Abonneer Log in

Schijnhuwelijk strafbaar, een maat voor niets?

Samenleving & Politiek, Jaargang 12, 2005, nr. 8 (oktober), pagina 25 tot 27

Binnenkort zal in het Parlement een wetsontwerp worden besproken dat schijnhuwelijken bestraft met een gevangenisstraf tot één jaar. Zonder twijfel zal het Parlement dit wetsontwerp dat schijnhuwelijken criminaliseert tot wet stemmen. Een kordaat en stoer beleid moet maar komaf maken met het misbruik van het huwelijk. Bij het inzetten van deze zware wapens in de strijd tegen ongewenste immigratie wordt collateral damage ingecalculeerd. De immigratiemoeheid en het steeds killer maatschappelijk klimaat maakt dat deze neveneffecten nog nauwelijks aandacht krijgen. Bonafide immigranten kunnen getroffen worden in hun rechten. Tegelijk wordt het opbod aan drastische maatregelen tegen immigratie en de daarbij horende flinke taal van de autoriteiten een dagelijkse show. Een spektakel dat elke realistische omgang hypothekeert met de uitdaging die immigratie voor de eenentwintigste eeuw inhoudt.

Met het criminaliseren van huwelijken zal de wetgever een nieuwe stap zetten in de (gerechtvaardigde) strijd tegen schijnhuwelijken. In de jaren negentig, in het kielzog van het repressiever immigratiebeleid, werd het huwelijk als immigratiepoort voor het eerst geproblematiseerd. Op basis van een onduidelijke regelgeving werd toen wat geïmproviseerd, maar tegelijkertijd werd de wetgevende macht gemobiliseerd om een ingrijpende wijziging van het Burgerlijk Wetboek door te voeren. Sinds 2000 legt de wetgever de ambtenaar burgerlijke stand op de huwelijksintentie na te gaan. Indien blijkt dat met het voorgenomen huwelijk geen duurzame levensgemeenschap wordt nagestreefd, mag de gemeentelijke ambtenaar weigeren het huwelijk te voltrekken. Bij deze weigering kunnen de kandidaat-trouwers zich beschermen tegen administratieve willekeur door beroep aan te tekenen bij de rechter. Tegelijkertijd wordt vanaf 2000 het schijnhuwelijk erkend als grond voor nietigverklaring van een huwelijk. De (revolutionaire) wetswijziging van 2000 werd nog niet geëvalueerd en nu wordt met een strafrechtelijke aanpak een tweede stap gezet in het beteugelen van schijnhuwelijken. Liggen niet eerder politiek spektakel dan bestuurlijke ernst aan de basis van deze radicalisering? Is het niet vooral locale politieke profilering die deze plotse versnelling in de hand heeft gewerkt?
Jaarlijks worden een paar honderd huwelijken geweigerd door ambtenaren burgerlijke stand. Bijna de helft van de paren die de ambtenaar niet in de echt wenst te verbinden gaat in beroep. Bevoorrechte getuigen wijzen erop dat paren die tegen de weigering in beroep gaan van de rechter vaak gelijk krijgen. Rechters blijken strengere maatstaven inzake bewijsbaarheid van het schijnkarakter van een huwelijk te hanteren dan ambtenaren. De gemeentelijke strijd tegen schijnhuwelijken ontspoort soms. Vele ambtenaren van de burgerlijke stand van (vooral kleine) gemeenten menen, gemakshalve, dat het ontberen van geldige verblijfsdocumenten van een van de huwelijkspartners voldoende grond is om de huwelijkssluiting te weigeren. Deze ambtenaren maken hierbij in geen enkele mate gebruik van hun bevoegdheid om te verifiëren of beide personen een duurzame levensgemeenschap willen aangaan. Ook in de steden zijn aanstaande echtgenoten, indien een van de twee geen onbeperkt legaal verblijf heeft, ook collectief verdacht. Stelselmatig worden deze koppels uitgenodigd voor een gesprek over hun huwelijksintentie. Dergelijke gesprekken ontaarden soms in urenlange verhoren waarbij de kandidaat-trouwer zijn onschuld (en liefde) moet bewijzen. Deze houding is in wanverhouding tot het ten laste gelegde element en in tegenstrijd met het basisprincipe van onze samenleving dat iedereen onschuldig is tot het tegendeel bewezen is. Dat elk huwelijk met een vreemdeling zonder verblijfsstatus als verdacht wordt beschouwd, betekent een (verdoken) criminalisering van deze huwelijken.
Voor de rechter kan het louter verwijzen naar het illegale karakter van het verblijf niet volstaan om te besluiten tot een schijnhuwelijk. De illegale verblijfspositie van een van de partners betekent immers niet noodzakelijk dat een huwelijk geveinsd is. Dat het huwelijk ook een voordelig effect heeft op de verblijfspositie van een vreemdeling en medebepalend is voor het sluiten van een huwelijk brengt de rechter niet automatisch tot het besluit dat het om een schijnhuwelijk handelt. Het hart en de rede kunnen, volgens de rechter, immers goed samenleven. Het verblijfsrechtelijk oogmerk vormt dus op zich geen voldoende reden om een huwelijk tot een schijnhuwelijk te diskwalificeren. Het is allesbehalve eenvoudig gebruik en misbruik van elkaar te onderscheiden.
Het beleid is tot nu toe vooral gericht op het voorkomen van schijnhuwelijken. De preventieve controle kan omzeild worden door in het buitenland te huwen. De wet heeft de rechterlijke macht echter ook de mogelijkheid gegeven een (schijn)huwelijk nietig te verklaren. Bij de overkomst naar België van een nieuwe huwelijkspaar kan het parket een onderzoek opstarten naar dit huwelijk. Zoals de tabel aangeeft worden sinds het einde van de jaren negentig jaarlijks een vijftigtal huwelijken die in het buitenland zijn afgesloten, nietig verklaard. De wetwijziging van 2000 heeft dit cijfer niet opgetrokken, integendeel zelfs.

