Abonneer Log in

Neoliberalisme in een multipolaire wereld

Samenleving & Politiek, Jaargang 12, 2005, nr. 5 (mei), pagina 45 tot 52

Al meer dan tien jaar wordt gepraat over de oprichting van een Free Trade Area of the Americas (FTAA). Aanvankelijk waren bijna alle betrokken regeringen overwegend enthousiast over dit sterk neoliberaal geïnspireerde initiatief. Vandaag blijken de hoofdrolspelers VS en Brazilië er tegengestelde opvattingen op na te houden. In deze bijdrage wordt het FTAA-project eerst binnen het bredere handelsbeleid van de VS gekaderd. Daarna wordt toegelicht waarom de onderhandelingen allerminst van een leien dakje lopen. We staan ook even stil bij de onvermijdelijke vraag of dit verhaal het begin van een meer evenwichtige economische wereldorde inluidt.

Vrijhandel en het Witte Huis

President George Bush en zijn handelsgezant Robert Zoellick1 profileerden zich de voorbije jaren als warme voorstanders van vrijhandel op basis van een stevig mondiaal regime. Ondanks de sterke binnenlandse tegenstand kon deze administratie - in tegenstelling tot Clinton - in 2002 van het Congres trade promotion authority (TPA) bemachtigen. Dit geeft de president de bevoegdheid vrijhandelsakkoorden te onderhandelen die door het Congres niet meer geamendeerd kunnen worden. Voor het Congres is het ontwerpakkoord dus te nemen of te laten. Algemeen wordt aangenomen dat met deze procedure de kans klein is dat een meerderheid een akkoord na soms jaren onderhandelen afschiet. Om het Congres gunstig te stemmen heeft Bush wel enkele protectionistische toegevingen moeten doen. Beruchte voorbeelden zijn de recente invoertarieven op staal, die intussen weer zijn afgeschaft, en de Farm Bill van 2002, die onder meer een reusachtig pakket aan nieuwe subsidies voor de landbouw inhoudt. Bovendien verhindert de TPA-wet de president vrijelijk te onderhandelen over een aantal gevoelige landbouw- en andere producten. Ten slotte moet het programma voor trade adjustment assistance (d.i. inspanningen voor compensatie, begeleiding en herscholing van werknemers die door internationale concurrentie uit de boot vallen) gevoelig worden uitgebreid. De toekenning van TPA wordt wereldwijd beschouwd als het bewijs dat de uitvoerende macht van de VS vastberaden is een ‘agressieve handelsagenda’ na te streven. Ondanks de felle protectionistische en andersmondialistische weerstand binnen de VS is het een klassiek gegeven dat de president actief internationale handelsverdragen promoot, en dit in tegenstelling tot menig Congreslid dat vooral oog heeft voor welbepaalde defensieve belangen in de eigen kiesomschrijving. Een afweging van de offensieve (d.i. sectoren die buitenlandse markten willen veroveren) en defensieve handelsbelangen (d.i. sectoren die bescherming willen), in het voordeel van de eerste, aangevuld met een welbepaalde ideologische oriëntatie, verklaart de opstelling van opeenvolgende presidenten. De presidenten Reagan, Bush senior en Clinton namen elk historische beslissingen, waardoor verscheidene arbeidsintensieve sectoren in de VS een alsmaar hardere buitenlandse concurrentie te verduren kregen.2 De huidige president gaat op hetzelfde elan door. Dat daarbij punctuele protectionistische toegevingen worden gedaan om het Congres over de streep te trekken, is niet abnormaal.3 Dat de omstreden staaltarieven onder druk van de WTO zijn teruggetrokken, wijst in zekere mate op een blijvende loyaliteit van Bush ten aanzien van het mondiale handelsregime. De regering-Bush hoopt op een nieuw wereldwijd akkoord op het einde van de Doha-Ronda van de WTO, die sinds 2001 aan de gang is. Binnen deze context wordt vandaag ook onderhandeld over de Amerikaanse vrijhandelszone.

