Abonneer Log in

Het paniekvoetbal van Tony Blair. Criminaliteitsbeleid onder New Labour

Samenleving & Politiek, Jaargang 12, 2005, nr. 2 (februari), pagina 19 tot 26

Op 29 januari 1993 publiceerde New Statesman & Society een artikel van Tony Blair onder de titel ‘Why crime is a socialist issue.’ In zijn bijdrage hekelde Blair het criminaliteitsbeleid van de Conservatieven. De aanpak van criminaliteit kan niet worden overgelaten aan geïsoleerde individuen, zo stelde hij, maar vraagt om een gemeenschapsgerichte aanpak: ‘Crime demands that communities work as communities to fight it.’ Met een constructief en breed opgezet actieprogramma beloofde hij de bezorgdheid over criminaliteit die leeft bij de Britse bevolking van antwoord te dienen.

In 1993 zwaaiden de Conservatieven nog de scepter over de Britse politiek en zat Labour nog steeds op de oppositiebanken - en dit al sinds 1979 toen Thatcher aan het roer kwam. Als Labour de Conservatieven het vuur aan de schenen wilde leggen, dan moest ze hen op hun eigen terrein aanpakken, aldus Blair. Rechtshandhaving was tot dan een klassiek thema van de rechterzijde. Nu zou ook Labour zich profileren binnen het criminaliteitsdebat.
Ondertussen is er heel wat veranderd in het Britse politieke landschap. Labour werd New Labour en behaalde in 1997 een klinkende overwinning. In 2001 werd het nummertje overgedaan. Criminaliteitsbestrijding zou vanaf het begin van haar regeerperiode een belangrijke plaats innemen in het beleid. Dit was ook nodig want in de aanloop naar de verkiezingen van 1997 zou het herrezen Labour zich een nieuw en vooral harder imago aanmeten aangaande criminaliteit. Het lot van haar toekomst als machtspartij hing dan ook mee af van de mate waarin ze haar beloftes kon inlossen. In deze bijdrage kijken we naar deze ‘nieuwe’ aanpak van criminaliteit onder New Labour.

Wat voorafging

De verkiezingsmanifesten die klaargestoomd werden voor de vijf algemene verkiezingen die plaatsvonden in de periode 1945-1959, repten met bijna geen woord over criminaliteit. Vanaf de jaren zestig zou dit veranderen. De drie belangrijkste partijen begonnen langzamerhand uitspraken te doen over hoe ze criminaliteit zouden terugdringen, maar dit gebeurde zonder te suggereren dat het criminaliteitsprobleem te wijten was aan het beleid van de regeringspartij. Het jaar 1970 was een scharnierpunt op dit vlak. In hun manifest voor de verkiezingen van dat jaar deelden de Conservatieven de eerste speldenprikken uit aan de Labourregering. Tijdens de twee parlementsverkiezingen van 1974, en vooral die van 1979, verhevigden de Conservatieven hun beschuldigingen aan het adres van Labour. In haar antwoord op de aanvallen van de Conservatieven bleef Labour aanvankelijk vasthouden aan haar klassiek uitgangspunt: criminaliteit wordt veroorzaakt door sociale deprivatie. Ze herbevestigde haar vertrouwen in de verzorgingsstaat; haar eigen standpunten op het vlak van de aanpak van criminaliteit moesten dan ook op andere plaatsen in haar programma gezocht worden. De Conservatieven distantieerden zich hiervan en pleitten voor meer middelen voor politie, gerecht en gevangenissen en riepen op om criminelen strenger te straffen. Er groeide een wig tussen de twee partijen: de Conservatieven zouden voortaan tough on crime zijn en Labour brandmerken als soft on crime.
De Conservatieve strategie leek vruchten af te werpen: opiniepeilingen gaven aan dat de Britten meer vertrouwen hadden in de Conservatieven wanneer het over rechtshandhaving ging. In de jaren tachtig zouden de Conservatieven trouw blijven aan hun harde opstelling. Labour bleef worstelen met haar imago. Zes weken voor de verkiezingen van 1992 verspreidden de Conservatieven een poster waarop een politieman afgebeeld stond. Eén hand was vastgebonden achter zijn rug. De begeleidende slogan luidde: ‘Labour’s soft on crime’ (Downes en Morgan 2002a).

