Abonneer Log in

De 'kwalitatieve dimensie' van de vrijheid van meningsuiting

Samenleving & Politiek, Jaargang 12, 2005, nr. 1 (januari), pagina 35 tot 40

‘Ja maar’

Het lezen van Blommaerts essay over ‘de crisis van de vrijheid van meningsuiting’, verschenen in het decembernummer van dit tijdschrift, verrast. Niet het minst omdat de auteur kennelijk de ‘ja maar’-redenering heeft overgenomen. In dit geval: ‘ja’ ik ben voor de vrijheid van meningsuiting ‘maar’ niet voor alle meningen.
Blommaert wenst immers aan de vrijheid van meningsuiting een nieuwe dimensie toe te voegen; een kwalitatieve dimensie die ‘noodzakelijk onderscheiden inhoudt tussen ‘goede’ en ‘slechte’ meningen.’ De auteur voegt er nog aan toe: ‘om het cru te stellen: niet elke mening verdient het van publiek vrij geuit te worden.’ Aangezien in deze ‘laissez parler laissez passer’- en ‘alles moet toch kunnen’-maatschappij ieder zijn mening kan uiten, zijn er, aldus de auteur, criteria nodig die ‘waarheid van onzin onderscheiden, simplisme van noodzakelijke nuance, nuttig van nutteloos enzovoort.’
Uiteraard zijn de media alweer de kop van Jut - schuldig bevonden aan het aanhoren en opzoeken van het ‘geraaskal’ van onder meer de gewone man. Een criminele houding die evenwel niet verhindert dat Blommaert zelf een mediageniek man is. Kennelijk is de minachting voor de media onvoldoende groot om er zijn medewerking aan te weigeren.
Hoe absoluut is overigens het dédain tegen de (meningen van de) gewone man? Geldt dat ook - bijvoorbeeld - voor de reportages van August De Winne, toen deze journalist van Le Peuple in 1901 door ‘arm Vlaanderen’ trok en er de arbeiders interviewde? Geraaskal? Helaas niet, hoewel de patroons zekerlijk vonden van wel. Zouden de standpunten van de arbeiders toen voldaan hebben aan de geldende kwalitatieve dimensie die een mening dan moest kenmerken? Zonder twijfel niet.

Pravda-criteria

In alle eerlijkheid: ik kan bij het lezen van het essay een rilling niet onderdrukken. Zo ben ik er niet (meer) van overtuigd dat Blommaert inderdaad gekant is tegen elke vorm van totalitarisme. Zijn pleidooi voor de invoering van een kwaliteitsdimensie neigt andermaal naar een verplicht conformisme in zeggen en doen waarbij meningen slechts aanvaardbaar zijn op voorwaarde dat zij aan een aantal - allicht zijn - Pravda-criteria voldoen. Om dit te aanvaarden is het vrijdenken en vrijspreken mij evenwel te lief. Om het schertsend te stellen; misschien deel ik voortaan wel de mening van Blommaert, dat en effet niet élke mening het verdient van publiek geuit te worden.
Blommaert past ook in dit essay de werkwijze toe waarbij, in dit geval, aanvankelijk aan de hand van enkele ‘onweerlegbare’ parallelle feiten, gewezen wordt op het inconsistente optreden tegen deze feiten. De vrijheid van meningsuiting ten aanzien van joden is inderdaad kleiner dan de vrijheid van meningsuiting ten aanzien van moslims. Tenminste indien abstractie wordt gemaakt van tijd en ruimte. In het ‘christelijke’ Westen werd in de paasliturgie, niet zo heel lang geleden, nog over de ‘perfide joden’ gesproken, en in de Arabische wereld is grosso modo het tegenovergestelde waar: daar is net de vrijheid van meningsuiting ten aanzien van de joden het grootst.
Als vandaag bepaalde meningen gemakkelijker geuit kunnen worden, hoewel zij naar uw en/of mijn kwaliteitscriteria intrinsiek verwerpelijk zijn, is dat net door de tijd en ruimte waarin wordt geleefd. Daarom kunnen Filip Dewinter en consorten vandaag onbevreesd zeggen dat zij zich niets zullen aantrekken van een juridische veroordeling, terwijl een moslimse scherpslijper zonder banvloeken niet kan zeggen dat hij alle wetgeving ondergeschikt acht aan de (zijn) goddelijke oekazen.
Kortom, wat een individu of groep in meningsvrijheid vermag is relatief, en veranderlijk. Ook meningen zijn, zoals alles, aan modes en conventies onderworpen, en net daarom kunnen twee gelijklopend uitgewerkte en geuite meningen volstrekt verschillend worden behandeld. Zo bestaat het dat een hip maandblad zich onbeschroomd, achtereenvolgens, Mao en Deng kan noemen, maar dat geen respectabel letterbedrijf er zal aan denken om zijn glossy Stroessner of Benito te dopen. Met zo’n naamkeuze beperk je hic et nunc immers drastisch je eigen doelgroep.

