Abonneer Log in

De draagkracht van de Vlaamse milieupolitiek

Samenleving & Politiek, Jaargang 12, 2005, nr. 5 (mei), pagina 38 tot 44

Over de milieuverantwoordelijkheid van overheid en burger

Vlaanderen of toch zeker de Vlaamse politiek heeft al decennialang een moeilijke verhouding met het natuur- en milieubeleid. Vele jaren keek het beleid de kat uit de boom, bleven milieuwetten enkel papieren tijgers en smoorden belangengroepen als de Boerenbond hoopgevende natuurherstelprojecten zonder mededogen in de kiem. Stukje bij beetje kroop het milieu- en natuurbeleid in ons land overeind en slaagde er op een aantal terreinen zelfs in om een belangrijke voortrekkersrol te spelen. Zo staan we in Europa inzake selectieve ophaling en recyclage van afval en inzake een duurzaam Noordzeebeleid (een federale bevoegdheid) aan de top. Op andere terreinen blijven we spijtig genoeg ver achterop hinken. Onder meer de water- en luchtkwaliteit vragen een gedurfder beleid en ook bij het natuurherstelbeleid is het vaak twee stappen vooruit en even later terug drie achteruit.
Sommigen beweren dat we in het kleine en dichtbevolkte Vlaanderen niet meer kunnen doen. Volgens deze milieucritici kan een klein land als het onze simpelweg nooit de Europese milieurichtlijnen realiseren. Maar klopt deze redenering wel? Is het niet juist omdat we zo weinig ruimte hebben dat we er spaarzaam moeten mee omspringen? Is het niet omdat we zo dicht op elkaar wonen dat we heel zorgzaam moeten omgaan met de kwaliteit van het water, met de kwaliteit van lucht en bodem? Ik meen van wel en ik denk ook dat de natuur, dat de leefomgeving in Vlaanderen nood heeft aan een nieuw offensief voor meer en betere milieukwaliteit. Niet omdat het leuk staat, wel omdat er in een klein landsdeel als Vlaanderen zonder die kwaliteit voor natuur en landschap, open ruimte en stad, water, bodem en lucht ook geen kwaliteit voor de mensen gewaarborgd is. Een gezonde leefomgeving en voldoende natuur zijn in wezen niet minder dan basisonderdelen van een duurzame welvaartsstaat.
In deze bijdrage gaan we het Vlaamse milieu- en natuurbeleid niet ontleden.1 Daarvoor bestaan er in ons land voldoende gespecialiseerde tijdschriften. Wel gaan we stilstaan bij een aantal maatschappelijke evoluties en uitdagingen die mijns inziens in belangrijke mate een mislukt of geslaagd milieubeleid zullen (mee-) bepalen.

De problemen zijn gekend

Sedert het verschijnen van het Rapport van de Club van Rome in 1971 worden steeds meer milieuvraagstukken en problemen wetenschappelijk onderbouwd. Niemand kan nu nog beweren dat de milieuproblematiek een luxeprobleem is. De gevolgen zijn pijnlijk zichtbaar geworden en zullen nog decennia lang het doen en laten van miljarden mensen belasten. Op veel vragen hebben we op heden nog geen eenduidig antwoord, lopen de meningen over oorzaak en gevolg uiteen.2 De vragen rond de klimaatswijzigingen zijn hier een typisch voorbeeld van. We kunnen hier blijven discussiëren over hoe ernstig en hoe snel het allemaal gaat en ondertussen niks doen. We kunnen ook uitgaan van het voorzorgsprincipe en kiezen voor een uiterst omzichtige politiek die er van uitgaat dat er een probleem is tot zolang onomstotelijk bewezen is dat het probleem een spook was. Een alternatief is er niet. Een overheid die dit anders ziet, zet de toekomst van deze en komende generaties op het spel.
Over wat de prioriteiten concreet moeten zijn en op welke manier een duurzaam milieubeleid best verwezenlijkt wordt, zal de komende jaren nog veel gediscussieerd worden. Het rijke noorden zal andere klemtonen willen leggen dan het armere zuiden en een probleem als overbemesting zal bij de landbouwsector nog lange tijd anders bekeken worden dan bij bijvoorbeeld de milieubeweging. Op heden zijn er nog tal van vragen en onzekerheden, maar de verbanden tussen de socio-economische situatie en het ecologisch herstel en de mate waarin de bevolking dit herstel steunt, zullen bepalende factoren blijven voor de toekomst.3 Omdat we overtuigd zijn dat deze punten en een reeks andere verbanden en feiten belangrijk zijn voor de toekomst, gaan we op een aantal ervan dieper in.

