Abonneer Log in

Much ado about (almost) nothing

Over de electorale effecten van Doe de stemtest 2004

Samenleving & Politiek, Jaargang 12, 2005, nr. 3 bijlage (maart), pagina 61 tot 72

Het minste wat je van Doe de stemtest (DDST) kan zeggen is dat het een omstreden tv-programma is. Zowel in 2003 als in 2004 deed het programma zoveel stof opwaaien dat de kern van de zaak soms wat in de mist bleef hangen. Naast de discussie over de kwaliteit van de stemtest - is het ding wel goed gemaakt en levert het een goed profiel op? hoe wetenschappelijk is zo’n advies eigenlijk? - behoort tot die kern van de zaak natuurlijk of programma’s en stemadviezen als DDST er eigenlijk wel toedoen. Maakte DDST een electoraal verschil? Waarom zouden we ons druk maken over programma’s als DDST als het toch een maat voor niets is, een mooie avondvullende tv-show, best onderhoudend, maar zonder effecten of gevolgen voor de verkiezingen? De VRT programmeerde haar vloed aan verkiezingsprogramma’s in 2004 onder het kopje ‘De VRT helpt je kiezen’. Qua ambitie laat dat aan duidelijkheid niets te wensen over en DDST kaderde perfect in die ambitie. Heeft DDST in 2004 mee het stemgedrag van de Vlamingen bepaald?

Alvast de politici meenden van wel en schatten het effect van DDST op voorhand heel hoog in. Als medesysteemontwikkelaars kunnen we getuigen van de zenuwachtigheid die in het voorjaar van 2004 door de politieke wereld waarde toen DDST op de sporen werd gezet en de eerste vragen om medewerking richting partijhoofdkwartieren vertrokken. Misschien had het te maken met de nare ervaringen van de CD&V en N-VA met de eerste versie van DDST bij de federale verkiezingen van 2003. U herinnert zich misschien de boze reacties van beide partijvoorzitters en de verhitte debatten achteraf. In 2004 namen alle partijen DDST, dat deze keer drie avondvullende zondagavondprogramma’s omvatte, bijzonder ernstig. Zowel bij het doorsturen van de programma’s als later bij het invullen van het officiële partijantwoord bleek telkens weer het grote wantrouwen van de politieke partijen. Partijen probeerden deze keer ook zoveel mogelijk in te spelen op het systeem. Ook rond het al dan niet opnemen van het kleine Vivant in het systeem, bijvoorbeeld, was de spanning niet uit de lucht. Bij het principiële Groen! draaide de discussie over waar de partij zijn ‘joker’ op zou inzetten uit op een ellenlange discussie over wat strategisch de beste keuze zou zijn. Een van de sp.a-tenoren zei aan zijn medewerkers dat DDST niet gewoon ‘belangrijk’ was voor de campagne maar ‘de campagne zelf was.’ Voor ze aan de slag gingen om de stellingen te beantwoorden voegde hij er aan toe dat ‘vandaag de verkiezingen gewonnen of verloren worden.’ Was al deze zenuwachtigheid terecht?