De aanloop naar de machtsovername

Labour zou veel energie steken in het bijspijkeren van haar zachte imago. In het artikel in New Statesman & Society lanceerde Tony Blair de criminaliteitsmantra van het nieuwe Labour: ‘tough on crime and tough on the underlying causes of crime’ (Blair 1993: 27). De spreuk was zonder meer geniaal: Blair slaagde erin om twee keer tough in één slogan te gebruiken, zonder daarbij de oude Labourachterban voor het hoofd te stoten - niet enkel criminaliteit maar ook de achterliggende oorzaken moesten hard aangepakt worden. De slogan zou een centrale plaats krijgen in het verkiezingsmanifest van 1997.
Tony Blair en later Jack Straw legden van dan af de Conservatieve regering geregeld het vuur aan de schenen. De hoge criminaliteitscijfers werden voor New Labour niet zozeer veroorzaakt door de sociale omstandigheden, wat haar oude standpunt was, maar vooral door het zwakke antwoord van overheidswege. Dit bleek duidelijk toen Blair de Tories onder vuur nam over de stijging van de criminaliteitscijfers met 40% tussen 1989 en 1992: de felle stijging werd niet zozeer in verband gebracht met het economisch (wan-)beleid van de regering, maar wel met de gedaalde arrestatie- en vervolgingscijfers en de tekortkomingen in de Criminal Justice Act van 1991 (Downes 1998). Het verkiezingsmanifest van 1997 trok die lijn door en nam uitdrukkelijk afstand van de oude Labour benadering van criminaliteit: ‘On crime, we believe in personal responsibility and in punishing crime … different from the Labour approach of the past’ (geciteerd in Downes en Morgan 2002b: 83). Tussen de twee grote partijen leek zich een nieuwe consensus af te tekenen - dit maal een éénsgezinde oriëntatie op de harde aanpak van wetsovertreders.
Het ging er niet altijd netjes aan toe. Na de dood van James Bulger, de peuter die door twee tienjarigen om het leven gebracht was in 1993, omschreef Blair de moord als een ‘hammer-blow against the sleeping conscience of the country.’ Blair gebruikte de dood van de peuter als symbool voor de toestand waarin Groot-Brittannië vertoefde onder het bewind van de Conservatieve partij. Hij voegde eraan toe dat enkel Labour ‘sociale vrede’ zou brengen door te aanvaarden dat we geen rechten kunnen hebben zonder verantwoordelijkheden.
Nick Cohen van The Observer was niet mals voor Blair: dit was pure politieke uitbuiting van de dood van het kind. Uiteindelijk zei de moord op Bulger niets meer of niets minder over de staat van Groot-Brittannië dan dat er een erg betreurenswaardig misdrijf heeft plaatsgevonden. Cohen brak zelfs een lans voor Michael Howard, de Conservatieve Home Secretary die in progressieve kringen doorgaans uitgespuwd werd omdat hij van mening was dat gevangenissen ‘werken’. Het was pas toen Blair op het toneel kwam en hij de Conservatieven langs rechts dreigde in te halen, dat het opbod over who’s the toughest? begon (Cohen 2001).

