Log in

Gelijke kansen in het onderwijs en het Marshall-Vandenbroucke-plan

De Stichting Gerrit Kreveld is voor de lezer bekend als het onderdak van Sampol. Maar zij is ook actief op andere terreinen. Binnen het raam van het project migratie heeft de Stichting sinds vorig jaar haar blikveld verruimd naar het onderwijs als een van de sleuteldomeinen in het emancipatieproces van migranten. Praktisch behelst dit de organisatie van een colloquium, getiteld Onderwijs onderweg in de immigratiesamenleving (28-29 april 2005).1

Door de samenhang tussen wetenschap, beleid en praktijk weer aan te scherpen wil het de mogelijkheden en wenselijkheden van het Vlaamse onderwijs- en minderhedenbeleid verkennen. Met de installatie van de tripartite Vlaamse regering in 2004 is de beleidscontext veranderd. Inmiddels (december 2004) heeft Frank Vandenbroucke (sp.a) zijn beleidsplannen rond onderwijs bekendgemaakt. In de aanloop naar het colloquium is het goed om daar even bij stil te staan en de ideologische en praktische draagwijdte van enkele nieuwe beleidslijnen te beschouwen in het licht van het vraagstuk van ‘divers’ onderwijs.

Hoeft het nog gezegd dat het Vlaamse minderhedenbeleid al enige jaren fel ter discussie staat? Een van de uitkomsten hiervan is een weer oplaaiende tegenstelling tussen diegenen die het integratiedebat vooral in culturele termen voeren en zij die het migrantenvraagstuk primair als een sociale kwestie zien. De eerste strekking merkt het Vlaamse integratiebeleid van de voorgaande jaren als failliet aan. Zij wijt dit aan een te lankmoedige aanpak op het culturele vlak. De overheid is niet dwingend genoeg. Men maakt zich bepaald zorgen over de al dan niet vermeende kloof tussen de meerderheidscultuur en de afwijkende minderheidsculturen. Het categoriale beleid sluit allochtonen in hun eigen gemeenschappen op. De kern van het probleem ligt in deze zienswijze niet bij de sociaaleconomische achterstand, maar bij het gedrag en de culturele opvattingen van migranten uit arme, niet-westerse landen. Vooral de cultuur van moslimmigranten wordt als een probleem beschouwd. Niet alleen omdat zij achterstand in stand zou houden, maar ook omdat zij zou leiden tot allerlei gedrag (vrouwenonderdrukking, criminaliteit, fundamentalisme) dat een bedreiging voor de samenleving vormt.2 In begrippen als ‘inburgering’, ‘rechten en plichten’, ‘waarden en normen’ klinkt de roep om versnelde culturele assimilatie nauwelijks versluierd door. Sociaaleconomische problemen worden in die optiek verklaard door cultuurverschillen. De verantwoordelijkheid voor integratie is grotendeels een zaak van het allochtone individu. Integratie dient gerealiseerd te worden via een inburgeringsprogramma in combinatie met een individueel-inclusief beleid. M.a.w., eenmaal het inburgeringstraject doorlopen, moeten allochtonen op eigen kracht hun weg weten te vinden op de arbeidsmarkt en in de brede samenleving.
De tweede strekking vindt het integratiebeleid eveneens te zacht, maar om een heel andere reden. Het is te weinig doeltreffend gebleken als het gaat om de participatie van migranten in de harde sectoren van de samenleving: onderwijs, arbeidsmarkt, huisvesting. Het gaat in deze optiek primair om de achtergestelde positie van minderheden als groep. Zij worden in hun emancipatie niet zozeer gehinderd door onvoldoende culturele aanpassing, maar door hun slechte sociaaleconomische positie en door etnische discriminatie. Onder de kansarme bevolking neemt het aandeel van migranten almaar toe. Bij het migrantenvraagstuk verdwijnt de sociale kwestie dus niet; ze heeft alleen ‘kleur’ gekregen.3 Zo ontstaat een breed draagvlak om het gelijkekansenbeleid voor migranten structureler te maken en collectieve sociale lotsverbetering op de voorgrond te plaatsen.