Onze data: het UA-verkiezingspanel 2004

Doorheen de campagne van 2004 vroegen we een aantal dezelfde mensen op vijf verschillende momenten naar hun opinies over politiek en hun stemintenties. Groot voordeel van onze panelmethode via email is dat je relatief snel, en goedkoop, grote groepen kiezers kan bereiken. Veel meer dan in de traditionele peilingen, hebben we echt substantiële groepen kiezers voor elke partij of kartel onder onze deelnemers (steeds meer dan 1000 kiezers). Uitspraken over stemverschuivingen gebeuren dus op basis van veel grotere groepen dan in de meeste peilingen. Groot nadeel is dat de mensen die je via email en internet bereikt, en zeker degenen die wij konden bereiken, bijlange na niet representatief zijn voor de Vlaamse bevolking. Meer dan de helft van de Vlamingen mag dan wel minstens eenmaal per maand op het net zitten, degenen die niet digitaal verbonden zijn, vormen een specifieke groep. In het beste geval zijn de deelnemers aan ons panel min of meer representatief voor de internetpopulatie maar zelfs dat valt te betwijfelen. Ouderen, laaggeschoolden en, in ons geval, mensen met minder politieke interesse zijn stevig ondervertegenwoordigd in de groep die we bevroegen. We kunnen met deze data dus geen uitspraken doen over de bevolking in zijn geheel noch over hoe ‘de’ Vlaming op DDST gereageerd heeft. Maar we kunnen wel mooi nagaan of DDST een effect heeft gehad op de (vele) leden van ons emailpanel.
In welke zin wijkt onze steekproef af van een doorsnede van de bevolking en hoe zouden ‘onze’ respondenten anders kunnen gereageerd hebben op DDST dan Jan Modaal? Enerzijds bevat ons panel veel jongeren en veel hooggeschoolden en dat zijn mensen die doorgaans meer van partij wisselen en dus misschien ook meer door evenementen zoals DDST worden beïnvloed. Anderzijds geeft opinieonderzoek aan dat hooggeschoolden minder beïnvloedbaar zijn door de media, meer tegen een stootje kunnen en dus minder snel van politiek gedacht veranderen door mediaberichtgeving. Zeker is dat onze respondenten bijzonder sterk ‘blootgesteld’ werden aan DDST: ze keken en speelden bijzonder veel mee. Een vergelijking met de kijkcijfers spreekt boekdelen.1 De kijkdichtheid (+12 jaar) van de verschillende DDST-programma’s lag tussen de 14% en 10% met een marktaandeel tussen 51% en 63%. In absolute aantallen uitgedrukt, komt het er op neer dat er gemiddeld 680.000 mensen naar de drie DDST-programma’s keken. In ons panel zegt maar liefst 64% dat ze minstens naar één aflevering hebben gekeken. Ook qua deelnemen zijn onze panelleden veel actiever dan de Vlaamse bevolking. In totaal heeft de VRT via internet, sms en vaste telefoon een goede 840.000 stemprofielen afgeleverd waarvan het leeuwenaandeel via internet. Omdat er vier verschillende stemprofielen werden gemaakt en er in dat totaal dus een groot aantal dubbeltellingen bijzitten, ligt het aantal Vlamingen dat minstens één keer om een DDST-stemprofiel gevraagd heeft dus heel wat lager. Laat ons (over)schatten dat een half miljoen Vlamingen op één of andere manier heeft ‘meegespeeld’. Dat is een goede 8% van de Vlaamse bevolking. Weer blinken onze panelleden uit: maar liefst 54% zei deelgenomen te hebben aan minstens één van de stemtesten. Ons panelpubliek behoort dus disproportioneel tot de DDST-kijkers en de DDST-deelnemers. Ons panel geeft ook aan dat kijken en meespelen niet hetzelfde zijn: binnen de paneldeelnemers is er geen effect van leeftijd en scholing op al dan niet kijken, maar wel een significant effect op al dan niet meedoen. Er zijn meer ouderen en laaggeschoolden in de groep van kijkers die niet mee speelden.
Concreet: we bevroegen in totaal 11.486 verschillende mensen in vijf golven: (1) maart (2-12)(N=11.486); (2) april (20-30)(N=8.824); (3) mei (17-25)(N=8.419); (4) juni (6-10)(N=7.906) en (5) juni (17-27)(N=7.917). Lang niet alle elfduizend deelnemers bleven ons trouw doorheen die vier maanden. In totaal hebben 6.429 mensen vijf keer meegedaan. Omdat we een bevraging van dezelfde mensen hebben in april (golf2) net vóór de eerste van de drie DDST-programma’s op het scherm kwam en net na de drie tv-programma’s in juni (golf4) kunnen we door dit paneldesign een redelijke inschatting maken van het ‘effect’ van DDST op de stemvoorkeur van deze mensen. Daarnaast stelden we ook een aantal specifieke vragen over DDST in golf4. We vroegen mensen of ze gekeken hadden en zo ja hoeveel keer; of ze hadden meegespeeld en dus een stemadvies hadden gekregen; en of ze zelf vonden dat DDST een effect had gehad op hun stem. Na de verkiezingen, in golf5, stelden we onze respondenten nog een vraag over de motieven van hun uiteindelijke stem. In het gesloten lijstje van mogelijkheden namen we ook ‘stemtesten op tv en op het internet’ op. Wat kunnen we aan de hand van deze data zeggen over de electorale effecten van DDST?

Deed DDST mensen van gedacht veranderen?

De eerste vraag is of DDST heeft bijgedragen tot de ondertussen legendarische volatiliteit van de Vlaamse kiezers. Sinds enkele decennia neemt de politieke ontrouw toe. Terwijl in de jaren 1980 slechts een goede 15% tussen twee verkiezingen van partij zou hebben gewisseld, is dat volgens het ISPO in de jaren 1990 opgelopen tot een derde van de kiezers. Volgens een TNS/DIMARSO-peiling zou in 2004 ongeveer 24% van de Vlamingen ten opzichte van 2003, dus amper op één jaar tijd, van partij gewisseld zijn. Heeft DDST daar iets mee te maken?
Het antwoord is eenvoudig: weinig. Op geaggregeerd niveau is het niet zo dat er in ons panel meer gewisseld werd van partij(intentie) in de periode van DDST, dus in mei 2004, dan in de periode ervoor of erna. Telkens bedroeg het aantal partijwisselaars ongeveer 10% van alle deelnemers en dat aantal lag niet hoger in de periode dat DDST op het scherm kwam.
Op individueel niveau vroegen we in golf2 (april), dus vóór de drie DDST-programma’s van start gingen, voor welke partij onze deelnemers zouden stemmen. We vroegen het opnieuw na de DDST-storm in golf4 (begin juni) en na de verkiezingen in golf5 (eind juni). Dat laat ons toe na te gaan of de kijkers/deelnemers aan DDST meer van partij wisselden dan de niet-deelnemers/niet-kijkers. Als DDST mensen aan het twijfelen bracht, zou je verwachten dat de blootgestelde groep meer van stemintentie zou gewijzigd zijn dan de niet blootgestelde groep. Maar dat was niet het geval.
Tabel 1 geeft aan dat de verschillen in volatiliteit tussen de vier blootstellingscondities minimaal zijn. De verschillen in de eerste kolom, wijzigingen tussen golf2 en golf4, zijn niet statistisch significant: mensen die hebben gekeken/meegedaan zijn niet meer van partij gewisseld dan degenen die niet hebben gekeken/meegedaan. Als we in de tweede kolom naar het uiteindelijke stemgedrag kijken (G2=\>G5) dan is het zelfs opvallend dat de mensen die helemaal niet zijn blootgesteld nog het meeste van partij zijn gewisseld.

