Abonneer Log in

Heeft er iemand een wetenschapsbeleid gezien?

Samenleving & Politiek, Jaargang 12, 2005, nr. 8 (oktober), pagina 12 tot 18

Een Innovatiefonds, een Toppersfonds, een Methusalemfonds, … de vleespotten van het wetenschappelijk onderzoek worden weer flink gevuld. De Vlaamse en federale ministers van Wetenschapsbeleid en Begroting struikelen over elkaars gulheid in een typisch Belgische bevoegdhedendans. Meer geld voor wetenschappelijk onderzoek, dat kan enkel maar worden toegejuicht. Maar hoe zal dat geld worden verdeeld?

Investeren in de kennismaatschappij

Er heerst een brede consensus in Vlaanderen over de nood om te investeren in de kennismaatschappij teneinde economische groei te waarborgen. Daarbij gaat men uit van de hypothese dat een verhoging van het budget voor wetenschappelijk onderzoek ook zal leiden tot een vermeerdering van het aantal innovaties, het aantal patenten, de economische output, etc. Over de precieze besteding van dit geld, aan welke onderzoeksprioriteiten, bestaat al veel minder duidelijkheid. Vertrouwt men hier op de onzichtbare hand, eerder dan op het bewust maken van (maatschappelijk gedragen) keuzes?
De verhoging van het onderzoeksbudget wordt voorgeschreven door de Lissabon-doelstellingen van de EU, verder gespecificeerd op de Europese top van Barcelona (2002), met name 3% van de welvaart (bbp) moet aan wetenschappelijk en technologisch onderzoek en ontwikkeling besteed worden tegen 2010 (2% door de privésector, 1% door de verzamelde overheden). De wetenschappers en al degenen die hun hoop stellen op onderzoek en technologie voor het overleven van de Belgische of Vlaamse economie zijn daar uiteraard tevreden mee. De politici trachten dit weinig controversiële issue maximaal uit te buiten tot meerdere glorie van zichzelf. Minister Moerman lanceerde het Toppersfonds om Vlaamse toponderzoekers en grote beloften terug te halen uit het buitenland.1 Ministers Verwilghen, Moerman en Vande Lanotte bepleiten (ongecoördineerd) het Innovatiefonds, dat de omzetting van onderzoeksresultaten naar economische initiatieven moet bevorderen. Verder is er ook nog het Methusalemfonds bestemd voor toponderzoekers die hier werken en die men absoluut hier wil houden. Het is een persoonsgebonden financiering. Een ander initiatief van minister Moerman betreft meer geld voor zware onderzoeksapparatuur teneinde een achterstand dienaangaande teniet te doen. En daarenboven trekt zo’n apparatuur internationale onderzoekers aan.
Er zijn dus wel degelijk initiatieven om het geld te besteden, maar dat impliceert nog niet dat er ook een wetenschapsbeleid is. Waaraan willen we het geld besteden? Is er enige coördinatie tussen de privésector en de publieke sector in hun bestedingen? Hoe kunnen we een totale versnippering tegengaan? Wat is het doel? Hoe dat te bereiken? Wie beslist over de onderzoeksagenda: wetenschappers, bedrijfsleiders of ‘de mensen’?
In dit artikel zal ik ten eerste verduidelijken op welke manier de onderzoeksagenda in het verleden bepaald werd. Het was namelijk de wetenschappelijke elite die bepaalde waaraan publieke onderzoeksgelden besteed mochten worden. Dit is, gegeven recente wetenschapsfilosofische en politieke inzichten, niet langer houdbaar. Ten tweede bespreek ik hoe de (publieke) onderzoeksagenda zeer waarschijnlijk in de toekomst opgesteld zal worden, met name door het achternalopen van winstgevende privé-initiatieven. Hierbij behandel ik een aantal negatieve karakteristieken van deze evolutie aan de hand van een bespreking van farmaceutisch onderzoek. Tenslotte tracht ik een aantal vragen te distilleren die de samenleving moet beantwoorden, wil ze wetenschap en democratie op een optimale manier laten samengaan. Daarbij lijkt er een belangrijke rol weggelegd voor politieke partijen.

Wie beslist over de onderzoeksagenda?

