Abonneer Log in

De markt moet je omkaderen

Samenleving & Politiek, Jaargang 12, 2005, nr. 2 (februari), pagina 4 tot 10

Het is goed af en toe enige afstand van de dagdagelijkse beslommeringen te nemen. Als Minister van werk probeer ik iets verder te kijken dan de Belgische context, maar ook dan de korte termijn. Globalisering is geen mythe, maar een realiteit die heel concrete gevolgen heeft. Toch betekent dit niet dat een federaal of een regionaal beleid geen effect zou hebben. Ik ben ervan overtuigd dat we wel degelijk het verschil kunnen maken. Het verschil tussen een leefbare samenleving en een samenleving waarin het recht van de sterkste primeert.
In wat volgt probeer ik een schets te geven van de uitdagingen - op internationaal en Belgisch niveau en op korte en lange termijn.

Globalisering bedreigt het Westen met een tweederangsrol

De modale krantenlezer krijgt de indruk dat economie een processie van Echternach is, met twee stappen vooruit en een achteruit. Er is met andere woorden verbetering, maar uiterst traag. De ene dag lees je dat de groei in ons land voor 2004 op 2,7% gerekend wordt, wat zeker niet slecht is. De volgende dag heet het dat 2005 een minder jaar wordt, met een groei van hoogstens 2 à 2,25%. En nog op een andere dag dreigt het vertrouwen van ondernemers en consumenten angstaanjagend te dalen. Soms trekken de Verenigde Staten ons mee de hoogte in, dan weer dreigt het internationale klimaat ons te verstikken. En het is allemaal nog waar ook.
Economie is een internationaal gebeuren. Zeker voor een klein land als België, dat erg afhankelijk is van export, is globalisering geen hersenschim. Ook al exporteert een bedrijf alleen maar binnen Europa, dan nog is het een speler op een schaakspel dat op wereldniveau beoefend wordt. Het is niet onverschillig of de lonen en arbeidsvoorwaarden in de Derde Wereld een habbekrats uitmaken van wat we in ons land kennen. Het maakt wel degelijk een verschil uit als een bedrijfsleider in die Derde Wereld een gunstig fiscaal regime en bijna geen administratieve voorschriften en milieuregels tegenkomt. En het is natuurlijk niet neutraal dat op 1000 km van hier goed geschoolde werkkrachten willen werken tegen lage lonen en in de meest flexibele voorwaarden.
Laten we elkaar niets wijsmaken: als we er niet in slagen de economie op wereldniveau tot een zekere stabiliteit te brengen, zal het Westen op termijn wegzinken in een tweederangsrol. Men hoeft geen doemdenker te zijn om te beseffen dat de welvaartsstaat dan dreigt te kapseizen. Alleen al het potentieel van de Chinese arbeidsmarkt is een voldoende waarschuwing. Maar laten we elkaar ook niet wijsmaken dat dit wel vanzelf in orde komt. De modellen van een nieuwe internationale arbeidsverdeling werken gewoon niet. Die gingen ervan uit dat het Westen de arbeidsintensieve industrieën gewoon kon afstoten, om zelf een kenniseconomie met vooral hooggeschoolden en veel diensten uit te bouwen. Wel, het wordt meer en meer duidelijk dat de Derde Wereld zelf best kennis kan leveren. En met de nieuwste technieken is het een fluitje van een cent om ook kennisactiviteiten te delokaliseren.

