Abonneer Log in

Ouderen en veiligheid: uw aandacht a.u.b.!

Samenleving & Politiek, Jaargang 12, 2005, nr. 2 (februari), pagina 27 tot 31

Veel ouderen voelen zich onveilig. De angst om slachtoffer te worden van een misdrijf zit diep ingebakken. Ouderen zijn immers kwetsbaarder en minder weerbaar. De media, inzonderheid de druk bekeken kijkbuis, bevestigen en bestendigen dit beeld. Toch geven de naakte cijfers, o.m. in de veiligheidsmonitoren, aan dat ouderen minder dan andere bevolkingscategorieën daadwerkelijk in aanraking komen met misdrijven. Correcte informatie en correcte beeldvorming is dan ook op zijn plaats. Temeer omdat niet zozeer criminaliteit, maar de eigen thuissituatie vijand nummer één is voor bejaarden. Met stip genoteerd staat vallen in en rond de woning. Preventieve screening van de risico’s en een concreet interventieprogramma, opgesteld in samenspraak met de huisarts, moeten weerwerk bieden.
Naar de mening van de auteurs vormen ook deze aspecten een wezenlijk onderdeel van het debat over de vergrijzing, dat intussen op gang is getrokken.

Als we spreken over ouderen en veiligheid is de kans groot dat u zich vooral het beeld van een oudje dat van haar handtas wordt beroofd, voor de geest haalt. In werkelijkheid gaat het veelal om de 85-jarige die tegen elk advies in zelf haar ramen wil zemen en daardoor zwaar ten val komt. Wij vinden het alvast positief dat de ouderenweek 2004 het thema ‘veiligheid: een basisrecht!’ op de voorgrond heeft geplaatst. Het uitroepteken na de werktitel doet vermoeden dat dit basisrecht onder druk staat, maar is dit ook zo? Veel ouderen, en in het bijzonder oudere vrouwen, voelen zich onveilig. Van de 75-jarigen vindt 80% dat de straten de laatste 10 jaar onveiliger zijn geworden. Zij zien voor zichzelf een groter risico op slachtofferschap, denken dat voor hen de gevolgen veel ernstiger zijn en voelen zich hulpelozer. Een beeld dat haaks staat op de realiteit, want uit de veiligheidsmonitor blijkt dat senioren minder vaak het slachtoffer zijn van criminaliteit dan jongeren. Hun aanvoelen is meer gebaseerd op gevoelens dan op feiten. Gevoelens van onveiligheid nemen duidelijk toe met het ouder worden. Je kan dat trouwens ook afleiden uit een aantal gedragsindicatoren zoals de aankoop van een alarminstallatie, het openen van de deur ’s avonds of het onbewaakt achterlaten van de woning in geval van vakantie.
Als we geen rekening houden met het psychisch geweld in de thuissituatie, waar we verder op terugkomen, is er weinig reden om aan te nemen dat geweld bij ouderen meer zou voorkomen dan bij andere leeftijdsgroepen. Het Ouderen Overleg Komitee (OOK) heeft de ouderenweek 2004 aangegrepen om wat langer stil te staan bij hete hangijzers in het ouderenwerk. Veiligheid en senioren was dan ook een terechte keuze. Wij nemen daaruit drie belangrijke aspecten in beschouwing: de effectieve feiten, de gevoelens die omtrent dit thema leven en de rol van de media hierin. We beklemtonen meteen ook het belang van een verdere kennisontwikkeling in verband met dit thema. Meer en grondiger onderzoek is nodig, niet alleen vanuit de politionele invalshoek, maar ook vanuit de gerontologie, waarbij recht kan gedaan worden aan de fundamentele inzichten waarop deze wetenschap steunt. In de eigenlijke gerontologische literatuur is immers nog maar nauwelijks aandacht gegeven aan dit maatschappelijk prangend item.

