Abonneer Log in

Stemt het extreemrechtse electoraat ideologisch?

Samenleving & Politiek, Jaargang 12, 2005, nr. 3 bijlage (maart), pagina 89 tot 99

Extreemrechtse partijen worden vaak omschreven als protestpartijen en hun kiezers als protestkiezers (Stouthuysen, 1993). Hierbij wordt gesteld dat extreemrechtse kiezers cynische attitudes hebben ten aanzien van het politieke gebeuren. Ze stemmen niet vóór extreemrechts, maar tegen alle andere partijen en de politieke instellingen. Hun stemgedrag is met andere woorden gebaseerd op ontevredenheid en niet op de partij-ideologie. Ze willen hun ontevredenheid over de politieke elite uiten door te stemmen op een partij die als een outsider wordt beschouwd in de politieke arena.
Deze proteststemhypothese kan worden onderscheiden van de ‘ideologische stem’-hypothese. Deze laatste stelt dat de kiezers instemmen met de ideologische standpunten van de partij. In dit artikel willen we op basis van gegevens uit de surveys die werden georganiseerd in het kader van Doe de stemtest nagaan of de standpunten van het Vlaams Blok1 en van zijn electoraat overeenstemmen. We willen met andere woorden onderzoeken of de extreemrechtse kiezers ideologisch stemmen. In de eerste paragraaf stellen we enkele analyses voor over onze onderzoeksvraag. Hierbij presenteren we eveneens enkele bedenkingen en doen we methodologische suggesties. Het tweede deel van dit artikel betreft de analyse waarin we de instemming van het extreemrechtse electoraat met de partijstandpunten onderzoeken.

