normen eerder richten op jongeren dan op ouderen. Ook deze vaststelling gaat in tegen de these van een grote groepssolidariteit onder ouderen.
Daarnaast is mobilisatie en organisatie van een groep moeilijker naarmate de groep talrijker is (Boulanger, 1995). Het probleem van de freeriders stelt zich sterk bij omvangrijke groepen: als men collectieve voordelen bekomt, zijn deze voor iedereen, ook voor diegenen die geen bijdrage leverden. In deze optiek is het weinig waarschijnlijk dat ouderen - een erg talrijke groep - erin slagen één grote en sterke belangenorganisatie te vormen.

Kwalitatief bekeken… de aan-komende ouderen: politiek strijdvaardiger?

Naast het omvangrijk numeriek potentieel aan ouderen bekijken we ook de kenmerken van de groep in functie van hun potentiële politieke participatie.
De Nederlandse socioloog Becker (1992) schrijft aan de Protestgeneratie (°1940-1955), dit zijn de huidige 49- tot 64-jarigen - de jonge senioren en de toekomstige ouderen, ook wel de babyboomgeneratie genoemd -, de kenmerken ‘hoogopgeleid’ en ‘welvarend’ toe. Door de voortgezette democratisering van het onderwijs kreeg deze generatie immers de kans om te studeren, door het welvarender worden van de samenleving wisten de personen uit deze generatie algemeen gezien mooie loopbanen uit te bouwen. Verder dankt deze generatie haar naam aan de protesten die overal ter wereld ontstonden aan universiteiten in de jaren 1960. Dit leidde ertoe dat in alle delen van de samenleving acties op gang kwamen om ‘medeweten, medeberaden en medebeslissen’ ingang te doen vinden of uit te breiden. Verder stelt Becker (1992): ‘Zullen de ouderen uit de Protestgeneratie hun eigen emancipatie realiseren? Gezien de ervaringen met het initiëren van emancipatieprocessen uit de eigen jonge jaren zouden de leden van de Protestgeneratie een dergelijke emancipatie moeten kunnen afdwingen. Het is niet ongebruikelijk dat op oudere leeftijd een comeback van de ideologie van de jeugdjaren optreedt. Hier zou een dergelijke comeback de mentale kracht voor de eigen emancipatie kunnen verschaffen.’ Deze kenmerken - goed opgeleid, mooie carrières, belang inzien van ‘meebeslissen’, en gericht op emancipatie - lijken ons zeer waardevol om politiek te kunnen en willen participeren.
De Franstalige sociologie4 toont een gelijkaardig beeld. Zo wordt gesteld dat de cohorte geboren in 1936-1950 (deze personen zijn nu tussen de 54 en de 68 jaar oud) een uitzonderlijke opwaartse mobiliteit heeft gekend, wat maakt dat het profiel van ‘de gepensioneerde’ in de komende decennia zal veranderen. Deze groep zal beslissend zijn voor sociale en culturele veranderingen. Ook op het politieke vlak is de generatie geboren na de oorlog (de babyboomers) a priori actiever.
Ook Iecovich (2001) beschrijft een zelfde perspectief met betrekking tot de toekomstige ouderen: ‘Nieuwe cohorten van ouderen zullen gezonder en rijker zijn, zij zullen beter opgeleid zijn en meer ervaring hebben op het gebied van politieke participatie in vergelijking met voorgaande cohorten. Deze nieuwe cohorten kunnen meer betrokkenheid eisen bij beslissingen die worden genomen met betrekking tot de status van ouderen in de samenleving of met betrekking tot hun aandeel van de nationale uitgaven. Deze nieuwe cohorten van ouderen zullen voor de keuze staan: geassocieerd worden met een ouderenpartij of een meer dominante rol gaan spelen in de besluitvorming van gevestigde politieke partijen en organisaties.’
Verschillende internationale studies wijzen in dezelfde richting: de toekomstige ouderen zullen meer van zich laten horen, zij zullen inzake politiek een actievere rol gaan opnemen. Ook binnen het Vlaamse onderzoek vinden we hiervoor aanwijzingen.
Zo lezen we in een onderzoek naar het stemgedrag van ouderen (Beerten en Billiet, 1993) - meer dan 10 jaar geleden!- als besluit: ‘Het zou verkeerd zijn om de huidige gedragingen en houdingen van de ouderen zomaar te projecteren naar de toekomst. De kwalitatieve kenmerken van de aankomende ouderen zullen deels anders zijn. Door het vervangen van de generaties zullen er in de toekomst meer ‘ontzuilde’ en geschoolde ouderen zijn die ook op het politieke vlak meer van zich laten horen….’
Niet alleen beschikken de huidige ‘jonge ouderen’ algemeen bekeken over andere kenmerken dan de ‘oudere ouderen’ (hoger opgeleid, hogere maatschappelijke posities, meer vaardigheden om besluitvormingsprocessen te beïnvloeden), zij hebben ook veel vrije tijd omdat velen van hen op relatief jonge leeftijd vrijgesteld werden van arbeid. Dit maakt dat zij zowel over de tijd als de vaardigheden beschikken om sociale of politieke activiteiten te ontwikkelen. Rest de vraag of zij ook werkelijk gebruik maken van deze kansen en capaciteiten. Slaagt de ouderenpopulatie erin haar potentieel om te zetten in effectieve politieke participatie? Een aanzet tot antwoord formuleren we in volgende paragrafen.