Veilig buitenshuis

Ouderen zijn in eerste instantie bang om slachtoffer te worden van een inbraak in hun woning, gevolgd door de angst dat hun auto gestolen wordt. Op de derde plaats komt de vrees om op straat beroofd te worden van portefeuille of handtas. Op jaarbasis wordt 2 à 3% van de ouderen hiermee daadwerkelijk geconfronteerd en is 1,30% van de 70-jarigen slachtoffer van lichamelijk geweld (ter vergelijking: bij de 15-49 jarigen bedraagt dit 4,40%). Elke misdaad is er uiteraard één teveel, maar vooral bij ouderen leeft een totaal vertekend beeld van de reële feiten. Zij schatten het risico op criminaliteit zeer hoog in: bij de 55-64 jarigen voelt 10% zich doorgaans niet veilig in de buurt terwijl dit bij de 75 plussers al 20% bedraagt. Voelt 88% van de ouderen zich overdag veilig om te wandelen of boodschappen te doen dan is dit ’s avonds buiten op straat of in de eigen buurt nog slechts 66%. Uit de veiligheidsmonitor weten we dat ouderen als meest voorkomende buurtproblemen ‘onaangepaste snelheid in het verkeer en agressief rijgedrag’ en ‘inbraak in woningen’ vermelden. Daartegenover staat dan weer dat de overgrote meerderheid zich in het algemeen positief uitlaat over diezelfde buurt. Over die veiligheidsparadox communiceren we niet (goed) meer met ouderen. Vaak zwijgen we (over de naakte cijfers) uit schrik voor onbedoelde effecten: preventief mensen informeren zou de angst nog meer in de hand kunnen werken. Toch kunnen ouderen diverse technieken en middelen aanleren en hanteren om zich veiliger, weerbaarder op te stellen. In de vakliteratuur noemt men dit de ‘victimisatiepreventie’. Wij willen via een directe en concrete communicatie met ouderen praten over die veiligheidsparadox. Dat kan via de klassieke individuele aanpak zoals een brochure, specifiek gericht op ouderen, met een aantal eenvoudige tips: hoe kan je problemen voorkomen of ontwijken, wat kan je doen om je te verdedigen, waar kan je terecht met problemen, hoe of wat verzeker je best, … De bedoeling is om ouderen zo met meer vertrouwen (beter) te laten deelnemen aan de buitenwereld. Deze individuele aanpak moet geschraagd worden door een aanpak op het niveau van de buurt en de lokale entiteit. Ook het verenigingsleven en het ruime (lokale) middenveld moet daarin zijn rol opnemen. In de Senaat en daarbuiten hebben wij reeds bij diverse gelegenheden het belang van ‘structurele ingrepen’ in de fysieke leefomgeving, voor alle bevolkingslagen, onderstreept: het werkbaar maken van de gemeentelijke administratieve sancties, de inzet van buurtbemiddelaars, het invoeren van het in Nederland reeds met succes beproefde concept van ‘veilige straat/veilige buurt.’
Daarnaast is meer blauw op straat en vooral blauw meer zichtbaar op straat absoluut noodzakelijk. Dat vergt in hoofdzaak een goede inzet en aanpak van het politiekorps met aandacht voor een gedegen (en die naam waardige) wijkwerking, patrouilles te voet, per fiets of te paard, … Alleen die daadwerkelijke aanwezigheid zal op termijn de perceptie bij de mensen wijzigen over de kwaliteit en effectiviteit van de inzet van politie. Senioren hebben ook hierin een rol te spelen. Zij bezitten vaak veel kennis over hun directe omgeving of wijk. Zij kunnen goed aangeven waar en wanneer zij zich niet veilig voelen. Als de senior daar niet mee naar de politie gaat en de politie hier niet nadrukkelijk naar op zoek gaat, hebben beiden een duidelijk probleem. Contactmomenten tussen politie en bijv. ouderenorganisaties in de gemeente kunnen dat voorkomen. Dit past perfect in onze visie dat de politie een duidelijk doelgroepenbeleid moet voeren: naar de middenstand, naar bedrijven, ... maar bijv. ook naar senioren toe.

