Log in

De Stemtest op tv, of dansen op een slappe koord

Inleiding

Stemtesten in de aanloop naar verkiezingen zijn sinds 1999 ook in Vlaanderen stilaan ingeburgerd geraakt. Op zich zijn het ontegensprekelijk vrij waardevolle instrumenten die, hoewel ze uitgaan van de optimistische veronderstelling dat elke gebruiker een mening heeft over alle voorgelegde beleidsthema’s, de onbesliste kiezer helpt om de eigen politieke voorkeur te bepalen of het eigen partijprofiel te toetsen. Sinds 2003 bestaat de Stemtest bij ons ook in televisieformaat. De VRT was de eerste openbare zender1 die kosten noch moeite spaarde om in een totaalprogramma Doe de stemtest de kiezer wegwijs te maken in het aanbod van de verschillende politieke partijen. Wegens het succes in kijkcijfers volgde in 2004 een tweede en zelfs uitgebreidere editie, naar aanleiding van de regionale en Europese verkiezingen. De VRT liet in de herfst van 2004 dan ook niet na om trots te melden dat het programma genomineerd was voor de prijs van beste ‘entertainmentprogramma’ in de categorie ‘variety’ op het Gouden Roos festival in Montreux (september 2004).
Het is uiteraard lovenswaardig dat de VRT een forse investering deed om een degelijk informerend politiek programma uit te zenden, in prime time én op de druk bekeken zondagavond. Maar ook na de tweede editie slaagt het programma er niet in te overtuigen. Het stemtest-instrument, dat via het internet op een intelligente manier gebruik maakt van de interactieve mogelijkheden van een ICT-toepassing en ruimte laat voor overpeinzing, gaat op tv ten onder aan de vereisten van snelheid en blitsheid van een ‘feel good’-televisieshow op zondagavond. Nuances en toelichting komen nauwelijks nog aan bod, waardoor het soms veel weg had van een wedstrijd Monsterstrucks op een andere zender: bulldozeren aan sneltreinvaart dus.

Leren uit de Stemtest 2003

De kritiek op het programma is evenwel niet nieuw. Zo kende de editie van 2003 een bewogen slot. Stefaan De Clerck, en in zijn kielzog de hele CD&V, wond zich na afloop van het programma danig op omdat hij van oordeel was dat de 39 vragen op maat geschreven waren van het kartel sp.a-spirit. Bijgevolg was het volgens hem dus niet verwonderlijk dat veel kiezers - vaak tot hun eigen verbazing - Spirit als stemadvies kregen. De CD&V-voorzitter was daarmee de eerste die de stok opraapte die al bij de aanloop tot het programma klaar had gelegen. Velen stonden (en staan nog steeds) immers sceptisch tegenover het gegeven dat een extern instrument een individu een stemadvies zou kunnen geven. Vooral als de manier waarop dat instrument tot conclusies komt niet helemaal transparant is. Die terechte kritiek noopte de wetenschappelijke begeleiders van het project om achteraf in een vrije tribune in De Tijd2 minutieus en overtuigend het proces van de stellingenkeuzes toe te lichten (zie ook hun uitvoerige toelichting in dit themanummer).
Ondanks de scepsis bij een aantal partijen kwam er in 2004 een vervolg. Om de fouten van de vorige editie te vermijden, en de claim van onpartijdigheid sterker te maken, werd niet alleen het aantal vragen verdrievoudigd. Dit jaar werden ook alle partijen nauw betrokken bij de samenstelling van de vragen. Niet verwonderlijk dus, dat de verwachtingen hoog gespannen waren.
Misschien lagen ze meteen ook té hoog. Want ook in de tweede editie kon het programma niet overtuigen. Op zich is een programma waarin inhoudelijk over politieke beleidsissues wordt gepraat, een zeer lovenswaardig initiatief. Wanneer politicologen en politieke analisten bedenkingen formuleren bij Doe de stemtest, gaat het dus niet over die premisse van de zaak: zij zijn de eersten om inhoudelijke programma’s over politiek toe te juichen. De televisie heeft immers in het verleden haar taak als belangrijkste politieke socialisator schromelijk verwaarloosd of ondergewaardeerd. Zelfs de komst van Villa Politica (of ‘Villa Infantilica’ zoals Vlaams minister Van Grembergen het programma in zijn originele vorm bij zijn afscheidsrede in het Vlaams Parlement in de lente van 2004 herdoopte) heeft dat blijkbaar niet verholpen.
Doe de stemtest komt dus voor een stuk tegemoet aan deze wens om meer politieke opvoeding. Daar zijn we het over eens. Het programma geeft echter de illusie van instant politieke kennis: de kijker krijgt het valse idee dat hij of zij zich na het volgen van drie uitzendingen goed geïnformeerd naar het stemhokje kon begeven. Met de uitbreiding van het aantal vragen, en de opdeling ervan in verschillende thema’s is de redactie van het programma voor een groot stuk aan deze bekommernis tegemoet gekomen - al moet het gezegd dat de indeling van de items in de verschillende thema’s niet steeds even logisch was. Drie ‘inhoudelijke’ uitzendingen zijn uiteraard niet voldoende om het manco aan politieke kennis en onderlegdheid op te vangen.
Dat de programmamakers schermen met de kijkcijfers (ongeveer 800.000 kijkers in 2004; bijna een miljoen in 2003) om het succes van het programma te onderstrepen, is een argument dat vooral in de commerciële en tv-wereld indruk kan maken, maar helaas geen garantie is voor degelijke politieke opvoeding.