Het spreekt vanzelf dat dit onderscheid wat overtrokken is. Het komt in politieke zin min of meer overeen met de tegenstelling rechts/links. Zij het dat in het linkse kamp zich ook een breuklijn aftekent rond de vraag welke cultuurveranderingen onder migrantengroepen vereist zijn om hun sociale emancipatie mogelijk te maken. Wetenschappers van hun kant zien in werkelijkheid een ingewikkeld samenspel tussen de sociale en culturele dimensies van integratie van migrantengroepen. Over de generaties heen voltrekt zich bij getalsmatig kleine en vanuit een achterstand vertrekkende minderheden objectieve verandering richting meerderheidscultuur. De wegen daarheen lopen echter uiteen. Bovendien neemt sociaal succes etnische verschillen en daarmee samenhangende spanningen tussen groepen niet zonder meer weg. Noch leiden opgaan in de meerderheidscultuur en individuele inspanningen automatisch naar stijging op de maatschappelijke ladder. Hoe het ook zij, de gesignaleerde tegenstelling schemert door in het beleid van de Vlaamse regering. De beleidsnota inzake inburgering van Marino Keulen (VLD)4 sluit onmiskenbaar aan op de eerste strekking. Hij zorgt naar zijn zeggen zelfs voor een ‘trendbreuk’ in het integratiebeleid. Nu is Keulen beslist geen hardliner wat assimilatie betreft, maar die analyse wordt hier niet gemaakt. Laten we vooral focussen op de onderwijsnota van Vandenbroucke, getiteld Vandaag kampioen in wiskunde, morgen ook in gelijke kansen.5 De nota draagt ongetwijfeld het stempel van de tweede strekking. Kansongelijkheid in het onderwijs wordt erin voorgesteld als een nieuwe sociale kwestie van centraal belang. Gelijke kansen is geen prioriteit naast zovele andere maar een richtinggevend beginsel voor alle aspecten van het beleid. Zulks impliceert ook een verandering van de hele onderwijscultuur en de daarin schuilende sociale selectie. Het vertrekpunt van de nota klinkt inmiddels bijna afgezaagd. De bestrijding van sociale ongelijkheid in het Vlaamse onderwijs is een succesverhaal, maar niet voor iedereen. Vele arbeiderskinderen hebben van de onderwijsdemocratisering in de jaren 1950 en 1960 kunnen profiteren. Er blijft echter een taaie categorie van ‘echt kansarmen’ bestaan. Zij vinden geen aansluiting bij een complexe moderne maatschappij. Uit het alom (ook in de nota) geciteerde PISA 2003-onderzoek blijkt dat het Vlaamse onderwijs internationaal vergeleken topkwaliteit levert maar een grote kloof slaat tussen sterke en zwakke leerlingen. De impact van de sociaaleconomische achtergrond van de leerling op de schoolprestaties is in Vlaanderen bovengemiddeld groot. Dit wil zeggen dat een te groot aantal leerlingen uit kansarme groepen minder presteert en sneller naar lagere schooltypes wordt gestuurd. Dit treft allochtone leerlingen en studenten het hardst. De cijfergegevens uit een veelheid van onderzoekingen laten het nadelige effect van sociaal milieu of etnische herkomst op hun schoolloopbaan duidelijk zien.
Die situatie is zorgwekkend. Door de falende sociaaleconomische integratie van ‘oudkomers’ en de instroom van nieuwe laagopgeleide of maatschappelijk kwetsbare immigranten neemt het aandeel van allochtonen onder de kansarme bevolking in de Vlaamse steden toe. In het onderwijs betekent dit dat de categorie van allochtone onderpresteerders in omvang blijft groeien. Als deze groep onvoldoende profiteert van het onderwijs, dreigt een gekleurde onderklasse te ontstaan. Onderwijsniveau bepaalt niet alleen arbeidsmarktperspectieven en levenskansen. De school vervult eveneens een kerntaak in het verwerven van competenties die nodig zijn om actief te participeren in alle sferen van een democratische burgersamenleving. Deze functie van socialisatie maakt de school wellicht tot het belangrijkste kanaal voor ‘inburgering’. Langer en hoger onderwijs draagt bij aan een verbreding van de sociale horizon en een verruiming van de culturele keuzemogelijkheden. Wie vroegtijdig afhaakt, dreigt in allerlei kanalen van burgerschaps- en besluitvorming niet aan de bak te komen. Indien Vlaanderen tot een competitieve kenniseconomie wil uitgroeien, zal het voordeel moeten halen uit al zijn beschikbaar menselijk kapitaal.
Een andere prangende kwestie i.v.m. gelijke onderwijskansen is de voortschrijdende sociaal-etnische tweedeling in het scholenveld. In het basisonderwijs worden achterstandsleerlingen geconcentreerd in gebrekkig uitgeruste scholen in kansarme stadswijken. Van topkwaliteit in onderwijs is er dikwijls geen sprake. In het secundair onderwijs komen zij veelal terecht in schooltypes en studierichtingen (TSO/BSO, deeltijds onderwijs) die als een vergaarbak voor zwakke presteerders gestigmatiseerd worden. In de media gaat onevenredig veel aandacht naar dit aspect van gelijke kansen. De suggestie dat spreiding van allochtone scholieren hét middel is tegen bestrijding van onderwijsachterstanden, blijft hardnekkig voortleven. Menig onderzoeker tekent veel voorbehoud aan bij de nadelige gevolgen van concentratie. Het zogenaamde zwarteschooleffect verklaart immers, tegen de heersende perceptie in, slechts een deel van de prestatieachterstanden. Menging is op dat vlak beslist geen ‘allesoplosser’. Wel is het zo dat extreme situaties (zeer homogene samenstelling, veel anderstalige nieuwkomers) de draagkracht van een school zo kunnen belasten dat spreiding de enige uitweg is. Daarenboven kan een sociale en etnische mix op school een meerwaarde zijn op het vlak van interculturele dialoog. Buiten de school groeien jongeren immers vaak op in gescheiden werelden.
Wat heeft Vandenbroucke tijdens zijn ambtstermijn in petto voor het onderwijs? Welnu, dat valt nauwelijks in kort bestek te behappen. Gezien de lijvigheid van de nota is een synthese die hem recht doet haast ondoenlijk. Ik beperk me daarom tot drie instrumenten die de onderwijsminister in zijn meersporenbeleid wil inzetten om gelijke kansen voor allochtonen en samenleven in diversiteit te verzekeren.