Tabel 1: Wijzigingen van stem(intentie) en mate van blootstelling aan DDST (in %)

Bron: UA-verkiezingspanel 2004 (N=6.985)

Bij nader toezien, lijkt al dan niet kijken nauwelijks een effect gehad te hebben. Als er al van een DDST-effect sprake was, dan gaat het om het effect van deelname en zeker niet van al dan niet kijken. Het is niet het tv-programma dat een verschil maakte, maar het zelf beantwoorden van de stellingsvragen en het krijgen van een persoonlijk stemprofiel. Dat blijkt uit de derde kolom van Tabel 1. De vergelijking meespelers en niet-meespelers toont aan dat de verschillen ietwat groter zijn (15.8 vs. 13.4%) en, vooral, dat verschil, hoe klein ook, is wel statistisch significant. In de rest van dit artikel zullen we dan ook alleen de deelnemers met de niet-deelnemers vergelijken en het al dan niet kijken terzijde leggen. Hier komt het hybride karakter van een evenement zoals DDST tot uiting: de zondagavondshow is niet meer dan een onderhoudend tv-programma, maar het interactieve aspect kan wel reële gevolgen hebben, zij het minimale. In een multivariate analyse waarbij wordt gecontroleerd voor de traditionele persoonskenmerken - leeftijd, geslacht en opleiding - blijft het effect van deelname aan de stemtest overeind als predictor van partijverandering. Het blijft natuurlijk een bijzonder klein effect dat alleen de significantiedrempel haalt dankzij de bijzondere grootte van onze ‘steekproef’.2
Als we verder gaan kijken of dat kleine DDST-effect tot aan de verkiezingen zelf duurde en dus impact had op het echte stemgedrag en niet alleen op de stemintentie vóór de kiezing, dan blijkt (vierde kolom: G2=\>G5) dat er uiteindelijk niets overbleef van DDST op de verkiezingsdag zelf: beide groepen, participanten en niet-participanten, zijn perfect gelijk en hun volatiliteit is identiek.
Spreken over een ‘effect’ van DDST veronderstelt een causale relatie: zonder DDST zouden die mensen niet van stem(intentie) gewijzigd zijn. Maar het kan natuurlijk evengoed zijn dat sommigen aan DDST deelnamen juist omdat ze niet zeker waren van hun stem en actief naar informatie over partijen op zoek waren. Is het zo dat vooral de onbeslisten aan DDST deelnamen? Nee. Degenen die in onze golf2, dus voor DDST, stelden reeds beslist te hebben voor wie ze zouden stemmen op 13 juni hebben zelfs meer aan DDST meegedaan dan degenen die in golf2 zeiden dat ze nog niet beslist hadden. Het lijkt er dan ook op dat mensen in DDST vooral op zoek gingen naar een bevestiging of toetsing van hun reeds gemaakte keuze, eerder dan dat ze DDST echt beschouwden als een neutrale arbiter die hen van hun embarras du choix kon helpen verlossen.
Kijken naar DDST op tv had geen effect op partijverandering; meedoen aan de stemtest via internet, telefoon of gsm had een significant maar klein effect; dat effect was bovendien van korte duur en haalde in 2004 de verkiezingsdatum zelf niet; mensen zochten in DDST eerder naar bevestiging van hun reeds gemaakte keuze dan dat ze zich uit twijfel op DDST verlieten. Al deze tussentijdse conclusies zeggen ons niets over de verschillende politieke partijen en hoe hun electoraal lot mede door DDST bepaald werd.

Welke partijen haalden voordeel uit DDST 2004?