Van oppositie naar macht / van retoriek naar beleid

Sinds het begin van de jaren negentig heeft Labour haar traditionele standpunten over de oorzaken en de aanpak van criminaliteit danig aangepast. Haar veranderde opvattingen over criminaliteit maakten deel uit van een omvangrijke (en fel gecontesteerde) vernieuwingsoperatie die met de naamsverandering werd bezegeld: New Labour was geboren. Op cruciale terreinen zoals openbare financiën, gezondheidszorg, onderwijs, sociale zekerheid en de rol van de private sector werden nieuwe standpunten ingenomen, al dan niet ingepakt in het (ondertussen ondergesneeuwde) discours van Tony Giddens’ Third Way. Het vernieuwde Labour zou na de verkiezingsoverwinning van 1997 opnieuw een machtspartij worden die het beleid kon uitstippelen.
Meteen werd echter de keerzijde duidelijk van de slimme slogan tough on crime, tough on the causes of crime: hard optreden ten aanzien van criminaliteit kan op relatief korte termijn gebeuren; hard optreden tegen de oorzaken van criminaliteit daarentegen, vraagt om een lange termijnvisie en -beleid. Uiteindelijk zou New Labour zich vooral gaan richten op het eerste deel van de slogan, waarbij ‘tough on crime’ al snel uitgroeide tot ‘being as tough as (or even tougher than) the Tories on crime’ (Downes 1998: 192). Daarbij werden wetgevende en beleidsinitiatieven genomen die niet zozeer ingegeven werden door wat aan onderzoeksgegevens voorhanden was binnen de Britse universiteiten of de uitgebreide onderzoeksafdeling van de eigen Home Office. De initiatieven die vaak overhaast en ondoordacht genomen werden, getuigden eerder van paniekvoetbal - een diepe angst om de herwonnen geloofwaardigheid als partij van rechtshandhaving (en daarmee ook de politieke macht) te verliezen aan de Conservatieve partij.

Criminaliteit en sociale uitsluiting

Dit wil niet zeggen dat het tweede deel van de slogan - de ‘harde’ aanpak van de oorzaken van criminaliteit - compleet veronachtzaamd werd. De communitaristische benadering van criminaliteit door Blair (1993) zou ook later in het pamflet van Tony Giddens (1998) doorzinderen. Op die manier sijpelde ook de centrale leuze van de Derde Weg het criminaliteitsdebat binnen: geen rechten zonder verantwoordelijkheden (Giddens 1998: 65). Aldus meende New Labour een tussenweg gevonden te hebben tussen het verhaal van de individuele verantwoordelijkheid van Rechts en dat van de sociale verantwoordelijkheid van Oud Links. De oorzaken van criminaliteit zouden via actieve gemeenschapsinterventie bestreden moeten worden. In New Labourspeak gaat het dan om de bestrijding van social exclusion. Hiertoe werd op 8 december 1997 in het hart van de regering - de Cabinet Office - een Social Exclusion Unit opgericht. Blairs slogan laat zich dan als volgt vertalen: op lange termijn zal criminaliteit aangepakt worden via de bestrijding van sociale uitsluiting; op korte termijn is een krachtig antwoord nodig om te reageren op de problemen die zich hier en nu voordoen.
Als slogan klinkt het allemaal wel mooi, maar het blijft toch wringen. Ten eerste, als wetsovertreders volgens de oorzakenleer van New Labour vaak sociaal uitgeslotenen zijn, leidt een krachtig en uitsluitend optreden van het strafapparaat dan niet onvermijdelijk tot verdere marginalisering? En, ten tweede, hoe moeten we de band begrijpen tussen sociale uitsluiting enerzijds, en individuele verantwoordelijkheid bij het sanctiebeleid anderzijds? De benadering van sociale uitsluiting door de Social Exclusion Unit verraadt al hoe dit heikele punt uit de weg gegaan wordt. In haar analyse hanteert ze een sterke versie van sociale uitsluiting. Zo legt ze de nadruk op economische (globalisering, neergang van handenarbeid, opmars van kennisindustrie, flexibilisering van arbeid, enz.) en sociale (gezin en gemeenschap) veranderingen om sociale uitsluiting te verklaren. Binnen de sterke versie van sociale uitsluiting wordt dus ruim aandacht besteed aan structurele veranderingen die de handelingsruimte van individuen overstijgen. De beleidsimplicaties daarentegen, suggereren een zwakke versie van sociale uitsluiting. Het probleem wordt plots gelokaliseerd in de persoon zelf: hij of zij moet via allerlei wegen (training, opleiding, vaardigheden, enz.) geherintegreerd worden. Individuele noden en gebreken komen centraal te staan. Het probleem verschuift van een structureel (bij de analyse) naar een individueel (bij het beleid) niveau (Colley en Hodkinson 2001; Matthews en Young 2003).
Deze sprong getuigt niet van consistentie, maar is natuurlijk wel handig: de individualisering van de oorzaken van sociale uit/insluiting gaat hand in hand met de individuele verantwoordelijkheid die speelt bij de reactie op criminaliteit. New Labour lijkt dan tegen de sociaal uitgeslotene te zeggen:als jij de geboden kansen op herintegratie niet aangrijpt en jij waagt het vervolgens om de wet te overtreden, dan zal jij hard worden aangepakt. Op die manier heeft het individu, dat aanvankelijk de speelbal leek te zijn van krachten die zijn petje te boven gaan, zijn lot opnieuw in eigen handen. De sprong is ook noodzakelijk om het communitaristisch discours - geen rechten zonder plichten - in stand te houden: met het recht op insluiting komt de plicht om de wet te gehoorzamen.

