Log in

Het recht op geluk

Enkele beschouwingen naar aanleiding van het ideologisch congres van de sp.a

De sp.a heeft een speciale voorzitter. Als verzetslid tegen de intellectuelen organiseert hij een fundamenteel ideologisch congres. In de plaats van een aantal gezaghebbende linkse denkers een basistekst te vragen, daagt hij sp.a’ers en niet sp.a’ers uit om hun bijdrage te leveren. Vooral het tutoyeren van zijn sp.a-parlementsleden via een kranteninterview in De Morgen heeft mij ertoe aangezet om deze bijdrage te maken. De enige ambitie bestaat erin om op een bescheiden manier bij te dragen tot een hedendaags en succesvol socialistisch programma. Onze samenleving heeft dit nodig. Deze bijdrage gaat in op een aantal cruciale vragen die ongetwijfeld aan de orde komen bij de voorbereidingen van het ideologisch congres.

De inzet

Het staat goed om een politieke bijdrage over ideologie aan te vatten met beschouwingen over Francis Fukuyama’s stelling dat de Westerse samenleving na de val van de muur wordt gekenmerkt door de afwezigheid van een ideologische strijd. De huidige samenleving zou niet langer een botsing van ideologische inzichten kennen. Het zijn meestal zinloze beschouwingen. Ze vertrekken immers meestal vanuit een wazige definitie van wat onder ‘ideologie’ moet worden begrepen. De meest neutrale omschrijving van het begrip ideologie is wellicht een sociologische definitie: ideologie is het geheel van collectieve bewustzijnsinhouden in een specifieke samenleving. Kortom, ideologie is een maatschappelijk gegeven dat sterk afhangt van tijd en plaats. Het kan enigszins worden beschouwd als de meest gedeelde waarden, normen en ideeën omtrent de inrichting van de samenleving. Op deze manier gedefinieerd is ideologie een maatschappelijk gegeven.
Een goede kennis van deze collectieve bewustzijnsinhouden is de bron van politiek succes. In het sterk (over)gemediatiseerde politieke bedrijf is het immers de kunst om via de verbale en non-verbale communicatie zo dicht als mogelijk aansluiting te vinden bij deze collectieve bewustzijnsinhouden en ideeën en voorstellen te verdedigen die hieraan de vertaling geven. Deze kunst is inmiddels uitgegroeid tot de belangrijkste tak van de politieke wetenschap. De coiffeur van Louis Tobback of de intuïtie van Steve Stevaert geraken in de verdrukking van gespecialiseerde peilinginstituten, VRIND-indicatoren, marketingspecialisten en communicatiebureaus. Maar het is meer dan wetenschap. Politiek is in belangrijke mate communicatie geworden. Politieke acties die niet in de media geraken, worden meer en meer als zinloos beschouwd. Om enigszins succesvol te zijn kunnen politici zich bijgevolg het best de hedendaagse communicatietechnieken eigen maken. Op deze manier verglijdt de politieke praktijk gemakkelijk naar plat populisme en naar de vaststelling dat elke politieke partij op een iets andere manier voor hetzelfde ijvert. Politiek wordt hierdoor één pot nat. Het wordt drummen in het centrum op zoek naar aanhang bij alle groepen in de samenleving. Veelal impliciet wordt het idee verdedigd dat alle maatschappelijke verzuchtingen met elkaar kunnen worden verzoend. Zo komt de stelling van Fukuyama gevaarlijk dicht bij de realiteit. Hierin schuilt een reële bedreiging voor progressieve politici. Op deze manier functioneert de politiek immers zo grotendeels als bewaker van de fundamentele maatschappelijke tendensen en processen en bestendigt het de cruciale krachtsverhoudingen in de samenleving. De grijze politiek (lees: een politieke praktijk die niet stoelt op fundamentele inzichten) is per definitie conservatieve politiek. In een samenleving die meer en meer wordt gekenmerkt door een toenemende ongelijkheid; een verslaafdheid aan materiele middelen en een spectaculair gebrek aan respect voor natuur en milieu is het de plicht van alle progressieve politici om bijzonder waakzaam te zijn ten aanzien van een dergelijke politieke praxis. Het ideologisch congres van de sp.a moet daarom ambitieuzer (durven) zijn en moet een aantal essentiële socialistische waarden confronteren met de huidige maatschappelijke realiteit. Naarmate dat verontwaardiging oplevert, bestaat de uitdaging erin macht te verzamelen om de maatschappelijke voorwaarden te creëren die de socialistische waarden beter kunnen garanderen. Een ideologisch congres kan zich bijgevolg niet beperken tot het opmaken van een lijst van fundamentele socialistische uitdagingen maar moet eveneens een strategie bepalen over de manier waarop men deze uitdagingen zal waarmaken; over hoe men macht zal verzamelen. Het is op deze manier dat er werk wordt gemaakt van een coherente politieke ideologie: op basis van een kritische maatschappijanalyse definiëren op welke manier er macht kan worden opgebouwd teneinde de fundamentele socialistische doelstellingen te realiseren. Dit is het verschil tussen ideologie en politieke ideologie.