De politieke commotie bij de eerste DDST in 2003 had vooral te maken met het feit dat sommige politici vonden dat sp.a en vooral Spirit door DDST een enorm electoraal cadeau hadden gekregen. De socialisten en hun links-liberale vrienden waren sterk uit DDST gekomen omdat Spirit, ondanks het kartel met sp.a in DDST toch als een aparte partij werd behandeld. En het optellen van de ‘balkjes’ van rood en paars leidde tot een zware oververtegenwoordiging van het kartel. De woede bij CD&V en N-VA over DDST 2003 was geworteld in de diepe overtuiging dat men daardoor onheus was behandeld en dat het programma hun electorale kansen had beschadigd. Vandaar ook de eis van de VLD om in 2004 haar nieuwe, kleine kartelpartner Vivant als een aparte partij in DDST van 2004 op te nemen.3
Er is natuurlijk iets voor te zeggen dat vooral voor kleine partijen een druk bekeken evenement als DDST de uitgelezen kans is om zich aan het grote tv-publiek voor te stellen. In de media worden deze partijen doorgaans als tweederangspartijen behandeld, ze krijgen veel minder media-aandacht en dus minder kans om hun standpunten aan het grote publiek mee te delen. DDST geeft hen de kans volop ‘met de groten’ mee te spelen en op gelijke voet behandeld te worden. Het haalt die partijen uit de marginaliteit en het duwt tegelijkertijd de kleine partijen die niet mogen meedoen nog wat dieper in de vergetelheid. DDST gaat ook louter om inhoud en grote beleidspartijen en kleine zweeppartijen strijden dus met dezelfde wapens. Kleine partijen zijn misschien minder relevant qua machtspositie, maar hun ideeën en programma zijn daarom niet minder populair. De kennis van de standpunten van deze partijen is doorgaans klein: wie wist in 2004 meer over Vivant te zeggen dan dat het de partij was die voor het basisinkomen stond?; wie wist in 2003 meer over Spirit dan dat het de partij van Bert Anciaux was? Een laatste voordeel van DDST voor de kleine partijen was dat ze soms een minder volledig programma en dus (nog) geen officieel standpunt hadden en dat op veel items makkelijker voor de meest populaire optie konden kiezen. Om een lang verhaal kort te maken: als we ergens partijeffecten van DDST verwachten dan is het wel ten voordele van de kleine partijen (die in Vlaanderen in een kartel zitten met een grote broer). Vinden we effecten ten voordele of ten nadele van partijen in ons verkiezingspanel? Tabel 2 licht een tipje van de sluier op.

Tabel 2: Winst en verlies in stemmen voor partijen (G2=\>G4) bij DDST-deelnemers vergeleken met niet DDST-deelnemers (verschillen in %)

Bron: UA-verkiezingspanel 2004

Tabel 2 is moeilijk te lezen en verdient een woordje uitleg. De tabel bevat de gegevens van een systematische vergelijking tussen de deelnemers en de niet-deelnemers aan DDST en vat dus het verband tussen instroom (winst) en uitstroom (verlies) van partijen tussen golf2 en golf4 (voor en na DDST). Het cijfer +2.3 in de eerste rij en eerste kolom betekent dus dat er 2.3% meer mensen naar de CD&V zijn toegestroomd onder de DDST-participanten dan onder de niet-participanten. Dit positieve cijfer suggereert dat deelname aan DDST mensen naar de CD&V heeft toegedreven. Het negatieve cijfer voor sp.a-spirit in dezelfde kolom suggereert het omgekeerde voor het linkse kartel: vooral mensen die niet aan DDST deelnamen stroomden de partij binnen. Dezelfde redenering geldt voor de ‘verlies’-kolom maar dan omgekeerd. Een negatief teken wil zeggen dat het verlies onder DDST-deelnemers hoger ligt dan onder niet-deelnemers en dat DDST dus wel eens een negatief effect zou kunnen hebben gehad en kiezers zou kunnen hebben weggejaagd. Significante verschillen staan in vetjes. De balans is de combinatie van beide maar moet met de nodige voorzichtigheid gehanteerd worden omdat de basis niet steeds hetzelfde is.
De tabel geeft aan dat DDST-deelnemers en niet-deelnemers wel degelijk verschillen, en er zijn ook verschillen per partij zij het kleine. DDST heeft zeker niet voor massale volksverhuizingen gezorgd, maar kan misschien wel voor kleine groepen kiezers hun mutatie hebben bevorderd. Globaal lijkt DDST in de kaart te hebben gespeeld van Groen! en vooral van het VLD-Vivant-kartel. De verliezers van DDST waren het Vlaams Blok en de andere, kleine partijen die niet in DDST zaten. We weten niet of de ‘nieuwe’ VLD-Vivant-kiezers vooral door de grote of vooral door de kleine partner werden aangetrokken, maar denken dat het hier vooral een (bescheiden) Vivant-effect betreft. Tabel 2 lijkt te suggereren dat, inderdaad, vooral kleine partijen te winnen hebben bij stemtesten zoals DDST; maar kleine partijen die niet mogen meedoen ondervinden daar extra nadeel van en worden helemaal irrelevant in de ogen van de kiezers.
Deze eerste analyse is onvolledig, want slechts bivariaat. Het zogenaamde ‘effect’ van DDST kan evengoed liggen aan andere kenmerken van de overlopers. Misschien heeft Groen!, bijvoorbeeld, vooral gewonnen bij DDST-deelnemers omdat er vooral jongeren meededen met DDST en de partij in de campagne van 2004 vooral bij de jongeren heeft geworven. Het effect van DDST-deelname moet met andere woorden gecontroleerd worden voor andere variabelen. We deden dat door een hele reeks logistische regressie-analyses te schatten waarin de nieuwkomers en de partijverlaters van elke partij afgezet werden tegenover de kiezers die die partij tussen golf2 en golf4 trouw bleven. Naast deelname aan DDST controleerden we voor leeftijd, geslacht, opleiding, politieke interesse, links-rechtsplaatsing en de mate waarin de campagne via de media werd gevolgd. Het zou immers kunnen dat het DDST-effect eigenlijk een soort van algemeen media-effect is. Wat bleek? De in Tabel 2 gevonden tendensen blijven ook multivariaat overeind. DDST-deelname heeft veruit het sterkste positieve effect op (nieuwe) stemmen voor VLD-Vivant. Ook CD&V-N-VA heeft significant gewonnen door DDST, net zoals Groen!. Aan de verlieszijde van DDST vinden we weeral CD&V-N-VA, zeer nipt ook VLD-Vivant en vooral het Vlaams Blok dat door DDST waarschijnlijk het meeste stemmen verloor. Het negatieve effect op de categorie van de andere partijen kon niet in een regressie-analyse worden gecontroleerd omdat het aantal kiezers in deze categorie te klein was. De positieve en negatieve DDST-effecten van CD&V-N-VA heffen elkaar op zodat we kunnen stellen dat VLD-Vivant en Groen! waarschijnlijk netto kiezers hebben gewonnen door DDST, terwijl het Vlaams Blok netto kiezers verloor.
We moeten wel opmerken dat de sterkte van het DDST-effect in al deze multivariate modellen echt wel zeer klein is. In de meeste analyses, zowel de positieve als de negatieve, is het DDST-effect veruit het kleinste van alle significante effecten en haalt het, ondanks het grote aantal records, doorgaans maar nipt de significantiedrempel. Daarnaast is ook de totale verklaarde variantie (R²) van de modellen klein (maximaal 0.06).