Ouderen en hun politiek participeren

Is het hierboven beschreven potentieel aan ouderen ook effectief aanwezig op het politieke terrein? Uit onderzoek van Depauw (2004) blijkt dat 60-plussers erg schaars zijn geworden in de parlementen. Ouderen nemen ook in mindere mate een politiek mandaat op (Vandevelde, 2004). Politiek participeren kan echter op zeer verscheiden manieren, op verschillende niveaus, en met veel of eerder weinig inspanning. Om een volledig beeld te krijgen van de participatie van ouderen op de diverse niveaus van besluitvorming, zou men dus eigenlijk al de activiteiten gerelateerd aan politiek moeten analyseren. Dit zou ons erg ver leiden. In het kader van dit artikel beperken we onze definiëring en operationalisering van politieke participatie tot twee aspecten: we bekijken de politieke inzet en het actief politiek lidmaatschap van ouderen. Op basis van dit beschikbaar empirisch datamateriaal doen we uitspraken met betrekking tot de ‘politieke participatie’ van ouderen.

Politieke inzet en actief politiek lidmaatschap van ouderen

We beginnen met de variabele ‘politieke inzet.’ Deze wordt gemeten aan de hand van zeven items, die in onderstaande tabel worden opgesomd. Voor al deze items bekijken we, per leeftijdscategorie, het percentage ja-antwoorden. De resultaten vindt u in onderstaande tabel.

Tabel 1: Politieke inzet naar leeftijd (in % ja-antwoorden)

Bron: APS-survey _2000 (eigen bewerking)_5

Voor de stellingen (2) en (3) verwachtten we de hoogste percentages ja-antwoorden bij de oudere leeftijdsgroepen. Indien men ouder is, heeft men immers meer kans ‘wel eens’ naar een krant geschreven te hebben of ‘wel eens’ op een bijeenkomst gesproken te hebben. Omdat men al langer leeft, is het meer waarschijnlijk dat men ‘ooit wel eens’ deze activiteiten heeft ontplooid. De resultaten spreken deze veronderstelling echter tegen. Voor stelling (2) is er een piek bij de 55-64-jarigen, maar daarna is er een sterke afname van het percentage ja-antwoorden. Bij stelling (3) stellen we zelfs het omgekeerde vast: niet de oudste leeftijdsgroepen, maar de jongste, scoren het hoogst.
Voor al de andere stellingen geldt dat er een duidelijke piek is bij de leeftijdscategorie 55- tot 64-jarigen. Bij hen is de politieke inzet het hoogst. Eens men ouder is dan 65 jaar, neemt de politieke inzet af. Deze vaststelling doen we bij al de stellingen, met uitzondering van stelling (3) - daar is een afname van het percentage ja-antwoorden met de leeftijd, zonder te pieken in de leeftijdscategorie 55- tot 64-jarigen.
We bekeken eveneens de geslachtsverdeling van deze zeven items. Over de verschillende leeftijdsklassen heen blijkt dat vrouwen steeds lager scoren dan mannen. Het is opmerkelijk dat deze lage politieke inzet van vrouwen in vergelijking met mannen zich in élke leeftijdscategorie voordoet. Het zijn dus niet enkel de oudere vrouwen die minder politieke activiteiten ontplooien dan oudere mannen, ook vrouwen uit de middenleeftijd en jonge vrouwen scoren lager op de items dan mannen uit dezelfde leeftijdscategorieën. Er komt slechts één uitzondering aan het licht: vrouwen van 16 tot 24 jaar brengen vaker dan mannen van die leeftijd een standpunt naar voor op een bijeenkomst. Op al de andere items scoren vrouwen uit elke leeftijdscategorie lager dan mannen. We kunnen de lage scores bij de oudere leeftijdscategorieën (65+) dus niet enkel toeschrijven aan de afwezigheid van vrouwen.

