Abonneer Log in

Welke toekomst voor Europa?

Samenleving & Politiek, Jaargang 12, 2005, nr. 8 (oktober), pagina 44 tot 51

De Europese Unie aan de vooravond van veel moeilijkheden?

Niemand had twintig jaar geleden durven voorspellen dat de toenmalige EEG (nu Europese Unie) zich zo snel zou uitbreiden naar het oosten. Niet iedereen is evenwel gelukkig met deze evolutie. In een artikel in De Morgen wijst Karel Van Miert op het gevaar dat het met zoveel landen moeilijker wordt een gemeenschappelijk standpunt te bereiken (DM, 21 december 2004, p.5). In het ontwerp van grondwet werd voorzien dat een hele reeks voorstellen in de ministerraad met gewogen meerderheid kon worden aangenomen. Dit was van aard de werking van de EU te vergemakkelijken. Na de overwinning van de tegenstanders in de referenda in Frankrijk en Nederland is de kans gering dat die grondwet nog wordt aangenomen. Dit houdt in dat de eenparigheid vereist wordt voor vele beslissingen, hetgeen moeilijk haalbaar is met 25 lidstaten.
Vanuit zuiver economisch standpunt beschouwd is er weinig in te brengen tegen de voordelen van de expansie. Alle Oost-Europese landen hebben een lager inkomen per hoofd dan de West- en Noord-Europese lidstaten. De subsidies die ze van de Europese Unie zullen ontvangen voor hun landbouw en de uitbouw van hun basisstructuren (verkeerswegen, elektrische centrales, onderwijs- en gezondheidsinstellingen) zijn van aard hun agrarische en industriële ontwikkeling te bevorderen. De levensstandaard van hun bevolking zal verhogen. Gezien de invoerrechten worden afgebouwd, zullen veel kwaliteitsproducten in de oude lidstaten worden aangekocht. Ook voor de nodige investeringen in de infrastructuur zullen de Oost-Europese landen beroep doen op West-Europese bedrijven. Deze kunnen meestal gemakkelijk hun productie verhogen. De toename van het aantal lidstaten kan bijgevolg een hoogconjunctuur op gang brengen.
Dit belet evenwel niet dat alle Europese landen worden geconfronteerd met een reeks problemen, nl.:
1) Veel producties zijn minder arbeidsintensief geworden en dat leidt tot afdanking van vooral oudere arbeiders. Deze vinden moeilijk werk in de geïnformatiseerde producties. Ook veel jongeren hebben het moeilijk met de eisen die moderne bedrijven stellen. De daling van de tewerkstellingsgraad wordt gedeeltelijk opgevangen door de uitbreiding van de tewerkstelling in de dienstensectoren en in sommige nieuwe nijverheden. Niettemin is in bijna alle lidstaten de werkloosheid toegenomen.
2) De snelle economische ontwikkeling in nieuwe industrielanden met lage lonen verwekt delocalisaties van arbeidsintensieve bedrijven, wat eveneens bijdraagt tot een stijging van de werkloosheid in de oorspronkelijke lidstaten.
3) De buitenhuise tewerkstelling van gehuwde vrouwen zet ze ertoe aan hun aantal kinderen te beperken. Dit zorgt voor een daling van het geboortecijfer. Samen met de sterke vooruitgang van de geneeskunde geeft dit aanleiding tot een groter aantal gepensioneerden in verhouding tot de actieve bevolking.
4) De toename van het aanbod van nieuwe en betere verbruiksgoederen doet een behoefte aan consumptieve uitgaven ontstaan. Velen hebben de indruk dat hun netto inkomen onvoldoende is om zich alle goederen en diensten aan te schaffen waarop ze menen aanspraak te mogen maken. Dit zet veel politici ertoe aan belastingsverminderingen te beloven. Gezien de hogere pensioenlasten en de oplopende uitgaven voor sociale subsidies, gezondheidszorg en onderwijs geeft dit aanleiding tot tekorten op de begroting. De meeste lidstaten van de EU kampen nu met zo’n tekort. Het leidt tot een hogere overheidsschuld en een toenemende rentelast. Dat maakt het in de toekomst nog moeilijker om de begrotingen in evenwicht te brengen. Veel politici zijn niet bereid oplossingen voor deze problemen uit te werken, die opofferingen vergen vanwege leden van hun achterban (M.Eyskens, sept. 2004, pp.20-24). Ze verkiezen eenmalige maatregelen om het deficit af te bouwen of te beperken zoals de verkoop van overheidsgebouwen, privatiseringen van overheidsbedrijven en het toekennen van een belastingsvermindering bij vervroegde betaling. Er heerst een gebrek aan voorstellen voor maatregelen om de hierboven vermelde problemen op te lossen op lange termijn. Hierdoor is het moeilijk te voorzien hoe Europa er economisch en sociaal zal uitzien over 20 en 40 jaar. Twee visies treden op de voorgrond, nl. een liberale en een sociaaldemocratische.