De wetenschappers zelf natuurlijk. Beslissingen over het al dan niet financieren van onderzoeksprojecten met publieke gelden werden (en worden) in België doorgaans genomen door wetenschappelijke commissies (samengesteld uit leden van de wetenschappelijke elite). Deze gang van zaken werd gelegitimeerd door wetenschappelijk onderzoek voor te stellen als het voltooien van een puzzel. De wetenschappelijke elite wist (veel beter dan de leken) welke puzzelstukjes ontbraken teneinde een complete wetenschappelijke theorie van de wereld te bereiken.
Recent wetenschapsfilosofisch onderzoek heeft echter duidelijk gemaakt dat (kennis)interesses een constituerende rol spelen in onderzoek en theorievorming (zie o.a. Kitcher, 2001; Van Bouwel & Weber, 2002). De bestaande pluraliteit aan wetenschappelijke theorieën en invalshoeken voor wetenschappelijk onderzoek is dus het gevolg van een veelheid aan interesses. Het is niet, zoals onder de metafoor van de puzzel begrepen werd, een tijdelijke toestand die uiteindelijk zal resulteren in een afgewerkte puzzel. De metafoor van de landkaart geeft beter dan de puzzelmetafoor dit pluralisme weer. Landkaarten zijn schematische weergaven van een gebied die kunnen verschillen volgens de (kennis)interesse. Naargelang de problemen gebruiken we een andere kaart (we kunnen een landkaart ontwerpen die aandacht besteedt aan het reliëf of het transport, de bevolkingsdichtheid, de taal, het weer, etc., maar niet één die op al deze aspecten tegelijk focust).
De onderzoeksagenda laten bepalen door de wetenschappelijke elite is dan ook onhoudbaar, want zij vertegenwoordigt slechts bepaalde (gevestigde) interesses.2 Desondanks lijkt deze manier van denken nog steeds dominant. De interesses van deze wetenschappelijke elite betreffen vaak vooral het behouden van hun macht en privileges door het toekennen van onderzoeksbudgetten aan de juiste personen en onderzoeksgroepen, eerder dan het uitwerken van een sterk inhoudelijke onderzoekslijn (los van personen). Merk ook op dat twee van de door minister Moerman voorgestelde fondsen zeer sterk persoonsgebonden zijn (eerder de gevestigde elite bedienend - ongeacht hun onderzoeksproject - dan wel een specifiek onderzoeksonderwerp)!
Het is daarnaast opvallend hoezeer wetenschappers zich verzetten tegen iedere poging tot verandering van het huidige verdelingsbeleid. Zo wilde de Vlaamse regering eind 2003 een bestuurlijke hervorming doorvoeren bij het FWO (er met name een intern verzelfstandigd agentschap (IVA) van maken). Deze poging tot ‘politisering’ aldus een petitie van wetenschappers (gegroepeerd onder het label Focus Research) moest afgeblokt worden: ‘Na deze hervorming is er geen enkele garantie meer dat de beslissingen van het FWO, IWT en VITO in de toekomst uitsluitend zullen gestoeld blijven op een grondige evaluatie van de wetenschappelijke kwaliteit, los van politieke of zelfs persoonlijke overwegingen’ (geciteerd uit hun petitie op het Internet). Het is ten zeerste de vraag of het FWO in zijn huidige opmaak hoegenaamd los van politieke of persoonlijke overwegingen functioneert, zoals door deze wetenschappers beweerd wordt. Men kan ten minste opmerken dat transparantie niet zijn wezenskenmerk is: er worden geen commissieverslagen openbaar gemaakt, bij afwijzing van een onderzoeksproject is een gedegen motivatie niet beschikbaar, de nieuwe leden van commissies worden aangewezen door coöptatie (wat de kansen tot inteelt en nepotisme niet echt verkleint), etc.3
De petitie van Focus Research stelt verder: ‘Door die ingreep zou het FWO niet langer onafhankelijk kunnen beslissen over de besteding van zijn middelen ter ondersteuning van grensverleggend fundamenteel onderzoek.’ Het woord onafhankelijk lijkt me hier niet op zijn plaats. Wetenschappelijke beslissingen van de commissies zijn maatschappelijke beslissingen. Het gaat daarenboven om overheidsgeld en een representatief toezicht is aangewezen. Valt het dan te verdedigen dat de wetenschappelijke elite van het FWO onafhankelijk beslissingen neemt? Vooral omdat de idee dat de wetenschappelijke agenda bepaald zou zijn door de natuur (d.i. de idee van de op te lossen puzzel), los van enige kennis of andere interesses, een sprookje is dat reeds geruime tijd door wetenschapsstudies doorprikt is.