Tabel: Aantal nietigverklaringen van huwelijken afgesloten in het buitenland 1

Een vordering tot nietigverklaring wordt veelal ingespannen door de partij die een verblijfsrecht heeft in België tegen de vreemde partner die dit verblijfsrecht nog niet heeft. De vordering tot nietig verklaren van (schijn)huwelijken kan echter voortspruiten uit de wens van een van de partners om een eenvoudige echtscheiding te verkrijgen. Wanneer de verwachtingen die een van de partners na een huwelijk had in het gehuwd samenleven niet worden ingelost, kan het inroepen van ‘een huwelijk om de papieren’ snel en eenvoudig een echtscheiding bewerkstelligen. De nietigheidssanctie maakt overigens ook dat de geïmmigreerde partner het land moet verlaten, een ‘voordeel’ dat de echtscheiding niet oplevert. De rechtbanken zijn in de regel voorzichtig bij de nietigverklaring, vanuit de bekommernis dat deze niet mag ontaarden in een alternatieve echtscheidingsprocedure. Slechts weinig vorderingen tot nietigverklaring worden ingespannen door de parketten. Enkel het parket van Antwerpen en Dendermonde nemen blijkbaar dergelijke initiatieven. Voor een overbevraagde rechterlijke macht is de nieuwe bevoegdheid die hen in 2000 toegekend werd blijkbaar een maat voor niets geworden. Zal de strafbaarheidstelling daaraan iets veranderen?
Een opvoeren van de ingezette middelen in de strijd tegen schijnhuwelijken kan slechts voorwaardelijk toegejuicht worden. Het aanscherpen van het repressief beleid door een bestraffing te voorzien voor schijnhuwelijk zal het probleem van de bewijsvoering niet vereenvoudigen, maar zal wel de verdachtmakingen aanscherpen. Bescherming moet worden ingebouwd tegen de (verdoken) criminalisering van huwelijken met buitenlanders. De spanning tussen de bewijslast en de gecreëerde verwachtingen om voor eens en altijd een einde te stellen aan de misbruiken van het huwelijk maakt de kans reëel dat de kwaliteit van de regelgeving zal worden opgeofferd aan de bestrijding van misbruiken. Op die wijze dreigt het huwen als mensenrecht ondergesneeuwd te geraken.
Zeker zo belangrijk is dat de steeds meer opgedreven strijd tegen schijnhuwelijken inspeelt op irrealistische verwachtingen van absolute beheersing van immigratie. De migratiedruk zal niet afnemen met een strenger toezicht op het privéleven van partners van mensen zonder papieren. Irrealistische verwachtingen - verwachtingen die de maakbaarheid van onze samenleving schromeloos overschatten en die alles wat het beleid ontglipt als levensbedreigend beschouwen - kunnen snel leiden tot een ongenuanceerde strijd tegen misbruiken.
Het recht op huwen moet gegarandeerd blijven. Het onderzoek naar schijnhuwelijken moet snel en adequaat worden uitgevoerd en hiertoe is goed opgeleid gemeentelijk personeel noodzakelijk. Enkel dan kan de zijdelingse schade worden beperkt die de strijd tegen schijnhuwelijken berokkent aan bonafide paren. De vraag is of de overheid deze bekommernis deelt en bereid is naast een snelle wetswijziging ook financiële middelen op te hoesten om de kwaliteitsvolle uitvoering van de wet te verzekeren. Voor de politiek lijkt de electorale winst die geboekt kan worden met de vlucht vooruit lonender dan een beleid dat het recht op huwen beschermt.

Frank Caestecker2
Medewerker Stichting Gerrit Kreveld
Bertrand Vrijens2
Advocaat

Noten
1/ Alle huwelijken die in het buitenland gesloten werden en nietig verklaard worden moeten in België, conform met de wet van 20.7.1962 overgeschreven worden in de registers van de Burgerlijke Stand van Brussel. Deze cijfers verwijzen vanaf 2001 enkel naar nietigverklaringen van huwelijken aangegeven in het buitenland. Hoogstwaarschijnlijk is dat ook het geval voor de cijfers van voor 2001. Huwelijken konden voor de wetswijzigingen van 2000 nietig verklaard worden enkel omwille van dwaling en geweld.
2/ Auteurs van Huwelijksmigratie, een zaak voor de overheid? (zopas verschenen in de reeks Minderheden in de samenleving bij Acco, in samenwerking met de Stichting Gerrit Kreveld)

schijnhuwelijk - huwelijksmigratie

Samenleving & Politiek, Jaargang 12, 2005, nr. 8 (oktober), pagina 25 tot 27