De liberale visie op het toekomstig Europa

Deze visie werd het best uitgewerkt door de Nederlandse auteurs R.de Mooij en P.Tang in hun studie over vier mogelijke scenario’s voor de toekomst van Europa in 2020 en 2040.
Ze gaan uit van twee veronderstellingen nl.:
a) de vrije markteconomie leidt tot een snelle economische groei maar ook tot een ongelijke inkomensverdeling. Indien de overheid door financiële maatregelen (belastingen en subsidies) en reglementeringen (b.v. minimale lonen, hoge afdankingsvergoedingen) een grotere inkomensgelijkheid bereikt, zorgt dit voor een tragere economische groei;
b) de liberalisering van de internationale handel en van de investeringen bevordert de economische groei. Indien de regeringen van de lidstaten vasthouden aan hun soevereiniteit inzake economische beslissingen blijft de invloed van de belangengroepen groter. Die zetten de regeringen onder druk door te dreigen met delocaliseringen of het afzien van investeringen in de betrokken natie. Nationale regeringen zijn daarom geneigd fusies toe te staan en investeringen van multinationale bedrijven uit te lokken door lagere belastingen of subsidies. Het Eurocommissariaat voor de mededinging treedt sedert het begin van de jaren negentig op tegen overheidssubsidies (J. Eekhoff, 2004, pp 38-42). Indien een grote onderneming met veel werknemers dreigt failliet te gaan neemt de Commissie in de regel genoegen met een gedeeltelijke afbouw ten einde een sterke toename van de werkloosheid uit de weg te gaan. Dit is o.m.de oplossing waarvoor men zal kiezen in de crisis van de Spaanse scheepsbouw. De meeste bedrijven worden overgenomen door de maatschappij Izar, die 659 miljoen euro steun zal ontvangen. De overige scheepswerven zullen verdwijnen (EP. 24 dec. 2004, p.62 en 21 jan. 2005, p.56). Wat de fusies betreft, de EU-commissie moet deze goedkeuren maar wordt dikwijls geplaatst voor een moeilijke keuze. Fusies laten in de regel de bedrijven toe een grotere efficiency te bereiken. Dit leidt tot lagere kosten en soms tot lagere prijzen ten voordele van de verbruikers. De meeste fusies worden daarom goedgekeurd.
Naargelang de overheid veel of weinig tussenkomt en de internationale handel al of niet wordt geliberaliseerd, onderscheiden de auteurs vier mogelijke scenario’s:

Overeenkomstig hun veronderstellingen zou de hoogste groei bereikt worden in de globale economie. De ontwikkeling van de productie wordt dan niet gehinderd door overheidsingrepen en de macht van belangengroepen wordt in toom gehouden door het vrijhandelsverkeer en het mededingingsbeleid van de EU-commissie.
Komt de overheid regelmatig tussen in o.m. de inkomensverdeling maar is er een liberalisering van het handelsverkeer en de investeringen, dan ontstaat een sterk Europa. De auteurs veronderstellen nl. dat voormelde liberalisering gepaard zal gaan met een grotere samenwerking binnen de EU van regeringen en bedrijven. De groei is dan iets geringer maar de overheden beperken de verschillen in inkomen.
Beide scenario’s zijn moeilijk verwezenlijkbaar op korte of zelfs op middellange termijn. Zoals Karel van Miert voorhoudt is de snelle expansie van de EU een hinderpaal voor het tot stand komen van een gemeenschappelijk economisch, fiscaal en sociaal beleid. De nieuwe lidstaten zijn b.v al evenmin als Groot-Brittannië bereid de belastingen en sociale lasten van de bedrijven op te trekken tot een niveau dat in de meeste andere lidstaten van toepassing is. Ze wensen de lasten voor de bedrijven zo laag mogelijk te houden om naar het voorbeeld van de Britten buitenlandse investeringen aan te trekken. Zonder fiscale en sociale harmonisatie kunnen evenwel de regeringen moeilijk optornen tegen de macht van de grote multinationale bedrijven. Deze beslissen waar bepaalde producties zullen plaatsgrijpen. Ze kunnen een links bewind, dat hoge belastingen en sociale bijdragen heft, confronteren met stijgende werkloosheid.
De scenario’s die het meest kans maken zijn bijgevolg deze met behoud van een ruime mate van nationale soevereiniteit of met een grote mate van vrijhandel tussen Europa en de Verenigde Staten, hetgeen de auteurs aanduiden als de Transatlantische maatschappij. Na de Tweede Wereldoorlog scheen zo’n wereldorde tot stand te komen. De Amerikaanse multinationals richtten talrijke filialen op in de lidstaten van de EU. Omgekeerd hebben Europese firma’s (Nestlé, Delhaize, Solvay e.a.) bedrijven opgericht in de Verenigde Staten. Daarenboven werd veel kapitaal van Europese personen en bedrijven belegd in Amerikaanse aandelen en obligaties. Die leveren in de regel een hoger rendement op dan de Europese waardepapieren. De sterke daling van de wisselkoers van de dollar ten opzichte van de euro in de loop van de jaren 1999-2004, maakte het minder voordelig geld in de Verenigde Staten te investeren. Dit leidde tot repatriëringen van Europees kapitaal en de afbouw van Amerikaanse bedrijven in Europa, waar de lonen en sociale lasten in dollar omgerekend te hoog waren. Na de recente twisten onder de lidstaten over de EU-begroting, is het vertrouwen in de toekomst van Europa gedaald. De meeste lidstaten kampen met een deficit op hun begroting en trachten hun bijdrage tot de uitgaven van de EU te verminderen. Dit heeft geleid tot misnoegdheid bij de Europarlementsleden van de nieuwe lidstaten. Deze verwachtten gulle giften aan hun respectievelijke landen vanwege de EU en zien deze verwachtingen nu in rook opgaan. Het is nog niet duidelijk of de ongunstige vooruitzichten in Europa zullen leiden tot een herneming van de investeringen en beleggingen door Europese bedrijven en particulieren in de Verenigde Staten. Van de diverse scenario’s heeft dus dit van de regionale communauteiten de grootste kans zich te realiseren, maar een evolutie naar een Transatlantische maatschappij is niet uit te sluiten. Volgens de berekeningen van de auteurs zou bij evolutie naar eerstgenoemd scenario de jaarlijkse economische groei van 2000 tot 2040 slechts 0,8% bedragen tegen 1,9% bij evolutie naar een Transatlantische maatschappij en 2,1% bij deze naar een globale economie (Ibidem, pp 195-196).
Dit houdt in dat in tegenstelling tot wat in vele liberale kringen wordt beweerd de arbeiders weinig compensatie zullen vinden voor de ongelijke inkomensverdeling in de groei van het nationaal product. Alles wijst er trouwens op dat van de economische groei van de laatste tien jaar niet veel is terechtgekomen bij de werknemers. Het zijn de inkomens van de managers en van de kapitaalverstrekkers die het leeuwenaandeel van de stijging van het nationaal product hebben verworven.
De meeste liberale auteurs zijn van mening dat alleen door het flexibiliseren van de arbeidsmarkt een groot aantal delocalisaties van bedrijven naar lageloonlanden kan worden voorkomen. De Duitse professor J.Eekhoff heeft in opdracht van de EU een onderzoek ingesteld naar maatregelen om de arbeidsmarkt te flexibiliseren en de werkloosheid te doen dalen. Hij komt op tegen collectieve loonovereenkomsten, zoals ze gebruikelijk zijn in meerdere Europese staten zoals Duitsland, Zweden, België e.a. De vakbonden verdedigen volgens hem de belangen van hun leden en bekommeren zich weinig om het verschaffen van werk aan de werklozen. De patroons zijn niet tegen werkloosheid want die drukt de lonen. Hij is ook gekant tegen de talrijke reguleringen uitgevaardigd door de regeringen om het afdanken van arbeiders te bemoeilijken. Dergelijke voorschriften zetten de bedrijfsleiders ertoe aan nieuwe aanwervingen te vermijden en in periodes van hoogconjunctuur de productie te verhogen door beroep te doen op overuren. Hij meent dat arbeidskrachten uit de nieuwe lidstaten de kans moeten krijgen werk te aanvaarden in de andere lidstaten en dit tegen de werkvoorwaarden die in hun eigen land gelden. Dit zou betekenen dat ze in de regel zouden werken tegen lagere lonen dan deze van hun autochtone collega’s. Het is duidelijk dat al deze voorstellen van aard zijn de inkomensongelijkheid te verhogen (J.Eekhoff, 2004, pp. 95-96).