Correcte(re) maatschappelijke beeldvorming en berichtgeving

Ouderen hebben een fragiel en weerloos imago. De media voert ze vaak op als kwetsbare en passieve slachtoffers. Vooral diegenen die zich al kwetsbaar voelen, zoals bij uitstek ouderen, vereenzelvigen zich met dat beeld. De oudere bevolking kijkt niet alleen in grotere getale TV, maar ook met een hogere intensiteit, gemiddeld een viertal uren per dag. Op het eerste gezicht heeft dit weinig te maken met de onveiligheidsgevoelens bij ouderen, maar niets is minder waar. Door deze voortdurende en herhaaldelijke negatieve typering in de media gaan ouderen zich naar dit beeld gedragen en krijgen ze het gevoel geen controle meer te hebben op hun omgeving. Wat dan weer aanleiding geeft tot onzekerheid, machteloosheid en gevoelens van onveiligheid.
Bovendien blijkt uit inhoudsanalyses dat de media disproportioneel veel aandacht besteden aan misdaad en vooral gewelddadige misdaad. En is het veelal zaak de feiten zo spectaculair mogelijk voor te stellen. Moord bijvoorbeeld komt 3075 meer voor in het nieuws dan in werkelijkheid. Dat zorgt uiteraard voor een verhoging van de angst en onveiligheidsgevoelens. Het beeld dat wordt opgehangen is duidelijk verwrongen, maar bepaalt hoe naar de werkelijkheid wordt gekeken of hoe die werkelijkheid wordt beleefd door ouderen.
Het is een cruciale taak voor elke politicus om te werken aan een positieve beeldvorming voor ouderen en positieve voorbeelden naar voor te schuiven. Een federale adviesraad voor ouderen moet een cruciale waakhondfunctie krijgen, onder meer om dit voortdurend insijpelen van negatieve beeldvorming tegen te gaan. De systematische negatieve beeldvorming bij ouderen is immers niet meer of minder dan een vorm van psychologische mishandeling.