Het moeilijke inpassen van de Stemtest op tv

In deze bijdrage willen we evenwel niet het debat voeren over de politiek socialiserende taak van de televisie. Eerder willen we wijzen op een aantal tekortkomingen van het programma Doe de stemtest in televisieformaat. Dat de wetenschappelijke begeleiders van het programma in hun verdediging telkens benadrukken dat het niet om een wetenschappelijke test gaat, doet niets af van de lacunes van het programma. We identificeren er vijf, met name de ongelijke ‘begintermen’, de referentie naar ‘de mening van de Vlaming’, de gedwongen voor/tegenkeuze, het ontbreken van een mogelijkheid voor de kijker-deelnemer om een joker in te zetten voor de items waaraan hij/zij het meeste belang hecht, en het gebrek aan transparantie over de toegekende scores.

1. Ongelijke begintermen

De verkiezingen van 2003 en 2004 zijn wellicht de meest gecoverde verkiezingen uit de Belgische geschiedenis geweest, en dit zowel op de openbare als op de commerciële omroepen. Desondanks kunnen we niet om de vaststelling heen dat Doe de stemtest één van de weinige momenten is waarop het grote publiek nog inhoudelijk met politiek in contact komt. De uitzending op 15 mei 2004 was misschien niet toevallig het startschot van de (lange) verkiezingscampagne op televisie. Het feit dat veel kijkers van Doe de stemtest dus onvoorbereid of met een minimum aan politieke bagage naar het programma keken, is dus een eerste belangrijke hindernis waarmee het programma te maken heeft.
Er kon uit de uitzending of uit de commentaren achteraf niet meteen opgemaakt worden in hoeverre de programmamakers met deze ongelijkheid zijn omgesprongen. Het is misschien ook niet eenvoudig om dat voor iedereen te doen. Men ging er dus van uit dat iedereen die het programma bekijkt wel op één of andere manier 1) geïnteresseerd is in politiek, 2) een mening heeft over de verschillende thema’s die men hen voorlegde.
De vraag is echter of men werkelijk van dergelijk hoge verwachtingen mag uitgaan. En, de redenering doortrekkende, betekent dat meteen ook dat het opiniërende karakter van de uitzending niet zo onschuldig is als het op het eerste gezicht lijkt. De luchtige filmpjes van de Man met een mening, de geforceerde gesprekjes tussendoor met de ‘gewone’ studiogasten en de ‘getelefoneerde’ interviews met het panel Bekende Vlamingen, de selectie van de vragen en de wijze waarop ze geformuleerd werden, en het weglaten van de antwoordcategorie ‘geen mening’ bij het bekendmaken van de resultaten in het tweede deel van de uitzending,… Het zijn allemaal elementen die op een subtiele manier de uitkomst van het programma en de gemoedsgesteltenis van het Vlaamse electoraat beïnvloeden. Eens te meer kwam het er voor politici op aan rad van tong te zijn, met een krachtige one-liner de lachers op de hand te krijgen, of op een ongenuanceerde manier een standpunt in te nemen in het toebemeten bestek van hooguit 50 seconden. Het tv-format walst als een bulldozer over de finesses van het politieke debat, en doet dat aan een zodanig hoge snelheid dat men zich de vraag kan stellen wat de kijkers er op het einde van de uitzending nog aan overhouden.

