Abonneer Log in

De crisis van de vrije meningsuiting

Een commentaar op Jan Blommaert

Samenleving & Politiek, Jaargang 12, 2005, nr. 1 (januari), pagina 15 tot 18

Met de teneur van het artikel van Jan Blommaert, de crisis van de vrije meningsuiting, heb ik enige moeite. Misschien valt dat te verklaren uit de verschillende toestanden waarin onze beider landen zich bevinden. Ik begrijp dat Blommaert schrijft tegen de achtergrond van een groeiende aanhang van het Vlaams Blok (nu Vlaams Belang), ondanks veroordelingen door de rechter die de Belgische justitiële autoriteiten weer het verwijt hebben opgeleverd maatregelen te nemen die in strijd zijn met de vrijheid van meningsuiting.

In Nederland is de situatie iets anders. Hier is op 2 november de schrijver en filmmaker Theo van Gogh op straat doodgeschoten door een jihad-strijder, een zekere Mohammed B. Daarbij is door de dader ook nog geprobeerd het slachtoffer te onthoofden, maar dat is niet gelukt. Op het lijf van Van Gogh was met een mes een doodsbedreiging bevestigd aan het adres van de liberale politica Hirsi Ali. ‘De moord op Theo van Gogh werd gezien als een aanslag op de vrije meningsuiting uitgevoerd door Islamitische godsdienstfanaten’, schrijft Blommaert. Dat ‘werd gezien’ kan iets duidelijker: niets wijst erop (helaas) dat men het anders kan zien. Natuurlijk is iedereen verdachte totdat zijn schuld is bewezen. Maar de vastgespietste verklaring, de vele getuigen op klaarlichte dag, de wijze waarop de arrestatie tot stand kwam - het levert allemaal weinig onduidelijkheid op ten aanzien van de wijze waarop Van Gogh is vermoord en de motieven die aan de aanslag ten grondslag lagen.
Wel wordt nog gespeculeerd over de vraag of de aanslag op Van Gogh ook zou zijn gepleegd wanneer hij niet met Ayaan Hirsi Ali de film Submission had gemaakt, een aanklacht tegen vrouwenonderdrukking die wordt gesanctioneerd door de koran. Zou Van Gogh ook op basis van zijn eigen islamkritiek zoals geuit in zijn columns vermoord zijn? En hoe groot is het netwerk, de zogenaamde Hofstadgroep, achter Mohammed B? Inmiddels zijn op 10 november ook twee andere verdachten opgepakt vanwege het beramen van een liquidatiepoging op de Amsterdamse burgemeester Job Cohen en wethouder Ahmed Aboutaleb.
In Nederland is dus islamkritiek bestraft met niets minder dan de dood, zoals twee jaar eerder politieke kritiek (van de toenmalige politicus Pim Fortuyn) was beëindigd met een politieke liquidatie (overigens niet door moslimfundamentalisten, maar door een radicale milieuactivist). De intellectueel en ondernemer Paul Frentrop formuleert het treffend als volgt. Van Gogh is helemaal niet vermoord om de meningen die hij uitte, schrijft Frentrop. ‘Hij had iedereen in Nederland weleens beledigd, maar hij is vermoord om slechts één meningsuiting: hij had kritiek op de islam geleverd. Alleen dat bleek levensgevaarlijk.’1
Misschien verklaart deze achtergrond een verschil van mening over wat nu het meest geboden is. Naar mijn idee geen uitvoerige beschouwingen over wat wel en niet behoorlijk is om te schrijven. Natuurlijk worden vele dingen geschreven die onfatsoenlijk zijn. Dat gebeurde ook door Theo van Gogh. Hij schreef ook ‘godslasterlijke’ stukken. Maar daarop staat volgens art. 147 van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht drie maanden gevangenisstraf en niet de doodstraf, opgelegd door private organisaties van jihadstrijders.
Blommaert schrijft dat hij ‘weigert’ fundamentalisme te ‘beperken tot moslims.’ Maar dat verlangt ook niemand van hem. Er bestaat joods fundamentalisme, christelijk fundamentalisme en ander fundamentalisme. IJverige fundamentalisme-detectoren hebben hier in Nederland zelfs ‘verlichtingsfundamentalisme’ geconstateerd. Het probleem is alleen dat een bepaald soort fundamentalisme jihadkrijgers op pad stuurt, terwijl bijvoorbeeld het christelijk fundamentalisme in de Verenigde Staten zich beperkt tot een discussie over de vraag of Genesis met de evolutietheorie verenigbaar is. Kortom: het gaat om het geweld. Welk soort fundamentalisme resulteert in geweld?