We kunnen geen burchten bouwen die niet in te nemen zijn

We kunnen het niet allemaal overlaten aan de economie. We moeten de samenleving - ook op internationaal niveau - politiek gestalte geven. En dat zal dan wel even anders moeten gebeuren dan tot op vandaag. Vandaag doen we aan ontwikkelingssamenwerking, wat wil zeggen dat we de Derde Wereld een fractie van onze welvaart toestoppen. We slagen er ten andere voortdurend in om onze afspraken op dat vlak niet na te komen. Maar we blijven die Derde Wereld vooral uitbuiten. We overladen de zogenaamde ontwikkelingslanden in die mate met schulden dat ze er nooit meer onderuit kunnen. Of dacht je dat Afrika ten zuiden van de Sahara die 11 miljard dollar per jaar kan blijven betalen en toch uit de armoede kan geraken? Of dat dit mogelijk is voor Irak, dat verder afbetaalt voor de wapens die Saddam indertijd met Westers geld gekocht heeft?1 We behandelen landen als schuldslaven, die op een bepaald moment een kleine lening aangaan maar er nooit meer in zullen slagen ze af te betalen. En we zijn dan nog zo cynisch voorwaarden op te leggen die vooral onszelf goed uitkomen. Dat dit ten koste van de sociale bescherming in de Derde Wereld en ten koste van het milieu gaat zal ons kennelijk een zorg zijn.
Daar moeten we mee stoppen. Zolang we in de Derde Wereld alleen maar bedrijven oprichten om tegen spotprijzen voor onszelf te produceren, zijn we verkeerd bezig. Onze bedrijven moeten daar actief zijn. En ze mogen daar ook iets aan verdienen, maar ze moeten bijdragen tot de ontwikkeling van de Derde Wereld zelf. Ze moeten markten creëren, waar de plaatselijke bevolking beter van wordt. Ze moeten er mensen in behoorlijke omstandigheden aan het werk zetten. De concurrentie moet op wereldniveau aan regels onderworpen worden, te beginnen met de normen die binnen de IAO afgesproken zijn. Als we dat niet doen, zal er niets anders opzitten dan in het Westen opnieuw burchten op te bouwen waar de rijken zich kunnen terugtrekken. Weet echter dat er nog nooit een burcht gebouwd werd die op een bepaald moment niet kon ingenomen worden. Het komt er daarom op aan de economie op mondiaal vlak in goede banen te leiden. We hebben nood aan instellingen die minder kortzichtig zijn dan de Wereldbank en het Internationaal Muntfonds. Niet de kortetermijnbelangen van de Westerse landen moeten primeren, maar de langetermijnbelangen van de hele wereld. Dat is wat men duurzame ontwikkeling noemt.

Uitkijken voor de wet van de remmende voorsprong

Wil dit zeggen dat we het op Belgisch niveau beter opgeven? Het wil op zijn minst zeggen dat dit niveau heel relatief geworden is. Het wil echter ook zeggen dat België een verantwoordelijkheid heeft op Europees en internationaal vlak. En dat betekent bijvoorbeeld dat ook bedrijfsleiders voor die verantwoordelijkheid gesteld moeten worden. Het is niet neutraal wat en hoe ze in het buitenland produceren. Maar ondertussen is op het niveau van ons land wel degelijk nog veel te doen. De Belgische economie doet het vandaag inderdaad helemaal niet slecht. Toch sluiten alle dagen bedrijven hun deuren. Toch blijft de werkloosheid hangen op meer dan 600.000 uitkeringsgerechtigden. Toch blijft het vertrouwen van consumenten en ondernemers heel klein. De Belgische economie doet het behoorlijk en toch is ze op verre na nog niet gezond. Daarvoor is de internationale context verantwoordelijk, maar helemaal machteloos zijn we ook niet. De situatie is dan wellicht verschillend in Vlaanderen en in Wallonië. In Vlaanderen hebben multinationals in de jaren zestig en zeventig massaal geïnvesteerd. Tegelijk kon het weefsel van kleine en middelgrote ondernemingen versterkt worden. De textielindustrie werd ingrijpend geherstructureerd en de mijnen werden gesloten. Vandaag blijft een economie over die levensvatbaar, maar zeer kwetsbaar is. De grote industrie - textiel, automobiel, chemie - toont dagelijks zijn vluchtigheid. De multinationals zijn niet geïnteresseerd in de streek of de werknemers. Zij willen goede kwartaalcijfers en aarzelen niet om bij het minste slechte teken hun biezen te pakken. In Wallonië hebben we de teloorgang meegemaakt van de staal- en steenkoolindustrie. Die kondigt zich al heel lang aan, wellicht van in de jaren zestig, maar het heeft heel lang geduurd vooraleer daar gepast op gereageerd werd. Het tij is echter aan het keren. Wallonië investeert in zijn KMO’s en stimuleert nieuwe economieën. De problemen zijn nog zeer groot. De werkloosheid neemt op sommige plaatsen nog steeds angstaanjagende proporties aan. Maar door de wet van de remmende voorsprong zou Vlaanderen binnen afzienbare tijd misschien wel eens opnieuw een grote achterstand kunnen verkrijgen. Het baart mij in elk geval grote zorgen dat de werkloosheid in Vlaanderen sneller stijgt dan in Wallonië.