De kiezer zelf aan het woord: maakte DDST een verschil?

Tot nu toe negeerden we de mening van de kiezers zelf over het effect van DDST. We gingen ervan uit dat we het effect van DDST konden meten zonder de kiezer zelf te vragen of DDST een verschil had gemaakt maar door gewoon naar zijn gedrag(sintentie) te kijken. We stelden aan onze panelleden in golf4, dus na DDST en voor de verkiezingen, ook de expliciete vraag of DDST volgens hen een invloed had gehad op hun stemvoorkeur. In Tabel 3 brengen we de antwoorden van degenen die gekeken en/of meegedaan hebben samen.3

Tabel 3: Subjectieve invloed van DDST op de partijvoorkeur (in %)

Bron: UA-verkiezingspanel 2004 (N=4.956)

De overgrote meerderheid (+90%) van onze panelleden - we herinneren de lezer er nogmaals aan dat ze niet representatief zijn - zegt door DDST koud te zijn gelaten of er simpelweg een bevestiging in te hebben gevonden van hun bestaande voorkeur. Dat laatste stemt mooi overeen met heel veel spontane reacties op het systeem waarbij deelnemers eigenlijk eerder het systeem testen dan dat ze zichzelf testen: ‘het klopt’ of ‘ik kwam juist uit’, of het omgekeerde, hoorden bij de standaardreacties op DDST. Slechts 1 op 10 deelnemers in ons panel zegt dat DDST heeft bijgedragen tot twijfel, en amper 1 op 100 beweert dat DDST hen echt heeft doen kantelen.
Levert Tabel 3 nog een bewijs voor de beperkte electorale impact van DDST? We moeten natuurlijk erg voorzichtig zijn met subjectieve inschattingen van invloed. De impact van een evenement zoals DDST kan door kiezers immers worden ontkend, kan onbewust zijn of kan simpelweg vergeten zijn. Om na te gaan of die subjectieve inschatting ook met ‘hard’ gedrag overeenstemde, gingen we na of degenen die zeggen door DDST aan het twijfelen te zijn gebracht, ook effectief van partij wisselden en naar welke partij ze dan gingen. Opvallend is het zo dat maar de helft van de mensen die zegt door DDST aan het twijfelen te zijn gebracht in golf4 ook effectief zijn stemvoorkeur wijzigt. Dus: voor de andere helft heeft de DDST-twijfel geen consequenties. Zelfs bij degenen die zeggen dat DDST meer heeft gedaan dan hen aan het twijfelen brengen maar hen echt van partijvoorkeur heeft doen veranderen, dat was de zeer kleine groep van ongeveer 1%, zijn er nog 30% die uiteindelijk toch niet veranderen en toch trouw blijven aan de partij die ze in golf2 als hun voorkeur opgaven. Met andere woorden: als je beide percentages optelt komt het er op neer dat slechts 4.7% van onze panelleden zegt op één of andere manier door DDST te zijn beïnvloed en ook effectief van partij is veranderd tussen golf2 en golf4. De hamvraag is natuurlijk: naar welke partij zijn die mensen dan gegaan?
Opnieuw kunnen we een soort van winst- en verliesrekening maken per partij. In Tabel 4 gaan we na wat partijtrouwen, partijnieuwkomers en partijverlaters (G2=\>G4) over de invloed van DDST op hun stem wisten te vertellen. Door de kleine aantallen in de analyses van partijverlaters en partijnieuwkomers moeten we wel voorzichtig zijn met de interpretatie (de cijfers gebaseerd op te kleine basissen staan in de tabel tussen haakjes). Bevestigen deze data de hierboven gemaakte vaststellingen dat er een klein maar meetbaar DDST-effect is ten voordele van Groen! en vooral van VLD-Vivant, en dat er een negatief effect is voor het Vlaams Blok? Wat het Blok betreft kunnen we kort zijn: blijvende (52.2%), nieuwe (59.1%) en voormalige (44.0%) Blok-kiezers hielden allen vol dat DDST hun stemgedrag weinig heeft beïnvloed. Bij de kiezers die het Blok de rug toekeerden verwezen minder mensen naar DDST als oorzaak (3.3%) dan bij de kiezers die de meeste andere partijen de rug toekeerden. Alvast subjectief heeft DDST het Vlaams Blok dus niet pijn gedaan en in het algemeen kan je stellen dat (voormalige) Blok-kiezers subjectief het minst door DDST zijn beïnvloed. Voor Groen! lijkt net het omgekeerde het geval. In vergelijking met de andere electoraten geven de (voormalige) Groen!-kiezers het meeste aan dat ze op één of andere manier hebben rekening gehouden hebben met hun DDST-stemprofiel. Verder lijkt de tabel het bescheiden DDST-effect ten voordele van Groen! te bevestigen. Het meespelen met DDST heeft relatief veel Groen!-kiezers in hun reeds bestaande keuze voor de groenen bevestigd en dus steviger aan de partij vastgeklonken (62.3%). Ook de partijnieuwkomers zagen in DDST disproportioneel veel bevestiging van hun (gewijzigde) stemvoorkeur (4.1%), hoewel dat ook bij de kiezers die Groen! verlieten het geval was (5.6%). Het verhaal van het VLD-Vivant-kartel klinkt anders. Veel trouwe kartelkiezers zagen in DDST een bevestiging van hun voorkeur (57.3%), en bij de nieuwkomers is er een merkelijk grote groep die naar DDST verwijst als oorzaak van hun bekering tot het blauwe kartel (7.2%). Anderzijds wijzen ook kartelverlaters disproportioneel veel naar DDST om hun switch te verklaren (7.8%) wat de eerdere bevindingen over VLD-Vivant ietwat nuanceert. Over CD&V en sp.a-spirit, tenslotte, kunnen we niet veel kwijt. Het lijkt er niet op dat deze electoraten door DDST aan het schuiven zijn gegaan. Het is moeilijk een globale afweging van winst en verlies te maken wegens de kleine aantallen, maar het lijkt erop dat onze subjectieve analyse bevestigt dat Groen! en VLD-Vivant inderdaad lichtjes de wind in de rug hebben gekregen door DDST, maar het lijkt er niet op dat DDST veel Blok-kiezers heeft weggejaagd.

Tabel 4: Subjectieve impact van DDST op DDST-deelnemers voor effectieve partijtrouwen, partijnieuwkomers en partijverlaters (G2=\>G4)(in %)

Bron: UA-verkiezingspanel 2004

DDST tegenover andere stemmotieven: het kleine broertje?

We vroegen onze panelleden in golf5, dus onmiddellijk na verkiezingsdag, voor welke partij ze hadden gestemd en waarom dan wel. We gaven een gesloten lijstje mee met een aantal mogelijke motieven, eigenlijk eerder informatiekanalen. Vooreerst is het belangrijk op te merken dat ‘de resultaten van stemtesten op het internet of op televisie’ niet echt een belangrijk motief was voor vele kiezers. Andere motieven waren veel belangrijker. In totaal gaven we negen soorten van informatiebronnen op waarvan de ‘stemtesten’ globaal slechts de 6de plaats bekleedden: slechts 4.9% van onze respondenten zeiden dat de stemtesten voor hen van groot belang waren geweest. Debatten op tv, discussies met vrienden, berichtgeving in de kranten, informatie op het internet en rechtstreekse partij-info (vb. folders) waren belangrijker dan de stemtesten. Minder belangrijk waren de mening van verenigingen waarvan de deelnemer lid was, de opiniepeilingen en de affiches op de straat. Merk nog eens op dat onze respondenten niet representatief zijn en veel meer met politiek bezig zijn dan de doorsnee Vlaming en, vooral, dat onze respondenten veel meer met DDST meededen dan de doorsnee Vlaming.

