Log in

Bont en blauwe Bolkestein

Voer voor advocaten, maar een ramp voor burgers en bedrijven

Dat er een liberale wind door de Europese Unie waait, is al langer geweten. Maar dat goed georganiseerd verzet uit progressieve hoek die liberale plannen kunnen stoppen is al evenzeer waar. Toen Commissievoorzitter José Manuel Barroso onlangs zijn vernieuwde Lissabon-strategie voorstelde, was de verontwaardiging bij de socialistische fractie erg groot. Het geesteskind van de toenmalige Portugese premier Gutterez, dat in het leven geroepen was om van Europa de meest competitieve kenniseconomie te maken, niet op zijn Amerikaans, maar op een slimme, sociale en milieuvriendelijke manier, bleek na die fameuze ‘herziening’ geen armen en benen meer te hebben. De sociale en milieucomponent waren immers vakkundig verwijderd. ‘Alleen grotere competitiviteit door een goed functionerende interne markt kan leiden tot groei en jobs’, luidde het. Het protest van de socialisten was zo heftig en eensgezind, dat Barroso prompt beloofde om alsnog een ambitieus sociaal programma en een stevig milieubeleid uit te tekenen om het evenwicht toch enigszins te herstellen.
Begin februari was er een ander hoopgevend moment. Na maanden van aangehouden kritiek van de vakbonden, andersglobalisten en politici van socialistische en groene signatuur, kondigde Barroso eindelijk aan dat de Europese Commissie bereid is om de controversiële Bolkestein-richtlijn over de liberalisering van diensten bij te schaven in overleg met het Europees Parlement en de lidstaten. ‘Wij beseffen dat we die tekst niet tegen heug en meug kunnen doordrukken’, gaf Barroso toe. Terecht, want in het Europees Parlement werd scherpe kritiek op de richtlijn geformuleerd tijdens een aantal druk bijgewoonde hoorzittingen. Zowel vertegenwoordigers van diverse vakbondscentrales en beroepsgroepen als academici en juristen-experten, voedden de roep om drastische bijsturingen of zelfs terugtrekking van de richtlijn vanuit de linkerzijde van het halfrond.
Ook bij de regeringen van de lidstaten begint intussen het enthousiasme over de dienstenrichtlijn serieus te tanen. De Duitse bondskanselier Schröder riep Barroso op het matje en ook de Franse president Chirac liet zijn afkeuring blijken. Beiden deden dat - dat spreekt voor zich - onder druk van de publieke opinie. De roep van de straat zette de leiders onder druk.
In het kleine België mobiliseren socialisten, groenen en vakbonden al maanden tegen de richtlijn. Dat protest zorgde er trouwens voor dat de Belgische regering dankzij de druk van sp.a en de PS-ministers tijdens de Europese ministerraad eind november uiteindelijk scherp voorbehoud formuleerde bij de richtlijn. Ook in de Scandinavische landen rommelde het. Jean-Claude Juncker, de Luxemburgse voorzitter van de Europese Raad, zag de bui al hangen en verklaarde wel een voorstander te zijn van een interne markt voor diensten, maar niet van sociale dumping.
Toen uiteindelijk ook Chirac fors uithaalde, moest de Commissie Barroso wel zwichten want in Frankrijk dreigde de bewuste richtlijn de campagne voor de goedkeuring van de Europese Grondwet te doorkruisen. De druk van de Franse linkerzijde, die bleef hameren op het risico voor sociale dumping door de Bolkestein-richtlijn, was zo groot dat Chirac niet anders kon dan de politieke dreiging van deze gevaarlijke cocktail in te zien. Het Elysée eiste dan ook une remise à plat van de richtlijn. De Duitse kanselier Schröder kon nu niet meer achterblijven. Schröder, die tot nog toe de liberaliseringspogingen van de Europese Commissie had gesteund, eist nu ook drastische wijzigingen. Het lijkt er alvast op dat de aanhoudende protestbeweging tegen de Bolkestein-richtlijn een eerste succesje geboekt heeft. Ondertussen - en dat is hartverwarmend - hebben de PES-partijen in Stockholm en de PES-fractie in het Europese parlement zich bijzonder kritisch uitgelaten over de Bolkestein-richtlijn en ook de krachtlijnen aangegeven voor een drastische herschrijving van de richtlijn. Een hoopgevend teken voor de groeiende eensgezindheid van de socialistische familie?