Weg met bureaucratie en te hoge loonlasten

Hoe dan ook, in beide landsgedeelten heeft de overheid de opdracht te zorgen voor zo gunstig mogelijke voorwaarden voor de bedrijven. Bedrijfsleiders houden niet van bureaucratie en zij hebben gelijk. De overheid moet ze zoveel mogelijk beperken. Lange tijd wachten op vergunningen is uit den boze, complexe voorschriften wekken alleen maar ergernis of zijn zelfs contraproductief. De huidige regering doet wel degelijk aan een opkuis. Alleen kunnen we nooit zo ver gaan dat de regels voor ruimtelijke ordening en milieu teruggeschroefd worden. Sommige managers dromen daarvan, maar ze dwalen. De zorg voor het milieu mag geen kost zijn, maar moet een concurrentieel voordeel worden.
Bedrijfsleiders willen evenmin hoge loonlasten betalen en in principe hebben zij ook op dit vlak gelijk. Alleen mogen zij niet voorbijgaan aan de productiviteit van onze werknemers. En het is natuurlijk niet denkbaar dat de lonen zakken tot het niveau van de Derde Wereld, zelfs niet tot dat van de nieuwe Europese lidstaten. Maar ook socialisten hoeven er zich niet over te schamen wanneer ze proberen de loonlast zo veel mogelijk te drukken. In oktober 2004 heeft het federaal planbureau een studie gepubliceerd over de effecten van de vermindering van de bijdragen voor sociale zekerheid.2 Uit de simulaties blijkt overduidelijk dat een vermindering van de werkgeversbijdragen gericht op de lage lonen het interessantst is, zowel voor de jobcreatie als voor de overheidsfinanciën. Dat mag de regering niet beletten om, uiteraard binnen de mogelijkheden van haar budget, de loonlast ook op andere manieren te verlichten. Een operatie lastenverlaging kan echter alleen blijven duren als we er tegelijk voor zorgen dat de sociale zekerheid kan stand houden. Vandaar de vraag van minister Demotte en mezelf voor een grondige discussie met de sociale partners over de financiering van die sociale zekerheid.
Het moet echter ook duidelijk gezegd zijn dat op regels die fraude opsporen en bestrijden evenmin toegevingen mogelijk zijn. Naar schatting meer dan 20% van het BBP of een slordige 57 miljard euro is gewoon zwart! De overheid werkt op dit ogenblik aan een hele batterij maatregelen die binnen afzienbare tijd effectieve resultaten moeten opleveren.

Van flexibiliteit geen fetisj maken

Tegenwoordig is het toverwoord flexibiliteit. Bedrijven klagen voortdurend dat de arbeidswetgeving te rigide is. En misschien hebben ze tot op zekere hoogte weer gelijk. Maar ze moeten begrijpen dat werknemers niet makkelijk aan die wetgeving laten sleutelen omdat ze echt stap voor stap gerealiseerd werd. Er is met andere woorden hard voor gevochten. Het is misschien af en toe een conservatieve reflex, maar hij is toch te begrijpen. Overigens op het vlak van de flexibiliteit is in ons land reeds enorm veel mogelijk. Voor de industrie is het flexibel mechanisme bij uitstek de tijdelijke werkloosheid. Waarom hoor je bedrijfsleiders daar zo weinig over praten? Het werkt toch? Wanneer er weinig werk is stuur je de werknemers naar de dop, wanneer er veel is roep je ze op. Op die manier hoef je niet onmiddellijk tot ontslag over te gaan. In geen enkel ander Europees land bestaat zo’n flexibel mechanisme. En de overheid betaalt! Men moet er zelfs durven over nadenken om het systeem nog uit te breiden, naar bedienden. In een eerste fase misschien niet naar alle bedienden, daarvoor zou te veel geld nodig zijn. Maar laten we beginnen met die bedienden die dicht bij de productie staan, denk aan de meestergasten.
Vroeg of laat zal men trouwens ook de huidige realiteit over interims in de regelgeving moeten erkennen. Het gebeurt nog zelden dat werknemers via een normaal contract, met een normale proefperiode, in een bedrijf beginnen. Ze komen via een interimcontract binnen en worden gedurende een aantal maanden getest. Tegen die tijd is de werkgever ook zeker dat hij de werknemer kan houden. En de syndicaal afgevaardigden zijn in praktijk wat blij dat ze een buffer hebben, waardoor bij moeilijkheden niet onmiddellijk vaste werknemers moeten afgedankt worden. Waarom kan voor die groep interimarissen geen nieuwe categorie ingevoerd worden, waardoor er niet langer syndicaal over gepalaverd moet worden?