Modellen om extreemrechts kiesgedrag te verklaren

Onderzoek over de vraag wat een extreemrechtse kiezer leidt tot zijn stemgedrag, plaatst meestal twee2 hypotheses centraal (Billiet & De Witte, 1995). Wat kan worden aangeduid als de ‘ideologische stem’-hypothese stelt dat de keuze om op extreemrechts te stemmen wordt geïnspireerd door de kennis van het partijprogramma. Dit model gaat terug naar de studie van Downs (1957) An economic theory of democracy: kiezers worden verondersteld de houding van hun partij ten aanzien van verschillende issues te kennen en ermee akkoord te gaan. De tweede benadering verklaart extreemrechts kiesgedrag voornamelijk als een uiting van protest. Een stem voor extreemrechts uit dan ontevredenheid over de politieke instellingen en hun manier van functioneren. Volgens deze proteststemhypothese zijn het programma en de ideeën van de extreemrechtse partij niet zo belangrijk, maar is een aversie ten aanzien van de traditionele politieke partijen en instellingen de belangrijkste reden om voor extreemrechts te stemmen.
Hoewel de ‘ideologische stem’-hypothese en de proteststemhypothese conceptueel kunnen worden onderscheiden, is de indeling evenwel gedeeltelijk vals. Oppositie ten aanzien van het politieke regime behoort immers tot de kern van de ideologie van extreemrechtse partijen (Stouthuysen, 1994). Aldus sluit protest aan bij het discours van extreemrechts en kan het deels worden gezien als een ideologische stem. Bovendien betekent het onderscheid tussen beide hypotheses niet dat ze elkaar uitsluiten. Swyngedouw e.a. (2001) concluderen immers dat zowel het migratiethema als protest belangrijke stemmotieven zijn voor het Vlaams Blok-electoraat.
Ondanks het onderscheid dat in de meeste studies over het al dan niet ideologische stemgedrag van het extreemrechtse kiezerskorps wordt gemaakt, lijdt het onderzoek onder een gebrek aan conceptueel kader. Verschillende auteurs gebruiken verschillende termen en definities voor de verschillende hypotheses en modellen. Billiet en De Witte (1995) onderscheiden bijvoorbeeld de proteststemhypothese van de ‘rationele keuze’-hypothese. De eerste veronderstelt dat de extreemrechtse kiezers niet zozeer de partij steunen, maar dat ze veeleer tegen de andere partijen zijn die ‘er een boeltje van maken.’ De ‘rationele keuze’-hypothese gaat ervan uit dat de keuze van de kiezer is gebaseerd op een evaluatie van het partijprogramma. Van der Brug e.a. (2000) echter omschrijven de protestkiezer als een rationele kiezer wiens doel het is om de verwerping van alle andere partijen te tonen. Zodoende mengen zij het onderscheid dat Billiet en De Witte (1995) maken.
Daarnaast ging er in het onderzoek weinig aandacht naar de theoretische uitwerking en operationalisering van de beide modellen. De meeste studies analyseren de houdbaarheid van de modellen door attitudes als verklarende variabelen te nemen. De proteststemhypothese wordt dan onder meer onderzocht door de relatie na te gaan tussen steun voor een extreemrechtse partij en gevoelens van politieke machteloosheid (Billiet & De Witte, 1995). Respondenten met een hoge score op deze attitude zijn ervan overtuigd dat stemmen geen zin heeft aangezien partijen toch hun eigen wil opleggen en dat de politici niet naar de noden van de mensen luisteren. Naast politieke machteloosheid onderscheiden Billiet en De Witte twee andere schalen als verklarende factoren, beide gerelateerd aan Srole’s (1956) concept van anomie: utilitair individualisme en sociale isolatie. Thijssen (2001) betoogt dat er een onderscheid moet worden gemaakt tussen externe politieke machteloosheid en gevoelens van wantrouwen ten aanzien van de politieke elite. Volgens Thijssen moet worden gespecificeerd naar welke referent(en) de gevoelens van politieke aliënatie verwijzen: het politieke regime of de politieke elite. In tegenstelling tot de meeste onderzoeken, argumenteert Thijssen ook dat gevoelens van politieke machteloosheid niet de oorzaak zijn van een stem voor het Vlaams Blok, maar een effect ervan. Kiezen voor het Vlaams Blok leidt tot de ontwikkeling van gevoelens van politieke machteloosheid. Dit stemt overeen met het werk van van der Brug (2003). Van der Brug - die politieke werkzaamheid en politiek cynisme als verklarende variabelen definieert3 - vindt dat deze gevoelens niet leiden tot het stemmen voor de LPF. Een voorkeur voor de LPF wordt niet veroorzaakt door ontevredenheid, het effect is omgekeerd.