FTAA: een continentale grondwet voor de vrije markt

Het idee van de FTAA werd officieel gelanceerd op een pan-Amerikaanse topbijeenkomst in Miami in 1994. Het genoot de volle steun van president Clinton. Alle Amerikaanse landen behalve Cuba nemen aan het initiatief deel. Sinds 2002 zijn de VS en Brazilië de voorzitters van de onderhandelingen, waarmee ook de sleutelrol van Brazilië wordt erkend. In zijn maximalistische versie is de ontwerp-FTAA gericht op diepe economische integratie op basis van klassiek-liberale principes. Het verdrag zal bijdragen tot een neoliberaal geïnspireerde gelijkschakeling van nationale economische systemen. Negen comités onderhandelen over een brede waaier van onderwerpen: markttoegang, investeringen, diensten, overheidsopdrachten, geschillenbeslechting, landbouw, intellectuele eigendomsrechten, subsidies, antidumpingmaatregelen en mededingingsbeleid. Het FTAA-ontwerp gaat op diverse punten verder dan de WTO, vandaar dat het een ‘WTO-plus’-verdrag genoemd wordt. Daarnaast zijn er werkgroepen voor de inbreng van de civiele samenleving, de belangen van de kleine economieën en elektronische handel. De FTAA is verondersteld rekening te houden met de grote verschillen in ontwikkelingsniveau, alsook met arbeidsnormen en het milieu. Normaal gezien hadden de onderhandelingen in januari 2005 afgerond moeten zijn, zodat de Amerikaanse Vrijhandelszone in december 2005 in voege zou kunnen treden. Op de top in Miami in november 2003 bleek evenwel dat dit niet zou lukken.4 Het is duidelijk dat tussen 1994 en 2005 de tijden veranderd zijn.

Washington: handel is meer dan handel

Waarom wil de huidige Amerikaanse regering doorgaan met de FTAA? De belangen van de VS ten aanzien van de FTAA lijken sterk op hun belangen binnen de WTO. Sterke, offensieve dienstensectoren als banken, verzekeringen, telecommunicatie, energievoorziening, pakjesdiensten, enzovoort, en kennisintensieve industrieën willen hun afzetmarkten uitbreiden. Zij hebben niet zoveel te vrezen van Latijns-Amerikaanse concurrentie. Daarnaast dringt Washington aan op rechten voor multinationals en plichten voor gastlanden. Andere aandachtspunten zijn intellectuele eigendomsrechten en toegang tot overheidsopdrachten. Al deze aspecten willen de VS graag in het FTAA-verdrag verankerd zien. Op het eerste zicht lijken de commerciële belangen van de VS in Latijns-Amerika beperkt. In 2003 ging weliswaar 20,6% van de Amerikaanse goederenexport naar Latijns-Amerika, maar hiervan komt 13,5% op rekening van buurland Mexico, een lid van de North American Free Trade Agreement (NAFTA). Brazilië vertegenwoordigde maar 1,5%. De EU-15 (20,8%) en Azië (28%) zijn veel belangrijker. Latijns-Amerika zonder Mexico nam in 2003 wel 12,6% van de VS-dienstenuitvoer af. In 2002 bevond zich in Latijns-Amerika zonder Mexico 12,5% van de buitenlandse directe investeringen van de VS, een belangrijk aandeel.5 Door de FTAA zou de Latijns-Amerikaanse markt nog aan belang kunnen winnen.
De FTAA past ook binnen de geo-economische en ‘geo-ideologische’ doelstellingen van de VS op de lange termijn. Vrijhandelsakkoorden zijn voor Washington een instrument om andere landen zowel op economisch als politiek vlak naar hun eigen beeld en gelijkenis te herkneden. Een diepgaand verdrag dat over vele facetten van het sociaaleconomische gebeuren gaat, drukt uiteindelijk een stempel op de hele samenleving. Cruciaal in deze politiek is het geloof dat marktgerichte hervormingen de welvaart en financieel-economische stabiliteit, alsook ‘Amerikaanse waarden’ zoals vrijheid en democratie bevorderen. Een regionaal akkoord legt voor waarschijnlijk talloze decennia de spelregels voor economische uitwisseling en investeringen tussen de Amerikaanse landen vast. Zo‘n ‘internationale grondwet’ onttrekt de basisprincipes van het economische model aan het binnenlandse politieke debat, en verkleint de kans dat toekomstige linkse regeringen de liberale marktprincipes terugdraaien.
Een dergelijke verankering van Amerikaanse ‘waarden’ en belangen zou Washington goed uitkomen, want de Latijns-Amerikaanse ‘achtertuin’ herbergt nog steeds een aantal risico’s voor de VS. Denk aan illegale immigratie, drugs, georganiseerde misdaad en witwaspraktijken. Voorts worden de Amerikaanse belangen niet gediend door de politieke en sociale onrust die momenteel in verscheidene Latijns-Amerikaanse landen heerst. Recent zijn her en der in de regio ook linkse regeringen aan de macht gekomen, wat wijst op een tanende ideologische invloed van Washington. Deze trend kan leiden tot een verslechtering van het ondernemingsklimaat voor Noord-Amerikaanse multinationals en eventuele risico’s voor de olietoevoer (onder meer vanuit Venezuela). Al deze ontwikkelingen motiveren de VS om de regio zo snel mogelijk en definitief in een neoliberaal georiënteerd vrijemarktmodel in te sluiten. Door het aanreiken van preferentiële toegang tot de VS-markt hoopt Washington met deze landen ook hechtere politieke banden te smeden. Het beleid is er met andere woorden op gericht Amerikaanse economische belangen in Latijns-Amerika voor de toekomst veilig te stellen, maar ook om de internationale omgeving van de VS in diverse opzichten veiliger te maken. De VS hebben via vrijhandelsakkoorden met nog vele andere landen in de wereld economische en politieke belangen voor de lange termijn op het oog. Door de akkoorden met Jordanië, Marokko en Bahrein hopen ze bijvoorbeeld delen van de Arabische wereld in hun model in te sluiten, en zo ook duurzame bondgenoten te creëren.