Belofte maakt schuld

Maar om haar verkiezingsbeloftes hard te maken, zou New Labour zich vooral richten op het hier en nu. Op dat vlak begon New Labour haar eerste regeerperiode onder een positief gesternte: de criminaliteit ging immers in dalende lijn. Volgens de Britse slachtofferenquête was er tussen 1995 en 1999 een daling van 23%. De minder betrouwbare politiecijfers maakten gewag van een daling van zo’n 20% in de periode 1991-1999. Sinds de jaren zestig stegen de criminaliteitscijfers gestaag. De kentering die zich in de jaren negentig voordeed, was dan ook meer dan welkom (Young 2003). Daarenboven kon Labour op een uiterst comfortabele meerderheid bogen, de opiniepeilingen waren gunstig en de Conservatieve partij leek op de dool. De tijd leek dus rijp om een realistisch criminaliteitsbeleid uit te bouwen gebaseerd op betrouwbare onderzoeksgegevens. Meer nog: als het volume aan criminaliteit op de terugweg is, zou het dan niet logisch zijn dat ook het rechtshandhavingsapparaat inkrimpt of op zijn minst niet verder groeit? In tijden dat overheden krap bij kas zitten en besparingen troef zijn, zou misschien geopperd kunnen worden dat ook de strafrechtsbedeling, in het licht van de dalende criminaliteitscijfers, haar duit in het zakje doet. Maar ondertussen werden er gevangenissen bijgebouwd en bereikte de omvang van het politieapparaat recordhoogtes. Op 15 oktober 2004 bedroeg de gevangenisbevolking 74.751 eenheden en een ambitieus bouwprogramma werd op gang getrapt: tegen 2006 zouden er 78.700 plaatsen moeten zijn. In 1996 bedroeg de gevangenispopulatie nog 55.281 eenheden. Sinds 1997 werden er 11.000 extra politieagenten aangeworven wat het totaal eind 2003 op 138.155 agenten bracht. De talrijke aanpassingen die sinds 1998 aan de strafwetgeving aangebracht werden, kunnen in twee categorieën worden onderverdeeld. Enerzijds vergrootte de greep van de strafrechtsbedeling op de Britse samenleving. De bevoegdheden van politie en lokale autoriteiten om op te treden tegen lawaai, overlast en antisociaal gedrag werden gevoelig uitgebreid; de regels om publieke evenementen aan banden te leggen werden versoepeld; huurbazen werden in de mogelijkheid gesteld om op te treden tegen antisociaal gedrag; ouders kunnen ter verantwoording worden geroepen voor het gedrag van hun kinderen; verplichte minimumstraffen voor verboden wapendracht werden ingevoerd; strengere straffen voor gewelds- en seksuele misdrijven vonden ingang, enzovoort. Anderzijds werden maatregelen genomen om de rechtsgang te versnellen en de efficiëntie van het strafapparaat te verhogen, onder meer via de versoepeling van bewijsregels. De Queen’s Speech van 23 november 2004 werd daarenboven beheerst door het veiligheidsthema. Acht van de 32 voorstellen hadden betrekking op veiligheid, gaande van de aanpak van hooliganisme en overlast tot de oprichting van een heuse Britse FBI. New Labour lijkt haar verkiezingsbelofte om hard op te treden dus in te lossen, maar ze betaalt hiervoor wel een hoge prijs: een rationeel beleid waarbij uitgegaan wordt van een realistische situatieschets, lijkt ver weg. Het tweede deel van Blairs slimme slogan - hard optreden tegen de oorzaken van criminaliteit via de bestrijding van sociale uitsluiting - lijkt het onderspit te moeten delven. De golf aan voorstellen in de Queen’s Speech lijken daarenboven vooral ingegeven te zijn door electorale overwegingen en de schrik dat de Conservatieven opnieuw het criminaliteits- (en nu ook terrorisme)thema in handen zullen nemen. De herverkiezing in november 2004 van George W. Bush die volop de terreurkaart trok, zal hierbij zeker een rol gespeeld hebben. Met de verkiezingen van 2005 voor de deur kan slechts een kleine fractie van de voorstellen door het parlement gejaagd worden en is het vooral de boodschap die telt. Zo bekeken gaat het opnieuw om een meesterlijke tactische zet die de oppositie alleen maar schaapachtig kan doen toekijken. De Queen’s Speech vormt de zoveelste pre-emptive strike van New Labour om haar opponenten de wind uit de zeilen te nemen en zich als dé partij van law and order te profileren.

