Abonneer Log in

De muur in Palestina

Samenleving & Politiek, Jaargang 11, 2004, nr. 10 (december), pagina 50 tot 53

Isaak Newton merkte ooit op dat ‘mensen te veel muren en niet genoeg bruggen bouwen.’ Zijn woorden blijken pijnlijk actueel met betrekking tot het Israëlisch-Palestijns conflict. Als het aan de Israëlische regering lag, ommuurde ze de Palestijnse gebieden volledig en blies ze hierdoor alle symbolische bruggen tussen Israëli’s en Palestijnen op. In juni 2002 startte Israël met de bouw van een ‘veiligheidshek’ op de Westelijke Jordaanoever. Dit project is echter een regelrechte aanfluiting van het internationaal recht en zal de doodsteek voor de oprichting van een leefbare en onafhankelijke Palestijnse staat zijn. Ondanks de wereldwijde kritiek, wijkt de Israëlische regering niet.

Veiligheidshek of apartheidsmuur?

Bij de Oslo-Akkoorden van 1993 schaarde Israël zich achter ‘het land voor vrede’-principe. Het zou de bezetting geleidelijk stopzetten en zich tegen 1999 terugtrekken uit de Palestijnse gebieden. Tien jaar later heeft Israël zijn controle over de Palestijnse gebieden echter opgevoerd. Dit gebeurde onder meer via de afgrendeling van de Palestijnse gebieden. De meest extreme vorm van dit afgrendelbeleid is het plan om de Palestijnse gebieden volledig te ommuren. Direct na de Oslo-Akkoorden nam dit concrete vorm aan toen de Israëlische regering een afsluiting rond de Gazastrook bouwde. Israël wilde hiermee zijn economische en militaire controle over de Gazastrook verhogen. Daarnaast wilde het de toegang van Gazanen tot zijn grondgebied en de Westelijke Jordaanoever beperken. Het was ook een eerste stap in de richting van een demografische scheiding tussen Israëli’s en Palestijnen.
In juni 2002 startte de Israëlische regering bovendien met de bouw van een Muur op de Westelijke Jordaanoever. Om de veiligheid van de Israëlische burgers te garanderen, zou er geen andere keuze resten dan dit ‘veiligheidshek’ op te richten. In tegenstelling tot wat de Israëlische regering beweert, gaat het echter niet over een hek rond de Westelijke Jordaanoever, maar over een gigantische constructie pal in dit gebied. Op sommige plaatsen staat er een acht meter hoge betonnen muur, op andere een elektronisch hekken omgeven door grachten en scheermesdraad. De gemiddelde breedte van de constructie is 60 meter. De Muur bevindt zich evenmin op de Groene Lijn, de wapenstilstandgrens van 1949, maar ten oosten ervan. Hierdoor annexeert Israël de facto Palestijnse grond.
De kritiek dat Israël met dit project de geopolitieke kaart van de Palestijnse gebieden wil wijzigen en definitieve grenzen probeert vast te leggen, wuift het weg met het argument dat het ‘veiligheidshek’ een noodzakelijke en slechts tijdelijke maatregel is. Dit lijkt echter onwaarschijnlijk, gezien Israël voor dit project kosten noch moeite spaart. Aan het project hangt een prijskaartje van 1,6 miljoen dollar per kilometer. Bovendien blijken ‘tijdelijke Israëlische maatregelen’ in de praktijk bijna altijd permanent te zijn. Het beste bewijs hiervoor is dat de meeste Israëlische nederzettingen aanvankelijk ‘tijdelijke buitenposten’ waren.