Verschillende auteurs gebruiken dus verschillende predictoren om de proteststemhypothese te testen. Hetzelfde geldt voor het testen van de ‘ideologische stem’-hypothese. In het algemeen wordt een stel van attitudes die in verband staan met extreemrechtse programmapunten gebruikt. Naast negatieve gevoelens tegenover migranten gebruiken Billiet en De Witte (1995) onder meer autoritarisme, materialisme, een aversie tegenover vrije meningsuiting en positief ten aanzien van meer macht voor Vlaanderen. Ze concluderen, evenals Coffé e.a. (2002), dat een negatieve houding tegenover allochtonen het best de waarschijnlijkheid voorspelt om voor het Vlaams Blok te stemmen. Bovendien contrasteert deze houding van het Vlaams Blok-electoraat het scherpst tegenover de kiezers van alle andere partijen. Aldus bevestigen Billiet en De Witte (1995) de ideologische stemhypothese.
Naast een negatieve houding tegenover migranten, betrekken van der Brug e.a. (2000) in hun vergelijkende analyse van zeven extreemrechtse partijen de subjectieve afstand tussen de zelfpositionering van de kiezer en de positie van de partij op een links/rechts-continuum. Ideologisch stemmen betekent dat hoe dichter de partij is gesitueerd bij iemands eigen positie in termen van links/rechts, hoe aantrekkelijker deze partij is voor die kiezer. Dit is precies de conclusie die van der Brug e.a. (2000) trekken uit hun studie: beleidsvoorkeuren hebben een sterk effect op de voorkeur voor extreemrechtse partijen. Ons inziens spreekt het echter voor zich dat de plaats die de respondent aan zichzelf geeft op de links/rechts-schaal overeenstemt met die van zijn voorkeurpartij en dus correleert met de electorale aantrekkelijkheid van de partij. Bovendien is het links/rechts-continuum een vaag concept waarvan de respondenten niet steeds duidelijk de betekenis kennen.
Onze voornaamste bedenking bij de beschreven studies, is hun gebruik van attitudes als verklarende variabelen voor kiesgedrag. Op basis van deze studies kan niet worden besloten of extreemrechtse kiezers instemmen met het partijprogramma zoals wordt verondersteld in de ‘ideologische stem’-hypothese. Een correlatie tussen bijvoorbeeld anti-immigrantengevoelens en een extreemrechtse stem is geen bewijs voor een ideologische stem. Het toont immers niet aan dat deze attitude bepalend is voor een extreemrechtse stem of dat een kiezer met deze attitude zich achter de migratiestandpunten van zijn partij schraagt. Hetzelfde geldt voor een correlatie tussen een attitude als politieke machteloosheid en een extreemrechtse stem als bewijs voor het bevestigen van de proteststemhypothese. De aanwezigheid van gevoelens van politieke machteloosheid betekent niet dat een kiezer zijn stem aan extreemrechts geeft uit protest. Vice versa toont een gebrek aan deze attitude niet aan dat een extreemrechtse kiezer het niet eens zou zijn met de Vlaams Blok-ideeën over de werking van de politieke instellingen of dat een extreemrechtse stem niet zou worden gemotiveerd door protest.
Bovendien gaan gevoelens van politieke machteloosheid (een indicator om de proteststemhypothese te evalueren) vaak samen met een negatieve houding tegenover allochtonen (een indicator om de ‘ideologische stem’-hypothese te evalueren) (Coffé, 2002a). Zo concluderen Billiet e.a. (2001) dat voor Vlaams Blok-kiezers machteloosheid vaak een duidelijk gezicht heeft, namelijk migranten en het migrantenbeleid.
Wij stellen dat de validiteit van wat wij in het begin van deze paragraaf hebben gedefinieerd als de ‘ideologische stem’-hypothese en de proteststemhypothese, niet kan worden onderzocht aan de hand van de attitudes van de kiezers. Een eerste mogelijkheid om te besluiten of kiezers voor en partij stemmen uit protest of omwille van de partijstandpunten is door na te gaan welke motieven en argumenten de kiezers geven voor hun kiesgedrag. Dit werd onder meer bevraagd in exit polls die werden georganiseerd door het Instituut voor Sociaal en Politiek Opinieonderzoek (ISPO) (Swyngedouw e.a., 2001). Deze methode heeft evenwel ook enkele nadelen. Zo zijn sommige respondenten niet in staat om onder woorden te brengen waarom ze voor een bepaalde partij stemden. Bovendien is het een brute procedure die enkel leidt tot ordinale classificaties. De data over motieven leren ons enkel welke motieven meer of minder belang hebben bij de partijkeuze. Ondanks deze nadelen, laat een dergelijk onderzoek echter toe zich een beeld te vormen van de motivatie van het extreemrechtse electoraat.
Een alternatieve manier om na te gaan of een extreemrechtse stem een ideologische stem is, is door te kijken naar de correlatie tussen de standpunten van het electoraat met betrekking tot enkele beleidsissues en het partijprogramma. In dat geval moeten we beschikken over een studie die peilt naar de opinie van het electoraat over beleidsvoorstellen of partijstandpunten. Het nadeel van een dergelijke analyse is het gebrek aan een directe maat voor een proteststem. Op basis van een dergelijk onderzoek, kunnen we enkel concluderen of de extreemrechtse kiezers ideologisch stemmen. De proteststemhypothese kunnen we in dat geval verwerpen noch bevestigen. Het grote voordeel van een dergelijke survey is dat kan worden nagegaan of de visie van het electoraat overeenstemt met de standpunten van de partij.