Gelijke middelen voor gelijke kansen

Wat heeft het onderwijskansenbeleid vóór Vandenbroucke aan opbrengsten opgeleverd? Het doelgroepenbeleid van de jaren 1990, dat zowel naar migranten (onderwijsvoorrangsbeleid) als autochtone kansarmen (zorgverbreding) gericht was, is een verdienstelijke poging geweest tot sociale correctie van onderwijsongelijkheid. Scholen kregen een (beperkte) extra financiering voor het voeren van een zorgbeleid. Of het daadwerkelijk resultaat heeft gehad op het niveau van leerlingen is onduidelijk. De overheid is nogal zuinig met het vrijgeven van de rapporten van evaluatieonderzoeken. Echter, wat voorradig is aan gegevens geeft een weinig rooskleurig beeld. Grof samengevat: weinig vooruitgang in schoolprestaties; wel hoopvolle signalen dat het kan verbeteren, mits een forsere overheidsinspanning. Of het in 2002 ingevoerde gelijkeonderwijskansenbeleid (GOK) van de vorige onderwijsminister Marleen Vanderpoorten meer vordering laat zien, is een heikel punt. De effectiviteit ervan wordt, voor zover ik weet, (nog) niet onderzoeksmatig nagegaan.
Uit de bescheiden resultaten van het doelgroepenbeleid heeft de onderwijsminister de gevolgtrekking gemaakt dat een veel krachtiger operatie gelijke kansen noodzakelijk is om de talentontwikkeling van alle jongeren te waarborgen. Het aanmoedigen daarvan zal niet in de laatste plaats gebeuren door middel van een nieuw systeem van schoolfinanciering in het leerplichtonderwijs: gelijke middelen voor gelijke kansen. De gehele omkadering van de school wordt berekend op basis van milieugebonden leerling- en schoolkenmerken. Allochtonen worden hierbij bewust niet als probleemgroep afgelijnd. Dat is een drastische en dure ingreep die in de komende jaren veel inkt zal doen vloeien. Het gaat om aanzienlijk meer dan de 2% van het totale onderwijsbudget die het GOK-beleid inpalmt. Er zal zich bovendien een verschuiving van middelen tussen de scholen voordoen. Scholen die hun verantwoordelijkheid t.a.v. leerbedreigde jongeren niet opnemen, komen financieel onder druk te staan. Scholen die de zorg van kansarme leerlingen op zich nemen, worden forser beloond voor hun moeite. De financiële belangen van de scholen (en de netten) staan hier op het spel. Geen wonder dat Vandenbroucke behoedzaam de tijd neemt om de hele operatie grondig voor te bereiden. De invoering ervan is pas voorzien in 2008 en in afwachting loopt het GOK-beleid nog drie jaar door.
Op het eerste gezicht is op dit initiatief nauwelijks iets af te dingen. Het is de eerste keer in tientallen jaren dat een onderwijsminister zich zo sterk engageert voor het probleem van sociale ongelijkheid en het op zulk een grote schaal structureel wil aanpakken. We moeten voor een actie van die omvang al teruggaan naar de democratisering van het onderwijs van de jaren 1950-1960. Als dit niet een Marshallplan Gelijke Onderwijskansen is, dan vraag ik me af wat Groen! dan wel voor ogen heeft.6 (En dan laat ik enkele andere grootscheepse hervormingen nog buiten beschouwing.) Luc Huyse stelt zich daarbij de vraag hoe groot vandaag het politieke en maatschappelijke draagvlak is voor een nieuwe democratiseringssprong in school en universiteit.7 Dat is als bedenking meer to the point. Vooral omdat het inburgeringsbeleid, waarvoor Keulen in zijn geheel coördinerende bevoegdheid draagt, getuigt van een omslag naar een liberaal-individueel emancipatiemodel. De vraag die bij mij echter rijst, is een andere: wat is het draagvlak voor kwaliteitsvol onderwijs binnen de scholen en hoe gaat de overheid daarin structurele veranderingen afdwingen? Wat gaan scholen met veel zorgleerlingen met hun surplus aan middelen aanvangen? Leiden alle modellen van een zorgbeleid