Cruciale socialistische waarden

Op zoek naar de essentiële socialistische doctrine is het enigszins te gemakkelijk om terug te grijpen naar de filosofische geschriften van de founding fathers van de socialistische beweging. De maatschappelijke context is dermate gewijzigd dat ook de oeroude linkse waarden grondig zijn geëvolueerd. De meest relevante oefening voor linkse denkers bestaat erin om de verhouding tussen individu en samenleving te analyseren met als essentieel criterium: in welke mate garandeert de huidige samenleving een maximale kans op individueel geluk aan eenieder. Socialisten gaan er immers van uit - in tegenstelling tot liberalen bijvoorbeeld - dat het geluk van mensen voortvloeit uit de verhouding van het individu tot de anderen (het gezin, de vrienden, familie, buurt, stad, de gemeenschap, …). Daar waar liberale politici vertrekken van de basisstelling dat elk individu over een bijzonder grote portie vrijheid beschikt, zien socialisten dat de kansen op echte vrije keuzes zeer sterk samenhangen met de maatschappelijke positie van het individu, het welvaartsniveau, de rollenpatronen, de studiemogelijkheden, de afkomst of huidskleur. Het onderscheid met het christendemocratisch discours van geborgenheid ligt dan weer in de ambitie dat eenieder los van zijn of haar persoonlijke rollenconfiguratie (als ouder, als vrouw, als werknemer, als buur,…) de grootste autonomie en vrijheid moet gegarandeerd krijgen om zelf de keuzes te maken die leiden naar persoonlijk geluk. Het ideologische verschil met nationalistische partijen zoals het Vlaams Belang ligt vooral in het gegeven dat dergelijke partijen in essentie vertrekken van een grote selectiviteit waarbij één groep afgezet wordt tegenover een andere. In deze visie is niet elk lid van de gemeenschap evenwaardig en beperkt de politieke praktijk zich veelal tot het genereren van ongenoegen en afgunst, waarbij de anderen steevast worden afgeschilderd als de grote hinderpaal op vooruitgang voor de eigen groep. Socialisten willen daarom de samenleving veranderen en de sociale condities zo aanpassen dat elkeen, ongeacht de groep waartoe hij of zij behoort, volgens eigen talenten en inzichten zichzelf kan ontplooien en zijn geluk nastreven. Welke vrijheid heeft bijvoorbeeld de alleenstaande moeder in een sociale woning om zwaar te investeren in haar loopbaan indien er geen betaalbare kinderopvang voor handen is? Of over welke vrijheid beschikt de migrantenfamilie die zwart Molenbeek wil ontvluchten als vader en kinderen zonder diploma al jaren vruchteloos op zoek gaan naar werk? Of hoe vrij zijn de zwaar zieke patiënten om ten einde raad zwarte vergoedingen of huizenhoge supplementen te betalen op het ereloon van de specialist? Of hoe vrij zijn de schoolkinderen om mee te gaan op de skiklassen indien vader en moeder de factuur niet kunnen betalen?
Socialistische politiek heeft bijgevolg een dubbele ambitie. De samenleving zo organiseren dat elk individu maximaal echt de kans heeft om keuzes te maken. De tweede ambitie klinkt op het eerste gezicht minder sympathiek. Om deze maximale kansen en vrijheid voor eenieder te garanderen is het immers noodzakelijk dat alle leden van een samenleving een verantwoordelijkheid opnemen en/of opgelegd krijgen. Om echte vrijheid voor eenieder te garanderen zijn er regels nodig en maatregelen en instrumenten om deze regels af te dwingen. Het is bijgevolg een academische dwaling wanneer het anarchisme bestempeld wordt als een zijsprong van het socialisme. Aangezien onze huidige welvaartsmaatschappij sterke egocentristische en anomische kenmerken vertoont is het zonneklaar dat rechtshandhaving en regelbewaking absolute prioriteiten zijn voor hedendaagse socialisten. Om maximale vrijheid voor werkzoekenden te garanderen middels een vervangingsinkomen is het bijgevolg onaanvaardbaar dat sociale fraude dikwijls onbestraft blijft. Om het recht op veiligheid en leven voor eenieder te garanderen moet het gevaarlijk verkeersgedrag zwaar worden bestraft. De vrijheid om succesvolle school- en beroepscarrières na te streven veronderstelt dat de elitescholen worden tegengegaan en dat onderwijs voor eenieder echt gratis is.
Het smalende verwijt dat socialisten de mensen gelukkig willen maken en een samenleving daartoe willen organiseren moet bijgevolg als een eerlijk compliment worden beschouwd. Meer nog, het is de essentie van hun bestaan. Dit betekent niet dat we blind moeten zijn voor het gegeven dat heel wat andere dingen - waar men min of meer zelf verantwoordelijk voor is - bepalend zijn voor het zich gelukkig voelen en dat eveneens een portie…geluk noodzakelijk is. Het betekent evenwel dat socialisten volop gaan voor een samenleving waar eenieder effectief de kans krijgt om er echt bij te horen.