Analyse

De gegevens die werden verzameld in het kader van het TV1-programma Doe de stemtest, bieden de mogelijkheid om de tweede analysemethode die we voorstelden uit te voeren. Het onderzoek bekijkt een reeks stellingen over actuele onderwerpen en peilt naar de mening hierover bij het electoraat en de partijen. Het gaat dus niet om algemene ideologische standpunten, maar om concrete beleidsissues. Deze laatste geven echter ook een beeld van waar de partij voor staat. Wanneer we het standpunt van de kiezer koppelen aan dat van zijn partij, weten we bijgevolg of we kunnen spreken van ‘ideologisch’ stemgedrag. Met het peilen naar meningen over beleidsthema’s, bieden de Doe de stemtest-surveys dan ook een interessante aanvulling op het traditionele postelectorale onderzoek waarin voornamelijk naar de houdingen van de kiezers wordt gepeild.
Zoals gezegd is het belangrijkste nadeel van deze analyse het gebrek aan directe indicator voor een proteststem. We kunnen enkel nagaan of het electoraat akkoord gaat met de opinies van de partij. Teneinde de resultaten van het Vlaams Blok in perspectief te zetten, vergelijken we de resultaten van het extreemrechtse electoraat daarom met die van de totale steekproef. Op die manier kunnen we nagaan of het extreemrechtse electoraat duidelijk meer instemt met de standpunten van het Vlaams Blok dan het totale electoraat. Daarnaast presenteren we de correlatie tussen de standpunten van het electoraat van Groen! en de standpunten van die partij met betrekking tot de voornaamste groene programmapunten. Groene partijen kunnen immers, net als extreemrechtse partijen, worden beschouwd als politieke outsiders en een deel van het groene electoraat motiveert zijn partijkeuze ook als een proteststem (Swyngedouw e.a., 2001). Nochtans wordt de vraag of groene kiezers ideologisch stemmen nauwelijks gesteld. Groene protestkiezers verschillen dan ook van de extreemrechtse. Zo wordt een groene stem, in tegenstelling tot de extreemrechtse proteststem, niet beschouwd als een antisysteemstem. Een groene stem wordt veeleer gezien als een protest tegen de sociale consensus en economische ideeën. Dit sluit aan bij het discours van de groene partijen voor meer kansen voor de individuele burgers om rechtstreeks deel te nemen aan het besluitvormingsproces en hun vraag om meer inspraakmogelijkheden voor de kiezers. Ze willen een betere democratie en een andere economie. Bovendien tonen verschillende studies over groene kiezers aan dat deze politiek geïnteresseerd zijn en politiek actief zijn (Müller-Rommel, 1989). Het tegenovergestelde geldt voor de extreemrechtse kiezers (Coffé, 2002b). Daar komt nog bij dat groene kiezers zich, in tegenstelling tot de extreemrechtse, niet politiek machteloos voelen (Billiet e.a., 2001).
Ervan uitgaande dat het groene electoraat ideologisch stemt, kan worden verwacht dat dit electoraat in hoge mate instemt met de standpunten van zijn partij. Een vergelijking tussen de resultaten van het groene en extreemrechtse kiezerskorps laat dan ook toe te besluiten of een zogenaamd ideologisch electoraat meer instemt met de standpunten van zijn partij dan het extreemrechtse electoraat. Wanneer dat niet het geval is, kunnen we besluiten dat de ‘ideologische stem’-hypothese ook voor het kiezerskorps van het Vlaams Blok kan gelden.
Voor de analyse gaan we na of het kiezerskorps instemt met de standpunten van zijn partij over verschillende beleidsvoorstellen. De stellingen in de survey zijn akkoord/niet akkoord-vragen, wat voor de respondenten weinig ruimte laat voor nuancering. Echter, ook van partijen wordt verwacht dat ze duidelijke standpunten innemen. Voor de keuze van de stellingen vallen we terug op de wegingscoëfficienten die voor de verschillende stellingen aan de partijen worden toegekend op basis van het belang dat de thema’s krijgen in het partijprogramma. Zowel voor de groene als voor de extreemrechtse kiezers selecteren we issues met een hoge wegingscoëfficient, thema’s dus die veel belang krijgen in de respectievelijke patijprogramma’s en die de partijen bovendien onderscheiden van de overige. We kijken naar stellingen uit het onderzoek van 2003 en 2004. De respondenten van beide surveys zijn Nederlandstalige inwoners van Vlaanderen die de Belgische nationaliteit hebben en minstens 18 jaar oud zijn. In 2003 antwoordden 1022 respondenten, in 2004 1077.4 De methode van dataverzameling voor de enquêtes die wij hanteren, was verschillend in beide onderzoeksjaren. Voor de gegevens van 2003 werden telefonische interviews uitgevoerd. Voor 2004 vallen we terug op data die werden verzameld door interviews die werden uitgevoerd via het internet. Deze steekproefmethode betekent dat respondenten een e-mail ontvangen met uitnodiging tot het invullen van de vragenlijst.
Naast de percentages die weergeven welk aandeel van het electoraat instemt met het partijstandpunt, vermelden we in de tabellen ook een index (schuin gedrukt). Deze index geeft aan hoe sterk de electoraten met hun partijstandpunten afwijken van de mening van het totale electoraat, dat wordt gelijkgesteld met 100. Hoe meer de index verschilt van 100, hoe meer het electoraat met zijn standpunt afwijkt van dat van het totale electoraat.
De partijkeuze is de afhankelijke variabele en is de keuze indien er op dat moment verkiezingen zouden zijn, en dus niet de werkelijke partijkeuze zoals in postelectoraal onderzoek het geval is.
In Tabel 1 worden verschillende stellingen die een belangrijke plaats innemen in het programma van het Vlaams Blok en die de extreemrechtse partij van de overige partijen onderscheidt, vermeld. De twaalf stellingen kunnen worden onderverdeeld in vier thematische luiken: Vlaams nationalisme, criminaliteit en veiligheid, migratie, waarden en normen. Bij elke stelling staat tussen haakjes vermeld in welke survey (2003 of 2004) naar de mening van de respondent betreffende die uitspraak werd gepeild.