2. ‘De mening van de Vlaming’

Het programma is zo opgebouwd dat in het tweede deel van de uitzending bij elk item ook een score gegeven wordt van ‘hoe Vlaanderen denkt’ over de voorgelegde stelling. Op zich best interessant, ware het niet dat daarbij elke referentie ontbreekt naar de omvang en samenstelling van de ondervraagde populatie of populaties, de aangewende methode van bevraging (telefonische enquête? Met of zonder gsm-gebruikers?), de vraagstelling (exact dezelfde als op tv verschijnt, mogen we aannemen), en de antwoordmogelijkheden (was er een categorie ‘geen mening’ voorzien?).
Het is niet de eerste keer dat men moet vaststellen dat er bij tv-programma’s geen aandacht aan dergelijke wetenschappelijke orthodoxie wordt besteed. Elke minuut live-televisie is erg kostbaar en kostelijk, dus is er geen plaats voor het bewijs van de wetenschappelijkheid. We kunnen dus enkel hopen dat er bij het opstellen van de vragenlijst wel degelijk ter dege rekening gehouden werd met enkele methodologische regels. Want niemand kan immers nog beweren dat een dergelijk programma geen invloed heeft op het stemresultaat, nauwelijks één maand voor de verkiezingen, en op een moment dat ruim 46 procent van de kiezers nog niet beslist heeft op wie ze zullen stemmen.3
In de rand van dit debat, maar eigenlijk ook veel ruimer naar aanleiding van de meeste tv-optredens van academici, stelt zich ook de vraag in hoeverre wetenschappers zich kunnen blijven lenen tot ‘excuus-Truzen’ ter legitimatie van dergelijke en andere pseudo-wetenschappelijke programma’s. Academici worden dan immers opgevoerd in een stuk waar ze zelf niet aan het scenario hebben geschreven, en ze worden daarbij gedwongen om mee te gaan in de logica van een massamedium dat het niet te nauw neemt met accuraatheid, en dat gruwelt van nuance. Op die manier dansen de wetenschappers telkens weer op een erg slappe koord. Naar onze mening is de maatschappelijke dienstverlening van academici één zaak, het opgeven van het wetenschappelijk zelfrespect een andere.