Dat brengt mij op een ander punt uit de bijdrage van Blommaert, namelijk de vraag waar de grenzen liggen van de vrijheid van meningsuiting. Zijn bijdrage is naar mijn idee enigszins verwarrend omdat hij geen duidelijk verschil maakt tussen juridische grenzen en grenzen van fatsoen. Niet alles wat onfatsoenlijk is moet bij wet worden verboden. De juridische grenzen moeten naar mijn idee liggen bij de clear and present danger test. Dat wil zeggen: als in bepaalde uitingen wordt opgeroepen tot fysiek geweld tegenover anderen, dan ligt daar een juridische grens voor de vrijheid van meningsuiting. Die grens is, voorzover mij bekend, nog niet door Theo van Gogh overschreden. Maar ayatollah Khomeiny overschreed die wel toen hij in 1989 middels een fatwa publiekelijk bekend maakte dat Salman Rushdie zou moeten worden gedood.
Omdat in het opstel van Blommaert fatsoengrenzen en juridische grenzen niet duidelijk uit elkaar worden gehouden, passeert een waaier van uitingen bij hem de revue die variëren van schelden, belediging, laster, liegen, discriminatie, onwaarheden spreken, onverstandige dingen zeggen enzovoorts. Dat zijn allemaal zeer verschillende zaken en die zou men ook verschillend moeten benaderen. Blommaert hanteert naar mijn smaak een totaal verkeerd criterium wanneer hij de kern van zijn betoog als volgt weergeeft. ‘De kern van de zaak is dat vrije meningsuiting een kwalitatieve dimensie heeft, één die noodzakelijk onderscheiden inhoudt tussen ‘goede’ en ‘slechte’ meningen. Om het cru te stellen: niet elke mening verdient het van publiek vrij geuit te worden.’
Deze laatste uitspraak lijkt mij zeer problematisch. Natuurlijk is aan elke meninguiting een kwalitatieve dimensie verbonden. Het probleem is alleen dat over die kwaliteit door onderscheiden mensen nogal verschillend wordt gedacht. In de 19e eeuw werd de stelling van Darwin dat de mens zijn wortels heeft in het dierenrijk een meningsuiting geacht die kwalitatief van bedenkelijk allooi was. En datzelfde gold voor de theorie over het heliocentrisch wereldbeeld, zoals voorgestaan door Copernicus of Galileo. De wetenschap is eigenlijk één lange discussie over de vraag wat de ‘goede’ en de ‘slechte’ meningen zijn. Daaruit heeft men na heel lang zoeken aan de staat of aan de kerk de bevoegdheid te hebben gegeven op voorhand de goede van de slechte meningen te onderscheiden, de conclusie getrokken dat meningen in beginsel vrij moeten zijn. Noch de kerk, noch de staat, noch privéburgers past het van tevoren (verbod op censuur) een effectief verbod op het uitvaardigen van meningen hoog te houden. In de botsing der meningen zal de waarheid wel boven komen borrelen. Dat is het systeem zoals onder ander ontwikkeld is door John Stuart Mill in On Liberty (1859) en dat mij grofweg nog steeds richtinggevend lijkt voor de moderne tijd.
Tot slot nog dit. In het opstel van Blommaert wordt kritisch geschreven over bepaalde meningsuitingen die niet alleen bescherming verdienen door de clear and present danger test, maar die ik bovendien ook tamelijk verstandig vind. Ik geef twee voorbeelden.
De eerste betreft een uitspraak van De Gucht die zou hebben gezegd (ik heb alleen Blommaert als bron) dat hij in Congo weinig indrukwekkende politici heeft ontmoet. Blommaert noemt deze uitspraak ‘een dwaze etnocentristische uitspraak, geen waarheid.’ Nu ben ik nooit in Congo geweest. Ik heb geen idee hoe het staat met de kwaliteit van de politici daar. Maar de enige adequate reactie op de uitspraak van De Gucht lijkt mij het produceren van een lijst van indrukwekkende politici in Congo. Kortom: these en antithese, maar probeer niet bepaalde meningen te brandmerken als ‘etnocentristisch’ en zo het debat over een wellicht interessante kwestie te ontlopen.
Een tweede uitspraak waaraan Blommaert zich stoort is die van Dewael die zou hebben gezegd (opnieuw: mijn enige bron is Blommaert) dat de ‘Islam als cultuur inferieur is aan de onze.’ Blommaert noemt dat een ‘domme, zinloze uitspraak, geen waarheid’ en vergelijkt deze blijkens het vervolg van zijn betoog met ‘dwaze uitspraken, leugens en beledigingen.’
Ten aanzien van dit laatste punt zijn drie posities mogelijk. (1) Onze cultuur is superieur aan die van de islam. (2) De cultuur van de islam is superieur aan die van ons. (3) De cultuur van de islam en die van ons zijn intrinsiek aan elkaar gelijkwaardig.