De milieustrijd is sociaal of is niet

Het draagvlak voor milieu- en natuurbehoud is de jongste jaren sterk gegroeid. In enquêtes en opiniepeilingen eist milieu steevast een plaats op in de top drie van beleidsprioriteiten. De reactie tegen vele beleidsvoorstellen rond milieu, natuur, ruimtelijke ordening en dergelijke is er daarom dikwijls niet minder plat om. Wie opkomt voor het behoud en/of het herstel van een waardevol landschap, van een natuurgebied krijgt net als pakweg twintig jaar terug nogal eens het verwijt zich te weinig (of niet) te bekommeren om de welvaart en het welzijn in de samenleving. De realiteit van iedere dag bewijst nochtans dat juist de milieuproblematiek onze samenleving veel kost. Het in rekening brengen van de kosten voor de aanpak van de watervervuiling door overbemesting (bio-industrie), de uitputting van natuurlijke grondstoffen, de extra kost voor de gezondheidszorg, de schade aan monumenten en het milieu door verzuring, … zou een correcter beeld geven van de welvaart en het welzijn in de samenleving. Een slecht milieu heeft zijn weerslag op ieders portemonnee, op onze gezondheid en onze leefkwaliteit. Het incalculeren van de milieukost is een indicator voor het herstel van het milieu en voor de volksgezondheid. Duurzame ontwikkeling betekent hier concreet: het inbouwen van de milieukost in de berekening van het Bruto Binnenlands Product. Het sociale van de milieustrijd wordt zo zichtbaar gemaakt en zal op die manier ook een bepalende factor zijn bij het plannen van het economisch beleid.4

Puin vormt geen samenleving

Hoe manifest de milieuproblemen ook zijn en hoe duidelijk ook de invloed daarvan op het bruto binnenlands product of wat men ook als welvaartsbarometer neemt, als de socio-economische toestand in het algemeen onleefbaar is voor de bevolking, zal de belangstelling voor de milieutoestand minimaal zijn. Een voorbeeld uit Europa: grote delen van Centraal- en Oost-Europa zijn gezegend met machtige vlakken, wouden en moerassen, riviersystemen en kustgebieden, met stuk voor stuk een ongelofelijke rijkdom aan flora en fauna. Kort na het vallen van ‘de muur’ leek het erop dat het met het milieu en de natuur in Centraal- en Oost-Europa wel goed kwam. Het einde van het communisme en het invoeren van de vrije markt zou wel zorgen voor de nodige correcties waardoor de ecologische problemen niet meer waren dan randfenomenen. Maar met de enorme socio-economische crisis in vele Centraal- en Oost-Europese landen slonk ook de aandacht voor het milieubeleid. Het blijkt ook daar bijzonder moeilijk om, op het ogenblik dat de overgrote meerderheid van de bevolking grote moeite doet om rond te komen voor de meest elementaire levensbehoeften, nog aandacht en inspanningen te vragen voor andere problemen. Centraal en Oost-Europa bewijzen tien jaar na het vallen van de muur dat het bijzonder moeilijk is om een duurzame ecologische samenleving te bouwen op een sociale puinhoop en vice-versa (zie daarvoor Tsjernobyl, de erfenis van de staalindustrie in Roemenië en andere).
Indien het Westen hiervoor niet de nodige aandacht opbrengt en geen wegen zoekt om het milieubeleid in deze landen structureel te ondersteunen, dreigen de milieuproblemen én de socio-economische onstabiliteit in het ex-Oostblok alleen maar groter te worden. Volgens sommigen dreigt momenteel ook de ecologische vooruitgang in ons land weg te zakken in een economisch moeras. Ik denk dat niet! De socio-economische situatie in o.m. Noordwest-Europa valt in het algemeen niet te vergelijken met die in tal van landen in Centraal- en Oost-Europa. Ons land is er net als tal van andere landen in geslaagd een welvaartspeil en een netwerk aan sociale voorzieningen uit te bouwen waarbij er voor iedere burger een zekerheid is. Hier is het juist de uitdaging deze sociale zekerheden te behouden én het ecologisch herstel verder te zetten. Een verdere degradatie van het milieu in ons land zou ook het begin zijn van een moeilijk te stuiten sociaaleconomische crisis. Met andere woorden: ook bij ons kan men geen duurzame economische samenleving bouwen op een ecologische puinhoop.
Dit betekent dan ook dat de relaties tussen het rijke noorden en de armere landen van het zuiden op een duurzame manier uitgebouwd worden. Effectieve steun aan democratische regimes en het uitwerken van internationale programma’s voor mondiaal ecologisch herstel zijn de belangrijkste stappen hiertoe. Een land als België is goed geplaatst (aanwezigheid internationale en Europese instellingen, socio-economische situatie, kennis van de situatie onder meer in Afrika, …) om hier een belangrijke voortrekkersrol te vervullen.

