Abonneer Log in

Enkele 'linkse' standpunten over de vrije meningsuiting

Samenleving & Politiek, Jaargang 12, 2005, nr. 1 (januari), pagina 30 tot 34

In zijn bijdrage in het decembernummer van dit tijdschrift schreef professor Blommaert dat de vrije meningsuiting in crisis verkeert. Vrijheid van meningsuiting zou beetje bij beetje tot een rechtse, discriminerende slogan zijn uitgegroeid. Dat is een ernstige diagnose voor een van de bouwstenen van onze samenleving. Daarenboven zouden de ‘rechtse standpunten inzake vrije meningsuiting’ tot een algehele malaise van het maatschappelijk debat hebben geleid. Met rechtse standpunten bedoelt de auteur blijkbaar de idee dat iedereen ongezouten zijn mening mag verkondigen, ook al is die mening onjuist, beledigend of discriminerend, of gebeurt dat op een sloganeske of denigrerende wijze. Als beschuldiging aan het adres van zij die opkomen voor de expressievrijheid kan dat tellen.

Als het waar is wat Blommaert zegt dan rijst de vraag hoe het zover is kunnen komen en hoe we de situatie kunnen rechtzetten. In wat volgt zal ik betogen dat de oplossingen die de auteur aanreikt eerder bijdragen tot een ‘rechtse’ toe-eigening van het recht, dan dat zij een oplossing bieden voor de huidige situatie. Eerst tracht ik aan te tonen dat Blommaerts analyse vertrekt vanuit een juridisch onjuiste en politiek onaantrekkelijke invulling van het begrip vrije meningsuiting. Als gevolg daarvan verdedigt hij een aantal betwistbare en verontrustende stellingen. Vervolgens wil ik aanvoeren dat ‘links’ een fout maakt door de verdediging van de vrije meningsuiting over te laten aan de rechterzijde. Zij die opkomen voor meer sociale gelijkheid en rechtvaardigheid hebben met beknottingen van de vrije meningsuiting weinig te winnen en op termijn zelfs heel veel te verliezen.