Groeiend wantrouwen in de achtertuin

Aanvankelijk werd het idee van een FTAA door de Latijns-Amerikaanse politieke elites overwegend positief onthaald. In de jaren 1980 en 1990 omarmden heel wat Latijns-Amerikaanse regeringen het neoliberalisme. Zij meenden dat liberalisering, deregulering, privatisering en een strak monetair beleid voor meer economische groei zouden zorgen, en de beste antwoorden vormden op de zware schuldencrisis en de hyperinflatie die dat deel van de wereld teisterden. De economische problemen hadden ook het geloof in importsubstitutie - de combinatie van protectionisme met een ambitieus nationaal industriebeleid - een flinke deuk gegeven. Liberale hervormers meenden dat hun verstarde economie nood had aan meer internationale concurrentie. Vandaar het enthousiasme voor initiatieven als NAFTA en de FTAA. De Mexicaanse president Carlos Salinas de Gortari zag in een vrijhandelsakkoord met de VS bijvoorbeeld een instrument om zijn neoliberale hervormingen voorgoed te verankeren; zo kwam in 1994 de NAFTA tot stand. Door het einde van de Koude Oorlog was in de Latijns-Amerikaanse publieke opinie ook het wantrouwen tegenover de VS enigszins afgenomen. Noord- en Zuid-Amerika wilden voortaan samenwerken om de prille democratieën op het continent te versterken. De pan-Amerikaanse top in Miami in 1994 werd overigens aangevoerd door president Clinton, die zich opwierp als een voorstander van multilaterale samenwerking in plaats van unilaterale machtspolitiek, en zo argwaan kon wegnemen.6
Rechtstreekse economische belangen verklaren mee de steun van Latijns-Amerikaanse elites voor de FTAA. Producten als staal, textiel, kleding, schoenen, suiker of sinaasappelsap kampen in de VS met hoge invoertarieven, importquota en antidumpingmaatregelen.7 Voor de land- en kapitaalintensieve landbouw in Zuid-Amerika zijn ook de hoge Noord-Amerikaanse landbouwsubsidies een doorn in het oog. De ontwikkelingslanden die via het Caribbean Basin Initiative of Andean Trade Preferences Act preferentiële markttoegang tot de VS genieten, menen eveneens bij een FTAA belang te hebben. Deze eenzijdige handelsvoordelen vanwege de VS zijn voor deze landen vitaal, maar ze hebben geen zekerheid over de continuïteit. De FTAA biedt meer zekerheid, ook al zouden deze landen dan hun markten zelf meer voor producten uit de VS moeten openstellen.
Tegen het einde van de jaren 1990 veranderde echter het politieke klimaat. De neoliberale structuurhervormingen leverden absoluut niet de verhoopte resultaten op, integendeel. De massale armoede nam nog toe. Er vonden ook zware financiële crisissen plaats, zoals in Brazilië in 1999 en Argentinië in 2001. Men heeft moeten erkennen dat tijdens de periode van importsubstitutie over het algemeen betere groeicijfers werden gehaald. De maatschappelijke terugslag tegen het neoliberalisme resulteerde de jongste jaren in linkse machtsovernames in Venezuela, Brazilië, Ecuador, Argentinië en Uruguay. Het protest tegen het neoliberalisme viseert ook de externe actoren die deze visie propageerden, met name de VS en het IMF. Recente gebeurtenissen hebben het wantrouwen tegen de VS nog meer aangewakkerd. De Bush-administratie