We gaan vervolgens in op het actief lidmaatschap van politieke partijen of verenigingen.

Tabel 2: Het actief lid zijn van een politieke vereniging of partij

Ook inzake actief lidmaatschap stellen we een piek vast bij personen tussen 55 en 64 jaar. Daarna neemt het percentage ja-antwoorden af. Jongeren (jonger dan 35 jaar) zijn nog minder dan ouderen actief lid van een politieke partij of vereniging. Bij -25-jarigen is actief lidmaatschap zelfs echt zeldzaam. Naar geslacht bekeken ligt het actief lidmaatschap, gemiddeld beschouwd over de verschillende leeftijdscategorieën, bij mannen (4,8%) heel wat hoger dan bij vrouwen (1,7%). Wanneer we de geslachten vergelijken per leeftijdscategorie, dan blijkt dat vrouwen steeds lager scoren dan mannen.
De resultaten van deze analyses geven drie dominante vaststellingen aan, namelijk: de politieke participatie, hier geoperationaliseerd als ‘politieke inzet’ en ‘politiek lidmaatschap’,
(1) is laag bij zowel jong (-25) als oud (+65),
(2) ligt voor élke leeftijdscategorie heel wat lager bij vrouwen dan bij mannen,
(3) piekt op de leeftijd van 55 tot 64 jaar, om daarna sterk af te nemen.

We bekijken in wat volgt een aantal mogelijke verklaringsgronden voor de lage participatie van ouderen. Op de lage participatie van jongeren en van vrouwen gaan we binnen het bestek van dit artikel rond ‘ouderen en politiek’ niet nader in. We formuleren ook enkele reflecties bij de vaststelling van de piek inzake politieke activiteit bij 55- tot 64-jarigen.

Lage politieke participatie van 65-plussers

Uit bovenstaande gegevens blijkt dat de 65-plussers slechts in beperkte mate politiek participeren. Hoe kunnen we deze lage politieke participatie van ouderen verklaren?
Misschien speelt er een leeftijdseffect? Bepaalde gebeurtenissen die zich voornamelijk in de latere levensloop voordoen (bijvoorbeeld weduwe/weduwnaar worden) kunnen de politieke betrokkenheid verminderen en politieke activiteit ontmoedigen (Walker, 1998). Maar ook het verlaten van de arbeidsmarkt leidt ertoe dat men op latere leeftijd contacten, informatie en kanalen mist om politiek te kunnen deelnemen. Walker (1998) stelt: ‘Pensionering en vervroegde uittrede uit de arbeidsmarkt brengen een politiek disengagement met zich mee. Pensionering houdt uitsluiting in, en maakt dat ouderen geen collectieve acties voeren, en dat ze ook geen politieke invloed hebben. Eens ouderen geen economische rol meer spelen in de samenleving, missen zij ook de cohesie en de middelen om iets aan hun inferieure economische en sociale positie te doen.’
Daarnaast kan de stress van een leven in de politiek voldoende hoog zijn om uit eigen beweging te beslissen om op te stappen. Ackaert (1994, in Reynaert, 2000) stelt dat de complexiteit van het - lokaal - beleid en bestuur groeit, wat betekent dat er meer nood is aan politici die een zekere opleiding hebben genoten. Voor ouderen die niet of minder hebben kunnen profiteren van de democratisering van het onderwijs vormt de complexiteit van de politiek een bijkomende belemmering tot participatie. Ook de toenemende professionalisering van de politieke besluitvorming speelt in het nadeel van ouderen. Elementen die deze professionalisering aantonen zijn onder andere de hogere vergoedingen die worden uitbetaald, en het in voege treden van het cumulverbod. Dit laatste maakt immers dat men van parlementsleden verwacht dat politiek hun beroep is. De ontwikkelingen op gebied van het ‘politieke ambt’ zijn van die aard dat ze de kansen voor ouderen verminderen om een mandaat op te nemen.
Bovendien wordt er wel eens druk uitgeoefend op oudere politici om op te stappen. Dit gebeurt dan vaak vanuit de achterliggende redenering dat op die manier aan jongere generaties een kans wordt gegeven. Hetzelfde proces doet zich voor in het arbeidsleven en dezelfde argumentatie wordt hierbij gebruikt (systemen van vervroegde uittrede zijn in het leven geroepen om de jeugdwerkloosheid tegen te gaan).
Andere structurele factoren die de deelname van ouderen aan politiek beperken zijn armoede en lage inkomens. Ook discriminatie op basis van leeftijd, gender en etniciteit komt voor: leeftijdsdiscriminerende stereotypen beelden ouderen af als zijnde inactief, berustend, en familie-georiënteerd. Aldus veronderstelt men dat ouderen geen interesse hebben in politieke besluitvorming.
Tenslotte, maar niet onbelangrijk, kunnen ook kenmerken eigen aan de structuur van politieke organisaties, bewegingen en partijen de lage deelname van ouderen in de hand werken. Er zijn weinig politieke partijen die een organisationele context voorzien voor ouderen6 (Walker, 1998). Is het ‘aanbod’ voldoende afgestemd op de ouderenpopulatie?