Schieten met hagel: Blairs paniekvoetbal

Maar de pre-emptive strikes van New Labour hebben meer weg van hagelschoten dan van precisiebombardementen: de vele en vaak inderhaast gelanceerde initiatieven verspreiden zich (voor zover ze uit de loop geraken althans) als hagelbolletjes naar alle windrichtingen in de hoop dat minstens enkele doel zullen treffen. Sinds eind jaren negentig werden een hele reeks fel gemediatiseerde ontmoetingen van de regeringstop georganiseerd over de meest uiteenlopende thema’s zoals gangsta rap, wapens, georganiseerde criminaliteit, straatcriminaliteit, cocaïne, schoolgeweld, enzovoort. Los hiervan ontvouwden politici ontelbare plannen en initiatieven in de media, maar deze verdwenen vaak even snel als ze de wijde wereld ingestuurd werden. De acht aangekondigde voorstellen in de Queen’s Speech brengen de teller van wetsvoorstellen ter bestrijding van criminaliteit die sinds de verkiezingen van 2001 gelanceerd werden, op 34. Strafrechtshervormingen waren ooit een werk van lange adem en gebeurden zeer sporadisch. Onder New Labour lijkt het strafapparaat onafgebroken in de steigers te staan. Het enorme belang dat New Labour hecht aan het criminaliteitsthema vloeit voort uit haar nieuwe imago: de partij moet tonen dat ze iets doet, ze moet de indruk wekken dat het haar menens is. Het veelvuldige optreden op dit terrein heeft dan ook vaak meer weg van een mediastrategie dan van een oprechte bekommernis om rechtshandhavingsproblemen met zin voor realiteit aan te pakken. New Labour lijkt wel het slachtoffer te worden van haar nieuwe imago, waarbij de Britse media maar al te graag de spreekwoordelijke knoop in de zakdoek spelen.
Over de bijzondere band die New Labour met die media onderhoudt, is al heel wat inkt gevloeid. Toen Blair nog in de oppositie zat, vroeg Nick Cohen hem om te reageren op een sneuveltekst van David Maclean, die deel uitmaakte van het team van de Conservatieve Home Secretary Michael Howard. In de tekst werd krasse taal gehanteerd en gepleit voor meer macht voor de politie zodat ze ‘criminelen als ongedierte van de straat konden vegen.’ Blair wilde niet reageren en antwoordde aan Cohen: ‘You see, a lot of Daily Mail readers would agree with Maclean’ (Cohen 2001). Eens aan de macht zou de regeringsploeg van New Labour nog wel vaker de editorialen van de tabloids als uitgangspunt nemen voor haar beleid of zelf ongenuanceerde taal in de mond nemen.
In een naïeve bui zou je kunnen stellen dat de media de stem van het volk vertolken en dat New Labour op die manier enkel maar luistert naar wat het volk wil. Maar zo eenvoudig ligt het natuurlijk niet. Opinieonderzoek binnen het domein van justitie toont aan dat de man en vrouw in de straat vaak een misvormd beeld hebben van de aard en omvang van criminaliteit. De massamedia zijn hun voornaamste informatiebron en die richten zich op die gevallen die het felst in het oog springen en die de meeste nieuws- en sensatiewaarde hebben: geruchtmakende verdwijningen, overvallen, moord, enzovoort.