De toekomst van het wetenschappelijk onderzoek?

Nu het laten bepalen van de onderzoeksagenda door de elite onhoudbaar is, zou men de agenda kunnen laten bepalen door de ‘markt’. De onderzoeksagenda van door de overheid gefinancierd onderzoek loopt dan parallel met (of ondersteunt) de onderzoeksactiviteiten van privaat gefinancierd onderzoek. Belangrijkste drijfveer hierbij is economische winst, het patenteren, etc. De idee van het Innovatiefonds lijkt sterk geïnspireerd door deze opvatting. De markt blijkt meer en meer de agenda te bepalen. De laatste jaren is ook in België de verstrengeling tussen universiteiten en privébedrijven sterk toegenomen. De privébedrijven zijn een welkome bron van financiering, de impact hiervan op het universitair onderzoek lijkt steeds minder een punt van discussie (dit was toch anders tien jaar geleden). Desalniettemin is het niet onbelangrijk hier aandacht aan te besteden want er zijn mogelijk negatieve gevolgen. Dat wil ik hier verduidelijken aan de hand van het onderzoek naar en de ontwikkeling van geneesmiddelen.
Er is heel wat wetenschappelijke literatuur beschikbaar betreffende de dynamiek van farmaceutisch onderzoek in de Verenigde Staten (zie o.a. Brown, 2005 en Angell, 2004). Opvallend daarbij is dat niet enkel het privaat gefinancierd onderzoek, maar ook het publiek gefinancierd onderzoek aangaande gezondheid, zich vooral buigt over gezondheidsoplossingen die te patenteren (en commercialiseren) zijn. De verschuiving van het niet-patenteerbare naar het patenteerbare onderzoek (sinds de Bayh-Dole Act in 1980) is overduidelijk.4
Stel dat er twee manieren zijn om een gezondheidsprobleem op te lossen. De eerste houdt de ontwikkeling van een nieuw geneesmiddel in. De tweede besteedt aandacht aan dieet en lichaamsbeweging. Deze tweede benadering kan superieur zijn en zowel goedkoper als efficiënter. Het nadeel is dat het moeilijker zal zijn onderzoeksgelden te vinden voor deze tweede strategie daar de resultaten niet te patenteren zijn en de opbrengst dus beperkt is. Er is bijvoorbeeld een vergelijkende studie gerealiseerd bij personen met een hoog risico om diabetes te ontwikkelen. Over een periode van drie jaar ontwikkelde 29% van de placebogroep diabetes, 22% van diegenen die het geneesmiddel metformine namen en slechts 14% van diegenen die een dieet volgde in combinatie met aangewezen lichaamsbeweging (Angell, 2004:170). Deze vergelijkende studie was tussen haakjes gefinancierd door het Amerikaanse National Institute of Health.
Steeds vaker echter is een vergelijking tussen alternatieve remedies uitgesloten omdat alle onderzoeksgelden naar de ontwikkeling van nieuwe patenteerbare geneesmiddelen gaan en niet naar remedies die niet gepatenteerd kunnen worden. Dit leidt tot methodologisch suboptimale situaties: de wetenschap heeft vooruitgang geboekt door het ontwikkelen en tegen elkaar afwegen van rivaliserende theorieën. Als er geen (serieus gefinancierde) rivaliserende theorieën meer ontwikkeld worden, ontstaat er een epistemisch probleem. De wetenschapsfilosofie toont ons dat bij gebrek aan rivalen we niet langer kunnen uitmaken of theorieën, i.c. de patenteerbare onderzoeksresultaten, goed of slecht zijn.
Daarenboven wordt het testen van nieuwe geneesmiddelen ook steeds moeilijker omdat onderzoekers zonder commerciële belangen steeds zeldzamer worden. Zo heeft het tijdschrift The New England Journal of Medicine recent zijn beleid aangepast. Voordien stelde men dat de auteurs van de artikels geen enkel financieel belang mochten hebben in een bedrijf (of een concurrerend bedrijf) dat het nieuwe geneesmiddel, besproken in het artikel, verkoopt. Sinds 2002 is er een nieuw beleid, met name dat ‘authors of such articles will not have any significant financial interest in a company (or its competitor) that makes a product discussed in the article’ (Drazen and Curfman, 2002). Waarbij ‘significant’ meer dan 10.000 USD betekent. Daarenboven stellen de hoofdredacteuren dat het steeds moeilijker is onderzoekers te vinden zonder economische belangen om de nieuwe geneesmiddelen te evalueren in het tijdschrift.
Commerciële belangen spelen ook steeds vaker een rol in de manier waarop testresultaten (al dan niet) gepubliceerd worden (zie o.a. Brown, 2005). Het gebrek aan onafhankelijke vergelijkende studies leidt er dan ook toe dat we een massale introductie van geneesmiddelen krijgen die eigenlijk niet beter zijn dan de middeltjes die reeds op de markt aanwezig zijn, maar waarbij ieder farmaceutisch bedrijf zijn eigen antidepressivum, zijn eigen pijnstiller, etc., wil hebben. Dit blijkt o.a. uit de statistieken van de Amerikaanse Food and Drug Administration (FDA). In de periode 1998-2002 werden er 415 nieuwe geneesmiddelen door hen aanvaard. Daarvan was 14% nieuw en innoverend, 9% was een duidelijke verbetering van een reeds bestaand geneesmiddel, en 77% was niet beter dan de reeds bestaande geneesmiddelen! 5
Uit deze korte bespreking van farmaceutisch onderzoek kunnen we besluiten dat een toenemende vermarkting een verschuiving (van de onderzoeksagenda) naar patenteerbaar onderzoek impliceert. Dit brengt methodologische problemen met zich mee: onvoldoende gefinancierde serieuze alternatieve theorieën, een gebrek aan onafhankelijke vergelijkende testen van geneesmiddelen, onvoldoende informatie over de voordelen en (vooral) nadelen van een nieuw geneesmiddel. Dit komt noch de wetenschap, noch de patiënt, noch de samenleving ten goede (de terugbetaling van deze - vaak minderwaardige - geneesmiddelen vertegenwoordigt een ontzettend grote maatschappelijke kost).