Blommaerts analyse

Laten we beginnen met een punt van overeenstemming. Blommaert merkt in zijn stuk terecht op dat de expressievrijheid altijd en overal beperkt is: in iedere geordende samenleving is communicatie aan regels onderworpen, al is het maar om anarchie te vermijden. Juridisch vertaalt zich dit in de beperkingsclausules die zijn opgenomen in zowat elke tekst die de vrijheid van meningsuiting afkondigt. Het recht is niet absoluut maar kan worden beperkt met als doel andere legitieme overheidsdoelen veilig te stellen. De cruciale vraag is dus niet of er grenzen zijn aan de vrije meningsuiting, wel waar die grenzen liggen en wie bevoegd is om ze vast te stellen.
De antwoorden die Blommaert op deze vragen geeft zijn allerminst bevredigend. Het is interessant om even stil te staan bij enkele passages uit de tekst. Volgens de auteur is een van de elementaire kenmerken van de vrije meningsuiting dat de uiting van een mening geen wetten mag overtreden. Hij geeft hiervan onder meer de voorbeelden smaad, laster, eerroof, valsheid in geschrifte, maar ook de strafbaarstellingen in de antiracismewet. Wat verder in de tekst wordt in dezelfde zin geponeerd dat de vrije meningsuiting maar een fundament van democratie is wanneer ze wordt gebruikt binnen de perken die zijn vastgesteld door de wetgever en de samenleving. Daarbuiten, zo luidt het, wordt de expressievrijheid ‘een aanslag op de ‘wetten en gewoonten van ons volk’, een vorm van geweldpleging, en dus een antidemocratische handeling die, net vanuit een bekommernis om democratie, gesanctioneerd kan worden.’ Het beeld dat uit deze overwegingen naar voor komt is dat van de vrije meningsuiting als een concept (Blommaert spreekt ergens van een ‘beschrijvend begrip’) dat concreet gestalte krijgt door de sociale en culturele opvattingen die op een bepaald moment in een gemeenschap leven en in wetteksten zijn opgenomen. In de woorden van de auteur: ‘De huidige discussie over vrije meningsuiting is derhalve een discussie over de grenzen van het normale en het vanzelfsprekende in onze samenleving.’
Tegenover deze benadering kunnen we een andere invulling van de vrije meningsuiting plaatsen, een die dichter aanleunt bij het in de verdragen en in de Grondwet opgenomen mensenrecht, en bij de theorieën van de klassieke liberale denkers. In deze opvatting is de vrije meningsuiting geen ‘beschrijvend begrip’, maar een juridische en morele waarde, een ideaal, dat twee belangrijke doeleinden dient. In de eerste plaats vormt het als politiek recht de basis van de democratie. Democratische wetgeving kan enkel tot stand komen na een open en vrij debat waarvoor de vrije meningsuiting garant staat. Blommaert erkent dit wel, maar in zijn verder betoog lijkt hij de gevolgen ervan moeilijk te aanvaarden. Een van deze consequenties is immers dat de inhoud van de expressievrijheid als politiek recht niet onderworpen is aan ‘de wetten en gewoonten van het volk.’ Als hogere norm moet het recht het juist mogelijk maken dat het volk op democratische wijze wetten tot stand brengt. Om het op een andere manier te formuleren: de uitingsvrijheid is een voorafgaande vereiste van democratische wetgeving en kan er dus niet het product van zijn. Als men zoals Blommaert aanneemt dat de vrijheid van meningsuiting geen wetten mag overtreden, reduceert men dat recht tot een middel in handen van een (tijdelijke) politieke meerderheid. Stel u de dag voor dat een extreem-rechtse partij door de kiezers wordt geroepen om in Vlaanderen te decreteren wat ‘de wetten en gewoonten van het volk’ zijn. Het gevaar wordt dan snel duidelijk. Dat een wet nodig is om de expressievrijheid in te perken is wel correct. Daarmee is echter nog niets gezegd: vervolgens rijst de veel belangrijkere vraag of die wet in overeenstemming is met het (grond)recht op vrije meningsuiting.
We koesteren de vrijheid van spreken en schrijven niet alleen vanwege haar nuttige bijdrage voor ons politiek systeem. In de tweede plaats vormt zij een constitutief bestanddeel van de menselijke waardigheid. Een samenleving die niet toestaat dat haar burgers opinies uiten of aanhoren die - om de woorden van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens aan te halen - ‘schokken, verontrusten of kwetsen’, ontkent de morele verantwoordelijkheid van die burgers. Menselijke waardigheid veronderstelt dat ieder individu zelf kan uitmaken welke ideeën juist of fout, goed of slecht zijn. Dit alles botst met de voorstellen van Blommaert. Die is in zijn tekst namelijk de mening toegedaan dat ‘de vrije meningsuiting een kwalitatieve dimensie heeft, één die noodzakelijk onderscheiden inhoudt tussen ‘goede’ en ‘slechte’ meningen.’ Aangezien volgens hem niet elke standpunt het verdient van publiek vrij geuit te worden, komt de auteur met het voorstel om na te denken over ‘criteria voor ‘meningen’ en voor de circulatie ervan’, en om meningen aan ‘strenge kwaliteitsoordelen’ te onderwerpen. Morele verantwoordelijkheid veronderstelt echter dat het individu zelf, en niet de overheid of enige andere instantie, instaat voor dergelijke ‘kwaliteitsoordelen.’