steunde de coup tegen de democratisch verkozen president Hugo Chávez in Venezuela. De unilaterale oorlog tegen Irak zette ook in Latijns-Amerika kwaad bloed en leidde onder meer tot diplomatieke spanningen met Washingtons economisch-liberale bondgenoten Mexico en Chili. De nieuwe wind waait zodanig sterk dat zelfs linkse leiders als Lula da Silva in Brazilië moeite hebben om de eigen achterban tevreden te stellen. Regeringen als de Argentijnse en Braziliaanse zitten tussen twee vuren: aan de ene kant zijn de verwachtingen van linkse en nationalistische kiezers hoog gespannen, aan de andere kant willen die regeringen het IMF, de internationale financiële markten en buitenlandse investeerders niet al te zeer bruuskeren. De financieel-economische afhankelijkheid van het Noorden verhindert Lula en anderen om daadwerkelijk met de neoliberale mondialisering te breken. Desondanks is de politieke context in Zuid-Amerika niet meer van die aard dat een vérstrekkend ‘WTO-plus’-akkoord vlotjes kan worden goedgekeurd.
Hier moet een onderscheid worden gemaakt tussen Midden- en Zuid-Amerika. Midden-Amerika is economisch erg afhankelijk van toegang tot de Noord-Amerikaanse markt. Zij hebben weinig andere keuze dan regionale vrijhandelsakkoorden met de VS. Volgens Oxfam wil dit nog niet zeggen dat neoliberale handelsakkoorden met de supermacht de ontwikkeling van deze landen noemenswaardig zullen vooruithelpen. De vrijemarktwerking reproduceert de structurele achterstand en zet de bestaande arbeidsverdeling nog scherper in de verf.8 Arbeidsintensieve sectoren in de VS zullen alweer klappen krijgen, terwijl Noord-Amerikaanse bedrijven hoogwaardige producten op die markten zullen afzetten en de dienstensectoren grotendeels inpikken. Zuid-Amerika, dat minder handel met Noord-Amerika drijft, heeft een iets sterkere onderhandelingspositie en andere belangen. Landen als Brazilië en Argentinië willen ook wel betere toegang tot de Noord-Amerikaanse markt, maar zij zijn ervoor beducht hun industriële basis en dienstensector zomaar aan concurrentie uit het Noorden bloot te stellen.
De impasse werd overduidelijk op de FTAA-top van Miami in november 2003. Vooral de tegenstellingen tussen de Verenigde Staten en de Mercosur, een douane-unie bestaande uit Argentinië, Brazilië, Paraguay en Uruguay, met Chili, Bolivia en Peru als geassocieerde leden, bleken onoverbrugbaar. De Zuid-Amerikaanse landen willen hun markten niet zomaar opengooien en vragen aan Washington een hoge prijs. De VS zouden hun enorme landbouwsubsidies en andere vormen van landbouwprotectionisme drastisch moeten afbouwen, en Zuid-Amerikaanse export van industrieproducten niet langer hinderen met overdreven anti-dumpingmaatregelen. Zelfs met zijn Trade Promotion Authority krijgt Bush zoiets wellicht niet door het Congres. De VS zijn niet bereid grote toegevingen op landbouw te doen in het kader van de FTAA, als achteraf de EU en Japan hun landbouwprotectionisme kunnen voortzetten. Daarom vindt Washington dat het landbouwvraagstuk tijdens de Doha-Ronde van de WTO moet worden opgelost, als dat überhaupt mogelijk is. Tot zolang zal in de FTAA waarschijnlijk weinig beweging komen.