t.a.v. achterstandsleerlingen tot even krachtige leeromgevingen? Het is voor het eerst dat een sociaaldemocratisch onderwijsminister zo sterk op de kwaliteit van het onderwijs hamert, niet enkel op gelijke toegang. Opmerkelijk is dat Vandenbroucke de scholen veel vertrouwen lijkt te schenken door ze grotere autonomie te geven. Hij stapt dus af van het voorwaardelijk beginsel. Dat komt erop neer dat de overheid aan de toekenning van extra lestijden voor zorgbeleid allerlei condities vooraf verbindt: afgebakende actieterreinen, opstelling van (twee)jaarlijkse actieplannen, extra inspectie e.d. Wie een pak geld meer krijgt van de overheid mag wel eens vooraf nadenken over de nuttige besteding daarvan - zo is de onderliggende filosofie. Dit brengt voor de scholen nogal wat administratieve rompslomp en planlast met zich. Vandenbroucke wil van die regelneverij af en trekt de kaart van de externe evaluatie achteraf. Meer autonomie ja, maar ook meer accountability. Zo heeft de inspectie bij de doorlichtingen van scholen al aandacht voor de mate waarin scholen in staat zijn een gepast beleid van zorg en ondersteuning voor hun leerlingen te ontwikkelen. Door dit aan te scherpen kunnen de scholen meer gekapitteld worden. Maar de minister wil daar mogelijk een nieuw controlemiddel aan toevoegen: sturing via outputindicatoren. D.w.z.: meting van resultaten van scholen i.v.m. leerwinst en succes op de arbeidsmarkt, in verhouding tot de mogelijkheden (input) en de omgeving. Met die gedachte wordt in de externe kwaliteitszorg al jaren gespeeld, maar de minister wil er echt werk van maken. Vooralsnog is het onduidelijk wat die resultaatgerichte sturing zal inhouden. Scholen die niet effectief zijn een deel van hun middelen ontnemen of hun scores publiceren, ligt uiterst gevoelig. Waarschijnlijk zal het een andere richting uitgaan. Op grond van praktijkgericht wetenschappelijk onderzoek zal men nagaan waarom bepaalde scholen meer resultaten behalen met het oog op een bredere inbedding van succesmodellen (de idee van ‘proeftuinen’). Kort gezegd: Vandenbroucke kiest voor het geduldige werk op de lange termijn. (Al zou je ook kunnen beweren dat hij tijd wil winnen.) Hij maakt zich daarbij sterk dat de scholen, ondanks meer zelfsturing, niet worden losgelaten. Dat is namelijk een vrees die bij een deel van het ondersteuningsveld leeft. Het voorwaardelijk beleid had zo zijn betuttelende kantjes, maar het heeft een ruime groep van scholen aangespoord om didactische vernieuwingen uit te proberen en planmatig te leren werken. Critici verwijzen wel eens naar het voorbeeld van Nederland. Daar werd bij de laatste onderhandelingen over regeringsvorming het onderwijsachterstandenbeleid precies vanwege zijn onvoorwaardelijk karakter door de VVD afgeschoten. Die kritiek is nogal klakkeloos in Vlaanderen overgenomen. En dit terwijl in onderzoekssyntheses (zoals die van Sardes)8 wel degelijk vooruitgang wordt gerapporteerd. De prestaties van allochtone leerlingen zijn in Nederland in de periode 1998-2003 beduidend verbeterd. In Vlaanderen wijst alles in de richting van stagnatie en dat kan het voorwaardelijk doelgroepenbeleid aangerekend worden. Toegegeven, zijn lage rendement ligt wellicht niet zozeer aan het voorwaardelijk karakter, maar aan de lage inzet van middelen en de minimale ondersteuning van scholen. Op de lange duur echter - en dat weet Vandenbroucke - kan een beleid niet onvoorwaardelijk blijven. Om beproefde verbeteringstrajecten toe te passen zullen scholen hoe dan ook gestimuleerd moeten worden. De vraag is of dit kan zonder enige vorm van prioritering en financiële aansturing door de overheid. Beslist iets om de komende drie jaar over na te denken…