Met de Muur geeft Israël de doodsteek aan de toekomstige Palestijnse staat. Met een geschatte lengte van 650 kilometer, zal de Muur de Westelijke Jordaanoever in een noordelijke en zuidelijke helft opdelen en de Palestijnse dorpen en steden van elkaar isoleren. De Palestijnse bevolking zal geen toegang meer hebben tot Oost-Jeruzalem en haar leefruimte beperkt zien tot ongeveer 45 procent van de Westelijke Jordaanoever. Indien de Israëlische regering haar plannen doorzet, komt er nog een oostelijke muur van 350 kilometer bij.
Voor de Palestijnen bestaat er geen twijfel over dat Israëls drijfveer niet veiligheid, maar wel de annexatie van Palestijnse grond is. Bij de aanvang van de werkzaamheden lanceerde een aantal organisaties van het Palestijnse middenveld dan ook een campagne tegen deze ‘Apartheidsmuur’. Deze Palestijnse organisaties waren de eersten om ervoor te waarschuwen dat Israël met de bouw van de Muur het proces van afgrendelingen en ‘bantustanisering’ van de Bezette Gebieden op de spits wil drijven. Voor de Palestijnse burgers heeft hun verzet tegen de Muur veel weg van de strijd tegen de Apartheid in Zuid-Afrika. Het is een strijd om fundamentele politieke en mensenrechten, gelijkheid en waardigheid. Vanzelfsprekend gaat die gepaard met de strijd om grond, water en een staat.
De eerste fase van de Muur in het noorden van de Westelijke Jordaanover, 200 kilometer, is reeds klaar. Momenteel wordt er gewerkt aan de tweede fase, onder meer rondom Jeruzalem. De gevolgen van de Muur op de Palestijnse maatschappij zijn niet te overzien. Commerciële centra zoals Qalqilya en Tulkarem zijn volledig ommuurd. De economische activiteit stelt er niets meer voor. Ongeveer 15 omliggende dorpen worden afgesneden van hun landbouwgrond ten westen van de muur. Uitgerekend in het noorden, ‘de voedselmand van Palestina’, is de grond bijzonder vruchtbaar. Milieuorganisaties maken gewag van een ecologische ramp, omdat de grond niet meer kan bewerkt worden en de Palestijnen hun belangrijkste watervoorzieningen verliezen. Er wordt tevens gevreesd dat de Israëlische regering zich zal beroepen op een Ottomaanse wet om de grond ‘legaal’ te annexeren. Die wet bepaalt dat indien het land drie jaar niet gebruikt wordt, de grond bezit wordt van de sultan, in dit geval de Israëlische staat.
De bewegingsvrijheid van de Palestijnse burgers, of ze nu ten oosten of ten westen van de Muur wonen, wordt nog verder aan banden gelegd. Toegang tot onderwijs, werk, ziekenzorg en andere faciliteiten wordt ernstig bemoeilijkt. Het Israëlische leger verklaarde het gebied tussen de Muur en de Groene Lijn tot ‘gesloten zone’ waar enkel de personen met een speciaal pasje, door het leger verleend, zich mogen begeven. Zelfs met een pasje, wordt de toegang beperkt door ‘landbouwpoorten’ die vaak slechts vijftien minuten per dag open zijn.