Tabel 1: Belangrijke beleidsthema’s uit het Vlaams Blok-partijprogramma

De resultaten tonen aan dat bij verschillende items, het electoraat van het Vlaams Blok instemt met de standpunten van de partij (vet gedrukt). Dit is in het bijzonder het geval met items die te maken hebben met het migrantenthema. Meer dan 90 procent van de kiezers is het bij drie van de vier stellingen eens met de visie van de partij. Zo meent 95,7 procent van het Vlaams Blok-electoraat dat Vlamingen voorrang moeten krijgen op niet-Belgen bij het toewijzen van sociale woningen en is 94,2 procent tegen gemeentelijk stemrecht voor migranten. Het deel van het electoraat dat instemt met de partijstandpunten met betrekking tot criminaliteit is eveneens omvangrijk. Net als de partij wil het electoraat een harde aanpak van criminaliteit. extreemrechtse kiezers lijken inzake criminaliteit en migratie dus duidelijk ‘ideologisch’ te stemmen.
Hoewel het electoraat zich met verschillende van zijn standpunten inzake criminaliteit en migratie bovendien ook onderscheidt van het totale electoraat, is dit verschil, zoals uit de indexen blijkt, vrij beperkt. Met het verwerpen van de stelling dat zware misdadigers onder bepaalde omstandigheden vervroegd moeten kunnen vrijkomen en het bevestigen dat minderheden die verschillende keren tegen de lamp lopen als straf in een jeugdgevangenis moeten worden opgesloten, onderscheidt het extreemrechtse electoraat zich bijvoorbeeld nauwelijks van het totale electoraat.
Op bepaalde punten is het extreemrechtse electoraat het niet eens met de visie van de partij. Dit is onder meer het geval voor het streven van de partij naar Vlaamse onafhankelijkheid. Hoewel de onafhankelijkheid van Vlaanderen een belangrijk thema is in het discours van het Vlaams Blok, stelt slechts 54,6 procent van zijn electoraat dat Vlaanderen onafhankelijk moet worden. Dit stemt overeen met de bevinding van Van Craen en Swyngedouw (2002) dat de kiezers die om communautaire of Vlaams-nationalistische redenen op het Vlaams Blok stemmen slechts een marginaal aandeel vormen van het electoraat. Anderzijds tonen de indexen wel aan dat, hoewel slechts iets meer dan de helft van het electoraat streeft naar Vlaamse onafhankelijkheid, het extreemrechtse kiezerskorps zich hiermee significant onderscheidt van het totale electoraat.
Nog opvallender dan bij communautaire thema’s, is de beperkte instemming van het electoraat met de standpunten van de partij over ethische kwesties en waarden en normen. Zo vindt slechts 20,8 procent van het Vlaams Blok-electoraat dat homoseksuele koppels niet zouden mogen trouwen, hoewel dit een partijstandpunt is en meent slechts 34,3 procent van het electoraat dat in de Europese grondwet moet worden verwezen naar de christelijke traditie van Europa. Over ethische kwesties en waarden en normen volgen de kiezers dus niet de ideeën van de partij. Rond deze thema’s onderscheidt het electoraat van het Vlaams Blok zich ook niet significant van het totale kiezerskorps.