Een keurmerk voor meningen

Je kan je uiteraard storen aan deze dubbelzinnigheid in reacties op wat eenieder mag doen en zeggen, je ertegen verzetten, of erin berusten.
Het pleit voor Jan Blommaert dat hij niet berust. Andersom mag dit geen vrijgeleide betekenen voor intellectueel freewheelen en juridisch krompraten. In elk geval heeft Blommaert, naar mijn mening, ongelijk als hij beweert dat niet elke mening een waarheid vertolkt. Zij vertolkt minimum minimorum de waarheid van de spreker - zijn waarheid.1 Ik zie dan ook niet in op welke wijze aan deze subjectieve waarheid een kwalitatieve dimensie kan worden gekoppeld, zonder in radicalisme en dogmatisme te vervallen. Is het Blommaert overigens al opgevallen dat hij, door zijn pleidooi voor een kwalitatieve, en dus begrensde, meningsvrijheid in extremisme het Vlaams Belang evenaart, misschien zelfs passeert? Deze laatste zegt immers totnogtoe enkel (te weten) wat wij zouden denken. Blommaert daarentegen wenst ook te bepalen wat we zeggen.
Op welk leerstellig gezag zullen de criteria voor zo’n meningskeurmerk gebaseerd zijn? Blommaert wenst opnieuw het onderscheid te durven aangeven ‘tussen prietpraat en ernst, een ernstige beschuldiging en een gratuite belediging, een deugdelijke analyse en een reeks impressies.’ Je hoeft echt geen kei in geschiedenis te zijn om hier meteen het gevaar van in te zien. Hoeveel mensen zijn er niet gemarteld, verbannen, gebroodroofd en ‘gebrandstapeld’ net omdat zij, naar mening van de keurmeesters, de grens tussen prietpraat en ernst, analyse of impressie met voeten hebben getreden? En hoeveel van hen zijn er post mortem niet gerehabiliteerd, gelauwerd en vereerd door de nieuwe keurmeesters van het nieuwe gezag of, horresco referens, door de bestendigde, stoelvaste keurmeesters van het nieuwe gezag? Wie maakt, kortom, het onderscheid tussen waarheid en leugen?

Het Tourettegedrag van Theo van Gogh

Hoewel de moord op Theo van Gogh op het eerste gezicht slechts de insteek vormt voor het essay, en Blommaert onmiddellijk als disclaimer toevoegt dat ‘een moord onder geen enkele omstandigheid goed te praten valt’ - neen? - komt op het eind van het essay de aap toch maar mooi uit de mouw.
Zonder namen noemen worden ‘functionele beledigers’ terechtgewezen. Wie een publiek forum wenst, zou dit slechts mogen krijgen, aldus de auteur, op basis van onderbouwde en redelijke argumenten, en niet om navelstarend zijn kleingeestige, unisono persoonlijke ergernisjes te spuien om zo met het eigen ego per se de hele samenleving wakker te houden. Kortom, Theo moet niet klagen. Hij heeft het toch zelf gezocht?