Jonge senioren pieken inzake politieke participatie

Speelt hier eveneens een leeftijdseffect? Dit zou impliceren dat de huidige 55- tot 64-jarigen hun politieke activiteiten zullen opgeven naarmate ze de leeftijd van 65 jaar naderen?
Of… speelt er een generatie-effect? We beschreven de huidige jonge senioren als een generatie die op politiek gebied zeker van zich zou laten horen. Deze generatie is immers hoog opgeleid (hoger dan voorgaande cohorten), op relatief jonge leeftijd vrijgesteld van arbeid, en beschikt over allerlei vaardigheden die van pas komen bij politieke participatie. Deze generatie - de protestgeneratie - is bovendien zo gesocialiseerd dat zij aan ‘meebeslissen’ veel aandacht schenken. Is een hoge politieke participatie eigen aan deze generatie?
Of, een derde mogelijkheid die deze piek inzake participatie zou kunnen verklaren: speelt hier een periode-effect? We formuleren een gedurfde hypothese. De huidige 55- tot 64-jarigen zitten in een historisch belangrijke ‘scharnierperiode’. Personen in deze leeftijdsklasse hebben er alle belang bij om politiek bij te blijven: zij zullen immers net wel of net niet meer kunnen genieten van gunstige exit-routes (vervroegd pensioneren). Deze generatie wil misschien net nu haar belangen verzilverd zien, en heeft nu nog de kans en de mogelijkheid om hier zelf actief aan mee te werken. Vandaar dat zij ook haar eigen situationele redenen heeft om politiek actief te blijven.
Verschillende verklaringen zijn mogelijk. Bovendien is het erg waarschijnlijk dat er zich een combinatie van leeftijds-, generatie- en periode-effecten voordoet.

Besluit

Ouderen zijn, niet enkel omwille van hun omvang, een belangrijke groep met heel wat potentieel tot politieke deelname. Toch stellen we vast dat weinig ouderen (65+) politiek participeren. Jonge senioren daarentegen, de 55- tot 64-jarigen, zijn erg politiek actief. Is deze generatie voorbestemd om de emancipatie van ouderen inzake politieke deelname door te voeren? Of zal zij haar politiek engagement laten varen met het ouder worden?
Zowel het gewijzigde profiel van de - voornamelijk jongere - ouderen (veelal gezond, meer welvarend, hoger opgeleid, veel vrije tijd) als de argumentatie uit de internationale onderzoeksliteratuur (een generatie die gekenmerkt wordt door het belang dat zij toekennen aan processen van ‘meebeslissen’) doen ons vermoeden dat de ouderenpopulatie in de toekomst een politiek actieve groep zal uitmaken. Voorwaarde is dat de politieke partijen en bewegingen dit toelaten: hun houding tegenover de aankomende generatie ouderen is meebepalend en zal een belangrijke factor zijn in het al dan niet aangaan van politieke engagementen door ouderen, ook ná een 65ste verjaardag…

Els De bruyn
Onderzoekster Steunpunt Gelijkekansenbeleid (UA-LUC)