Is de politiek machteloos?

Een van de grootste (en snelst groeiende) misverstanden is wellicht het defaitisme waarbij gesteld wordt dat de politiek (de Wetstraat, het parlement, het lokaal bestuur,..) nauwelijks nog greep heeft op de samenleving. Zo is bijvoorbeeld het hele globaliseringsdebat in grote mate een emotionele discussie waarbij gemakshalve de Belgische (en Vlaamse) politieke impact als niet bestaande wordt ingeschat. Maar ook ten aanzien van andere fundamentele maatschappelijke processen - zoals bijvoorbeeld de individualisering en het groeiend egoïsme - wordt de impact doorgaans als uiterst gering ingeschat.
Er lijkt me echter geen hard bewijs voor handen om aan te tonen dat de politiek vandaag machtelozer is dan 20, 50 of honderd jaar terug. Veeleer het tegendeel lijkt me het geval: de impact van het beleid op het functioneren van de samenleving is nog nooit zo groot geweest als vandaag. Onze samenleving ervaart evenwel een grotere behoefte om duidelijk aan te tonen wat de politiek kan en wat ze niet kan, wat de ambities en de mogelijkheden zijn. Zo is een land als België met zijn open economie niet in staat gebleken om de verhuizing van Renault-Vilvoorde naar Brazilië tegen te houden. De Belgische en Vlaamse overheid zijn evenwel wel in staat om zoveel als mogelijk werk te maken van de allerbeste omgevingsfactoren die investeerders er toe aanzetten om in dit deeltje van de wereld te investeren. Net zoals die overheid in staat is gebleken om de ontslagen Renault-arbeiders maximaal te begeleiden naar een andere job, of van een redelijk inkomen te voorzien. Vijftig jaar terug was de politieke impact alvast een stuk minder. De Société Générale en een aantal kapitaalkrachtige baronnen dicteerden vanuit de Koningstraat of elders wat er in de Wetstraat moest gebeuren. Het toenmalige socialezekerheidsstelsel of de arbeidsmarktregels kenden nog geen outplacement, tewerkstellingscellen of activeringspremies.
De politiek is niet in staat om in haar strijd tegen het hoge aantal verkeersdoden, alle autoverkeer te verbieden. De praktijk heeft inmiddels wel aangetoond dat door sensibiliseren, controles en hogere boetes het aantal verkeersdoden jaar na jaar afneemt. Of hoe komt het dat de armoede in Vlaanderen een stuk lager ligt dan in het Verenigd Koninkrijk of dat Denemarken meer alternatieve dan kernenergie heeft ontwikkeld? Toch door de politiek, of niet?
Kortom, het idee van de machteloze politiek is een idee-fixe die we krachtdadig moeten tegenspreken. Een beweging die de ambitie heeft iets te doen aan de maatschappelijke voorwaarden heeft de plicht éénieder een duidelijk beeld te schetsen van wat de politiek kan en niet kan. Die idee-fixe is immers een belangrijke bron van politieke apathie, nog zo een aartsvijand van progressieve politici.