Tabel 5: ‘In welke mate bent u in uw keuze beïnvloed door de resultaten van stem-testen op het internet of op televisie?’ per effectieve partijstem in juni 2005 (in %)

Bron: UA-verkiezingspanel 2004

Tabel 5 bevat de resultaten opgesplitst per partij. Vooraleer we ze kort bespreken is het belangrijk te benadrukken dat de panelvraag peilt naar stemtesten in het algemeen, en dus niet alleen naar DDST. Nogal wat andere media organiseerden gelijkaardige stemsystemen in de aanloop naar 13 juni 2004. Het meest populaire was het systeem van de krant De Standaard dat in totaal 550.000 stemprofielen afleverde, dus niet veel minder dan de 840.000 van DDST. Belangrijk om weten is dat de De Standaard-stemtest bijzonder veel ‘stemadviezen’ voor sp.a en Spirit heeft afgeleverd, en dat Groen! veruit het kleinste broertje was bij De Standaard. De tabel bevestigt de subjectieve immuniteit van CD&V-N-VA en van de Vlaams Blok-kiezer voor de stemtesten. Opnieuw blijkt dat VLD-Vivant blijkbaar iets meer dan de andere partijen heeft geprofiteerd van de stemtesten voor de verkiezingen. Interessant is dat onze vraag over stemtesten in het algemeen deze keer het positieve effect voor Groen! niet bevestigt. sp.a-spirit zou door de stemtesten meer gewonnen hebben dan de groenen, iets wat uit de vorige analyses toegespitst op DDST absoluut niet het geval bleek. Het is plausibel dat we hier te maken hebben met de neutralisering van een positieve groene DDST-effect door een negatieve groene ‘De Standaard-stemtest’-effect.