Weg met de belemmeringen

Wat zit er dan zo fout in de fameuze Bolkestein-richtlijn? Volgens Bolkestein is de vrijmaking van de dienstensector onontbeerlijk om de Lissabon-doelstellingen te realiseren. De dienstensector is inderdaad een erg belangrijke economische sector in Europa. De cijfers spreken boekdelen: zowat 70% van de economische omzet en van de werkgelegenheid in Europa vloeit voort uit de dienstensector. ‘Maar het groeipotentieel van de sector wordt serieus belemmerd door allerlei barrières van de interne markt’, luidt het bij de Commissie. Economische groei in Europa kwam tot nog toe vooral van het vrij verkeer van goederen en de openstelling van de industrieën zoals telecommunicatie en energie voor concurrentie, stelt ze. Nu moeten de diensten op de markt, want dat zou voor een bijkomende groei kunnen zorgen van 1 à 3% van het bnp. Dat is alvast wat het Nederlands Bureau voor Economische Beleidsanalyse becijfert in een erg omstreden rapport. De economische simulatie van het Bureau lag zelfs zodanig onder wetenschappelijk vuur van kritiek dat de Commissie prompt een nieuwe studie bestelde, dit keer bij een studiebureau in Kopenhagen. Dat hield het bij een meer bescheiden werkgelegenheidsgroei van 600.000 jobs. Uiteraard telt elke job. Het klopt ook dat diensten aanbieden op de Europese markt vaak erg moeilijk blijft door overdreven bureaucratie en administratieve rompslomp. Maar wat Frits Bolkestein voorstelt is een echte - zeg maar onverantwoord - grote kuis in vergunningen, reglementen en wetgeving die vaak niet alleen de kwaliteitsgaranties voor de dienstverlening vastleggen, maar ook de bescherming van de consumenten, van het milieu en van de werknemers uit de dienstensector organiseren. Vrijwel alles dat de vestiging van een dienstenverkeer of het leveren van diensten reglementeert, wordt als een ‘belemmering’ van de interne markt aanzien. EU-belemmeringen moeten dus verdwijnen.
Het voorstel-Bolkestein kreeg vaste vorm in de lente van 2003, ook wel eens de lente van Aznar genoemd, toen de Lissabontrein stilaan aan het ontsporen was op de heersende conservatieve politieke conjunctuur overal in Europa. Het oorspronkelijke kwartet van Lissabon - groei, werkgelegenheid, sociale cohesie en milieu - zonk weg in een tandem van hoop voor de liberalen: enkel groei en werkgelegenheid tellen nog. Sociale zekerheid en duurzaam milieu werden vakkundig genegeerd.
Al moet gezegd dat de harde kern binnen het directoraat-generaal Interne Markt van de Commissie al jaren de weg aan het voorbereiden was. Maar voor de politieke consecratie was het wachten op het juiste moment. Opvallend is trouwens dat het Bolkestein-voorstel definitief het licht ziet in februari 2004, een moment waarop vele commissarissen hun gedachten al gezet hebben op hun verdere carrière na de Europese verkiezingen. Er is in het college dan ook nauwelijks gediscussieerd over dit ingrijpende voorstel dat nochtans op vele punten radicaal breekt met de klassieke interne marktstrategie van de Europese Commissie. Alleen Philippe Busquin had zo zijn bedenkingen. Naar het schijnt was de discussie binnen het kabinet van commissarissen op een kwartier afgerond. Niet meer dan 15 minuten om te beslissen over een dossier dat 70% van onze economie en miljoenen jobs in Europa omvat. Onbegrijpelijk.