Een socialistische ideologie opent een strijd op vele fronten

Een politiek systeem dat probeert te definiëren wat individueel geluk is, is dictatuur. Een politiek systeem dat ernaar streeft om voor iedereen maximale kansen te garanderen om zich te ontplooien en zich volwaardig lid te voelen van de gemeenschap is socialisme. Wij zijn er immers van overtuigd dat het geluk van mensen gezocht moet worden in het zich gerespecteerd voelen; door de partner, de collega’s, de buren, …
Onze inzet is bijgevolg om zoveel mogelijk politieke macht te verwerven die ons toelaat de voorwaarden te creëren waarin eenieder volwaardig kan deelnemen aan het maatschappelijk gebeuren. Om te kunnen deelnemen is het überhaupt noodzakelijk dat het individu voldoende vrijheid heeft om deze keuze te kunnen maken. In een vrijemarkteconomie hangt aan participatie echter meestal een prijskaartje. Dit houdt in dat socialisten bekommerd moeten blijven over een eerlijke inkomens- en welvaartsverdeling (en sterk pleiten voor een herverdelend belastingstelsel, zich blijvend inzetten tegen elke vorm van fraude, en een sterke sociale zekerheid met menswaardige uitkeringen garanderen) en zich keihard afzetten tegen uitsluiting en discriminatie (is het verantwoord dat allochtonen veel minder kans krijgen op de arbeidsmarkt?).
De fundamentele kansenongelijkheid op volwaardige maatschappelijke participatie - en bijgevolg op geluk - is vandaag een onuitputtelijke bron van verontwaardiging en dus van socialistische actie. De onaanvaardbare ongelijkheden in participatiekansen vinden we in de cultuursector (aanvaarden socialisten zomaar dat een toegangsticket tot de zwaar gesubsidieerde Muntschouwburg of een ticket voor U2 zo veel kan kosten?), in het onderwijs (leggen wij er ons bij neer dat kinderen van achtergestelde gezinnen nauwelijks kans hebben op een volwaardig diploma?), op de arbeidsmarkt (aanvaarden we een systeem waarbij honderdduizenden werklozen jaren na elkaar ongemoeid aan de kant worden gelaten of waar arbeiders van een failliete KMO geen beroep kunnen doen op een hertewerkstellingscel?), in de sociale zekerheid (aanvaarden we bijvoorbeeld dat gehandicapten die samenwonen minder inkomen genieten dan wanneer ze apart wonen?), in de gezondheidszorg (aanvaarden we dat kaderleden met een royale aanvullende hospitalisatieverzekering niets hoeven te betalen voor de meest luxueuze verzorging terwijl andere zieken allerlei steunacties moeten organiseren om de volgende behandeling te kunnen betalen?), in de sport (aanvaarden we dat talentvolle en hardwerkende sporters afhaken wegens gebrek aan financiële middelen?), in het verkeer (aanvaarden we dat er jaarlijks honderden zwakke weggebruikers geslachtofferd worden in het verkeer?), in de belastingsregels (aanvaarden we dat restaurantkosten fiscaal aftrekbaar zijn en sportkosten niet?), in het milieu (aanvaarden we dat grote privé-parken en tuinen ontoegankelijk zijn voor het publiek?), in het gezinsbeleid (aanvaarden we dat vrouwen thuis moeten blijven wegens een tekort aan betaalbare kinderopvang?), inzake de huisvesting (aanvaarden we dat financieel zwakke huurders geen enkele steun genieten in vergelijking met eigenaars?)…
Kortom, de lijst is onuitputtelijk en de verontwaardiging ligt voor het grijpen. De 25 opgerichte werkgroepen zullen eerder moeten worden uitgebreid dan ingekrompen.

Nood aan een open en communicatieve ‘partij’