Kretologie zonder argumentatie

Brengt de invoering van een kwaliteitslabel dan soelaas? Ervan uitgaande dat bij zo’n labeling de meninkjes van Theo van Gogh niet voor consumptie vatbaar worden verklaard is het antwoord volmondig ja. Met Blommaerts meningskeurmerk wordt iemand slechts monddood gemaakt, niet dood gemaakt. Hoewel dat soms tot lijfsbehoud zal leiden, voor de betrokkene(n) uiteraard een wereld van verschil, blijft dit wel een preventieve censuur. En dat is nou net wat de founding fathers van de Westerse democratieën wensten uit te bannen.
Voor alle duidelijkheid. Het functioneel beledigen van, among others, Theo van Gogh is niet mijn ding. Kretologie, en plein public, zonder argumentatie ligt mij niet echt.
Wat mij wel stoort is dat de kritiek op de functionele belediging als techniek erg selectief is. Heeft u Blommaert gehoord toen Van Gogh, tijdens zijn toch ‘lange’, recalcitrante carrière als columnist, andere doelgroepen of individuen aan de paal heeft genageld? Toen de VLD’ers Patrick Dewael en Guy Verhofstadt ons aller vriend Filip Dewinter klaarlijk voor ‘onvervalste fascist’ uitscholden (om dan verder ten gronde niets tegen deze ‘fascist’ en zijn politieke gouwvrienden te ondernemen)?2 Of als hun partijgenoot Karel De Gucht de Blok-Belangers collectief als mestkevers kwalificeerde (om dan eveneens in lethargie te verkwijnen)? Of om nog enkele voorbeelden van boven de Moerdijk te kiezen; heeft u Blommaert gehoord toen de Rotterdamse iman Khalil el-Moumni homoseksualiteit een besmettelijke ziekte noemde, en Europeanen lager inschatte dan honden en varkens omdat zij homoseksualiteit toestaan? Of toen een groepje Haagse ‘undergroundrappers’ in een liedje Ayaan Hirsi Ali ‘verbaal molesteerde’ en bedreigde deze ‘kankerbitch, kankerhoer, kankerstrontvlek’ - ik citeer maar! - in mootjes te hakken.
Ik in elk geval niet.
Ben ik dan simplisties als ik besluit dat functioneel beledigen soms ontoelaatbaar, soms laakbaar, en soms aanvaardbaar is al naargelang de spreker, het onderwerp, en de beledigde? En wie stelt dan hiervoor de norm? Blommaert? Van Gogh? Dewinter? Ik (ja!)? Of een plebisciet van gewone mannen en vrouwen?

‘Tussen waarheid en leugen’

Ter ondersteuning van zijn pleidooi beroept Blommaert zich op heel wat juristerij. Zonder enige pretentie past het, kort, om hierop terug te komen. Los van een algemene (abstracte, want in de rechtsleer zeer bediscuteerde) preventieve werking van een strafmaatregel heeft de wettelijke potpourri waarnaar Blommaert verwijst, en waarin het concept van meningen overigens wel erg ver wordt uitgerekt, tot doel om gepleegde misdrijven te bestraffen. Zo is er eerst de vrijheid van meningsuiting, en pas dan zal de geuite mening getoetst worden aan een aantal wettelijke criteria die een inperking van deze vrijheid impliceren. De toetsing gebeurt dus a posteriori, als ‘het kwaad’ al is geschied. En zo hoort het ook in een - grote woorden, ik besef het wel - democratische rechtsstaat.
En dat brengt mij meteen bij mijn, bijna, laatste bedenking. Wie in een goed werkende - helaas niet immer feilloze - democratische rechtsstaat zoals de Belgische, of de Nederlandse, moeite heeft met publiek geuite standpunten beschikt hiertegen, zoals Blommaert zelf aangeeft, al over een heel arsenaal van juridisch vuurwerk. Weergaloos geweld evenwel als reactie op een mening, zelfs indien zij geuit wordt in een laag-bij-de-grondse vorm als de ‘functionele belediging’, blijft een zorgelijke, en onaanvaardbare evolutie. Het getuigt van lankmoedigheid om deze evolutie essayistisch weg te willen masseren.
Het past bovendien om, in dit verband, nog eens het befaamde Handyside-arrest van het Europees Hof voor de rechten van de mens te citeren: ‘De vrijheid van meningsuiting is een van de grondslagen van een democratische samenleving, een van de fundamentele voorwaarden voor haar vooruitgang en voor de ontwikkeling van elke mens. Onverminderd de toepassing van artikel 10.2 EVRM, is zij niet alleen van toepassing op ‘informatie’ of ‘ideeën’ die gunstig onthaald worden of als onschadelijk beschouwd worden of op een eerder onverschillige wijze onthaald worden, maar ook op de ideeën die beledigend zijn, shockeren of de Staat of een gedeelte van de bevolking verontrusten. Zo willen de vereisten van pluralisme, verdraagzaamheid en breeddenkendheid, zonder welke er geen democratische samenleving kan bestaan.’3

Rechts-links! Links-rechts!