De malaise van het maatschappelijk debat

Kritiek op de wijze waarop Blommaert invulling geeft aan de expressievrijheid doet geen afbreuk aan de terechte bezorgdheden die in het artikel worden belicht. Het is inderdaad bon ton om te schermen met het freedom of speech-argument, niet om het recht op te eisen om zonder overheidsbemoeienis een bepaalde uitspraak te doen, maar wel om respect voor de inhoud van die mening af te dwingen. Niet elke mening is gelijk en niet elke mening vertolkt de waarheid. Op dat punt heeft Blommaert gelijk. De kwaliteit van een standpunt neemt niet toe naarmate het op een meer radicale, volkse of ongenuanceerde wijze wordt vertolkt, of omdat het in een of ander opzicht taboedoorbrekend is. Als het maatschappelijk debat zich vandaag door deze houding in een lamentabele toestand bevindt dan is dat een belangrijk probleem. De vraag is echter of de vrijheid van meningsuiting hier schuld treft, en of het verder inperken van dat recht een oplossing biedt.
Blommaert stelt hieromtrent: ‘Een democratie, zo denkt men, is een systeem waarin iedereen vrij en ongehinderd alles mag zeggen, en waarin alle standpunten intrinsiek evenwaardig zijn. Het is net die misvatting die een vrijgeleide levert voor allerhande vormen van extremisme.’ Hier worden twee zaken met elkaar verward. Democratie veronderstelt inderdaad dat meningen in beginsel vrij mogen circuleren. In dat principe ligt echter op geen enkele wijze besloten dat alle standpunten intrinsiek evenwaardig zijn. In dat verband kunnen we alleen maar beamen wat Blommaert schrijft, namelijk dat het feit dat een mening vrij mag worden geuit, niet inhoudt dat die mening als de waarheid moet worden gezien.
Hoe komt het dan dat men vandaag in bepaalde kringen zo graag een beroep doet op de vrijheid van meningsuiting om bepaalde opvattingen kracht bij te zetten? Misschien ligt de ware oorzaak van het misbruik van dat recht niet, zoals Blommaert denkt, in een verkeerde (te ruime) opvatting over die vrijheid, maar net in de jarenlange politiek om bepaalde meningen op informele wijze (met het wapen van de politieke correctheid) te onderdrukken, of, erger nog, ze juridisch (met een veel te ruime toepassing van de antiracismewetgeving) te bestrijden. Zou het niet kunnen dat juist dit klimaat ervoor gezorgd heeft dat op het moment dat de wonde openbarst, en allerlei al dan niet gefundeerde frustraties aan de oppervlakte komen, de vrijheid van meningsuiting van stal wordt gehaald om de (onderdrukte) opinies als authentieke waarheden te verkopen? Koen Raes voorspelde in 1995 al dat repressieve wetgeving wel eens het perverse effect zou kunnen hebben dat de geviseerde politieke minderheid in haar idee wordt bevestigd dat de heersende politieke meerderheid een bepaalde opvatting tracht op te leggen.1 Mag men m.a.w. verbaasd zijn dat wanneer beperkingen van de uitingsvrijheid worden gebruikt om ongewenste theorieën uit de wereld te helpen, diezelfde vrijheid later een middel wordt om respect voor die opvattingen af te dwingen?
Als deze suggestie klopt, zullen voorstellen om de expressiesvrijheid nog verder aan banden te leggen het omgekeerd effect hebben van wat men wenst te bereiken. Misschien staan we daarom voor een andere opdracht. In plaats van de vrije meningsuiting aan allerlei inhoudelijke criteria te onderwerpen, is het de hoogste tijd om duidelijk te maken dat die vrijheid ook domme, zinloze, gevaarlijke, ondemocratische of beledigende uitingen beschermt, maar dat dit op geen enkele wijze inhoudt dat aan deze uitspraken ook maar enige waarde moet worden gehecht. Dat betekent dat men ophoudt met ongewenste maatschappelijke fenomenen te bekampen door diegenen die er uiting aan geven juridisch te vervolgen. De taak die ons wacht is veel moeilijker: telkens opnieuw de leugen weerleggen; het gevaar aantonen van de antidemocratische boodschap; wijzen op de zinloosheid van de belediging etc. Alleen zo kan worden vermeden dat een verwerpelijke gedachte ondergronds aan kracht wint en later onder het mom van de vrijheid van meningsuiting als waarheid wordt gesleten.

Grenzen aan de expressievrijheid

Het voorgaande zou ten onrechte de indruk kunnen wekken dat hier wordt gepleit voor een onbegrensde uitingsvrijheid. De vrijheid van meningsuiting is niet absoluut. Een van de moeilijkste juridische problemen is de vraag waar de grenzen liggen en wie ze het beste vastlegt. Wat de laatste vraag betreft, is het antwoord al vast niét de gewone wetgever, althans niet in laatste instantie. Hoger werd al gewezen op de gevaren die dat met zich meebrengt. In een constitutionele democratie is het een bijzondere parlementaire meerderheid die de grondrechten in de Grondwet vastlegt, en heeft het grondwettelijk hof het laatste woord over de precieze draagwijdte ervan.
Welke maatstaven moet men daarbij hanteren? Blommaerts kwalitatieve benadering brengt hem tot een pleidooi voor een zeer verregaande censuur: van opruiende en haatdragende publieke provocaties of beledigingen, over kwetsende uitspraken tot het ridiculiseren of bekritiseren van politieke instellingen of culturele groepen binnen de samenleving; allemaal valt het onder de noemer ‘antidemocratisch’. Zonder al te diep in te gaan op deze discussie, moet worden onderstreept dat het vage criterium ‘antidemocratisch’ niet voldoet. Bepaalde uitspraken die volgens Blommaert niet in het publieke domein thuishoren - zoals de harde kritiek van het Vlaams Blok op de rechterlijke macht - vallen onder de beschermingssfeer van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. In België is tot nu toe het criterium voor het bestraffen van ‘antidemocratische’ meningen ‘aanzet tot discriminatie haat of geweld.’ Dat werd onlangs nog eens duidelijk beklemtoond door het Arbitragehof in de zaak over de antidiscriminatiewet.2 Enkel wanneer er een bijzonder opzet bestaat om derden aan te sporen tot haat of geweld is bestraffing toegelaten. Dit betekent bijvoorbeeld dat meningsuitingen die ‘simpelweg’ beledigend zijn voor een groep niet kunnen worden aangepakt. Dat is maar goed ook. Het al dan niet grievend karakter van een uitspraak hangt immers in sterke mate af van de inborst van het individu of de groep waartoe zij gericht is. De afbakening van de vrijheid van meningsuiting aan de hand van enkel subjectieve gevoelens zou dat recht op termijn totaal ondermijnen.