De overheid en burgerzin

Zekerheid, stabiliteit en de maakbaarheid van onze samenleving waren lange tijd de kenmerken van het socio-politiek denken in onze contreien. Vandaag zijn ‘ons dorp’, ‘ons land’ niet meer het centrum van de wereld waar alles maakbaar en stuurbaar is. Beslissingen van internationale organisaties en van de Europese Unie hebben hun invloed op ieder dorp, iedere stad, iedere burger en iedere belangengroep. De wereld is ons dorp geworden. Wij moeten ons instellen op deze veranderlijkheid, van instellingen en structuren.5
Een ander kenmerk van deze tijd is dat alle verantwoordelijkheid afgeschoven wordt op de overheid. De bevolking roept om een meer doorzichtige en geloofwaardige politiek en om beter functionerende instellingen. Terecht! Maar waar is de samenleving als de burger van de politici eist dat ze op de lijn blijven, terwijl ze zelf geen verantwoordelijkheid opnemen en nog te vaak klaar staan om een achterpoortje te vinden? Maar zeggen en schrijven dat verantwoord burgerschap een belangrijk uitgangspunt is van een goed draaiende democratie, betekent niet dat de verantwoordelijkheid van de overheid kleiner wordt. De overheid moet duidelijke lijnen trekken van wat kan en wat niet, zorgen voor een degelijke wetgeving, financiële middelen en menskracht om dat beleid ook effectief uit te voeren. De overheid moet het voortouw blijven nemen, maar er daarbij wel voor zorgen dat de bevolking op korte afstand volgt.
De voornaamste reden waarom het Vlaams belang geen thema van het leefmilieu maakt is natuurlijk dat het in alles doordrongen is van zijn core-business en de overduidelijke keuze voor het groot-kapitaal. Het wil de werkgevers zeker niet tegen het hoofd stoten. In die zin is de huidige minister van leefmilieu Peeters een doetje in vergelijking met hetgeen het VB zou uitvoeren als het effectief aan de macht zou komen. Zijn culturele en sociale beeldenstorm zou zonder twijfel ook het einde betekenen van het milieu- en natuurbeleid in ons land. Een andere reden waarom dieser partei in geen geval een thema maakt van een (positief) leefmilieubeleid is dat ze dan ook gedwongen is om op tientallen plaatsen in Vlaanderen mee te werken aan positieve acties: een nieuw bos in een gemeente, de uitbreiding van een natuurreservaat, een plan voor selectieve afvalophaling, een samenwerkingsovereenkomst tussen boeren en milieuverenigingen, enz. Ze doet het lekker niet omdat positief zijn en mee helpen oplossingen uitwerken, helemaal niet passen in haar extremistische kraam. Het VB kent zijn klassiekers van de jaren dertig perfect en laat de boel veel liever doorrotten.
Heel veel politici hebben een totaal andere visie op de samenleving en toch laten zo velen de ballen die klaarliggen om in de goal geshot te worden gewoon links liggen. Het politiek programma van de sociaaldemocraten in Vlaanderen is zonder twijfel rood-groen en gaat ervan uit dat een gezond leefmilieu een basisrecht is voor iedereen. In de praktijk hebben heel wat gemeentebesturen waar ook de sp.a in de meerderheid zit, echter nog altijd hun watervrees t.o.v. een duurzaam natuur- en milieubeleid niet overwonnen. Milieubeleid is nog veel te vaak een luxe, dat het zelden wint tegen de harde keuzes. Aan de vooravond van een ideologisch congres is het belangrijk dat de sociaaldemocraten een duidelijk signaal geven dat het groene effectief onlosmakelijk verbonden is met het rode. En dus dat ze het ecologisch herstel op gelijke hoogte stellen met de sociale doelen en een radicaal en ambitieus maatschappelijk (actie-)programma daarop enten en vanuit alle partijniveaus dagelijks ook bewijzen dat het hier om meer gaat dan een laagje vernis.