Toen op 12 juli 2002 de jaarlijkse statistieken bekend gemaakt werden, meldde de slachtofferenquête een daling van 2%. De politiestatistieken gaven een stijging aan van 7% - waarvan minstens 5% te wijten was aan gewijzigde registratiepraktijken. Op het eerste gezicht dus niets spectaculairs. De Britse pers was echter zeer selectief in haar rapportage: Street Crimes Rocket by 28 per cent (Daily Express); Robbery up 28 per cent (Sun); Tough on Crime? They’d Laugh if It Didn’t Hurt So Much (Daily Mirror); Robberies fuel Rise in Crime Figures (Daily Telegraph); Alarm over Huge Rise in Street Crimes and Theft (Independent); Robbery Sends Crime Soaring (Times); Blunkett Calm on Street Crime (Daily Star); Abrupt End to Six-Year Fall in Crime (Guardian) (Young 2003). Duiding van wat er onder de containerbegrippen ‘straatcriminaliteit’ of ‘overval’ begrepen moet worden (bijv. het aandeel van gsm’s in de statistieken) of dat het maar om een fractie van de totale criminaliteitskoek gaat, bleef doorgaans uit. Het hoeft dan ook niet te verwonderen dat de publieke opinie slecht geïnformeerd is. Uit de Britse slachtoffersurvey van 2000 bleek dat twee derde van de respondenten geloofde dat criminaliteit op nationaal niveau gestegen was tussen 1997 en 1999. De helft daarvan (of één derde van de bevolking) was van mening dat de cijfers ‘veel’ gestegen waren. In feite gaven de cijfers een daling aan van tien procent (Kershaw e.a. 2000: 59). Op zo’n momenten zou je denken dat het net aan de regering toekomt om op de cijfers te hameren en om de verkeerde voorstellingen die bij de bevolking leven bij te schaven in plaats van de tabloids achterna te hollen. Maar blijkbaar wil New Labour de media niet voor het hoofd stoten. Ze beseft natuurlijk maar al te goed dat er altijd wel iets slecht te vertellen valt en elk negatief bericht dat niet beantwoord wordt met een straffe uitspraak of viriele daad zou een smet kunnen werpen op het nieuwe imago.
Soms gaat het zo ver dat New Labour zelf het taalgebruik van de tabloids in haar beleidsdocumenten hanteert. In een beleidsdocument uit 2002 - Justice for All - staat het volgende te lezen: ‘The public are sick and tired of a sentencing system that does not make sense. They read about dangerous, violent, sexual, and other serious offenders who get off lightly, or are not in prison long enough’ (geciteerd in Tonry 2004: 124). De eerste zin is pure polemiek en lijkt wel weggeplukt uit het editoriaal van de eerste de beste tabloid. De tweede werpt meer vragen op dan dat ze beantwoordt: waar lezen ze die dingen? Stemmen de dingen die ze lezen overeen met de realiteit? Worden criminelen echt te licht gestraft? Enzovoort.