Op gevaar af om andermaal door professor Couwenberg te worden gekapitteld voor het blijvend hanteren van de oude en vertrouwde links-rechtsindeling, doe ik het toch maar. Blommaert stelt dat de contemporaine invulling van vrijheid van meningsuiting door ‘rechts’ wordt gegijzeld zodat elke mening, hoe ongefundeerd, futiel of iel ook, bestaansrecht heeft verworven. Indien het ‘linkse’ antwoord hiertegen bestaat om preventief deze meningsvrijheid te beknotten, dan pas ik daar graag voor.
Bovendien is het onderscheid tussen wat rechts is en wat links is, tussen wat politiek salonfähig en wetenschappelijk aanvaardbaar is, en wat onverteerbaar is, wel erg glijdend. Wat gisteren door (politiek-relevant) links nog als ‘fascistisch’ gebrandmerkt werd, wordt vandaag als sociaaldemocratische halleluja-oplossing gepredikt, en voorstellen die het vandaag nog zum Kotzen vindt, zal het morgen misschien in de armen sluiten.4 Zo kon het gebeuren dat in de jaren 1970 de opvatting dat Nederland ‘vol’ was tot een kabinetsstandpunt uitgroeide, terwijl later, in de jaren 1990, zij als immoreel en strafbaar feit is gekwalificeerd. Vandaag is, verwondert het, de eerste opvatting aan een revival toe. Zo kon het ook dat lange tijd homoseksualiteit in wetenschap en volksmond als een ziekte werd gediagnosticeerd, terwijl vandaag, behoudens El-Moumi, Van Dijke en wijlen ‘onze’ kardinaal Joos uiteraard,5 weinigen deze diagnose nog zullen handhaven.
Het kan, maar dat wist Bredero al, verkeren.

Clear and present danger

Ook daarom is het beter niet al te stringent tegen meningen, borreltafelpraatjes en losse flodders op te treden. Voor je het weet ben je zelf monddood gemaakt, en dat was nou ook, vermoed ik, weer niet de bedoeling!
Dat wil evenwel, ik kan het niet voldoende beklemtonen, niet zeggen dat de vrijheid van meningsuiting, onverkort kan gelden. Neen! Beperken mag, moet zelfs, maar steeds repressief, bij wijze van uitzondering, met de nodige omzichtigheid, sereen, niet ad-hoc en altijd door de overheid. Bij de beoordeling van geuite meningen zou de leidraad van de overheid moeten zijn of zij niet slechts haatdragend of discriminerend zijn, maar wel of zij expliciet aanzetten tot geweld. Merk op dat voor wie deze, wat de Amerikanen noemen, clear and present danger-test aanvaardt, de meningsvrijheid een zeer ruim, edoch niet absoluut grondrecht is. Louter verbaal vilein blijft hierdoor in beginsel wel buiten beeld. Ook het Belgische Arbitragehof is overigens deze mening toegedaan, zoals nog blijkt uit zijn arrest ter gelegenheid van het beroep tot vernietiging van de antidiscriminatiewet: ‘De woorden ‘haat’ en ‘geweld’ zijn zodanig ingeburgerd dat iedereen redelijkerwijze weet welke uitlatingen en geschriften, prenten of zinnebeelden die hij verspreidt, binnen het toepassingsgebied van de strafwet vallen. Op basis van die woorden kan een onderscheid worden gemaakt tussen de uiting van een mening, die vrij blijft - ook al is zij scherp, kritisch of polemisch -, en het aanzetten tot discriminatie, haat of geweld dat alleen strafbaar is wanneer wordt aangetoond dat er sprake is van een voornemen om aan te zetten tot discriminerend, haatdragend of gewelddadig gedrag.’6

Eet (g)een vis! Een allerlaatste bedenking

Geheel tot slot stelt het mij teleur dat - andermaal - als diagnose voor de huidige maatschappelijke malaise een preliminaire beperking van de vrijheid van meningsuiting wordt voorgesteld. Het blijft, met alle respect, toch maar wat morrelen aan de façade. Alsof een kanker kan worden bestreden door aan de patiënt een facelift voor te stellen.
De wijze waarop een samenleving inhoud en vorm geeft aan haar, soms tegenstrijdige, meningen zegt wel veel over de scholingsgraad van die maatschappij. Niemand zal ontkennen dat een uitgebalanceerde ‘vrijheid van meningsuiting’ het meest gebaat is met deugdelijk onderwijs. Op het eerste gezicht is dat, zeker gezien het gejubel na het recente Pisa-rapport7, misschien een vreemde bedenking. Nog nooit hebben zovele jongeren immers zo lang kunnen studeren. Het valt dan ook niet te ontkennen dat het onderwijs er de voorbije vijftig jaar in geslaagd is om een nooit geziene kennisoverdracht te verwezenlijken.
En dat is misschien ook het probleem. Kennis brengt immers niet alleen macht mee, maar ook onzekerheid en vertwijfeling, en daar hebben wij met z’n allen minder goed mee leren omgaan. In deze periode van informatieve overkill (zo kan je, samenvattend, op een week tijd in de lifestylekatern van eenzelfde krant lezen: ‘eet vette vis!’ - ‘baby’s eten best geen vette vis!’ - ‘eet vooral geen vis!’ - ‘neem vispillen en vitamines!’ - ‘vitaminesupplementen zijn ongezond!’) is keuzevrijheid daarom vaak meer last dan lust. De nooit ophoudende informatiestroom geselt, zeker weten, de psyche (‘vertrouw uw bankier niet!’ - ‘ga naar een andere!’ - ‘kom naar ons!’ - ‘prijs de zegeningen van de vrije markt!’ - ‘kies uw energieleverancier!’ - ‘alleen losers blijven bij de standaardleverancier!’ - ‘win virtueel en verlies reëel!’) en doet velen hunkeren naar eenvoudige, ondubbelzinnige antwoorden, naar de terugkeer van een tijd toen men niet wist dat men zich zorgen hoort te maken over de rente op zijn spaarboekje, over ondingen als toetredings- en beheerskosten.8
Helaas zijn enkel radicale opvattingen, links of rechts, gemakkelijk hapklaar te verwoorden. De nuance leent zich immers zelden voor een oneliner. Het is een sombere gedachte, in een bijwijlen erg sombere tijd.