De laatste positie is die van het cultuurrelativisme. Dat is een politiek correct geloofsartikel geworden, maar intellectueel volslagen onhoudbaar. Het is trouwens ook onhoudbaar in het licht van de door Blommaert zelf onderschreven principes. Als hij beweert dat niet elke mening het verdient vrij te worden geuit. Als hij een onderscheid wil maken tussen goede meningen en slechte meningen. Als hij voorhoudt dat sommige dingen waar zijn en andere verkeerd. Dan kan dat allemaal alleen maar wanneer hij het relativisme en ook het cultuurrelativisme verwerpt. De stelling dat alle culturen gelijkwaardig aan elkaar zijn, leidt ook tot de absurde consequentie dat we de nazi-cultuur gelijkwaardig moeten verklaren aan die van het renaissancistisch Florence.
Wat dus overblijft, is een keuze tussen positie 1 en positie 2. Positie 2 wordt beleden in bijna alle islamitische landen en, zo lijkt het, door sommige westerse intellectuelen die een zeer negatieve kijk hebben op de westerse cultuur (wellicht Edward Saïd of Noam Chomsky). Positie 1 is die van de Europese Unie wanneer men bepaalde toetredingsvereisten stelt voor lidmaatschap. Het is ook de positie van elke politicus die niet het Wetboek van Strafrecht wil vervangen door de sjaria. Het is ook de positie van vele liberale moslims die bepaalde delen van hun religieuze erfenis herinterpreteren tegen de achtergrond van het moderniseringsproces. Ik denk eigenlijk ook dat het de positie is van Blommaert.
Hoe komt het dan dat Blommaert zo heftig reageert op een alleszins verdedigbaar standpunt? Ik denk omdat hij (en velen met hem) reageren op een suggestie die zij denken dat besloten ligt in de stelling dat de islamitische cultuur inferieur is aan die van het westen. Die suggestie is dat ook moslims daarmee als mensen of als burgers inferieur zouden zijn aan westerse burgers. Dat is echter bepaald niet het geval. Een van de verworvenheden van een vrije samenleving is dat men daar met elkaar van mening kan verschillen over wereldbeschouwingen en politieke ideologieën zonder dat men elkaar als mens behoeft te verketteren of als minderwaardig behoeft te beschouwen. Een christen zal het christendom superieur achten aan de islam. Ware het anders, dan werd die christen wel moslim. Een liberaal zal het liberalisme superieur achten aan het socialisme. Ware het anders, dan werd hij wel socialist. Maar een christen is als mens of als burger niet superieur aan de moslim, net zomin als een liberaal als mens of als burger superieur is aan een socialist.
Een andere suggestie die volgens sommigen besloten ligt in de superioriteit van de westerse cultuur boven de islamitische is dat men denkt dat daarmee westerlingen zich trots en arrogant zouden mogen gedragen tegenover moslims. Maar opnieuw: daarvoor is geen enkele rechtvaardiging. Het overgrote deel van de westerlingen heeft geen enkele significante bijdrage geleverd aan wat we de westerse cultuur noemen. De modale westerse burger heeft geen schilderijen geschilderd zoals die van Rubens; geen wetenschappelijke wetmatigheden geformuleerd, zoals Newton; geen satire geschreven, zoals Voltaire; geen symfonieën gecomponeerd zoals Beethoven. Je moet een stelling als ‘ik vind de westerse cultuur superieur aan de islamitische’ vergelijken met een stelling als ‘ik ga liever naar Spanje op vakantie dan naar Italië.’ Dat laatste geeft alleen maar aan dat je op vakantie liever vertoeft in Spanje dan in Italië en het eerste geeft aan dat je het gehele jaar door liever in Frankrijk leeft dan in een land als Pakistan of Iran.
Nu moet ik wel toegeven dat dit laatste een moeilijk uit te leggen verhaal is. Je hebt wat woorden nodig en een redelijk ontwikkelingsniveau van degene tot wie je de boodschap richt. Daarom zou ik iedereen aanraden de stelling van de superioriteit van de westerse cultuur eventueel alleen te verdedigen in boeken, in artikelen in vaktijdschriften, maar niet voor de televisie.

Paul Cliteur
Publicist en rechtsfilosoof verbonden aan de universiteit Leiden

Noot
1/ Frentrop Paul, ‘Harde woorden aan zachte krachten’, in: HP/De Tijd, 3 december 2004.

vrije meningsuiting - Vlaams Belang - VB - Islam - Theo Van Gogh

Samenleving & Politiek, Jaargang 12, 2005, nr. 1 (januari), pagina 15 tot 18