Veilig thuis

Het kan raar klinken maar ‘thuis’ is de minst veilige plaats voor ouderen. En de schaarse onderzoeksresultaten hierover melden uitdrukkelijk dat het geweld en de onveiligheidsgevoelens bij ouderen thuis wellicht schromelijk onderschat worden. Alleszins valt een belangrijk onderscheid te maken tussen ouderen die nog zelfredzaam zijn en zij die systematisch en langdurig beroep moeten doen op allerlei hulp.
Seksueel geweld, fysiek geweld en financieel geweld (die uiteraard ook binnen alle leeftijdscategorieën terug te vinden zijn) blijken minder voor te komen dan psychisch geweld. Nagenoeg 12% van de vrouwen en nagenoeg 7% van de mannen in zorgafhankelijke situaties hebben te maken met psychisch geweld. Dit psychisch geweld komt vooral neer op ‘actieve verwaarlozing’ en ‘verbaal geweld’. De plegers van het psychisch geweld - niet zelden de kinderen - zijn vaak het slachtoffer van een te belastende zorgsituatie. Ook hier is dus werk aan de winkel: we moeten families weerbaarder maken, professionele krachten nog beter wapenen om aan familiebegeleiding te doen, maar vooral verder investeren in instrumenten die een vroegtijdige opsporing van risicosituaties mogelijk maken.
Als politici hebben we de opdracht om dit uit de taboesfeer te halen: vaak zijn het de meest toegewijde partners en kinderen die voor zichzelf de lat zo hoog leggen, dat ze uiteindelijk als het ware bezwijken onder die zorg. Als we onvoorwaardelijk kiezen voor thuiszorg voor ouderen moeten we dit aspect van de thuiszorg mee in beschouwing nemen en bijgevolg het thema levenskwaliteit van zorgafhankelijke ouderen, en dementen in het bijzonder, hoog op de politieke agenda plaatsen.
Vooral ‘vallen’ hypothekeert de veiligheid van ouderen thuis. Niet alleen omdat het zeer frequent voorkomt maar vooral omdat het een enorm negatieve invloed heeft op het fysiek en psychosociaal welbevinden van de ouderen. Van de thuiswonende personen ouder dan 65 jaar valt 35% tot 40% minstens éénmaal per jaar, wat neerkomt op maar liefst 700.000 valincidenties op jaarbasis. Van onveiligheid gesproken!
Daarnaast is uiteraard ook het aantal valpartijen op straat of op andere locaties aanzienlijk en lopen 55-plussers ook in het verkeer heel wat risico’s. Daarenboven vormt vallen de hoofdoorzaak van accidenteel overlijden boven de 75 jaar. Wij vragen alvast met aandrang algemene preventieve maatregelen om risicopersonen op te sporen en te begeleiden. Ouderen blijken trouwens zelden hun huisarts te contacteren of te informeren over hun valgedrag. Wij werken daarom aan een wetsvoorstel dat voorziet dat elke senior een thuisbezoek krijgt en zijn situatie in kaart brengt in termen van veiligheid. We bedoelen dan uitdrukkelijk de veiligheid binnen de woning. Concreet willen wij een door een verpleegkundige en ergotherapeut geleid interventieprogramma waarbij systematisch zes risicofactoren worden nagegaan: mobiliteit en evenwicht, medicatiegebruik, plotse bloeddrukschommelingen, zicht, in- of drangcontinentie en huis- en omgevingsveiligheid en gedrag.
Dit moet resulteren in een gericht en financieel realistisch advies in overleg met de huisarts. Her en der hebben dergelijke projecten reeds aangetoond dat de ouderen dit zelf als zeer positief ervaren en een hoge mate van therapietrouw vertonen. Met de jaren verminderen het reactievermogen en evenwicht en is het daarom belangrijk dat er kritisch en eerlijk naar de gewoonten en dagelijkse handelingen van ouderen wordt gekeken.
Ook op het niveau van de woning kunnen vaak heel wat preventieve ingrepen gebeuren en kunnen enkele eenvoudige tips het leven makkelijker, comfortabeler en veiliger maken. Wij zijn ervan overtuigd dat een dergelijk globaal ‘interventieprotocol’ effectief bijdraagt tot een verhoogd welzijn en veiligheidaanvoelen bij ouderen.
Uiteraard is aan deze voorgestelde ingreep een aanzienlijk kostenplaatje verbonden. We zijn evenwel de mening toegedaan dat deze kost op termijn verwaarloosbaar zal zijn en mogelijks zelfs besparend kan werken doordat de ziekenhuisfacturen en de diverse andere medische kosten, die vallen teweegbrengen, aanzienlijk zullen verminderen. Deze ingreep zal, samen met andere maatregelen in de aanpak van de vergrijzing, trouwens ook een niet onaanzienlijk positief effect hebben op de tewerkstelling. Om over de menselijke kost te zwijgen, want vaak gaat vallen gepaard met een ernstige ingreep, revalidatie en zeer veel angst om terug te vallen. Ouderen vertonen immers een vermijdingsgedrag, met als resultaat dat men minder fit wordt en dus weer meer kansen heeft om te vallen, … En zo is de cirkel rond: de angst voor het vallen gaat het leven bepalen!