3. Gedwongen keuzes

Een derde, fundamentelere tekortkoming van het programma is dat het format van het programma haaks staat op de politieke realiteit. Zo wordt de kijker/kiezer in het programma al te vaak in een onnatuurlijke keuze gedwongen. Gecompliceerde materies worden verengd tot de antwoordcategorieën ‘akkoord’ of ‘niet-akkoord’. Er is geen enkele nuance mogelijk. Tenzij de optie ‘geen mening’. Maar wie deze optie te vaak aankruist, krijgt, zo waarschuwen de presentatoren, wel een erg onbetrouwbaar stemadvies. Maar wat moet de kijker antwoorden op de vraag ‘Europa moet meer macht krijgen’, wanneer hij voorstander is van nauwe Europese samenwerking, maar tegen een dictaat van Europa is? En wat antwoordt hij op de vraag ‘Jongeren moeten niet verplicht worden tot 18 jaar naar school te gaan als ze daar zelf geen zin in hebben’ wanneer hij begrip heeft voor jongeren die schoolmoe zijn, maar tegelijk de noodzaak inziet van degelijke vorming in de hedendaagse kennismaatschappij. Hoe wringt hij dan bijvoorbeeld zijn wens om een groter aanbod aan formules van leercontracten in deze vraag?
Terecht kan men hier tegen inbrengen dat het maken van keuzes tot de essentie van de politiek zelf behoort. Wie een sluitende begroting wil afleveren, kan niet onbelemmerd tegelijk investeren in kortere wachttijden voor rust- en ziekenhuizen en de belastingen verlagen. Maar op zijn minst kunnen in ‘de echte politiek’, amendementen op voorstellen ingediend worden, zodat de partijen in dialoog tot betere wetgeving kunnen komen. Die mogelijkheid gunt Doe de stemtest ons niet. We kunnen begrijpen dat het voor programmamakers geen leuk vooruitzicht is om sterk te moeten nuanceren. Maar in realiteit is het politieke debat toch ook niet steeds te vertalen in zwart tegen wit?
Meer zelfs, door die gedwongen keuze worden sommige partijen, vooral deze die een ideologische centrumpositie nastreven - en dat is een niet onaanzienlijk aantal partijen - met een structureel nadeel opgezadeld. Dat het uiteindelijk Stefaan De Clerck was die in 2003 de stok opraapte om zijn onvrede met het programma kenbaar te maken, hoeft dus niet te verwonderen. Wellicht had zijn onvrede twee oorzaken. Uiteraard was er ten eerste de nervositeit in het campagneteam van de CD&V dat, naarmate de campagne vorderde geconfronteerd werd met een steeds slechtere score van de partij in de peilingen. Daarenboven leefde bij sommigen de vaste overtuiging dat het nieuwe kartel sp.a-spirit op opmerkelijk veel krediet en steun kon rekenen in de media. Dat verklaart meteen de gerichte aanval van De Clerck op de programmamakers die op een slinkse manier het kartel zouden willen bevoordelen. Indien ‘verlies in de peilingen’ echter de enige reden zou geweest zijn voor de zure oprisping van De Clerck, dan zou mutatis mutandis in 2004 VLD-voorzitter Bart Somers verongelijkt moeten zijn geweest. Nochtans gebeurde dat niet. Opnieuw kwam de zwaarste kritiek uit CD&V-hoek, met Letermes zurige opwerping ‘dat het maar een spelletje is.’
Aan de basis daarvan ligt het - tweede - fundamentele probleem dat het voor een centrumpartij als de CD&V wellicht veel moeilijker is om in the picture te komen wanneer deelnemers aan het programma gedwongen worden tot eenvoudige ja/neen-keuzes over soms erg moeilijke beleidsthema’s. Partijen in het centrum, die zich de ene keer (centrum-)rechts en de andere keer (centrum-)links van de vraag bevinden, ervaren op die manier een structureel nadeel in dergelijke gedwongen keuzes.
Tenslotte hangt er wat de gedwongen keuze betreft, ook veel af van de exacte vraagstelling; is ze positief of negatief geformuleerd? En dus, is een partij het er mee eens of oneens? Uit een telling van de vragenlijsten uit 2003 door Peter De Roover4 blijkt dat op 36 vragen Agalev 23 positieve antwoorden scoorde, Spirit 22, VLD, sp.a en N-VA 19 en Vlaams Blok en CD&V 15. Bij de overige stellingen, in aantal variërend van 13 tot 21, stemde men ‘tegen’. De Roover opperde bijgevolg dat op die manier de rechts-conservatieve partijen in het hoekje van de ‘neen-stemmers’, en dus de ‘verzuurden’ werden gedrumd. Met deze bemerking is, voor zover we hebben kunnen nagaan, bij de tweede versie van Doe de stemtest op tv in 2004 wel degelijk rekening gehouden door gevarieerdere stellingen te poneren.