Politiek-geografisch schaakspel

In Miami werd voorlopig dan maar voor een tweeledige oplossing gekozen. Men zou streven naar een ‘FTAA-lite’, een basisakkoord met enkele minimale regels. Daarnaast kwam men overeen dat landen gerust op bilaterale basis konden voort onderhandelen. Hun bilaterale akkoorden zouden de bouwstenen voor een latere FTAA kunnen zijn. Met een zekere gretigheid hebben Bush en Zoellick voor deze weg gekozen. Deze aanpak kadert in hun strategie van competition in liberalization of competitieve liberalisering. Een preferentieel handelsakkoord tussen de VS en een andere staat of regio zet andere staten en regio’s onder druk om ook een akkoord met de VS te sluiten. Die druk vloeit voort uit het feit dat de VS als belangrijkste economie in de wereld nog steeds een uitermate belangrijke afzetmarkt zijn. Als land A door een vrijhandelsakkoord plotseling betere toegang tot de VS-markt krijgt dan land B, dan kan B een flink deel van zijn marktaandeel in de VS verliezen. Bovendien wordt land A een interessantere locatie voor Amerikaanse en andere multinationals dan B, want dankzij het vrijhandelsakkoord kunnen die bedrijven gemakkelijker naar de VS exporteren. Dit is een stimulans voor B om ook in een vrijhandelsakkoord met de VS te stappen. Nu hopen de VS via de bilaterale besprekingen die zij in 2004 met Colombia, Ecuador, Panama en Peru hebben opgestart, de Mercosur-landen een minder starre houding over de FTAA te laten aannemen. Vanuit dezelfde optiek werd onlangs tussen de VS en zes Midden-Amerikaanse landen op korte tijd de Central American Free Trade Agreement (CAFTA) onderhandeld. Het Congres moet wel nog ratificeren. Chili heeft sinds 2003 al een ‘WTO-plus’-akkoord met de VS. De FTAA zou op zijn beurt op het WTO-forum bepaalde partners tot meer inschikkelijkheid kunnen aanzetten.
In bilaterale en regionale fora zijn de machtsverhoudingen bovendien erg asymmetrisch. De onderhandelingspartner krijgt een betere markttoegang tot de VS dan vele andere landen, en is daarom bereid in grote mate aan de eisen van de VS toe te geven. Op die manier kunnen de VS gemakkelijker ‘WTO-plus’-akkoorden met soms vérstrekkende bepalingen over rechten van multinationals, overheidsopdrachten, diensten, arbeids- en milieunormen, enzovoort binnenhalen. Voorts is binnen de VS de protectionistische weerstand tegen regionale en bilaterale akkoorden kleiner dan bij een akkoord op mondiaal niveau, omdat er minder concurrenten (zoals China of de Aziatische tijgers) meespelen. De VS willen de FTAA ten slotte realiseren om de negatieve effecten op te vangen van verdragen die Latijns-Amerikaanse landen met andere landen of blokken in de wereld afsluiten waar de VS niet bij zijn. Via zulke verdragen zouden bijvoorbeeld Europese of Aziatische concurrenten waardevolle marktaandelen kunnen afsnoepen.9
Ook Brazilië volgt een politiek-geografische strategie.10 Deze strategie heeft twee dimensies. Ten eerste wil Brazilië een Zuid-Amerikaans front vormen om sterker te staan in onderhandelingen met de VS. De versterking van de Mercosur vormt daarbij een prioriteit. De Braziliaanse regering heeft er met succes voor geijverd dat bij de FTAA-onderhandelingen de Mercosur als blok kan optreden. De ‘consensus van Buenos Aires’, die president Lula met zijn nieuwe, centrumlinkse Argentijnse ambtgenoot Kirchner in oktober 2003 kon bereiken, geeft de verdere uitbouw van Mercosur wind in de zeilen. Ondertussen worden de eerste stappen gezet om te komen tot een fusie tussen het Mercosur-blok en de Andesgemeenschap, een vrijhandelszone van Bolivia, Colombia, Peru, Ecuador en Venezuela. De South American Free Trade Area (SAFTA) die daaruit kan voortvloeien, zou de internationale onderhandelingspositie van de betrokken landen versterken, zowel in het kader van de FTAA als de WTO. Door het voortouw te nemen in de G20, een nieuwe groep van ontwikkelingslanden met exportgerichte landbouwbelangen, tracht Brazilië ook op wereldvlak de onderhandelingspositie van het Zuiden te versterken.
Ten tweede probeert Brazilië zijn handelsrelaties met de andere Latijns-Amerikaanse landen, maar ook met onder meer China, India, zuidelijk Afrika en het Midden-Oosten te verdiepen, om op die manier tot een ‘nieuwe handelsgeografie’ te komen. Dit heeft verscheidene voordelen. Door als global trader zijn handelsrelaties nog meer te diversifiëren, wordt Brazilië nog minder afhankelijk van de VS. Braziliaanse producenten kunnen de concurrentie met dergelijke landen ook beter aan dan met de VS. Voorts brengt akkoorden sluiten met die andere landen minder zware eisen met zich mee. De VS bonken immers hard op de deur in verband met diensten, investeringen, overheidsopdrachten, intellectuele eigendomsrechten, enzovoort. Zuid-Zuid-samenwerking laat meer ruimte voor behoud van eigen ontwikkelingsmodellen. Deze strategieën kaderen binnen het algemene buitenlandse beleid van Brazilië. Het land heeft de ambitie regionale grootmacht te zijn en zo de hegemonie van de VS in Latijns-Amerika uit de dagen. Brazilië wil het platform van de Mercosur gebruiken als hefboom om de eigen invloed in de wereld te vergroten. De Mercosur probeert al een tijdje een akkoord te bereiken met de EU, maar ook die besprekingen zitten in het slop omwille van gelijkaardige tegenstellingen als in de FTAA-arena.