De kritische milieubeweging

De anders-globaliseringsbeweging kent veel gezichten en vormen. Als ik de beweging bezig zie blijf ik soms wel op mijn honger zitten wat betreft de concrete actiepunten. Voor alle duidelijkheid en zoals hopelijk ook uit deze bijdrage blijkt: ik ben absoluut voor een andere globalisering en ben blij met deze nieuwe mondiale beweging. Alleen mag men de fout niet maken om alle schuld zomaar op de bedrijven en ‘de politiek’ de steken. De rol én de verantwoordelijkheid van de individuele burgers zijn groter dan sommigen (graag) denken. De analyses van wat verkeerd loopt op sociaal en milieuvlak zijn doorgaans juist, maar daar tegenover worden m.i. te vaak te holle slogans en te vage alternatieven geplaatst. Als beweging zeggen dat pakweg de Wereldbank slecht in elkaar zit of een multinational op sociaal en/of milieuvlak een catastrofe, is een belangrijk signaal. De beweging en de druk op overheid en bedrijfswereld om te veranderen wordt echter pas echt belangrijk als ook aangetoond wordt wat de alternatieven zijn en als daaraan concrete actiemiddelen gekoppeld worden.6 En inzake actiemiddelen denk ik dat de kracht van de consument (net als die van de kiezer) absoluut niet mag worden onderschat. Het klinkt misschien wat ouderwets, maar als iedereen die een punt maakt van een andere globalisering, dit ook duidelijk maakt in het koopgedrag, in de keuze voor bedrijven, banken (duurzaam beleggen, steunt mijn bank sociale en ecologische projecten?, …) en diensten, dan staan we op onze weg naar een duurzamer wereld al een stuk verder.
Voor diegenen in de samenleving die zich geen directe zorgen hoeven te maken over hun inkomen (voor wie moet leven van een OCMW-uitkering of al lang zonder werk zit ligt dat uiteraard anders) is een duurzaam koopgedrag op zich nog altijd gemakkelijk. Iets moeilijker wordt het als we ook keuzes moeten maken naar bedrijven die op het eerste zicht jong en sympathiek lijken, maar uiteindelijk voorbeelden zijn van een zeer enge globalisering. Een schoolvoorbeeld van deze verkeerde globalisering is m.i. het luchtvaartbedrijf Ryanair. Ryanair werkt tegen woekerprijzen en zorgt hierbij voor een concurrentie die moordend is voor zeer veel andere maatschappijen. Mede als gevolg van het beleid van een maatschappij als Ryanair zijn vliegtuigmaatschappijen elkaar kapot aan het concurreren. Ryanair biedt ook niks van syndicale vrijheid, geeft niks van zekerheid aan de consumenten/de reizigers in geval van problemen (als het vliegtuig om een of andere reden niet kan vertrekken, moeten de mensen maar hun plan trekken, op welke plek in de wereld ze ook zitten), … Ik heb met mensen al vaak discussie gehad over Ryanair en meestal hoor ik dan direct het argument dat de burger toch vrij is om in te gaan op die zeer lage prijzen en dat het toch niet de zorg van de consument moet zijn dat bedrijven elkaar zwaar beconcurreren. Wie echter wat verder denkt, weet dat die uiterst lage prijzen voor een activiteit als vliegen die eigenlijk zeer duur is, wel ergens moeten gecompenseerd worden. Dat dit kan door te besparen op drank en eten aan boord is een fabeltje. Ryanair kan winst maken door extreem lagen lonen uit te betalen, de vliegtuigen permanent in de lucht te hebben en aan personeel en passagiers nauwelijks zekerheid (voor de ene syndicaal, voor de andere als er iets misloopt) te bieden.