Enkele slotbeschouwingen

Criminaliteit en slachtofferschap zijn duidelijk niet de hoofdoorzaak of zelfs een belangrijke oorzaak voor de onveiligheidsgevoelens bij ouderen. Waarmee we niet gezegd willen hebben dat deze gevoelens niet bestaan. Wij pleiten er integendeel uitdrukkelijk voor om ze zeer ernstig te nemen. Angst bij senioren komt vooral voort uit vaak heel praktische problemen met de leefomgeving en de samenleving. Deze angstgevoelens zijn niet alleen erg voor de betrokkenen zelf omdat ze directe consequenties voor hun persoonlijk welzijn hebben. Ze vormen tevens een barrière voor ouderen om actief deel te nemen aan de samenleving. Deze vaststelling moet juist een extra impuls zijn voor de politiek: het laatste wat we willen is immers dat mensen zich afzonderen en de samenleving niet meer kan bouwen op hun expertise en kennis.
Maar vermits het hoofdzakelijk om gevoelens gaat, liggen beleidsmaatregelen niet onmiddellijk voor de hand. Maatregelen gericht op het wegnemen van deze barrières, hebben vaak geen wettelijke basis. Voor het beleid een onmogelijke situatie …. en toch zijn er naar onze mening aanknopingspunten. Meer en meer is duidelijk dat deze onveiligheidsgevoelens een bredere basis hebben en voortspruiten uit negatieve toekomstverwachtingen, uit veranderingen en onzekerheden in onze moderne samenleving, die de lat alsmaar hoger en hoger legt. Wat ouderen een vaag onbehagen geeft en hen als het ware vervreemdt van de bredere context van het bestaan. Ze maken zich zorgen over de richting die het moderne leven uitgaat.
Beleidsmensen moeten maken dat mensen zich weer ingeschakeld voelen in een groot geheel en het gevoel hebben nog mee te kunnen. Tal van kleine(re) maatregelen moeten mensen ‘vormen’, maken dat ze sociaal ‘ingebed’ zijn en zo het gevoel krijgen dat ze greep hebben op hun eigen situatie. Dit betekent dat we nog meer moeten investeren in het lokale sociale netwerk en in het lokale socioculturele leven. Voor de burger lijken deze inspanningen niet altijd een gepast antwoord op hun vraag naar meer veiligheid, maar toch zal het (mede) langs deze weg moeten gebeuren. Lokale besturen kunnen een enorme bijdrage leveren om, samen met de senioren zelf, te zorgen voor een prettige oude dag. De uitdaging van de vergrijzing slaat immers niet alleen op de betaalbaarheid van pensioenen en (gezondheids)zorg, maar betreft evenzeer het grote belang van de maatschappelijke participatie van de groeiende groep ouderen aan alle facetten van het gemeenschapsleven. Elke gemeente moet zich via een meerjarenplanning voorbereiden op een samenleving met een gemiddelde vertegenwoordiging van de senioren van 1 op 4. Deze planning mag niet alleen gaan over ouderenzorg (aanbod van thuiszorg, rusthuizen, service-flats, …), maar over maatregelen en initiatieven op álle terreinen die senioren aangaan en waarvoor de gemeente of het OCMW bevoegd is. Voorts kan het over alle mogelijke problemen en zorgen van ouderen gaan: inkomen, zorg, wonen, mobiliteit, veiligheid, vereenzaming, participatie en educatie, enz. Zo zal bijvoorbeeld ook het buurtwerk en de stadskernvernieuwing een prioriteit zijn. Mensen associëren immers materieel en sociaal verval met criminaliteit, waardoor ze zich onveiliger voelen in de buurt. Investeren in buurten betekent ook resoluut verder investeren in buurtbedrijven en in lokale en vrijwilligersorganisaties.
Even cruciaal blijft om te investeren in de fysieke omgeving en toereikend blauw voor de mensen, maar dit zijn wellicht de gemakkelijkste oplossingen en vormen absoluut geen garantie op welslagen. Deze maatregelen hebben het voordeel op korte termijn zichtbaard(er) te zijn en zijn ook makkelijker dan werken aan wat we algemeen levenskwaliteit kunnen noemen. Levenskwaliteit heeft o.m. te maken met de kwaliteit van de omgeving, met sociaaleconomische factoren, met sociale integratie, met fysiek en mentaal welbevinden, persoonlijke autonomie en subjectief welbevinden. Zoals zo vaak in de politiek is het meest haalbare niet het meest doeltreffende in de long run … Dat is dan ook meteen een reden waarom wij deze thematiek uitdrukkelijk hoog op de agenda willen plaatsen.

Christel Geerts - Senator - voorzitter werkgroep vergrijzing Senaat
Ludwig Vandenhove - Senator - voorzitter commissie binnenlandse aangelegenheden - Burgemeester Sint-Truiden
Eddy Imbrechts - sp.a studiedienst

vergrijzing - veiligheid - perceptie

Samenleving & Politiek, Jaargang 12, 2005, nr. 2 (februari), pagina 27 tot 31