Toelatingsbeleid

Een grotere sociale en etnische mix bereiken in populaties van scholen is misschien wel de moeilijkste opgave van alle. Laten we niet te veel illusies koesteren: het is een uphill battle. Vlaanderen is Denemarken niet, waar kinderen verplicht naar de buurtschool gaan. Niemand wil hier de vrije schoolkeuze opheffen. Het Vlaamse onderwijsbestel functioneert immers als een vrije markt. Ouders gaan er als consumenten voor hun kinderen op zoek naar de meest geschikte school en scholen naar de meest geschikte leerlingen. Hoe allochtone en autochtone ouders hun schoolkeuze werkelijk maken, welke motieven daarbij spelen, is nog weinig onderzocht. Eén ding is zeker: dit systeem heeft allerlei perverse effecten van uitsluiting van sociaal-zwakke groepen tot gevolg. Je krijgt immers scholen die scoren met een ‘wit product’ dat kwaliteit uitstraalt. Zolang ouders daarvan overtuigd zijn, blijft de bierkaai stevig verankerd. Er bestaan ook imagobewuste multiculti-scholen die het goed doen. Middenklasseouders kiezen soms bewust voor zo’n alternatief. Kansarme ouders hebben die keus doorgaans niet. En evenmin de reflex om hun kinderen tijdig op wachtlijsten te plaatsen.
Het in 1993 opgezette non-discriminatiebeleid heeft geen paal en perk kunnen stellen aan het fenomeen van zwarte en witte scholen. Het inschrijvingsrecht voor leerlingen dat door Vanderpoorten als een speerpunt in het GOK-beleid naar voor werd geschoven, lijkt een krachtiger instrument te zijn om de willekeur in het toelatingsbeleid van scholen aan banden te leggen. De effecten ervan na een paar jaar uitvoering zijn variabel. Terwijl men op sommige plaatsen wat meer diversiteit vaststelt in de scholen, is elders net sprake van het tegendeel: meer witte of zwarte concentratiescholen. In de media bestaat de neiging om een aantal kinderziekten van het GOK-decreet uit te vergroten. Dat neemt niet weg dat de vrijheid van scholen om leerlingen niet toe te laten de voorbije jaren stelselmatig is ingeperkt.
Uit zijn beleidsnota kun je opmaken dat Vandenbroucke op de ingeslagen weg wil voortgaan. Een actief toelatingsbeleid blijft een belangrijk instrument voor het bereiken van meer diversiteit in scholen. Zij het dat enkele niet-gewenste neveneffecten van het GOK-decreet moeten worden weggewerkt. Ook hier neemt de minister de tijd (tot 2006) om wijzigingen en verfijningen door te voeren. Al bij al is dit een logische demarche. Onderwijsjuristen zijn al jaren doende met het aftasten van de wettelijke grenzen van wat kan en niet kan. Met het versterkte inschrijvingsrecht voor leerlingen zitten we op de rand van een hellend vlak. Verdergaande sturing in het toelatingsbeleid van scholen tast wettelijke principes van onderwijsvrijheid aan. Wie daarop doorgaat, pleit in wezen voor een integrale hervorming van het Vlaams onderwijsstelsel. Een alternatief is de financiële bestraffing van witte scholen die onterecht allochtone leerlingen uitsluiten. Afgezien van de praktische uitvoerbaarheid daarvan, bestaat in Vlaanderen voor geen van beide opties een breed maatschappelijk en politiek draagvlak. Au fond spreekt Vandenbroucke zich niet nadrukkelijk uit maar uit de nota blijkt toch een impliciete optie: investeren in onderwijskwaliteit krijgt het volle gewicht. Mits een goede overheidscampagne, kan op termijn de ban op gekleurde scholen doorbroken worden, evenals de idee dat witte elitescholen het beste onderwijs bieden. Dat is een betere strategie dan harde maatregelen die over de hele linie wenselijke diversiteit in scholen moeten afdwingen.