Als burgers zelf ook duurzame keuzes maken kunnen ze in de samenleving een beweging op gang brengen. Als er maar een paar iets doen heeft dat weinig zijn. Als duizenden, tienduizenden burgers deze keuzes maken, hun koopgedrag gaan aanpassen, hun bank kiezen in functie van wat de bank mee financiert met de hoge winsten, duurzamer gaat bouwen, … dan wordt de boodschap dat het anders moet en vooral ook dat het anders kan, stukken krachtiger. Volgens sommige critici is een dergelijke manier van denken naïef. Ik meen echter dat het durven aan de kaak stellen van wanverhoudingen en verkeerde globaliseringspraktijken (van de onfatsoenlijke uitbetalingen aan bestuurders als L. Coene, de schele politiek van Ryanair en het durven trekken van ‘groene’ grenzen over wat kan en wat echt niet meer) een basisprincipe moet zijn van de sociaaldemocratie in Vlaanderen.
Een rood-groen beleid vraagt rood-groene keuzes en moet dus fundamenteel ingrijpen op de organisatie van onze samenleving. Het is evenzeer de rol van de (brede) milieubeweging om zich fundamentele vragen te stellen en grenzen te durven stellen. Als organisaties als bv. Natuurpunt (60.000 leden in Vlaanderen) zich willen opwerpen als milieu- en natuurvakbond dan moeten ze ook vaker en duidelijker hun nek durven uitsteken. Het zou voor Natuurpunt en voor een pak regionale milieu- en natuurorganisaties leerzaam zijn om eens goed de strategie van de vakbonden en van organisaties als de Boerenbond te bestuderen. Die verzorgen goed hun contacten met de politieke wereld, zitten in allerlei overlegstructuren en hoe belangrijk dit voor hen ook is, niks zal hen weerhouden om heel scherpe eisen te stellen en waar nodig actie te voeren en zo de druk op te voeren.
Als ik sommige (sommige!) spraakmakers van het natuur- en milieubehoud bezig hoor, ben ik gechoqueerd door de antipolitiek die een mens te horen krijgt. Evenzeer stoor ik me aan de houding van het eigen groot gelijk die velen van hetzelfde groepje zich aanmeten. Natuurbehoud en milieuzorg zijn zoals hier duidelijk gesteld van het allergrootste belang voor onze samenleving. Hoe groot de nood aan meer en betere natuur en aan een gezond leefmilieu ook is, het mag ons niet blind maken voor fouten in het beleid. Als een beleidsmaatregel slecht in elkaar zit dan moet zowel de bewuste burger als de betrokken actiegroep of -beweging dit (kunnen) zeggen. We bewijzen het natuurbehoud en de milieuzorg geen dienst door blind te zijn voor fouten. Als de aanduiding van de gebieden van het Vlaams Ecologisch Netwerk niet goed in elkaar steekt, als de aanduiding van de Habitatgebieden vragen oproept (waarom gebied X wel en gebied Y met meer kritische soorten niet?) dan moeten we die vragen durven stellen. Wanneer we dat nalaten, bang zijn dat een (kleine) groep negatief zal reageren, dan brengen we op termijn het natuurbehoud in gevaar.
We moeten willen en durven kritisch zijn over ieder beleid. Ook dat is essentieel in een democratische samenleving. Zonder deze kritische reflex binnen een samenleving is er effectief verval. Maar een kritische reflex is totaal wat anders dan de politiek afkeuren als vies en vuil, is totaal anders dan verzuurd zijn. Wie dit niet snapt blijft beter van beleid af, binnen de natuur- en milieuwereld en in alle andere sectoren, belangengroepen en bewegingen.

Er is geen alternatief, we moeten vooruit!