Horizontaal

De richtlijn is van toepassing op een bijzonder brede waaier van diensten, die in de verschillende lidstaten ook nog eens erg verschillend georganiseerd zijn. In feite slaat de dienstenrichtlijn op alle vormen van diensten die nog niet geregeld zijn via een sectorgewijze aanpak, zoals de netwerkindustrieën, de financiële diensten of transport die een aparte regeling hebben. Al moet gezegd dat de Commissie wel erg slordig was in haar formulering. Want als de richtlijn er ongewijzigd komt, worden ook havendiensten, openbaar vervoer, taxi’s en nationale spoorwegen op de interne markt geworpen. De richtlijn is een kaderrichtlijn, die horizontaal alle diensten omvat die niet expliciet uitgesloten zijn. Het gaat daarbij om louter commerciële diensten zoals consultancy, reclame en promotie, immobiliën, bouwactiviteiten, auto(verhuur) of reisbureaus. Ook de distributie van goederen wordt als een dienst aanzien. Angstwekkender is dat ook gemeenschapsvoorzieningen als gezondheidszorgen, sociale diensten, arbeidsbemiddeling, culturele en audiovisuele diensten, onderwijs en vorming onder de richtlijn vallen. De enige diensten die buiten schot blijven zijn de ‘niet-economische activiteiten of activiteiten die de staat zonder economische tegenprestaties verricht in het kader van zijn taken op sociaal, cultureel, gerechtelijk of onderwijsgebied.’ Een draak van een stelling die ook onder de specialisten voor discussie zorgt. Precies die juridische onzekerheid is al een teken aan de wand dat de dienstenrichtlijn niet thuishoort in het rijtje interne marktrichtlijnen van de Europese Commissie. Niemand kan op dit moment precies zeggen welke sectoren zich in het toepassingsgebied van de richtlijn bevinden.
Basisonderwijs wordt niet geviseerd, althans niet in het gemeenschapsnet, want dat wordt door de overheid georganiseerd en de ouderbijdragen worden in de Europese rechtspraak niet als een vergoeding aanzien. Maar of ook het vrije net gevrijwaard blijft is al minder duidelijk. Aanvullende universitaire opleidingen en hogescholen horen wellicht wel op de vrije markt thuis volgens de dienstenrichtlijn en ook volwassenenonderwijs of de beroepsopleidingen van de VDAB. Want het is om het even wie de economische tegenprestatie betaalt. Het kan de klant zijn, maar ook de staat via subsidies. De Europese Commissie blijft ook zeggen dat ze niet wil raken aan de bevoegdheid van de lidstaten om hun gezondheidsstelsel te organiseren. Een land dat een publieke nationale gezondheidsdienst wil behouden, kan dat dus doen. Maar wie al beroep doet op privépartners voor de gezondheidszorg, is wel de pineut! De Bolkestein-richtlijn is dan zonder enige twijfel van toepassing.
Je kan je afvragen hoe het mogelijk is om een zo heterogeen gamma van diensten met één enkele richtlijn te regelen. Dat bejaardenzorg, veiligheidsdiensten en belastingsadviseurs het met één wet moeten stellen is ongelooflijk. Ook ongelooflijk lui, want het motief van de Europese Commissie is dat het onbegonnen werk is om voor de dienstensector via homogene subsectoren, een interne marktregeling te maken, met de nodige Europese randvoorwaarden inzake kwaliteit, milieu, aansprakelijkheid, consumentenbescherming en sociale voorwaarden.
Daarvoor zouden wel een 40-tal richtlijnen voor nodig zijn, beweert de Commissie. Misschien goed om weten dat om een interne markt van goederen te creëren zo’n 250 richtlijnen en meer dan 20 jaar nodig waren. Compleet onaanvaardbaar is trouwens dat de richtlijn ook gemeenschapsvoorzieningen viseert. Die dienen immers niet om winst te maken maar om essentiële basisrechten van de bevolking te waarborgen. Vaak doen lidstaten daarvoor een beroep op privépartners die dan wel aan strikte reglementering moeten voldoen en dikwijls ook vergunningsplichtig zijn.
De linkerzijde in het Europese Parlement eist al lang dat voor die gemeenschapsvoorzieningen (diensten van algemeen belang) een Europese kaderrichtlijn wordt opgesteld, die de kwaliteit, de toegankelijkheid en de financiering moet veiligstellen voor alle burgers, en die diensten vrijwaart van toepassing van de concurrentieregels. Vrijmaking van de dienstensector en een Europese kaderregeling voor de gemeenschapsdiensten zouden op zijn minst gelijktijdig moeten voorgesteld worden. Een normale logica volgend, zou je eigenlijk eerder het omgekeerde verwachten: eerst zekerheid garanderen en dan pas liberaliseren.
De Europese Commissie weigert tot nog toe concrete voorstellen te doen en verschuilt zich achter het feit dat Europa zich niet met gemeenschapsvoorzieningen kan bezighouden. Gelukkig erkent de nieuwe Europese grondwet gemeenschapsvoorzieningen als een basisrecht en maakt positieve Europese wetgeving expliciet mogelijk. Barroso beloofde het Parlement onlangs een Charter voor diensten van algemeen belang. Onvoldoende en bovendien ruim te laat om nog enig effect te hebben op de Bolkestein-richtlijn. Voor socialisten is het duidelijk: gemeenschapsvoorzieningen moeten eruit!