| | |

Internationale kritiek op de expansiedrang van de Israëlische regering

Israël aanvaardt officieel een tweestatenoplossing. Conform VN-resolutie 242 zal de toekomstige Palestijnse staat worden opgericht op de Gazastrook en de Westelijke Jordaanoever, met Oost-Jeruzalem als hoofdstad. Desondanks blijft Israël zijn militaire greep op de Palestijnse gebieden vergroten en de nederzettingenexpansie opdrijven. Het is ook niet van plan zijn internationaal rechterlijke verplichtingen in de toekomst na te leven. Voormalig premier Barak bevestigde dit tijdens een interview op de Israëlisch televisie in 1998. ‘Er moet een fysieke scheiding met de Palestijnen komen. We hebben behoefte aan vrede en een afscherming. Jeruzalem zal eeuwig onder Israëls soevereiniteit staan. Punt. Ten tweede is er geen sprake van een terugtrekking tot de grenzen van 1967.’1
Met de bouw van de Muur maakt Israël niet alleen de oprichting van een leefbare en soevereine Palestijnse staat onmogelijk. Bovendien schendt het de mensenrechtenverdragen en het internationaal humanitair recht. Als bezettende macht heeft Israël duidelijke verplichtingen volgens het internationaal humanitair recht. In weerwil van de uitspraken van het Internationale Comité van het Rode Kruis en de internationale gemeenschap, weigert Israël de Vierde Conventie van Genève toe te passen in de bezette Palestijnse gebieden. Opeenvolgende Israëlische regeringen weigerden in te staan voor de bescherming van de Palestijnse burgerbevolking en stelden haar bloot aan agressie en collectieve straffen. Bovendien bouwden ze op grote schaal joodse nederzettingen in de Bezette Gebieden. De bouw van de Muur is de negatieve climax van Israëls schendingen van het internationaal recht.
De Algemene Vergadering van de Verenigde Naties verklaarde in oktober 2003 dat de bouw van de Muur in strijd is met internationaal recht. ‘De bouw van de muur in bezet Palestijns gebied, inclusief Oost-Jeruzalem, moet worden beëindigd en teruggedraaid. De muur wijkt af van de Bestandslijn van 1949 en is strijdig met relevante bepalingen van het internationale recht.’ De lidstaten van de Europese Unie steunden deze resolutie maar onthielden zich bij de stemming van de volgende resolutie in december 2003. De Algemene Vergadering vroeg toen het Internationaal Gerechtshof in Den Haag een advies over de juridische gevolgen van Israëls bouw van de Muur in Palestijns gebied. Sommige lidstaten van de Europese Unie meenden dat het Hof buiten deze kwestie moet worden gehouden omdat zij een politieke oplossing behoeft.
Toch maakte het Internationaal Gerechtshof in Den Haag op 9 juli zijn advies over de Muur bekend. Het stelde dat de Muur en zijn geassocieerde regimes een schending van het internationaal recht zijn en dat de Muur in de Palestijnse gebieden moet worden afgebroken. Het advies is niet bindend. Toch is het een mijlpaal in het Israëlisch-Palestijns conflict. Het Hof weerstond aan de politieke druk en bewees dat de Muur geen politieke maar een juridische kwestie is. Bovendien plaatst het advies de kwestie in een bredere context en toont hoe de Muur en de nederzettingenbouw de demografie van de Bezette Gebieden verandert. Het advies somt Israëls verplichtingen op en belicht het toepasbare recht: de relevante VN-resoluties, de Vierde Conventie van Genève en de mensenrechtenverdragen. Tot slot is dit advies meer dan een herhaling van de rechtsregels: het is een toepassing van het internationaal recht. Het Hof stelde de internationale gemeenschap mee verantwoordelijk voor de afdwinging ervan: ‘alle staten zijn verplicht de illegale situatie die ontstaat door de bouw van de Muur te erkennen.’
De Algemene Vergadering gaf gevolg aan het advies in een resolutie van 20 juli 2003. Hierin riep ze Israël op, het advies van het Internationaal Gerechtshof te respecteren. Uiteraard kantten de Verenigde Staten en Israël zich tegen deze resolutie. Ondanks de zware politieke druk schaarden de lidstaten van de Europese Unie zich achter de resolutie. De internationale gemeenschap zond een duidelijk signaal dat het respect voor het internationaal recht, ook in de huidige wereld, moet gewaarborgd blijven. Dit is van cruciaal belang voor de Palestijnen, wier rechten de afgelopen decennia onophoudelijk werden geschonden. Bijna unaniem bevestigt de wereldgemeenschap niet alleen dat het recht op zelfbeschikking van het Palestijnse volk legitiem is, maar ook dat Israël dit ondermijnt.

De alternatieve weg naar veiligheid

De Israëlische bevolking heeft vaak geen weet van de tragedies die schuilgaan achter de bouw van de Muur. De meerderheid van de Israëli’s meent dat veiligheid een rechtvaardiging is voor het onrecht dat de Palestijnse bevolking wordt aangedaan. Een veelgehoord argument is dat ‘ het recht van Palestijnse burgers op bewegingsvrijheid, ondergeschikt is aan het recht van Israëlische burgers op leven.’ Veel Israëlische burgers zijn ervan overtuigd dat er geen alternatief is en dat enkel de Muur voor veiligheid kan zorgen. Bijgevolg bieden ze geen weerstand tegen de plannen van de Israëlische regering.
Nochtans bestaat er wel degelijk een alternatief. Verschillende Israëlische en Palestijnse ngo’s en hun partners wereldwijd roepen op tot het stopzetten van de bouw van de Muur en de bezetting. Hierbij plaatsen ze het respect voor het internationaal recht centraal. Ze proberen de Israëlische bevolking en de internationale gemeenschap duidelijk te maken dat veiligheid voor Israëlische burgers niet tot stand kan komen door de massale opsluiting van Palestijnse burgers. Enkel het respect voor het internationaal recht kan tot een duurzame en rechtvaardige vrede in Israël en Palestina leiden.

Brigitte Herremans
Medewerker Midden-Oosten Pax Christi Vlaanderen en Broederlijk Delen

Noot
1/ Barak op een televisie interview op de Israëlische zender Kanaal 1, 27 december 1998.

Israël - Palestina

Samenleving & Politiek, Jaargang 11, 2004, nr. 10 (december), pagina 50 tot 53