Diversiteit

Culturele diversiteit werd totnogtoe in het onderwijsbeleid hoofdzakelijk tot uitdrukking gebracht in programma’s als intercultureel onderwijs en onderwijs in eigen taal en cultuur (OETC). Het eerste moet bijdragen aan het positief leren omgaan met culturele diversiteit bij alle leerlingen (en leraren), het tweede aan de taal- en identiteitsontwikkeling van migrantenkinderen. Geen van beide begrippen krijgt in de nota Vandenbroucke ook maar één vermelding. Niet dat culturele diversiteit onbelangrijk wordt geacht. Integendeel, in de omgevingsanalyse vooraan in de nota wordt gewezen op de cultuurveranderingen in de Vlaamse samenleving, de toenemende diversiteit die haar complexer maakt. Diversiteit betekent enerzijds een verrijking, maar vormt anderzijds een voedingsbodem voor angstgevoelens en ondemocratische reacties. De gevoelige vraag naar waardevorming stelt zich bij uitstek in het onderwijs, zo staat er te lezen. Een bekende analyse. Welke bijdrage ziet Vandenbroucke het onderwijs aan intercultureel samenleven verschaffen? Met instrumenten als een actief toelatingsbeleid en de evenredige vertegenwoordiging van kansengroepen in het onderwijspersoneel wil hij in ieder geval de diversiteit in de onderwijsinstellingen aanzwengelen. Intercultureel onderwijs wordt ondergebracht bij het stimuleren van burgerschap of vorming tot burgerzin, d.i. het bijbrengen van democratische waarden. Van onderwijsprofessionals wordt aandacht en respect voor de diversiteit van de leerlingen verwacht. Meer expertise daaromtrent moet in de opleiding verworven worden. Wat goede praktijken hier betekenen, dient kennelijk in het veld zelf te worden ontwikkeld. Wat opvalt is dat voor identiteitsontwikkeling van allochtonen noch hun moedertalen in het onderwijsplan van Vandenbroucke plaats wordt ingeruimd. Van OETC is geen sprake. Daar is wel wat voor te zeggen. Het OETC in Vlaanderen is zwak ontwikkeld, weinig verbreid in de scholen en al jaren op de terugweg. Pleitbezorgers ervan attenderen erop dat onderricht in de moedertaal op school het leren van een tweede taal zou bevorderen. Deze aanname ligt wetenschappelijk in de balans, maar zelfs voorstanders moeten toegeven dat enkele uurtjes eigen-taallessen in de week maar weinig effect kunnen sorteren. En er worden wel erg vreemde kronkels gemaakt om te verantwoorden dat Marokkaanse of Turkse kinderen hier te lande onderwijs krijgen in een ‘moedertaal’ die ze thuis niet spreken (resp. Arabisch aan Berberkinderen, Turks aan Koerdische kinderen). Meer doorgedreven tweetalig onderwijs, zoals ontwikkeld in het biculturele onderwijsmodel van Foyer in Brussel, kan weliswaar sterkere papieren voorleggen.
Deze benadering is echter veeleisend en niet voor alle scholen weggelegd. In de nota komt talenonderwijs gewis aan de orde. Er wordt, in navolging van een Europese resolutie uit 2002, gewezen op de noodzaak van vervroegd vreemdetalenonderwijs. In het Vlaamse kleuteronderwijs is initiatie in een of meer vreemde talen sinds kort decretaal toegelaten. Frans krijgt hierbij voorrang. Nergens in de nota echter is er een opening te zien naar de inschakeling van niet-Europese allochtone moeder- of cultuurtalen in het curriculum van scholen. De meertalige aanleg van allochtone jongeren benutten door bv. eigen talen als vreemde talen aan te bieden, is niet eens een overweging waard. Laat staan het gebruik van allochtone talen als instructietaal in zaakvakken (meertalig onderwijs). Het afzien daarvan wordt ook nergens verantwoord.
Hoe moet je deze agenda nu duiden? Ten eerste ligt het voor de hand dat Vandenbroucke in het emancipatieproces van allochtone groepen zeer hoog inzet op gelijke onderwijskansen en bestrijding van taalachterstand. Wetende dat hij ook die andere hefboom van integratie in handen heeft - werk - ziet het er naar uit dat de obstakels die evenredige participatie in de weg staan, zullen worden aangepakt. Daarbij laat hij nagenoeg in het midden wat een diversiteitsbeleid in het onderwijs impliceert voor de ontwikkeling van de talen, culturen en identiteiten van allochtone groepen. Dat roept twee bedenkingen op: onderwijskundig en politiek-ideologisch. Ik begin met de eerste. Voor tal van migrantenkinderen is de school in se een betrekkelijk veilige omgeving. Niet iedereen is daarvan overtuigd, maar er zijn weinig leraren die doelbewust discrimineren. Veeleer hebben ze lage verwachtingen van allochtone kinderen en verlagen ze overeenkomstig hun prestatienormen en studieoriëntering. Dit gaat veelal gepaard met deficit-denken: de opvatting dat het schools slagen van leerlingen door hun thuismilieu en -taal belemmerd wordt. Deze gedachte