Adieu Delors

De grootste boosdoener in de richtlijn zit hoe dan ook bij het principe van land van oorsprong. Dat stelt dat de lidstaten het vrij verkeer van diensten door een in een andere lidstaat gevestigde dienstverlener niet mogen beperken om redenen die binnen het zogenaamde ‘gecoördineerde gebied’ vallen. Daarmee bedoelt de Commissie elke eis met betrekking tot de toegang tot of de uitoefening van de dienstenactiviteit en met name eisen m.b.t. de kwaliteit en de inhoud van de diensten, het gedrag van de dienstenverrichters, reclame, de contracten en de aansprakelijkheid van de dienstenverrichter. In mensentaal betekent dit dat elke dienstverlener zijn diensten overal in Europa kan aanbieden en alleen aan de regels van zijn thuisland onderworpen is. Simplistisch en heel gevaarlijk! Zelfs brievenbusfirma’s - bedrijven met enkel een postbus in het land - worden niet uitgesloten want de richtlijn maakt helemaal niet duidelijk wat onder ‘oorsprongsland’ of ‘vestiging’ moet worden verstaan. Het oorsprongslandprincipe kan maar werken als landen elkaars wetgeving kunnen vertrouwen. En dat kan alleen als er in elke Europese lidstaat een voldoende gelijkwaardige wetgeving bestaat. Dat was althans het adagio van Jaques Delors bij de totstandkoming van de interne markt in de jaren 1980 en begin jaren 1990. Want gebrek aan harmonisering kan een neerwaartse concurrentiespiraal op gang trekken. Dienstverleners zoeken gewoon naar de plaats waar de minste regeltjes bestaan op het vlak van milieuwetgeving, consumentenbescherming of arbeidsvoorwaarden. Lidstaten met strengere eisen zullen al snel geneigd zijn om hun normen te versoepelen. Kwaliteitsverlaging door concurrentie tussen wetgeving heet zoiets. Of dumping. Want van enige harmonisering van algemene belangen is in de Bolkestein-richtlijn al helemaal geen sprake.
Je kan dus gerust stellen dat de dienstenrichtlijn het einde van de methode-Delors inluidt. Ook de controle op de naleving van de wetgeving zou het beginsel van land van oorsprong moeten volgen. Van die controle zal in de praktijk niets terecht komen, zoveel is duidelijk. Wat zullen de Poolse autoriteiten doen als één van hun vastgoedmakelaars een Belgische consument oplicht? Vermoedelijk niets. En België mag al evenmin optreden. De overheid mag alleen de Polen informeren dat er wellicht onregelmatigheden zijn gebeurd. Wellicht, want hoe kan de Belgische overheid de Poolse wetgeving kennen? De Europese Commissie argumenteert dat toepassing van het oorsprongslandprincipe zakendoen over de grenzen een stuk zal aanmoedigen, omdat dienstverlenende bedrijven enkel nog de regels van hun eigen land moeten kennen en naleven. Ze vergeet daarbij gemakshalve dat het en de consumenten en de bedrijven zijn die diensten aankopen, en die dus de wetgeving van 25 landen zouden moeten kennen. De wetgeving van 25 Europese landen wordt op die manier dus geïmporteerd in alle Europese landen: complete waanzin en reusachtige rechtsonzekerheid.

Detachering

Op het principe van het oorsprongsland worden wel nogal wat uitzonderingen voorzien, zowel algemene (een bonte mengeling van erg gevoelige thema’s zoals distributie van energie en water of diensten die volledig verboden zijn in een land om redenen van openbare orde, openbare veiligheid of volksgezondheid), tijdelijke (gokactiviteiten bijvoorbeeld of geldtransporten) en specifieke (geval per geval). Een belangrijke uitzondering geldt bij de detachering van werknemers, die tijdelijk door hun bedrijf tewerkgesteld worden in een ander land. Daar voorziet een vroegere Europese detacheringrichtlijn dat een aantal welomschreven arbeidsvoorwaarden zoals het minimumloon en afspraken in verband met arbeid- en rusttijden uit het land van tewerkstelling moeten gerespecteerd worden. Dat blijft zo, zegt Bolkestein. Pas dus op met verhaaltjes over Poolse kuisvrouwen die West-Europa veroveren en hier komen kuisen voor 3 euro per uur. Dat de richtlijn zoiets zou toelaten is een mythe, die de hele protestbeweging tegen Bolkestein geen goed doet.
Maar Bolkestein haalt wel meteen alle mogelijke controle onderuit. Want de lidstaten waar de werken worden uitgevoerd mogen vanaf 2008 geen detacheringsverklaringen meer eisen. De administratie weet dus niet langer of er Litouwse bouwvakkers aan het werk zijn in de Antwerpse havenzone. Men mag ook niet langer eisen dat het bedrijf een contactpersoon op Belgisch grondgebied aanduidt. Wie kan de arbeidsinspectie dan nog aanspreken, gesteld dat ze toevallig zo’n ploeg bouwvakkers aantreft? Ook mag men niet langer eisen dat sociale documenten in het werkland worden bijgehouden. Arbeidstijden en uitbetaalde lonen kunnen dus niet meer ter plekke gecontroleerd worden. België moet die papieren opvragen in Litouwen. Tegen de tijd dat de informatie in ons land geraakt (in het Litouws wellicht) zijn die bouwvakkers natuurlijk al lang weer vertrokken.
Inspecteurs die detacheringen moeten controleren klagen nu al steen en been over sociale fraude en gebrek aan samenwerking tussen de lidstaten op het vlak van controle. Die grensoverschrijdende samenwerking zou moeten verbeterd worden door een soort van sociale Europol van arbeidsinspecteurs over gans Europa uit te bouwen. Maar zelfs dan nog moet de controle op de werkplek de regel blijven