Bob Van den Broeck
Stafmedewerker aandachtsgroepen - juridisch consulent bij de Dienst Integratie van de stad Antwerpen 9 ** **

Noten
1/ De erkenning van de individuele mogelijkheid om onverkort zijn mening te uiten impliceert niet noodzakelijk de aanvaarding van een oneindig cultuurrelativisme.
2/ Een typecasting waarbij Eric Defoort terecht opmerkt dat beide politici ‘uit het oog (verliezen) dat ze zo alsmaar meer, in hun manieren in hun stijl, beginnen te gelijken op de creatie die ze te lijf gaan’: ‘Zeg niet zomaar ‘fascist’ tegen Dewinter’, De Standaard 23 december 2004.
3/ Hof Mensenrechten, arrest Handyside van 7 december 1976, A24. Zie ook Arbitragehof nr. 45/96, 12 juli 1996 via www.arbitragehof.be.
4/ Voor enkele Nederlandse voorbeelden, die evenwel in hun algemeenheid ook voor België gelden, leze men het artikel van Meindert Fennema, ‘De opiniedelicten van Janmaat’, De Groene Amsterdammer van 14 mei 1997. Het artikel is te lezen in het vrij toegankelijk webarchief van het weekblad: www.groene.nl.
Geheel gratis en zeer interessant in dit verband is ook het artikel van Aart Brouwer en Margreet Fogteloo, ‘Vrijheid van meningsuiting onder druk’, De Groene Amsterdammer van 22 juni 2002.
5/ Het Nederlandse RPF-kamerlid Leen van Dijke werd vervolgd voor zijn morele gelijkstelling van homoseksualiteit aan diefstal. In beroep werd Van Dijke vrijgesproken.
Gustaaf Joos was een studievriend van de huidige paus, en werd daarvoor met het kardinaalsambt vereerd. In de pers deed Joos een aantal uitspraken over onder meer homoseksuelen van wie 95 percent pervers zou zijn. De reacties op deze ‘vrije meningsuiting’ waren soms opmerkelijk. Zo wenste Animo, de jongerenafdeling van de sp.a, tegen de kardinaal klacht in te dienen bij het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding. Daar is - uiteraard - niets op tegen ware het niet dat de woordvoerder van Animo de kardinale statements counterde met de uitspraak dat zij ‘niet zo verwonderlijk (zijn) natuurlijk als een debiele paus een debiele kardinaal benoemt.’ Tja. (De Morgen 23 januari 2004).
6/ Eigen cursivering. Arbitragehof nr. 157/2004, 6 oktober 2004, B. 49 via www.arbitragehof.be.
Pro memorie: het beroep werd ingesteld door de nomenklatoera van het Vlaams Blok, en door de Leuvense hoogleraar Matthias Storme.
7/ Het onderwijs in Vlaanderen scoorde zeer goed in het Program for International Student Assessment. Voor een samenvatting van het rapport zie de webstek www.ond.vlaanderen.be.
8/ Zie hiervoor het boek La fatigue d’être soi. Dépression et société van de Franse socioloog Alain Ehrenberg.
9/ Bob Van den Broeck schrijft deze bijdrage in persoonlijke naam. De verkondigde opvattingen binden slechts de auteur, en niet zijn werkgever. Reacties op deze bijdrage zijn steeds welgekomen, op voorwaarde dat zij met naam en adres worden ondertekend. Anonieme reacties worden niet beantwoord: bob.vandenbroeck@hotmail.be

vrije meningsuiting - Islam - Vlaams Belang - VB - Theo Van Gogh

Samenleving & Politiek, Jaargang 12, 2005, nr. 1 (januari), pagina 35 tot 40