heeft in de hoofden van vele onderwijsmensen hardnekkig postgevat. Er is weinig onderzoek naar verricht, maar toch voldoende om te kunnen stellen dat assimilatie- en eenheidsdenken in de reguliere onderwijspraktijk diepgeworteld blijven. Precies daarom heeft het Vlaamse onderwijs danig moeite met de acceptatie van op diversiteit gerichte arrangementen als meertalig of intercultureel onderwijs. Talen en culturen van niet-Europese migranten hebben doorgaans geen hoge maatschappelijke status. Om deze reden loopt een verharding in de bestrijding van onderwijs- en taalachterstanden altijd het risico bij assimilatie uit te komen. Dit vertaalt zich in een eenzijdige klemtoon op het leren van Nederlands - taal, taal en nog eens taal. Of in een harde kennis- en resultaatgerichte opvatting van onderwijs. Al dat softe gedoe over identiteit en cultuur is nutteloos en neemt alleen maar tijd weg die beter aan wezenlijke zaken als wiskunde wordt besteed. Als aan het zorgbeleid op school geen condities op cultureel vlak verbonden worden, dreigt het gelijkekansenbeleid op school daarop uit te draaien. Doordat de nota van Vandebroucke op dat vlak weinig tegengewicht laat zien, krijgen de scholen het signaal dat de opruimactie alvast kan beginnen.
Hoe moet je de beleidsnota Vandenbroucke politiek-ideologisch duiden? Is het zo dat hij een vorm van assimilatie voorstaat? Of ontwijkt hij de multiculturele kwestie uit politiek pragmatisme? Daar ben ik eerlijk gezegd niet helemaal uit. Met betrekking tot het vraagstuk van nieuwkomers in de samenleving wordt de linkse core business van sociaaleconomische integratie uitgespeeld. De sterke nadruk op realisatie van gelijke onderwijskansen als sociale kwestie schrijft zich in het sociaaldemocratische gedachtegoed in. Wat sociaal-culturele integratie van allochtonen via de school betreft, neemt de nota geen stelling in. Tenzij misschien dat ook zij moeten delen in democratische waarden en burgerzin vertonen. Gezien de assimilatiedruk die van het onderwijs en de massamedia uitgaat, is dat een zwaktebod. Het debat over intercultureel samenleven, de onzekerheid over identiteit en cultuur leeft onder allochtonen.9 Meer gelijke kansen ja, maar ook meer ruimte voor een zoektocht naar eigen cultuur en godsdienst. Zelfs met verbeterde arbeidsmarktperspectieven en teruggedrongen discriminatie wekken assimilatie-eisen frustraties bij minderheden en leggen zij een voedingsbodem voor etnische of religieuze ressentimenten. Is dat misschien een reden waarom een sociaaldemocratische minister niet openlijker durft te pleiten voor een genuanceerde assimilatieopvatting over integratie via het onderwijs? Of gaat de minister ervan uit dat ontplooiing van eigen identiteiten misschien eerder een verantwoordelijkheid is van het jeugdwerk, het verenigingsleven, de media - al dan niet in samenwerking met de school? Een positief antwoord op de laatste vraag schept m.i. wel twee problemen. Ten eerste worden vele allochtone jongeren door het georganiseerde verenigingsleven gewoonweg niet bereikt, hun inburgering loopt exclusief via de school. Ten tweede vindt Marino Keulen dat deze sector eveneens voorrang moet geven aan burgerschapsvorming.
Het is jammer dat Vandenbroucke zich in dezen zo op de vlakte houdt. Er is immers enige sociaal-wetenschappelijke en politiek-filosofische onderbouwing te vinden voor een soort derde weg tussen de twee bovengenoemde strekkingen. Met name een die sociale emancipatie mee laat afhangen van cultuurverandering en verwestersing in allochtone gezinnen, maar die tevens voldoende ruimte biedt om verschillende etnische identiteiten in de notie van burgerschap in te sluiten. Helaas botsen we hier - niet voor de eerste keer - op een gespletenheid onder linkse denkers over diversiteit als maatschappelijke uitdaging. Het multiculturalismedebat zaait grote verdeeldheid.10 We pendelen tussen de twee polen van integratie: cultuurbehoud of aanpassing.11 Of tussen de neiging om mensen in hun cultuur te laten en de wens tot modernisering. Tegen die achtergrond is het veiliger een links gelijkekansendiscours te voeren en politiek-pragmatisch de discussie over culturele aanpassing uit de weg te gaan. Het laatste is immers door politiek rechts geclaimd terrein, waarbij Marino Keulen de bakens mag uitzetten voor het geheel van het (culturele) integratiebeleid. Het maakt me daarom nieuwsgierig hoe beide ministers hun beleid op elkaar gaan afstemmen wanneer ze met het oog op gezamenlijke projecten weldra rond de tafel gaan zitten. Gaat Frank Vandenbroucke het onderwijs op cultureel vlak zomaar in het verlengde plaatsen van het overkoepelende liberale inburgeringsmodel?