FTAA ingehaald door de tijd?

Regionale strategieën als NAFTA, CAFTA en FTAA bezorgen de VS met hun economische overwicht een voordeel in onderhandelingen. Het lijkt er echter op dat de FTAA een aantal iets te sterke partners telt. In feite is de FTAA vastgelopen op dezelfde soort tegenstellingen als de WTO in Cancún (2003). Het Noorden wil de markten van het Zuiden open voor industrieproducten, diensten, investeringen, overheidsopdrachten, en dergelijke, terwijl het Zuiden vooral het noordelijke landbouwprotectionisme ontmanteld wil zien. De wereld is op economisch vlak meer multipolair geworden, en het Zuiden komt daarbij sterker voor de dag. In de zomer van 2004 kregen de WTO-besprekingen dankzij een kaderakkoord een nieuwe kans. Hoe de Doha-Ronde zal aflopen, blijft een open vraag. Binnen de FTAA wordt het meer assertieve Zuiden vooral vertegenwoordigd door Brazilië, Argentinië en Venezuela. De economische tegenstellingen zijn op het Amerikaanse continent verweven met diepe politiek-ideologische meningsverschillen, die vandaag meer uitgesproken zijn dan vijftien jaar geleden. Juist de neoliberale hervormingen die de VS via de FTAA juridisch en economisch willen verankeren, liggen aan de basis van de maatschappelijke onvrede, waardoor de FTAA dreigt te mislukken. Met andere woorden, de pleitbezorgers van de ‘Washington Consensus’ komen misschien wel te laat. Merk op dat Bush’ Trade Promotion Authority al in juni 2005 verstrijkt (verlenging met twee jaar is mogelijk).
Toch is het mogelijk dat er in de FTAA vroeg of laat weer beweging komt. Misschien lukt de strategie van competition in liberalization wel, en gaan de Mercosur-landen zonder al te veel toegevingen vanwege Washington overstag. Zelfs een bilateraal akkoord tussen de VS en Brazilië valt niet uit te sluiten. Brazilië kan betere markttoegang tot de VS goed gebruiken. Maar liefst 23,1% van de Braziliaanse export ging in 2003 naar de VS.11 Nergens staat ook geschreven dat links in Brazilië nu voor tientallen jaren aan de macht zal blijven. Als vele andere Latijns-Amerikaanse landen met de VS in zee gaan, neemt de druk op de Mercosur toe. Als ook Mercosur-leden in de FTAA stappen, dreigt Brazilië samen met Cuba en Venezuela geïsoleerd te raken. Daarom is het erg belangrijk dat de Mercosur zich niet uit verband laat spelen, maar integendeel de integratie van Zuid-Amerika versnelt. Het gaat als het ware om een ‘keuze tussen James Monroe en Simon Bolívar’, de keuze tussen een pan-Amerikaanse neoliberale integratie onder leiding van de VS en de ontwikkeling van een autonoom Latijns-Amerikaans ontwikkelingsmodel.12 Een ander scenario is dat de FTAA via de Doha-Ronde van de WTO vlot getrokken wordt, maar dan zullen de VS en andere rijke landen wel grote toegevingen op landbouw moeten doen. Alleen al omwille van haar grote budgettaire moeilijkheden zou de Bush-administratie stevig in de landbouwsubsidies willen hakken.13
In dat laatste geval hebben we ogenschijnlijk een eerlijker handel en een rechtvaardiger wereldorde. Hier moeten we evenwel belangrijke kanttekeningen bij maken. Het resultaat zou in feite nóg meer vrijhandel en neoliberale mondialisering zijn, maar dan van een evenwichtiger type. De vraag is of dit model geschikt is voor duurzame ontwikkeling. Wat zijn de gevolgen van meer internationale concurrentie voor mens en milieu? Wat zal er gebeuren met kleine familiale landbouwbedrijven in Noord en Zuid als overheidsinterventie uit de landbouwmarkten verdwijnt? Zullen de wereldmarktprijzen voor landbouwproducten de kleine boeren een menswaardig inkomen garanderen? Moeten interventionistische instrumenten als grondstoffenakkoorden en prestatievereisten voor multinationals14, alsook noties als voedselzekerheid, ecologische en lokale productie geen plaats in het FTAA- en WTO-kader krijgen? Op dergelijke vragen geven ook ‘andersglobalistische’ leiders als Lula da Silva nauwelijks een antwoord. Hoewel de Braziliaanse regering wel een verfrissend en belangrijk discours brengt over multipolariteit, eerlijker Noord-Zuidverhoudingen en armoedebestrijding (o.m. via een Tobintaks), staat het nationale economische belang nog steeds voorop. In het geval van Brazilië en de andere G20-landen, grote landbouwexporteurs, is dat een ander belang dan dat van de armste ontwikkelingslanden.