Bedrijfsleiders voor hun verantwoordelijkheid plaatsen

Een regering moet zorgen voor een goed omgevingsklimaat. Bedrijven moeten aanvaarden dat ze ook een maatschappelijke opdracht hebben. Zo weinig mogelijk bureaucratie en zo weinig mogelijk financiële lasten, zijn een gerechtvaardigde verzuchting. Een absoluut minimum aan regels en aan lasten kunnen echter alleen ten koste van de welvaartsstaat gaan. Er moet een evenwicht gevonden worden. Bedrijven zijn de laatste jaren zo geobsedeerd door rendementcijfers, dat ze iedereen die wat minder kan produceren aan de kant gezet hebben. Ze zijn te ver gegaan. Wil een maatschappij zichzelf in stand houden, dan moet er een zekere speling overblijven.
Hoe verklaar je dat steen en been geklaagd wordt over de slechte aansluiting tussen de school en de bedrijven, maar dat er nauwelijks stageplaatsen ter beschikking gesteld worden voor jongeren die deeltijds werken willen combineren met deeltijds studeren? Het is tekenend dat de bedrijven in ons land zo weinig investeren in opleiding. Hoeveel keer zijn daar al geen ronkende verklaringen over afgelegd? En toch halen de bedrijven de afgesproken 1,9 % niet, terwijl iedereen erkent dat permanente opleiding en scholing ontzettend belangrijk zijn om mensen aan het werk te houden. Er bestaat al een instrument om te meten hoeveel in opleiding geïnvesteerd wordt, maar er wordt verder en eindeloos gediscussieerd over de inbedding van dat instrument in de sociale balans. Welnu, als daar op korte termijn geen verandering in komt, moet de regering haar verantwoordelijkheid opnemen en het instrument desnoods opleggen.

Werklozen begeleiden naar opleiding en werk

Een ding is zeker: er is voor de regering op het vlak van de werkgelegenheid nog werk aan de winkel. Allochtonen inderdaad, maar ook jongeren, vrouwen, kort geschoolden en ouderen hebben het moeilijk om aan werk te komen. Er zijn trouwens nog altijd veel arbeidsplaatsen te weinig. 600.000 werklozen zijn een levensgroot probleem, niet alleen voor de personen zelf, maar ook voor de samenleving. Het is te simpel ervan uit te gaan dat dit 600.000 profiteurs zijn die maar wat onder druk moeten gezet worden, zodat ze ofwel aan werk geraken ofwel uit de werkloosheid verdwijnen. Het is toch veelbetekenend dat 32% van de werklozen risico loopt op armoede3?
Er wordt op dit ogenblik een programma uitgevoerd om werklozen te ondersteunen in hun zoektocht naar werk. Het is geen repressief programma, dat zoveel mogelijk uitsluitingen wil realiseren. Het gaat ervan uit dat vele werklozen de moed verloren hebben of gewoon de weg niet vinden. Het probeert hen te stimuleren, het komt met hen een traject overeen naar een opleiding of rechtstreeks naar werk. Alleen wie echt van slechte wil blijkt, riskeert een schorsing. Het blijft verbazen hoe groot het maatschappelijk wantrouwen blijft. Het volstaat echter met de werklozen in gesprek te komen, om te merken hoe moeilijk velen van hen het hebben. Wie werk heeft staat er niet bij stil dat solliciteren vrij veel geld kost. Wie werk heeft begrijpt niet hoe ontmoedigend het is om brieven te blijven schrijven waar nooit een antwoord op komt. Wie werk heeft begrijpt niet hoe vernederend het is om niet aan een inschrijving in een interimkantoor te geraken. Wie werk heeft begrijpt niet hoe uitzichtloos het is in een regio te wonen waar gewoon geen aanbiedingen zijn. De regering wil werklozen ondersteunen, niet vervolgen. We moeten trouwens beseffen dat een groep werklozen het steeds moeilijker krijgt om zich in deze samenleving - die ontzettend snel gaat en ongelofelijke eisen stelt aan kennis en vaardigheden - te handhaven. Niet alle werklozen kunnen zo maar geactiveerd worden. Sommigen hebben een algemenere ondersteuning nodig en sommigen horen zelfs gewoon niet meer thuis in de werkloosheid, ook al hebben we er op dit ogenblik nog geen andere plaats voor.