Besluit en discussie

Wat hebben we geleerd? Er is een meetbaar effect van het deelnemen aan DDST in ons panel maar het is bijzonder klein. Niet het kijken maar het meespelen met DDST en het laten opmaken van een persoonlijk stemprofiel heeft hoogstwaarschijnlijk een fractie van het electoraat beïnvloed in zijn stemvoorkeur. In totaal gaat het in ons panel om hooguit enkele percenten kiezers die door hun stemprofiel aan het twijfelen zijn gegaan of zelfs effectief van partij zijn gewisseld. De scheeftrekking en niet-representativiteit van ons panel is belangrijk als we onze resultaten willen extrapoleren naar de Vlaamse bevolking in zijn geheel. Zelfs bij onze sterk politiek betrokken en alom stemtestende panelleden zijn de effecten van DDST dus minimaal. In Vlaanderen hebben hooguit een half miljoen mensen een stemprofiel van DDST opgevraagd. In de veronderstelling dat deze paar honderdduizenden Vlamingen op dezelfde manier op hun DDST-stemprofiel reageerden dan onze panelleden heeft DDST geaggregeerd voor heel Vlaanderen waarschijnlijk minder dan 1% van de kiezers aan het twijfelen gebracht of van partij doen wisselen. Onze cijfers geven aan dat heel wat mensen vooral naar bevestiging van hun keuze op zoek gingen. Ze testten eigenlijk het systeem en niet hun eigen politieke overtuigingen. DDST werd gebruikt om een reeds gemaakte keuze te rationaliseren en niet zozeer om na te gaan of men bij de ‘juiste’ partij zat.
Binnen deze algemene ‘nauwelijks effect’-conclusies moet er natuurlijk gedifferentieerd worden tussen partijen. De DDST-effecten gaan doorgaans in alle richtingen en alle partijen wonnen en verloren (een beetje) kiezers door DDST. Meestal compenseren die groepen elkaar ongeveer. Als er één partij of kartel bij DDST heeft gewonnen in 2004 dan is dat VLD-Vivant. Alle indicatoren wijzen er consistent op dat DDST een aantal nieuwe kiezers naar het kartel heeft kunnen kanaliseren. Bovendien bevestigde DDST meer liberale kiezers in hun keuze dan kiezers van andere partijen. Maar zelfs voor het liberale kartel is het effect zo klein dat het geaggregeerd voor geheel Vlaanderen en voor de echte verkiezingen waarschijnlijk niet meer dan enkele tienden van procenten verschil heeft gemaakt. Voor Groen! gaan de resultaten in dezelfde richting maar ze zijn minder robuust: waarschijnlijk hebben de groenen een superlicht duwtje in de rug gekregen. Voor de andere partijen duikt er doorheen onze analyses geen duidelijk beeld op en lijkt het erop dat DDST een nuloperatie is geweest, tenzij misschien een licht negatieve operatie voor het Vlaams Blok.
DDST heeft waarschijnlijk weinig tot geen direct electoraal effect gehad. Wil dat zeggen dat programma’s als DDST een zegen zijn voor de democratie? We zijn niet zeker. Het belangrijkste argument vóór programma’s als DDST is dat ze het debat aanzwengelen en een stevige portie inhoud in de verkiezingsstrijd injecteren. Het gaat voor één keer eens niet om de strategie, of om campagnegebeurtenissen, of om de koppen van onze vaderlandse politici maar om beleidsthema’s, en dus om de zaken waar verkiezingen eigenlijk zouden moeten om draaien. Het is best mogelijk dat DDST het debat in de huiskamer en op café heeft aangezwengeld en dus een informerende en emanciperende waarde had. Drempelverlagende spelprogramma’s zoals DDST kunnen waarschijnlijk de betrokkenheid van de bevolking bij de verkiezingen verhogen. De kijkcijfers geven aan dat DDST inderdaad een zeer groot publiek bereikte: meer dan twee miljoen Vlamingen vingen minstens een glimp van 10 minuten van één van de programma’s op en DDST bereikte een aantal mensen die minder naar de andere politieke programma’s keken.4