Dries Lesage
Redactielid en als FWO-postdoctoraal onderzoeker verbonden aan de Vakgroep Politieke Wetenschappen van de UGent

Noten
1/ Zoellick wordt in de nieuwe administratie opgevolgd door Rob Portman.
2/ Zoals de lancering van de Uruguay-Ronde, de North American Free Trade Agreement (NAFTA), de oprichting van de WTO en de opname van China in de WTO.
3/ Bergsten F.C., A renaissance for US trade policy? In: Foreign Affairs, 81, 2002, Nov./Dec., pp.86-98.
4/ FTAA: http://www.ftaa-alca.org/alca\_e.asp
5/ Cijfers WTO en Bureau of Economic Analysis.
6/ Zie o.m. Starr P. K.(2003). Pax americana in Latin America: the hegemony behind free trade. Onuitgegeven paper. http://citeseerx.ist.psu.edu/viewdoc/download?doi=10.1.1.198.4365&rep=rep1&type=pdf.
7/ Dit zijn heffingen op producten waarvan men vindt dat ze op de exportmarkt beneden de normale kostprijs worden verkocht.
8/ Oxfam, Making trade fair for the Americas. Oxfam Briefing Paper, 37, 2003.
9/ Zie o.m. Altieri L. (2003). NAFTA and the FTAA: regional alternatives to multilateralism. In: Berkeley Journal of International Law, 21, 2003, pp.847-877.
10/ Carranza M. E. (2004). Mercosur and the end game of the FTAA negotiations: challenges and prospects after the Argentine crisis. In: Third World Quarterly, 25, 2004, 2, pp.319-337.
11/ Cijfers Centrale Bank van Brazilië. De export naar de EU bedroeg 24,8%, naar Azië 16% en de rest van de Mercosur maar 7,8% van de totale export.
12/ Brunelle D. en Deblock C., Economic regionalism under the FTAA and Mercosur: James Monroe or Simon Bolivar? Onuitgegeven paper. http://www.ieim.uqam.ca/IMG/pdf/Dorval\_Deblock\_Economic\_regionalism.pdf
13/ Financial Times, 5/5/2005.
14/ Denk aan de verplichting om een deel van de intermediaire goederen op de lokale markt aan te kopen of een deel van de winst in het gastland te herinvesteren.

economie - globalisering - handel - internationale handel - WTO - vrije markt - Verenigde Staten

Samenleving & Politiek, Jaargang 12, 2005, nr. 5 (mei), pagina 45 tot 52