En de samenleving? Democratie, wetenschapsbeleid en politieke partijen

De vermarkting van de onderzoeksagenda leidt tot ongewenste resultaten. We kunnen daarom ook eens proberen een democratische manier uit te denken om de agenda te bepalen. Als we de wetenschapsfilosofische inzichten aanvaarden die stellen dat de idee als zou er een wetenschappelijke agenda bepaald zijn door de natuur (d.i. de idee van de op te lossen puzzel) onhoudbaar is en we deze vervangen door de opvatting dat kennis en andere interesses en belangen een constituerende rol spelen in onderzoeksdoelen en projecten, dan moet de betrokkenheid van het publiek - en de verschillende interesses daarin aanwezig - bij het wetenschapsbeleid overwogen worden. In België, net als in vele andere landen, zijn wel de kosten voor wetenschappelijk onderzoek gesocialiseerd maar niet het beleid, dat vaak nog in handen is van de wetenschappers zelf.
Hoe kan het democratischer? Aan het publiek duidelijk maken dat er voortdurend keuzes gemaakt worden. De lezer kan de indruk hebben dat hier een open deur wordt ingestampt, maar het lijkt er sterk op dat nog steeds zeer veel mensen (ook wetenschappers, bijv. Focus Research, zie hogerop) van mening zijn dat wetenschap volledig onafhankelijk haar weg moet gaan en dat ze zo tot de best mogelijke resultaten voor de gehele maatschappij zal komen. Het beknopte voorbeeldje over de farmaceutische sector spreekt dit echter tegen en toont ons dat we maar beter aandacht besteden aan de (institutionele) ontwikkelingen binnen de wetenschappelijke wereld, dat we ons bewust worden van de keuzes die (moeten) gemaakt worden en dat het uitstippelen van een adequaat beleid nodig is.
Als er keuzes gemaakt worden bij het besteden van publieke fondsen voor wetenschappelijk onderzoek hebben verschillende maatschappelijke groepen ook verschillende interesses en belangen. Daarom meen ik dat de beste plaats om keuzes expliciet te maken de politieke partijen en hun partijprogramma’s zijn. Zij beschikken daarenboven over een studiedienst die de informatie over opties in wetenschappelijke onderzoek - een niet geringe en complexe materie - kan verwerken.6
De partijen zullen zich ten eerste moeten uitspreken over de prioriteiten van publiek gefinancierd wetenschappelijk onderzoek. De ene partij kan onderzoek naar groene energie als prioriteit hebben, een andere een betaalbare, niet-geprivatiseerde ziekteverzekering (en dus research die afwijkt van het vermarkte model dat ik hogerop besprak), een derde wil bijv. nanotechnologie, biotechnologie en neurowetenschap als drie belangrijkste onderzoeksterreinen ondersteunen, een vierde wil focussen op oplossingen voor mobiliteit en levensomstandigheden van bejaarden, etc. Duidelijke prioriteiten kunnen de versnippering in vele vakgebieden doen verminderen, onderzoekers motiveren en samenbrengen rond een gemeenschappelijk thema en Belgische onderzoeksgroepen zodoende internationaal laten meespelen. België heeft niet de middelen om op alle wetenschappelijke gebieden toponderzoek te financieren, keuzes moeten worden gemaakt. Ze werden in het verleden ook voortdurend gemaakt maar op een weinig transparante wijze.