Tabel 2 geeft de instemming van het electoraat van Groen! met de standpunten van de groene partij weer. Verondersteld wordt dat de groene kiezers ideologisch stemmen en door de band genomen dus dezelfde ideeën hebben over verschillende beleidsthema’s als de partij. Dit betekent dat wanneer de percentages van instemming bij de Groen!-kiezers van dezelfde grootte zijn als bij het extreemrechtse electoraat, we onze bevinding van hierboven, namelijk dat het extreemrechtse electoraat betreffende de extreemrechtse kernthema’s criminaliteit en migratie ideologisch stemt, kunnen bevestigen.

Tabel 2: Belangrijke beleidsthema’s uit het Groen!-partijprogramma

Voor het groene electoraat presenteren we de vier items over migratie die ook voor de Vlaams Blok-kiezers werden weergegeven. Groen! staat positief tegenover een multiculturele maatschappij en we weten dat inzake houdingen tegenover migranten het electoraat van Groen! zich tegenover dat van het Vlaams Blok plaatst (Billiet e.a., 2001).
Het is evenwel voornamelijk inzake het milieuthema dat Groen! zichzelf van de overige partijen onderscheidt. Aldus staan in Tabel 2 verschillende items over het milieuthema. Daarnaast vermelden we twee stellingen over ontwikkelingssamenwerking en dezelfde twee items als bij het Vlaams Blok omtrent normen en waarden.
De instemming van het groene electoraat met het partijprogramma is het grootst bij de milieu-items. Zo stelt meer dan 96 procent van de Groen!-kiezers dat de biologische landbouw meer subsidies moet krijgen. Bij deze stellingen onderscheidt het groene electoraat zich ook significant van het totale electoraat. Ook bij de ethische kwesties is de overeenstemming tussen de mening van het kiezerskorps en die van de partij vrij groot, al onderscheidt het Groen!-electoraat zich hieromtrent minder van het totale electoraat. Betreffende het migratiethema, is de instemming van het electoraat met het partijstandpunt minder uitgesproken. De groene kiezers lijken minder progressief te zijn omtrent dit thema dan hun partij. De helft van het Groen!-electoraat is bijvoorbeeld de mening toegedaan dat nieuwe Belgen die een misdrijf plegen, hun Belgische nationaliteit kunnen verliezen. Anderzijds geven de hoge indexen aan dat de mening van de Groen!-kiezers omtrent het migratiethema wel significant verschilt van het totale electoraat. Ook met betrekking tot ontwikkelingssamenwerking denkt het groene electoraat fundamenteel anders dan het totale electoraat.
Zowel het groene als het extreemrechtse electoraat zijn het in grote mate eens met de partijstandpunten wanneer het de belangrijkste selling points van de partijen betreft: migratie en criminaliteit voor het Vlaams Blok, milieu voor Groen!. In het algemeen lijken de kiezers van Groen! niet meer in te stemmen met de standpunten van hun partij dan de kiezers van het Vlaams Blok. In vergelijking met een electoraat dat als ideologisch wordt beschreven, stemt het extreemrechtse kiezerskorps met andere woorden niet minder in met de partijstandpunten. Dat Vlaams Blok-kiezers dus enkel op de extreemrechtse partij zouden stemmen uit protest lijkt bijgevolg niet correct. Ze zijn het wel degelijk eens met de belangrijkste partijstandpunten.
Merkwaardig is wel dat het groene kiezerskorps zich meer onderscheidt van het totale electoraat, dan het extreemrechtse. De standpunten van het Vlaams Blok krijgen in het algemeen meer bijval bij de Vlaamse kiezers dan de groene ideeën. Er lijkt in de Vlaamse publieke opinie een sterke rechts-conservatieve onderstroom te bestaan, zoals we ook aan de hand van de verkiezingsuitslagen en het succes van het Vlaams Blok zien.