Screenen en schrappen

Als de Bolkestein-richtlijn wordt aangenomen, moeten de lidstaten tegen 2009 een lijst hebben opgesteld van alle erkenningsvoorwaarden, vergunningscriteria en reglementaire bepalingen in hun land waar dienstverleners in alle betrokken sectoren zich aan moeten houden indien ze zich willen vestigen in een land. Voor een zwarte lijst van acht verboden eisen is iedere mogelijke rechtvaardiging bij voorbaat uitgesloten. Een grijze lijst van 10 beoordelingsplichtige eisen moet worden gescreend: zijn ze niet discriminerend? Gaan ze niet verder dan nodig? Was er wel een dwingende reden om die eisen te stellen? De lidstaten moeten het resultaat van die afweging aan elkaar en aan de Commissie rapporteren. Via een proces van wederzijdse evaluatie kunnen - en zullen ongetwijfeld - de vergunningseisen en erkenningsvoorwaarden in vraag gesteld worden. Toekomstige regelgeving kan alleen gerechtvaardigd worden met ‘nieuwe omstandigheden’ en moet in elk geval aan de goedkeuring van de Europese Commissie worden voorgelegd.
Administratieve vereenvoudiging is een goede zaak. Screenen van erkenningsvoorwaarden en vergunningscriteria kan ook nuttig zijn, als het de bedoeling is om overbodige bureaucratische regels en red tape te schrappen. Maar deze oefening gaat wel erg ver, want regels zijn er meestal om de kwaliteit van de dienstverlening te garanderen. Maar eens een eis beoordelingsplichtig verklaard is, wordt die nu op Europees vlak blijkbaar meteen verdacht.
Neem nu de uitzendsector. In België moeten uitzendkantoren een storting in een sociaal waarborgfonds beloven om erkend te worden, als bescherming van de werknemers bij faillissement. Maar financiële waarborgen zijn verboden eisen volgens de richtlijn. Bovendien moet een uitzendkantoor de vorm van een handelsvennootschap aannemen, met de daaraan gekoppelde verplichtingen inzake kapitaal en aansprakelijkheid. Een beoordelingsplichtige eis, stelt de dienstenrichtlijn. Het gevaar is dan ook groot dat de Europese Commissie of andere landen de Belgische erkenningscriteria in de uitzendsector als zwaar belemmerend zullen beschouwen. De druk om terug te schroeven zal bijzonder groot worden. Met alle gevolgen van dien. Zes jaar geleden besloot Nederland om het erkenningssyteem voor uitzendkantoren af te schaffen. De sector is rijp voor de vrije markt, dachten onze noorderburen. Onlangs zijn ze op hun beslissing teruggekeerd. Reden? Teveel fraude door malafide uitzendkantoren. Door gebrek aan reglementering en goed sluitende controle waren er in 2003 in Nederland 6.700 grijze uitzendbedrijven, die ongeveer 100.000 werknemers tewerkstellen. Samen zouden ze jaarlijks voor om en bij de 150 miljoen euro aan belastingen en sociale bijdragen omzeilen. Conclusie: de Nederlanders komen nu naar Vlaanderen om inspiratie op te doen voor een goede erkenningsregeling, die hier trouwens door de sector zelf zwaar verdedigd wordt!
Ook voor de ziekenhuissector zou die screeningsoperatie faliekant aflopen. Want in België worden aan ziekenhuizen terecht heel wat erkenningsvoorwaarden opgelegd. Door het beoordelingssysteem in de Bolkestein-richtlijn zal België zich moeten verantwoorden waarom ziekenhuizen best geografisch gespreid zijn, geen verplichting mogen hebben om winst te maken, een minimum-omkadering en een bepaalde infrastructuur moeten hebben of gebonden zijn aan afspraken tussen zorgverleners en ziekenfondsen.
Het Belgische gezondheidszorgbeleid steunt zowat volledig op planning en erkenningsvereisten. Dat is nodig voor een goed beheer van schaarse middelen in de gezondheidszorg, maar vooral ook voor een goede kwaliteit van de gezondheidszorg.
Gezondheidszorg is nu eenmaal geen commercieel product. Patiënten zijn niet gewoon maar consumenten. Ze zijn ziek en willen geholpen worden. Informatie over de kwaliteit en de inhoud van gezondheidszorgen is moeilijk te beoordelen door een zieke. Bovendien is het de overheid die via de ziekteverzekering de rekening grotendeels betaalt. Tenzij de patiënt van de volle pot de rekening betaalt. Met de screening uit de dienstenrichtlijn dreigt grote rechtsonzekerheid. Als het ook nog tot schrappen komt, wordt dit een pure dereguleringsoperatie.
Een zelfde analyse kan men maken voor Vlaamse arbeidsbemiddelingsdiensten, thuis- en bejaardenzorg, de beveiligingssector, audiovisuele sector en noem maar op. Het gevaar komt telkens uit dezelfde dienstenrichtlijn.