Ten tweede, zoals blijkt uit dit artikel, zijn er verschillende beslissingprocedures betreffende de onderzoeksagenda mogelijk. Ook hier moeten duidelijke keuzes worden gemaakt en is een grondig debat hoogdringend. Voor welke beslissingsprocedure bestaat het grootste maatschappelijke draagvlak? Laat de politieke partijen voorstellen uitwerken (zowel over de grote principiële lijnen, als over de details). Mogelijk krijgen we een partij die zich uitspreekt voor de vermarkting van de onderzoeksagenda. Een andere partij kan er voor kiezen de wetenschappelijke elite te laten voortdoen. Hopelijk wordt daarbij bijv. het FWO wel iets transparanter gemaakt: duidelijke selectiecriteria, openbare motivaties voor de rangschikkingen in de commissies, plaats voor woord en wederwoord, etc. Een derde partij kan verdedigen dat wetenschappelijke prioriteiten bepaald moeten worden door het parlement of door de regering, waarbij de beslissingsprocedure ook aandacht moet besteden aan continuïteit, aan minderheidsgroepen, oppositiepartijen, etc. Een dergelijke onenigheid tussen partijen kan ons ten minste helpen om bewust te kiezen voor een beslissingprocedure en tegemoet te komen aan de nood aan duidelijkheid en transparantie. Hopelijk worden de hierboven beschreven nadelen van een elitaire of vermakte onderzoeksagenda daarbij in rekening gebracht.

Besluiten

Vlaanderen doet duidelijk een inspanning om meer geld te besteden aan onderzoek en ontwikkeling en dat is goed. We omarmen de kennismaatschappij. De volgende stap bestaat erin een duidelijke visie te ontwikkelen waaraan we dat geld zullen besteden. De initiatieven die de verschillende ministers genomen hebben, zijn ofwel zeer sterk persoonsgebonden (men investeert in de wetenschapper, eerder dan in een wetenschappelijk project) of focussen zich op vermarkting, op het ten gelde maken van wetenschappelijk onderzoek. Er is meer nodig.
Bijna alle politieke partijen spreken zich uit pro kennismaatschappij en ze willen meer geld besteden aan wetenschap. Dat is goed. Maar het wordt tijd om de volgende stap te zetten. Wat moeten de prioriteiten van ons wetenschappelijk onderzoek zijn? En op welke manier beslissen we over de eigenlijke verdeling van publieke onderzoeksgelden? Stellen dat enkel wetenschappelijke commissies weten wat eerst op de agenda moet, is achterhaald. Daarenboven heb ik kort geïllustreerd dat noch de wetenschap, noch de democratische samenleving gebaat zijn bij een totale vermarkting. De onzichtbare hand slaat in plaats van te zalven. Laat politieke partijen de hand zichtbaar maken.
Samengevat: hoog tijd voor een grondig debat over wetenschapsbeleid.