Besluit

In dit artikel hebben we gebruik gemaakt van de gegevens die in het kader van de surveys van Doe de stemtest werden verzameld en zijn we nagegaan of een stem voor het Vlaams Blok een ideologische stem is. Hiervoor onderzochten we of de mening van het electoraat betreffende verschillende beleidsissues overeenstemt met de visie van de partij. Aangezien de meeste analyses over stemgedrag attitudes als vertrekpunt hanteren, menen we dat de Doe de stemtest-surveys - ondanks de kritiek die er onder meer op de dataverzameling kan worden gegeven - de unieke kwaliteit vormen van onze analyse.
De analyse toont aan dat het extreemrechtse kiezerskorps over de belangrijkste Blok-thema’s (migratie en criminaliteit) het standpunt van de partij deelt. Inzake normen en waarden en het Vlaams-nationalistische thema, lijkt het electoraat zijn partij echter minder te volgen. Deze bevindingen betekenen echter niet dat Vlaams Blok-kiezers niet voor de partij kiezen uit protest. Op basis van de Doe de stemtest-survey, kunnen we deze laatste hypothese immers niet nagaan. Beide hypotheses sluiten elkaar ook niet uit. Zo toonde het onderzoek naar stemmotieven van Swyngedouw e.a. (2001) aan dat het migratiethema en protest de belangrijkste motieven zijn van het Vlaams Blok-electoraat. Eerder concludeerden we (Coffé, 2004) dat een extreemrechtse stem kan worden samengevat als een negatieve stem: tegen immigranten, tegen criminaliteit en tegen de gevestigde partijen.

Hilde Coffé
Postdoctoraal onderzoeker, Vakgroep Politieke Wetenschappen, Vrije Universiteit Brussel

*Noten *
1/ Aangezien onze analyses betrekking hebben op de periode voor de naamswijziging van het Vlaams Blok in het Vlaams Belang, hanteren we de naam Vlaams Blok.
2/ Het spreekt voor zich dat meer hypotheses over kiesgedrag kunnen worden onderscheiden. Kiezers kunnen de meest diverse redenen hebben om voor een partij te stemmen. Een kiezer kan bijvoorbeeld beslissen om een strategische stem te geven of om zijn stem te geven aan een partij omwille van het charisma van een persoon. Met betrekking tot onze onderzoeksvraag zijn het evenwel in het bijzonder de twee vermelde hypotheses die worden onderscheiden.
3/ Politieke werkzaamheid refereert naar de kiezer en zijn gebrek aan invloed. Politiek cynisme heeft te maken met politici en hun werk.
4/ In 2004 werden in totaal 2.598 uitnodigingen verstuurd. De non-respons was met andere woorden 58,5 procent. Voor de telefonische enquête van 2003 is geen informatie over non-respons gekend. Met het oog op een zo nauwkeurige representatie van de Vlaamse bevolking ouder dan 18 jaar, werden de gegevens van 2003 gewogen naar geslacht, leeftijd, onderwijsniveau, beroep gezinshoofd, provincie, habitat, gezinsgrootte en uitslag van de kamerverkiezingen van 1999. De 1.077 weerhouden interviews van 2004 werden gewogen naar geslacht, leeftijd, beroep gezinshoofd, provincie, habitat en gezinsgrootte.