De eindeloopbaanconferentie moet over de hele loopbaan gaan

De sociale partners zijn er net niet in geslaagd een nieuw interprofessioneel akkoord te sluiten. Een van de partners kon er geen meerderheid voor krijgen. Dat is jammer voor het sociaal overleg. Het is vooral jammer, omdat in het ontwerp voldoende elementen en evenwichten zaten om tot een akkoord te komen. Juist daarom zal de regering het akkoord nu zelf uitvoeren. Ze is bereid bijkomende inspanningen te doen voor de lage lonen. Door bijkomende ondersteuning van de ploegenarbeid kan de industrie zich beter verdedigen in de internationale concurrentiestrijd. Makkelijker en goedkoper overuren zullen onze concurrentiepositie ondersteunen. Men kan er daarenboven op rekenen dat een pak overuren door die maatregel niet langer in het zwart zullen gebeuren. Ook een matige loonevolutie is in ieders belang.
Dat is evenwel voor de korte termijn. Als we daar even afstand van nemen en doordenken tot 2010 en vooral 2030, ziet het er totaal anders uit, ook al zal de situatie in Vlaanderen en in Wallonië niet helemaal gelijk lopen. We moeten beseffen dat de werklozen van vandaag de arbeidsreserve van morgen uitmaken. Het is dan onmiskenbaar dat Wallonië over een grotere reserve beschikt en op termijn in het voordeel is. Hoe dan ook, als we niet opletten zullen we terecht komen in een schaarste aan arbeidskrachten. En vooral, de verhouding tussen het aantal actieven en het aantal niet-actieven dreigt scheef te trekken, met alle gevolgen voor de sociale zekerheid van dien. Pensioenen en gezondheidszorgen dreigen moeilijk betaalbaar te worden. Niet dat de schrik ons om het hart moet slaan. Er is geen reden tot paniek, maar we moeten toch aan maatregelen durven nemen. Dat is de betekenis van de eindeloopbaanconferentie die in het voorjaar georganiseerd wordt. Eindeloopbaandiscussie is overigens misschien niet het goede woord. We hadden het beter gehad over ‘loopbaandiscussie’ want we kunnen mensen onmogelijk langer aan het werk houden als we niet tegelijk zorgen voor een meer ontspannen loopbaan. Nu moeten mensen op bepaalde momenten van hun leven gewoon te hard werken, terwijl ze dan vaak gedwongen worden vroeg uit het arbeidsproces te stappen. Het komt erop aan een meer evenwichtige loopbaan uit te bouwen. Een tijdelijke uitstap of voor een tijdje overstappen naar deeltijds werken wordt dan heel normaal.
Wil dit zeggen dat binnenkort het brugpensioen wordt afgeschaft? Dat is absoluut niet de bedoeling, zoals overigens Steve Stevaert en ikzelf al maanden geleden gezegd hebben. Er hoeft zelfs niets te veranderen aan de leeftijd waarop men op brugpensioen kan gaan. We moeten wel sleutelen aan de voorwaarden, zodat werknemers in de toekomst op een veel gedifferentieerder manier uit hun loopbaan kunnen stappen. Dat hoeft heus niet voor iedereen op dezelfde leeftijd te gebeuren. Het moment waarop iemand begon te werken en de zwaarte van het werk dat iemand verricht heeft, moeten bepalen wanneer iemand kan uitstappen. Maar vooral de voorwaarden moeten zodanig zijn dat oudere werknemers hun werk nog aankunnen. Ook bij herstructureringen moet brugpensioen mogelijk blijven, ook al moeten ook hier wijzigingen doorgevoerd worden. Dikwijls kunnen bedrijven, die helemaal geen financiële problemen hebben, op kosten van de overheid mensen die ze niet zo goed meer kunnen gebruiken aan de kant zetten. Vooraleer naar brugpensioen te grijpen zouden bedrijven alle andere mogelijkheden moeten uitgeprobeerd hebben. En het spreekt vanzelf dat dit enkel zin heeft, als pseudo-brugpensioenen of Canada Dry-regelingen dan niet in de plaats komen. Wie dan toch op brugpensioen gaat moet niet noodzakelijk een definitieve keuze maken. Hij of zij moet de kans krijgen om op een bepaald moment terug aan het werk te gaan en bijvoorbeeld zijn uitkering kunnen meenemen. Op die manier wordt verhinderd dat oudere werknemers niet meer aan de bak komen omdat ze te duur zouden zijn. Men kan hen een rugzakje meegeven om naar een ander werk over te stappen.