Noten
1/ Meer info over deze schattingen vindt u in: De bruyn Els (2004). ‘Ouderen & Politiek: potentieel en participatie’, in: De bruyn Els (red.), Ouderen & Politiek. Een reader over ouderen en hun politieke participatie op diverse niveaus, over representatie en organisatie, en over hun waardepatronen, Antwerpen p.7-45.
2/ We hanteren hier de grens van 65 jaar, deze is echter arbitrair en berust op conventie.
3/ In ons dagelijks taalgebruik noemen we iedereen die de arbeidsmarkt op latere leeftijd (na zijn/haar 50 jaar) definitief verlaat nogal snel een ‘gepensioneerde’. In werkelijkheid kan men slechts ‘met pensioen gaan’ indien men de officiële pensioenleeftijd van 65 jaar bereikt of indien men vervroegd op pensioen gaat. Vervroegde pensionering is in België mogelijk vanaf 60 jaar. De groep ‘gepensioneerden’ die men echter vaak bedoelt met deze term bestaat uit ‘niet-meer werkenden’ die onder allerlei verschillende statuten vallen, zoals bijvoorbeeld ook vrijgestelde oudere werklozen en bruggepensioneerden. Via deze beide statuten verlaten immers heel wat personen tussen hun 50ste en 60ste definitief de arbeidsmarkt. Een juistere benaming voor deze groep is dus eigenlijk ‘de niet-meer-werkenden’.
4/ Zie bijvoorbeeld het onderzoek van Viriot-Durandal (2003), Chauvel (1999), of Bréchon (1994).
5/ De Administratie Planning en Statitistiek (APS) van de Vlaamse Gemeenschap organiseert sinds 1996 jaarlijks een survey-onderzoek naar de ‘sociaal-culturele verschuivingen in Vlaanderen.’ Deze survey peilt naar waarden, houdingen en gedragingen bij 1500 Vlamingen m.b.t. maatschappelijke en beleidsrelevante thema’s. In 2000 werd een module rond politieke participatie opgenomen in de vragenlijst.
6/ Dit stellen wij ook bij de meeste Vlaamse politieke partijen vast. Op CD&V en Groen! na hebben de politieke partijen in Vlaanderen geen aparte structuren voor ouderen.

Referenties
- Beerten Roeland en Billiet Jaak (1993). ‘Een grijze stem? Politieke houdingen en gedragingen van de bejaarden in Vlaanderen’. In: Cantillon Bea en Vuylsteek Karel (edit.), Ouderen in solidariteit. Congreswerkboek. Zaventem: Kluwer Editorial: 545-561.
- Becker Henk (1992). Generaties en hun kansen. Meulenhoff, 209p.
- Binstock Robert H. en Quadagno Jill (2001). ‘Aging and Politics’ In: Handbook of Aging and the Social Sciences, Fifth Edition, p.333-351
- Boulanger P.M.(1995). ‘Vieillissement et gérontocratie: vrai ou faux problème’, Gérontologie et Société, 74 (10):55-56.
- Depauw Sam (2004). ‘Leeftijd in het selectieproces van politieke kandidaten’. In: De bruyn Els (red.) Ouderen & Politiek. Een reader over ouderen en hun politieke participatie op diverse niveaus, over representatie en organisatie, en over hun waardepatronen, Antwerpen, Steunpunt Gelijkekansenbeleid, p.47-70
- Iecovich Ester (2001). ‘Pensioners’ Political Parties in Israel’. In: Journal of Aging & Social Policy, 13, 3: 87-107.
- Jacobs Thérèse, e.a. (red.) (2004). Op latere Leeftijd. De leefsituatie van 55-plussers in Vlaanderen, Antwerpen: Garant, 347p.
- Reynaert Herwig (2000). Lokale en regionale politiek. Lokale politici in Vlaanderen 1946-1994. Brugge: Vanden Broele.
- Thijssen Peter (2004). ‘Zoals de jongen zingen, zo piepen de ouden? Over de politiek-sociologische kloof tussen jong en oud’ In: De bruyn Els (red.) Ouderen & Politiek. Een reader over ouderen en hun politieke participatie op diverse niveaus, over representatie en organisatie, en over hun waardepatronen, Antwerpen, Steunpunt Gelijkekansenbeleid, p.119-148
- Vandevelde Renaat (2004). ‘Ouderen & Politiek: tussen panter en krokodil…’ In: De bruyn, Els (red.) Ouderen & Politiek. Een reader over ouderen en hun politieke participatie op diverse niveaus, over representatie en organisatie, en over hun waardepatronen, Antwerpen, Steunpunt Gelijkekansenbeleid, p.73-117.
- Viriot-Durandal Jean-Philippe (2003). Le pouvoir gris. Presses Universitaires de France, 512p.
- Walker Alan (1998). ‘Speaking for Themselves: the new politics of old age in Europe.’, in: Education and Ageing, 13, 1: 13-36.

vergrijzing - politieke vernieuwing

Samenleving & Politiek, Jaargang 11, 2004, nr. 9 (november), pagina 30 tot 37