Toch moeten we (zelf)kritisch blijven bij media-evenementen zoals DDST. Zulke programma’s hebben immers ook effecten die niet echt te ‘meten’ zijn, zeker niet op korte termijn. Welke potentiële gevaren houden DDST en gelijkaardige programma’s in? Of, positief geformuleerd, wat kan er beter aan DDST? Een eerste nadeel is dat DDST en consorten misschien bijdragen tot wat we de ‘publieke-opinie’-cratie kunnen noemen. DDST is een spel dat de kiezers moet informeren over de standpunten van de politieke partijen, maar soms werd die doelstelling wat weggedrukt door net het omgekeerde: het informeren van de politiek over wat er bij de bevolking leeft. DDST was soms te veel peiling en te weinig stemtest. De resultaten van de bevolkingsbevraging die gebruikt werd om het systeem te ijken werden in andere verkiezingsprogramma’s vaak uitgespeeld in debatten en gesprekken met politici. Wat de meerderheid denkt over een bepaalde stelling doet eigenlijk niet terzake en is volgens ons zeker geen goed uitgangspunt voor een debat. Het verstikt het gesprek eerder dan dat het de open gedachtewisseling aanzwengelt. Dat moet, wat ons betreft, volgende keer vermeden worden. Een tweede punt dat voor verbetering vatbaar is, betreft de gebrekkige consistentie van de antwoorden van de politieke partijen. Op dit moment bevat het systeem geen enkele controle op de consequentie van hun stellingnames. Partijen doen aan cherry-picking en pogen steeds een zo populair mogelijk antwoord te geven, ook als dat niet rijmt, financieel bijvoorbeeld, met eerder ingenomen standpunten. Stemtesten zoals DDST nopen politici om de hemel op aarde te beloven zonder zich zorgen te moeten maken over de realiseerbaarheid of betaalbaarheid ervan. Het systeem zou gevoelig verbeteren, mochten ook consequentie en consistentie worden beloond of op een of andere manier in rekening gebracht. Dat geldt eigenlijk zowel voor de politieke partijen als voor de kiezers die door het huidige format ook niet echt geconfronteerd werden met het feit dat de wereld eindig is en dat niet alle verlangens zomaar kunnen gerealiseerd worden. Een laatste punt, waar we als medemakers van het huidige systeem twijfels bij hebben, is het enorme belang dat een informatief spelprogramma als DDST blijkbaar heeft gekregen. Het programma werd zo ernstig genomen door politici dat het soms de campagne zelf ging bepalen. Thema’s werden gelanceerd, of juist niet, dankzij DDST. Soms hadden we de indruk dat, door DDST, de partijprogramma’s niet helemaal hetzelfde waren dan dat ze zonder DDST zouden geweest zijn. Misschien heeft DDST geen grote effecten gehad op de kiezers, zoals we hierboven aantoonden, maar DDST had wel een groot effect op de politiek en op de manier waarop de campagne van 2004 werd gevoerd. Hoe dat in de toekomst kan vermeden worden, is misschien nog de allergrootste uitdaging.

Stefaan Walgrave en Peter Van Aelst
Onderzoeksgroep ‘Media, Middenveld en Politiek’ (M2P) Universiteit Antwerpen

Noten
1/ Met dank aan Daniël Poesmans van de studiedienst van de VRT voor het ons ter beschikking stellen van de data over kijkcijfers en deelname.
2/ Voor de geïnteresseerden: de verklaarde variantie van deze regressie is bijzonder klein R² = 0.009.
3/ Dat DDST een groot media-event was blijkt uit het feit dat ook mensen die zeggen dat ze niet hebben gekeken én niet hebben meegedaan soms toch zeggen dat ze door DDST zijn beïnvloed. Je kon dus, als deze antwoorden betrouwbaar zijn, zelfs door DDST beïnvloed worden zonder er zelf rechtsreeks aan blootgesteld geweest te zijn. Waarschijnlijk heeft dat te maken met de zogenaamde two-step-flow van communicatie waarbij ook zonder blootstelling via andere media er een beeld van DDST ontstaat via gesprekken met vrienden, familie en collega’s.
4/ Cijfers afkomstig uit de nota: Studiedienst VRT, 2004, De verkiezingen op de VRT. Aanloop en verkiezingen: 10 mei t.e.m. 13 juni.

stemtesten - verkiezingen - media en politiek

Samenleving & Politiek, Jaargang 12, 2005, nr. 3 bijlage (maart), pagina 61 tot 72