4. Gebrek aan jokers voor de kijkers-deelnemers

Dit jaar introduceerde de uitzending een nieuw aspect: partijen konden per uitzending één joker inzetten voor de stelling die zij het belangrijkste vonden. Elke partijvoorzitter mocht tijdens de uitzending de eigen partijkeuze verantwoorden. De keuze van de items die de partijen belangrijk vonden was eigenlijk erg leerrijk. Voor sommige partijen lag de keuze voor de hand: dat het Vlaams Blok er het item ‘straatcriminaliteit’ uitpikte, en Groen! voorzitster Vera Dua het voldoen aan de Kyotonorm naar voor schoof, baarde nauwelijks opzien. De keuze van het kartel CD&V/N-VA voor de invoering van taalintegratie en van de VLD voor de invoering van democratische schoolraden was al iets minder evident. Maar een aantal keuzes verraste werkelijk. Zo bijvoorbeeld dat Spirit als belangrijkste item onder het thema ‘levenskwaliteit’ voor de afschaffing van het huiswerk pleitte. En ook de keuze van sp.a-voorzitter Stevaert, die bij hetzelfde thema zijn joker inzette op het samenvoegen van de verkiezingen op één dag, is op zijn minst opmerkelijk te noemen. Temeer omdat andere stellingen over ‘beter onderwijs’, of ‘meer aandacht voor veiliger verkeer’ - twee duidelijke speerpunten van de sp.a-campagne - toch meer voor de hand lagen. Maar dat is misschien wat moeilijker om uit te leggen aan de vermoeide kiezers die voor een tweede keer in dertien maanden naar de stembus moesten?
Het was overigens tot lang nà de uitzendingen niet duidelijk op welke manier die jokers in de uiteindelijke uitslag werden verrekend (met gewichten, en in welke grootteorde dan?). Pas nu krijgen we daar enig zicht op. Maar meer fundamenteel rijst het probleem dat er geen rekening gehouden wordt met de mate waarin de kijker-deelnemer zelf een thema belangrijk of onbelangrijk vindt. Alle scores van de kijkers-deelnemers worden lineair en ongewogen samengeteld. Terwijl elk individu toch bepaalde thema’s belangrijker vindt dan andere, en dus zijn/haar partijkeuze laten afhangen van een veel beperkter aantal items dan de bijna 100 stellingen die in de uitzendingen aan bod gekomen zijn? Overigens scoort de internet-versie van de stemtest op dit vlak veel beter. Het is perfect mogelijk om op het internet zelf een gewicht te geven aan de items. Wanneer men de test meerdere keren doet, en op een aantal cruciale vragen een alternatief antwoord invult, resulteert dat mogelijk in een ander stemprofiel. Het is ons een raadsel waarom de tv-kijker niet de mogelijkheid krijgt om een aantal jokers in te zetten. Technisch moet dat helemaal niet moeilijk te verwezenlijken zijn. Men kan bijvoorbeeld een extra laatste vraag toevoegen waarbij men het nummer invult van het item dat men zelf het belangrijkste vindt, bijvoorbeeld. Een dergelijke tegemoetkoming zou het instrument alvast minder kwetsbaar maken. En het zou dan ook meer in overeenstemming zijn met het leitmotiv van het programma zoals presentator Ivan De Vadder het onderlijnde in de uitzending van 15 mei 2004: ‘Politiek is datgene eruit halen wat het beste bij je past.’