Besluit

Velen hebben de ontwikkelingen in het politieke landschap van Groot-Brittannië de afgelopen jaren met argusogen gevolgd. Het bleef uitkijken naar de wijze waarop het nieuwe Labour, na achttien jaar oppositie, zijn rol als machtspartij in een fel veranderd Groot-Brittannië zou waarmaken. Ook het politieke project dat onder de noemer The Third Way de linkerzijde een tijd lang wist te boeien/enerveren, maakte van Groot-Brittannië met Blair en Giddens een interessante testcase. Hoe zouden de ideeën in beleid omgezet worden? En wat zou er nog van Oud Links overblijven na de vernieuwingsoperatie?
Op het vlak van de aanpak van criminaliteit lijkt New Labour zich alvast te vergalopperen. De angst om opnieuw als soft on crime afgeschilderd te worden en daar de electorale weerslag van te voelen, heeft geleid tot een dubieuze manier van beleidsvoering. Je zou natuurlijk kunnen stellen dat beleid zelden voortspruit uit nauwgezette probleemanalyses, maar veeleer uit in het oogspringende gebeurtenissen en dat New Labour op dat vlak geen buitenbeentje is. Dit neemt echter niet weg dat de wijze waarop New Labour zich vastgeklonken heeft aan haar nieuwe imago ertoe leidt dat ze in een doodlopend straatje dreigt terecht te komen: het behoud van haar moeizaam verworven positie als ‘law and order’-partij is haar blijkbaar veel offers waard. De onderliggende visie op ‘gemeenschap’, één van de kernnoties uit de Derde Wegfilosofie van Blair en co, is daarenboven uiterst schraal en defensief: het begrip gemeenschap lijkt wel gereduceerd te worden tot een groep van hard werkende en respectabele (potentiële) slachtoffers.
Er schuilt ook een gevaar in de huidige strategie. In tijden van dalende of stabiliserende criminaliteitscijfers zijn instellingen en personen er snel bij om de pluimen op hun mouw te spelden. Op andere momenten schuiven ze de verantwoordelijkheid maar al te graag af naar anderen of naar meer anonieme krachten zoals de economie. De huidige profileringsdrang van Labour zou haar wel eens zuur kunnen opbreken als de cijfers weer gaan stijgen. Meer nog: door de dalende cijfers toe te schrijven aan het eigen harde optreden, voedt ze verwachtingen bij de bevolking dat meer politie en gevangenissen een effectief instrument zijn in de strijd tegen criminaliteit. Als ‘de mensen’ voorgespiegeld wordt dat de harde aanpak ‘werkt’, dan zou dit ook wel eens een impact kunnen hebben op de vraag naar een hardere aanpak. Waar dit toe kan leiden, weten ze ondertussen in de Verenigde Staten waar meer dan zes miljoen mensen onder de controle van justitie staan, waarvan er meer dan twee miljoen achter de tralies zitten.

Tom Daems
Aspirant FWO Vlaanderen, K.U.Leuven, Instituut voor Strafrecht

Referenties:
- Blair T. (1993) Why Crime is a Socialist Issue, New Statesman & Society, 29 januari 1993, 27-28.
- Cohen N. (2001) A Cruel Reckoning, The Observer, 24 juni 2001.
- Colley H. en Hodkinson P. (2001) Problems with Bridging the Gap: The Reversal of Structure and Agency in Addressing Social Exclusion, Critical Social Policy, 21(3), 335-359.
- Downes D. (1998) Toughing it Out: From Labour Opposition to Labour Government, Policy Studies, 19 (3/4), 191-198.
- Downes D. en Morgan R. (2002a) The Skeletons in the Cupboard. The Politics of Law and Order at the Turn of the Millennium, in: Maguire M., Morgan R. en Reiner R. (red) The Oxford Handbook of Criminology, Oxford, Oxford University Press, 286-321.
- Downes D. en Morgan R. (2002b) The British General Election 2001. The Centre Right Consensus, Punishment and Society, 4(1), 81-96.
- Giddens A. (1998) The Third Way. The Renewal of Social Democracy, Cambridge, Polity Press.
- Kershaw C., Budd T., Kinshott G., Mattinson J., Mayhew P. en Myhill A. (2000) The 2000 British Crime Survey, Londen, Home Office.
- Tonry M. (2004) Punishment and Politics. Evidence and Emulation in the Making of English Crime Control Policy, Cullompton, Willan.
- Young J. (2003) Winning the Fight Against Crime? New Labour, Populism and Lost Opportunities, in: Matthews R. en Young J. (red), The New Politics of Crime and Punishment, Cullompton, Willan, 33-47.
- Young J. en Matthews R. (2003) New Labour, Crime Control and Social Exclusion, in: Matthews R. en Young J. (red), The New Politics of Crime and Punishment, Cullompton, Willan, 1-32.

Tony Blair - criminaliteit - Groot-Brittannië

Samenleving & Politiek, Jaargang 12, 2005, nr. 2 (februari), pagina 19 tot 26