Sven Sierens
Medewerker Stichting Gerrit Kreveld

cartoon: © Arnout Fierens

Noten
1/ Voor meer info zie: http://users.telenet.be/samenleving-en-politiek/project\migratie.htm.
2/ Snel E., (2003) De vermeende kloof tussen culturen. Twente: Universiteit Twente, Steunpunt Minderheden Overijssel, KISS, p. 13 (gedownload van het internet: http://www.utwente.nl/nieuws/wetenschapsnieuws/2003/snel.pdf).
3/ Prins B.,(2002) Dol op drama. Een reconstructie van het publieke debat naar aanleiding van Paul Scheffers ‘Het multiculturele drama’, (gedownload van het internet: http://www.balie.nl/prog\_content.php3?id=1170).
4/ Beleidsnota Inburgering 2004-2009 ingediend door de heer Marino Keulen, Vlaams minister van Binnenlands Bestuur, Stedenbeleid, Wonen en Inburgering. Vlaams Parlement, Zitting 2004-2005, 22 oktober 2004, Stuk 84 (2004-2005) - Nr. 1.
5/ Op te halen via: http://www.ond.vlaanderen.be/beleid/nota/2004-2009.pdf.
6/ Ik zinspeel hier op een persconferentie van Groen! d.d. 10 februari 2005. De Vlaamse volksvertegenwoordigers Mieke Vogels en Jef Tavernier en ex-agalevsenator Meryem Kaçar pleitten er voor een Marshallplan voor gelijke onderwijskansen als hefboom voor de emancipatie van allochtonen (http://www.groen.be/nieuwseninformatie/pers/persconf\_item.asp?persconf\_id=124).
7/ Luc Huyse, Sociale ongelijkheid in het onderwijs: een blijver. _De Morgen
, 15 januari 2005.
8/ Terug te vinden via http://www.sardes.nl/.
9/ Zie bv. het allochtone zevenpuntenprogramma in het recente februarinummer van MO\*.
10/ Zie hierover Bob Van den Broeck en Marie-Claire Foblets (red.) Het failliet van de integratie? Het multiculturalismedebat in Vlaanderen. Leuven en Leusden: Acco, 2002.
11/ Zie Marc Hooghe, Bundel bijdragen over het integratiedebat. De Standaard, 9 januari 2003.

Stichting Gerrit Kreveld organiseerde op 28 en 29 april in Het Pand (Gent) het colloquium Onderwijs onderweg in de immigratiesamenleving. De Stichting Kreveld publiceerde ook een boek met dezelfde titel.

onderwijs - gelijke kansen

Samenleving & Politiek, Jaargang 12, 2005, nr. 3 (maart), pagina 3 tot 14