5. Ondoorzichtigheid van de berekening van de scores

Maar het vijfde, en wellicht grootste probleem bleef gedurende lange tijd de ondoorzichtigheid van de wijze waarop de scores berekend worden en vertaald werden in een stemprofiel. Er mag niet getwijfeld worden aan de ernst waarmee het wetenschappelijke team de thema’s heeft geselecteerd, en de scores heeft vastgelegd. Nu pas, ettelijke maanden na de verkiezingen krijgen we daar in dit themanummer duidelijkheid over. Toch kan men niet voorbij aan de vaststelling dat de combinatie van de exacte vraagstelling, en de toegekende belangrijkheid van een thema voor een partij, verrassende resultaten oplevert. De proef op de som nemend, leverde een afwijkend antwoord op amper zeven van de 33 vragen over de levenskwaliteit, een totaal verschillend stemprofiel op, met de ene keer Groen! in de top-drie, en de andere keer haar antipode Vlaams Blok. En dan ging het nog over vrij neutrale vragen als ‘moeten de verkiezingen samen georganiseerd worden?’, ‘moeten rally’s verboden worden?’, of ‘moet de burgemeester rechtstreeks verkozen worden?.’ Het lijkt ons dat dit vragen zijn die bezwaarlijk als prioritair beschouwd moeten worden in het bepalen van onze levenskwaliteit.
Over de exacte vertaling van de partijstandpunten in scores, en dus de precieze berekening van de eindscores blijft naar ons oordeel te veel mist zweven. Voor de makers van het instrument gaat het blijkbaar om het grootste bedrijfsgeheim. Reeds toen we beiden in 1999 gepolst werden om onze medewerking te verlenen aan het internet-instrument, en we naar de berekeningswijzen informeerden, kregen we een laconiek nul op het rekest. Nochtans is een dergelijk instrument dat pretendeert te kunnen adviseren in een zeer gevoelige materie als onze partijkeuze enkel gebaat met grote transparantie. Zonder die transparantie zal de controverse rond de stemtest, zowel die op tv als die op het internet, nooit stoppen.

Besluit : is het alle

hype waard?

De centrale vraag blijft uiteraard, of er zo een groot effect verwacht mag worden van Doe de stemtest. Het is helemaal geen uitgemaakte zaak of het antwoord op deze vraag volmondig ‘ja’ is. De cijfers over het aantal Vlamingen dat effectief per sms of per telefoon een eigen stemprofiel heeft aangevraagd blijken niet erg hoog te liggen. Het wijst erop dat de kijkers het programma als zondagavond-ontspanning wel lusten (getuige de 800.000 kijkers), maar dat men niet echt de grote massa in beweging brengt om het eigen stemprofiel op te vragen. De echte politiek geïnteresseerde deelnemers blijven dus ook na drie uitzendingen vrij beperkt in aantal.
Dat versterkt het gevoel dat Doe de stemtest niet veel meer is dan aangenaam vertier op zondagavond. Het programma biedt slechts een beperkte informerende waarde, ook al is de opiniering niet helemaal onschuldig. Blijft dan de vraag of het programma wel alle hype waard is, en of de wetenschap op deze slappe koord een vooraanstaande rol te spelen heeft.

Stefaan Fiers en Bart Maddens 5
Departement Politieke Wetenschappen K.U.Leuven

Noten
1/ In Nederland kwam de variant Waar stem ik op? reeds tweemaal op de buis via de commerciële zender SBS6.
2/ ‘Makers van Stemtest lichten tip van de sluier op’, De Financieel Economische Tijd, 15 mei 2003. Zie ook de Vrije Tribune van Kris Deschouwer ‘Doe de stemtest wel’ in De Tijd, 18 mei 2004.
3/ Zie Swyngedouw M., Billiet J. en Goeminne B., (2004), Het electoraal landschap bij de aanvang van de verkiezingscampagne 2004. Een korte nota. Leuven: ISPO (niet gepubliceerd).
4/ ‘Doe de stemtest … niet’, De Financieel Economische Tijd, 6 mei 2003.
5/ Dit is een grondig herwerkte versie van een opiniebijdrage van de hand van Stefaan Fiers, verschenen in De Tijd op 17 mei 2004, na de eerste van drie uitzendingen Doe de stemtest op TV1. De auteurs danken de deelnemers aan de workshop Stemtesten getest van het Politologisch Instituut (Antwerpen, 16 december 2004) voor hun reacties en de discussie naar aanleiding van een eerdere versie van deze tekst.

stemtesten - verkiezingen - media en politiek

Samenleving & Politiek, Jaargang 12, 2005, nr. 3 bijlage (maart), pagina 50 tot 56