Jeroen Van Bouwel
Postdoctoraal Onderzoeker FWO Wetenschapsfilosofie

Noten
1/ Ik kan niet onmiddellijk een rationeel argument vinden waarom we juist Vlaamse toponderzoekers moeten terughalen: eigen volk eerst? Daarenboven zijn die mogelijk niet enkel gevlucht omwille van een gebrek aan geld, maar ook omwille van een gebrek aan mogelijkheid tot meerjarenplanning (in de hand gewerkt door de weinig transparante besluitvormingsprocessen in vele Belgische wetenschappelijke commissies, omgeven door de weeë geur van nepotisme).
2/ Vrouwen, minderheden, enz. zijn in het verleden over het hoofd gezien bij het bepalen van de wetenschappelijke agenda: typisch vrouwelijke ziektes waren niet belangrijk genoeg om onderzocht te worden, ziektes die zich enkel in ontwikkelingslanden manifesteerden, kregen ook beduidend minder aandacht, etc. Zie o.a. Sandra Harding (ed.) (1993) voor uitgewerkte voorbeelden.
3/ Ter informatie: het FWO verdeelde in 2004 116 miljoen euro (90% hiervan gefinancierd door de Vlaamse Gemeenschap). Het is de Raad van Bestuur van het FWO (samengesteld uit rectoren, vice-rectoren en een aantal gecoöpteerde leden) die de uiteindelijke beslissingen neemt over de (evenwichtige) toekenning van onderzoeksgelden en hij baseert zich daarbij op de adviezen van de wetenschappelijke commissies. Er zijn 31 wetenschappelijke commissies (verdeeld over de verschillende disciplines) telkens samengesteld (door coöptatie) uit 14 vooraanstaande academici, 6 Vlamingen en 8 niet-Vlamingen, waaronder minstens 2 buitenlanders (meer informatie kan worden gevonden op www.fwo.be).
4/ De Bayh-Dole Act uit 1980 (goedgekeurd door het Amerikaans Congres) laat privébedrijven toe om de winsten op te strijken van publiek gefinancierd onderzoek.
5/ Er zijn nog heel wat meer problemen met het onafhankelijk testen van nieuwe geneesmiddelen. Farmaceutische bedrijven doen er alles aan om testen die mogelijk wijzen op negatieve gevolgen (bijv. de relatie tussen Prozac en zelfdoding) te onderdrukken. Dit is uiteraard noch in het belang van de wetenschap, noch in het belang van de samenleving. Maar de bedragen die op het spel staan, zijn enorm (zie Brown, 2005).
6/ Ook andere belangengroepen - vakbonden, werkgevers, milieugroepen, etc. - mogen hun stem verheffen, uiteraard.

Literatuurverwijzingen
- Angell M. (2004). The truth about the drugs companies: how they deceive us and what to do about it. New York: Random House.
- Brown J.R. (2005). ‘The Community of Science®‘ Paper presented at the 31th Annual Philosophy of Science Conference (Inter-University Institute Dubrovnik, Kroatië).
- Drazen J.M. and G.D. Curfman (2002). ‘Editorial’, The New England Journal of Medicine, 346 (24), 1901-02.
- Harding S. (ed.). (1993). The ‘racial’ economy of science: toward a democratic futu-re. Bloomington: Indiana University Press.
- Kitcher Ph. (2001). Science, truth, and democracy. Oxford: Oxford University Press.
- Van Bouwel J. (2005). ‘Dealing with the economics ‘takeover’. Epistemic problems to be solved by science policy.’ Paper presented at the 31th Annual Philosophy of Science Conference (Inter-University Institute Dubrovnik, Kroatië).
- Van Bouwel J. and E. Weber (2002). ‘Remote Causes, Bad Explanations?’ Journal for the Theory of Social Behaviour, 32(4), 437-449.

wetenschapsbeleid - wetenschappelijk onderzoek

Samenleving & Politiek, Jaargang 12, 2005, nr. 8 (oktober), pagina 12 tot 18