Terug naar af?

Kritiek te over dus op deze richtlijn. Het doel - het creëren van een interne markt voor diensten - mag dan al lovenswaardig zijn, maar de ingeslagen weg is niet de juiste. Er zijn inderdaad teveel obstakels op de interne markt en afbouwen van administratieve rompslomp is een goede zaak. Er staan trouwens ook enkele erg lovenswaardige voorstellen in de Bolkensteinrichtlijn, zoals een uniek loket voor vestiging van dienstverleners in de lidstaten of het elektronisch afhandelen van formaliteiten. Alleen, dat e-loket moet wel werken. Hoe dat precies moet, daar blijft het voorstel van Bolkenstein wel erg vaag over. Nog een goed voorstel: meer administratieve samenwerking tussen overheden van verschillende landen. Daar zijn we natuurlijk voor. Maar die pluspunten verdwijnen compleet in de schaduw door de grote kuis die Frits Bolkestein wil houden in de wetgeving, die consumenten, werknemers en milieu moeten beschermen. De haken en ogen in het voorstel leiden ongetwijfeld ook tot meer rechtsonzekerheid. Werk voor advocatenbureaus genoeg dus, maar een ramp voor burgers en bedrijven.
Eigenlijk is nu al duidelijk dat dit voorstel kladwerk is, maar dan wel met dramatische gevolgen. Logischer zou zijn dat - na alle bakken van kritiek vanuit diverse hoeken - de Commissie haar huiswerk overdoet, de richtlijn intrekt dus en een bescheidener voorstel doet dat sociale, milieu- en consumentenwetgeving respecteert. Zover zijn we helaas nog niet. De nieuwe Europese Commissie wil weliswaar de erfenis van Bolkestein niet volledig overnemen, maar ook niet volledig afwijzen. Ze houdt het dus bij ‘constructieve samenwerking met het Europese parlement en de Raad’ om de richtlijn in een aanvaardbaar voorstel te veranderen. Een titanenwerk dat nu door het Parlement zou moeten gebeuren. Dat is heel erg veel voor Corneel. Maar als het moet, zullen we het doen. De socialistische rapporteurs in het Europees Parlement - mijn SPD-collega Evelyne Gebhardt en ikzelf - hebben alvast een bredere steun dankzij het internationale protest voor een radicale herschrijving van de richtlijn. Tenzij een massale opkomst op de betoging van 19 maart naar aanleiding van de Europese Lentetop, de druk op de ketel zodanig opdrijft, dat Barroso beslist op zijn stappen terug te keren en de richtlijn gewoon terugtrekt. Laat ons hopen dat de roep van de straat doordringt tot in de hoogste kantoren op het Schumann-plein!

Anne Van Lancker
Redactielid en sp.a Europees parlementslid

Frits Bolkestein - Europa - liberalisering van diensten

Samenleving & Politiek, Jaargang 12, 2005, nr. 3 (maart), pagina 41 tot 47