De vergissing van ‘links’

In de inleiding stelde ik dat wie strijdt voor meer sociale gelijkheid en rechtvaardigheid weinig te winnen, en op termijn, heel veel te verliezen heeft met beknottingen van de vrije meningsuiting. Daarvoor zijn talrijke redenen te bedenken, waarvan ik er hier maar een paar noem. In de eerste plaats zijn er een aantal strategische argumenten.3 Zo dreigt een strenge censuur van opinies het maatschappelijk draagvlak voor het bestrijden van onrechtvaardige toestanden aan te tasten. Dit backlash-effect werd onlangs aangetoond in onderzoek over antidiscriminatiewetgeving. Uit een studie van de Equal Opportunities Commission (het Britse ‘Insitituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen’) blijkt dat het publiek bijzonder afwijzend staat tegenover wat het als ‘politiek correcte’ gelijkheidsclaims ervaart.4 Het bewuste rapport, met de titel Talking Equality, toont duidelijk aan dat de druk op (discriminatoire) meningsuitingen een averechts effect heeft op het draagvlak voor de bestrijding van discriminatoire handelingen, die nochtans het belangrijkste kwaad uitmaken. Daarnaast is het een terugkerend fenomeen dat de aanpak van meningen de aandacht en de energie afleidt van veel fundamentelere problemen die moeten worden aangepakt: de sociale en culturele oorzaken van het maatschappelijk ongenoegen dat tot extremistische, krenkende of antidemocratische uitspraken aanleiding geeft. Censuur is een gemakkelijke en (politiek) goedkope oplossing die op termijn weinig oplevert. Een laatste pragmatische overweging houdt verband met het gevaar van misbruik inherent aan wetgeving die meningsuitingen viseert. In verkeerde handen wordt zo’n wet een machtig wapen tegen sociale vooruitgang en maatschappelijke verandering. Men mag niet vergeten dat de emancipatie van achtergestelde groepen er is gekomen dankzij sociale actie, protest en andere uitingsvormen. Wat vandaag evident lijkt, werd destijds ongetwijfeld door velen ervaren als subversief, beledigend, godslasterlijk of gevaarlijk. Het zou naïef zijn ervan uit te gaan dat het tij nooit meer zal keren. Als dat moment is aangebroken - en de linkerzijde het belang van de vrije meningsuiting heeft herontdekt - is het hopelijk niet te laat.
Nog belangrijker dan al het voorgaande is de volgende principiële bedenking. Is het ‘links’, progressief of vooruitstrevend om het zwakke, kwetsbare individu te beschermen tegen boze en gevaarlijke ideeën, of om te streven naar een samenleving van zelfstandige en zelfverzekerde burgers waarin dat soort paternalisme overbodig is?

Stefan Sottiaux
Universiteit Antwerpen, advocaat balie Brussel

Noten
1/ Raes Koen, ‘Vrijheid van meningsuiting en de revisionistische geschiedsvervalsing’, in Voorhoof D. (ed.), Vrijheid van meningsuiting, racisme en revisionisme, Academia Press, Gent, 1995, 31-78.
2/ Arbitragehof, 6 oktober 2004, nr. 157/2004, B. 49.
3/ Zie ook Sottiaux S. en Vrielink J., ‘Acht redenen waarom kardinaal Joos niet mag worden veroordeeld’, De Juristenkrant, nr. 83, 2.
4/ Howard M., Tibballs S., The Future Foundation, Talking equality: what men and women think about equality in Britain today, Equal Opportunities Commission, 2003.

vrije meningsuiting - Vlaams Belang - VB - Islam - Theo Van Gogh

Samenleving & Politiek, Jaargang 12, 2005, nr. 1 (januari), pagina 30 tot 34