Ik twijfel niet aan de ernst van de milieusituatie en aan de kwetsbaarheid op vele terreinen, aan de ernst van nieuwe ziektes die (kunnen) ontstaan door milieuomstandigheden en de ecologische zwakte die leidt tot sociale armoede. Ik ben ook helemaal niet optimistisch over de mondiale milieusituatie en blijf me zorgen maken over de politieke instabiliteit van veel landen. Maar als we willen dat er verandering komt, moeten we vooral ook zorgen dat het milieu- en natuurbeleid bij ons ernstig is. Wie zijn we anders om te zeggen dat de Afrikanen hun neushoorns moeten beschermen en de Zuid-Amerikanen hun regenwouden als wij er zelfs niet in slagen om de zware achteruitgang van bijvoorbeeld de huismus - tot voor kort zowat de meest voorkomende vogel in ons land - te stoppen en onze bossen te behoeden voor uitroeiing?
De lijst met verbanden en feiten die de komende jaren mee het verschil zullen uitmaken is veel ruimer dan wat in dit korte bestek besproken werd. Het komend decennium wordt hoe dan ook een bepalende tijdsperiode voor de biodiversiteit op aarde, voor de kwaliteit van lucht, water en bodem en uiteindelijk voor het voortbestaan van de mens op deze blauwe planeet. Waar we uiteindelijk zullen in slagen en waarin niet, zal de toekomst moeten uitwijzen. Laat ons om te beginnen ook hier nooit tevreden zijn met middelmatigheid en nooit opgeven wat veel te moeilijk lijkt. Wat nu onmogelijk schijnt, kan binnen twintig jaar heel normaal zijn en wat sommigen nu als vanzelfsprekend voorstellen, kan binnen een jaar als larie ontkracht worden. Zo zeggen vandaag voorstanders van kernenergie dat er geen betere oplossing is voor de opwarming van de aarde dan meer kerncentrales. Een van de zaken die ze er nooit bijzeggen is dat binnen zestig tot tachtig jaar ook het uranium op aarde zal uitgeput zijn. Onderzoek naar en ontwikkeling van nieuwe technologieën was de voorbije honderd jaar bepalend voor zeer veel op aarde. In de nabije toekomst zal dit zonder enige twijfel niet anders zijn.
Wetenschap, politiek en milieubeweging zullen daarom alert moeten blijven voor vervlakking en er steeds van moeten uitgaan dat het in sommige sectoren en met de aanpak van sommige problemen misschien wel goed gaat, maar vaak ook nog (veel) beter kan. Zoals zo vaak is stilstand ook inzake natuur- en milieupolitiek vaak achteruitgang.

Peter Bossu
sp.a-gemeenteraadslid Diksmuide en adviseur Noordzeezaken bij vice-premier J. Vande Lanotte

*Noten *
1/ Voor verdere milieu-informatie zie onder meer www.bondbeterleefmilieu.be en www.greenpeace.be
2/ Bossu P. (2003). Mening - over duurzaam- en kwetsbaarheid van de Westhoek tot de verdwenen Dodo. Diksmuide: Uitgeverij Meander.
3/ Vandenbussche J. en Bossu P. (2001). Als de tijd op storm staat - Over sociale uitsluiting en sociale miserie. In: Samenleving en politiek, jg. 8, 2001, nr 4 (april), blz. 17- 27.
4/ Bossu P. (2003). Mening - over duurzaam- en kwetsbaarheid van de Westhoek tot de verdwenen Dodo. Diksmuide: Uitgeverij Meander.
5/ Bossu P. (1996). Wie draagt het milieubeleid? - Is er een maatschappelijk draagvlak voor een milieubeleid?. In: Leefmilieu, jg. 19, maart/april 1996, blz. 53-56.
6/ Coolsaet R. (2001). De andere mondialiseringsbeweging. In: Knack, Column, 12 september 2001.

Bibliografie
- Holemans D. (1999). Ecologie en burgerschap, pleidooi voor een nieuwe levensstijl, Stichting Leefmilieu en Uitgeverij Pelckmans, Kapellen.
- Ecologie is een religie, interview met Björn Lomnorg in Knack, 28 februari en 4 februari 2004.
- World Watch Rapport waarschuwt voor vernietigende consumptiegedrag, De Morgen, Zaterdag 10 januari 2004
- Milieu moet weer sexy worden, interview met staatssecretaris van Milieu Pieter Van Geel over milieupolitiek, door Tino Wallaart, Vrij Nederland, 30 november 2002.
- Een geschenk voor rechts, interview met Noam Chomsky, Zeno-interview in De Morgen van 22 september 2001.

milieu - duurzame ontwikkeling - energiebeleid

Samenleving & Politiek, Jaargang 12, 2005, nr. 5 (mei), pagina 38 tot 44