Socialisten zijn per definitie pragmatisch. Werken aan een betere samenleving (lees: een samenleving met meer gelijke kansen op volwaardige participatie) is een werk van elke dag. Een snel veranderende samenleving baart steeds nieuwe ongelijkheden. Inmiddels is gebleken dat niet alle oplossingen gevonden kunnen worden in een grotere overheidsinterventie. Bepaalde uitdagingen vergen een sterke overheid, andere uitdagingen kunnen beter aangepakt worden door versterking van de marktwerking. In nog andere gevallen zal de rol van de overheid bestaan in het samenwerken met de private sector. Zo is de wet op de openbare aanbestedingen een efficiënter alternatief voor centraal opgelegde prijsbepalingen. Of is de invoering van het KIWI-model in de geneesmiddelensector efficiënter dan de huidige corporatistische prijsafspraken. Of zorgt het invoeren van gratis openbaar vervoer voor meer inkomsten voor deze sector en minder nutteloos autoverkeer. De kernvraag is bijgevolg niet of socialisten pleiten voor meer of minder overheid. Waar het om draait is of socialisten voldoende macht verzamelen teneinde te sleutelen aan een samenleving die meer gelijke kansen organiseert.
Politiek is macht: wellicht de kortste maar zeker de beste definitie uit de politieke literatuur. Een partij die zich buigt over haar ideologie moet uitmaken op welke manier ze de macht zal verzamelen om haar doelstellingen te realiseren. De basiselementen van de strategie lijken mij duidelijk. Een eerste opdracht bestaat erin om de ideologische uitdagingen op een praktische manier te vertalen naar de realiteiten van elke dag. Zowat iedereen heeft te maken met de fundamentele ongelijkheid van kansen. Velen zien ze echter niet, en nog meer weten niet dat de sp.a de politieke factor is in Vlaanderen die deze discriminaties te lijf gaat. En dit brengt ons bij het belang van communicatie. Zoals hiervoor reeds betoogd houdt de dominantie van de media en de communicatie op het politieke bedrijf een reële bedreiging in voor de ideologische fundering van de (dagelijkse) politieke standpunten. Toch is het verkeerd om ideologie en communicatie als een fundamentele tegenstelling te zien. Integendeel, een goede ideologie moet goed gecommuniceerd worden. Punt. Daarom is het verkeerd om de impact van de media op de politiek per definitie als een bedreiging te zien voor progressieve politieke partijen. Onze mediamaatschappij dwingt ons immers om telkenmale het ideologische onderscheid met andere politieke partijen aan te tonen en kan bijgevolg een reële hefboom betekenen voor een ‘her-ideologisering’ van de politiek.
Het probleem is dat ‘geslaagde’ communicatie veelal klakkeloos wordt gekopieerd zonder de ideologische grondslag ervan te bewaken. Zo leidt het gratisverhaal van Stevaert nu al te veel tot een soort pavlov-reflex: je kunt geen maatschappelijk probleem meer aanpakken of het moet gratis (of op zijn minst fiscaal aftrekbaar) zijn. Het simpele idee om ook in het gratisverhaal prioriteiten te stellen komt al bij velen niet meer op. Waarom zou internet gratis moeten zijn terwijl de postzegel alsmaar duurder wordt? De ideologische onderbouw voor het gratis openbaar vervoer bijvoorbeeld - een herverdelingsoperatie waarbij gelijktijdig mobiliteitsarmoede bij senioren, de verkeerscongestie en luchtverontreiniging wordt aangepakt - blijkt alvast veel steviger in vergelijking tot heel wat andere gratispleidooien. Kortom, bij gebrek aan een samenhangende en doorleefde ideologie gaan ook de geesten verschralen. Het moet bijgevolg een permanente bekommernis zijn dat in elke communicatie - van partijvoorzitter tot afdelingsverantwoordelijke - de ideologische boodschap op een heldere manier naar voor wordt gebracht. Dit is voer voor specialisten en onderwerp van veel (kader-)vorming.
Maar met communicatie alleen halen we het niet. Voldoende macht verzamelen veronderstelt een partij die permanent verontwaardigd is over ongelijke kansen en de openheid toont om eenieder die werk wil maken van meer gelijke kansen op individueel geluk daartoe de kans te geven. De sp.a moet bijgevolg - meer dan ooit, en van hoog tot laag - deuren en vensters openzetten voor mensen en groepen die, ongeacht hun afkomst, welvaartsniveau of achtergrond, de socialistische droom mee willen realiseren: het recht op gelukkig zijn voor eenieder. De partij is daarom aan een grondige reconversie toe. Haar toekomst ligt in het vormen van een platform waar mensen elkaar gemakkelijk vinden en samen hun verontwaardiging t.a.v. onrechtvaardige ongelijkheden omzetten in positieve oplossingen. Dergelijke actiegroepen moeten steevast op de steun kunnen rekenen van een socialistische beweging. Naast communicatiedeskundigen kan de sp.a daarom ook beter investeren in organisatiesociologen. De sp.a moet een forum, een agora worden waar in alle vrijheid van mening kan worden verschild en waar vooral kan gewerkt worden aan nieuwe projecten. Dit alles veronderstelt een veel lossere partijstructuur die andere organisatie- en managementcapaciteiten vereist. De huidige negentiende-eeuwse partijorganisatie is hopeloos gedateerd en onaangepast aan de nieuwe opdracht. Dit veronderstelt het in vraag stellen van veel evidenties. Het pragmatisme zit evenwel in de methode en de organisatie. Het is de doelstelling die primeert.

Hans Bonte
sp.a volksvertegenwoordiger

ideologie - ideologisch congres sp.a - democratie

Samenleving & Politiek, Jaargang 12, 2005, nr. 3 (maart), pagina 15 tot 20