Geen marktfundamentalisme

Het was een President van de VS die, weliswaar in een andere context en met een andere bedoeling dan ikzelf, zei: ‘It is all economy, stupid.’ Dat economie belangrijk is kan niemand ontkennen. Ik alvast vind dat er ook nog iets meer is. Ik geloof niet dat men de economie haar gang kan laten gaan. Ik verwerp het marktfundamentalisme. De politiek moet de economie omkaderen. Dat betekent geen terugkeer naar de idee van een planeconomie. Die idee heeft haar ondeugdelijkheid meer dan bewezen. Maar de vrijheid van de markt mag niet totaal zijn. De opdracht is niet gering. De internationale context laat weinig ruimte voor politieke ingrepen van landelijke politici. Zij moeten in elk geval mondiaal leren denken. Alleen binnen een mondiale context is het politiek handelen van plaatselijke politici zinvol. Bedrijven vragen zo weinig mogelijk bureaucratie en regels en willen zo weinig mogelijk loonlasten. Zij hebben gelijk, maar moeten aanvaarden dat daar grenzen aan zijn. Zij willen zo veel mogelijk flexibiliteit en hebben ook op dat punt gelijk. Maar die mag dan weer niet zo ver gaan dat het welzijn en de menselijke waardigheid er onder lijden. Bedrijven hebben niet alleen rechten, maar ook plichten. Dat geldt ook voor werklozen. Alleen moet men tegenover werklozen niet zo maar repressief optreden. Zij moeten georiënteerd worden naar werk. En als we even op een iets langere termijn denken, dan kunnen we niet anders dan te proberen meer mensen aan het werk te krijgen. Dat betekent ook: meer oudere werknemers. Dat is niet het einde van het brugpensioen, het is het einde van de vanzelfsprekendheid van het brugpensioen. En dat is iets anders. Voor mij is het dus zeker niet allemaal economie!

Freya Van den Bossche 4
Minister van Werk

Noten
1/ N. Hertz, I owe You, Het gevaar van de internationale schuldenlast, Uitgeverij Contact, Amsterdam 2004, blz.192.
2/ Simulaties betreffende een vermindering van de sociale zekerheidsbijdragen en vormen van alternatieve financiering, Federaal Planbureau - oktober 2004. De studie is uitgevoerd in opdracht van de Hoge Raad voor Werkgelegenheid en is een aanvulling op het rapport dat de Hoge Raad eerder in 2004 uitgebracht heeft over de eindeloopbaanproblematiek.
3/ J. Vranken e.a., Armoede en sociale uitsluiting, jaarboek 2004, Acco, Leuven 2004, blz. 59.
4/ Dit is de schriftelijke neerslag van een toespraak die de Minister op 13 januari in Mons gehouden heeft op uitnodiging van Elio Di Rupo.

arbeid - tewerkstelling - economie - globalisering - vrije markt

Samenleving & Politiek, Jaargang 12, 2005, nr. 2 (februari), pagina 4 tot 10