Bibliografie
- Billiet J. en De Witte H. (1995). Attitudinal dispositions to vote for a ‘new’ extreme right-wing party: The case of ‘Vlaams Blok’. European Journal of Political Research, 27, 181-202.
- Billiet J., Swyngedouw M., Depickere A. en Meersseman E. (2001). Structurele determinanten van het stemgedrag en culturele kenmerken van de kiezerskorpsen in Vlaanderen. De verkiezingen van 1999. [ISPO Bulletin] Leuven: ISPO.
- Coffé H. (2002a). De sociaal-culturele breuklijn en maatschappelijke betrokkenheid. Mens en Maatschappij, 77, 319-337.
- Coffé H. (2002b). De invloed van de levensbeschouwelijke en maatschappelijke betrokkenheid op een positieve beoordeling van het Vlaams Blok. Tijdschrift voor Sociologie, 23, 161-192.
- Coffé H., Billiet J. en Cambré B. (2002). Etnocentrisme en stemgedrag. Evolutie tussen 1991 en 1999. In: M. Swyngedouw en J. Billiet (Red.), De kiezer heeft zijn redenen. 13 juni 1999 en de politieke opvattingen van Vlamingen. Leuven/Leusden: Acco.
- Coffé H. (2004). Can extreme right voting be explained ideologically? [Paper gepresenteerd op de ECPR Joint Sessions, 13-18 april 2004, Uppsala] Brussel: VUB.
- Downs A. (1957). An economic theory of democracy. New York: Harper & Row.
- Müller-Rommel F. (1989). Green parties and alternative lists under cross-national perspective. In: Müller-Rommel F. (Red.), New Politics in Western Europe. The rise and success of green parties and alternative lists (pp. 5-19). Colorado: Westview Press.
- Srole L. (1956). Social integration and certain corollaries: an exploratory study. American Sociological Review, 21, 709-716.
- Stouthuysen P. (1993). extreemrechts in na-oorlogs Europa. Brussel: VUB Press.
- Stouthuysen P. (1994). Vormen nationaal-populistische protestpartijen een bedreiging voor de democratie?. In: H. Corijn (Red.), Van wereldburger tot ‘bange blanke man’ (pp. 47-53). Brussel: VUB Press.
- Swyngedouw M., Meersseman E. en Billiet, J. (2001). Motieven in partijkeuze: De nationale verkiezingen van de VRT-Tijd-ISPO Exit-poll. [ISPO Bulletin 2001/42] Leuven: ISPO.
- Thijssen P. (2001). extreemrechts en politieke aliënatie: een causaal mysterie? Case-study: Het Vlaams Blok. [Paper gepresenteerd op de Marktdag Sociologie, 18 mei 2001, Antwerpen] Antwerpen: Universiteit Antwerpen.
- Van Craen M. & Swyngedouw M. (2002). Het Vlaams Blok doorgelicht. 20 jaar extreemrechts in Vlaanderen. Leuven: ISPO.
- van der Brug W. (2003). How the LPF fuelled discontent: empirical tests of explanations of LPF support. Acta Politica, 38, 89-106.
- van der Brug W., Fennema M. en Tillie, J. (2000). Anti-immigrant parties in Europe: ideological or protest vote? European Journal of Political Research, 37, 77-102.

stemtesten - verkiezingen - media en politiek

Samenleving & Politiek, Jaargang 12, 2005, nr. 3 bijlage (maart), pagina 89 tot 99