Een sociaaldemocratische visie op de toekomst van Europa

Een dergelijke visie werd uitgewerkt door B.Tuyttens in een memorandum gepubliceerd in 2004. Hij wijst erop dat de groeivoet van het bruto binnenlands product (bbp) per hoofd geen goede maat is voor de duurzame ontwikkeling (B.Tuyttens, 2004, ‘Dat taaltje van de economisten’, p.2). Het bbp bevat veel kosten die niet bijdragen tot de welvaart en verwaarloost diensten (b.v. de prestaties van huisvrouwen) die wel een bijdrage leveren. Zelfs als men het bbp per hoofd in 2004 als maat aanvaardt, blijkt de groeivoet van landen met een hoge belastingsdruk zoals Zweden (50,8%) en Denemarken (49%) niet geringer dan die van landen zoals Groot-Brittannië (35,3%) en Spanje (38,8%) waar die belastingsdruk lager is (TT, 4 nov. 2004). Van Zweden werd de groei van het bbp in 2004 op 3,7% geschat, van Denemarken op 2,2%, van Groot-Brittannië op 3,3% en van Spanje op 2,6% (IMF, Statistical Annex, Autumn 2004, p.117). Om de economische toekomst te evalueren is vooral de competitiviteit van de bedrijven uit de betrokken landen belangrijk. Volgens het World Economic Forum is Finland in de EU het meest competitief, gevolgd door Zweden en Denemarken. Groot-Brittannië bekleedt slechts de 7de plaats en Spanje de 13de (LE, 14 okt.2004). Groot-Brittannië behaalt goede cijfers inzake macro-economisch beleid en commerciële omgeving maar verliest punten door zijn gebrek aan degelijke infrastructuren (FT, 14 okt. 2004). Spanje boet in aan competitiviteit door een onderwijssysteem dat niet is aangepast aan de behoeften van een industriële gemeenschap. Amper 6% van de overheidsuitgaven van 2005 zijn voorzien voor onderwijs en 25% van de leerlingen van het lager onderwijs bereikt er niet de vereiste basiskennis inzake lezen en rekenen (EP, 13 dec. 2004, pp. 36 en 37). In Finland daarentegen volgt een kwart van de studenten van het secundair onderwijs een technische opleiding. Veel goed opgeleide technici vinden er werk in de wetenschappelijke laboratoria van de universiteiten, die regelmatig opdrachten ontvangen van bedrijven (B.Tuyttens, 2004, ‘Wetenschappelijk Onderzoek’, p.2).
Volgens B.Tuyttens is het voor de toekomst van Europa noodzakelijk dat de lidstaten, zoals overeengekomen in 2000 in Lissabon, minstens 3% van hun bbp aan wetenschappelijk onderzoek wijden. Alleen dan kan de EU ‘de meest concurrerende en dynamische kenniseconomie van de wereld’ worden (Ibidem, p.4). Tuyttens is er zich evenwel van bewust dat wetenschappelijk onderzoek alleen niet volstaat. De resultaten van het onderzoek moeten een toepassing vinden niet alleen in de productieprocessen maar ook in het maatschappelijk leven. Hij wijst erop dat de informatie zich snel verspreidt. Meer en meer mensen krijgen hierdoor de kans zich intellectueel te ontwikkelen. Ze dragen naderhand bij tot het verder opvoeren van de creativiteit op alle terreinen van de wetenschap en de cultuur (Ibidem p.8). Meteen bevordert de kenniseconomie het doorbreken van de traditionele klassenpatronen. Kinderen uit arme milieus krijgen de kans om te studeren en hogere posities in te nemen dan hun ouders (Ibidem, p.8). In zijn conclusies stelt hij dat zo’n gunstige evolutie een bestendige tussenkomst vereist van de overheid.Alleen als ze een supranationaal karakter verwerft kan ze opwegen tegen de multinationale maatschappijen. Door b.v. een harmonisatie van de belastingen en de sociale lasten kan men voorkomen dat deze maatschappijen een mededinging uitlokken tussen de lidstaten om door lagere belastingen en sociale lasten vreemde investeringen aan te trekken (Ibidem, Besluiten, pp.6-8).

Europa op weg naar een economische stagnatie?

Bij de problemen waarmee de Europese staten tijdens de laatste jaren werden geconfronteerd, hebben zich twee nieuwe gevoegd: de stijging van de petroleumprijzen en de concurrentie van nieuwe grote industrielanden. De sterke stijging van de petroleumprijzen bracht een inflatie op gang. Deze overschrijdt in de meeste lidstaten reeds de 3%. De lonen stijgen in de regel minder dan de prijzen. Daarenboven vrezen veel werknemers dat ze zullen afgedankt worden door de besparingen doorgevoerd in de ondernemingen. Dit zet hen ertoe aan hun aankopen van dure verbruiksgoederen als auto’s, huishoudapparaten, televisietoestellen, radio’s en andere even uit te stellen. Hierdoor is de binnenlandse vraag naar consumptiegoederen in de meeste lidstaten gedaald. Daarenboven worden meer goedkope consumptiegoederen ingevoerd uit lageloonlanden wat leidt tot een verdere beperking van de afzetmogelijkheden van binnenlandse producenten. Vooral in Duitsland wordt geklaagd dat de binnenlandse vraag stagneert en het bruto binnenlands product nog nauwelijks toeneemt. Europa dreigt terecht te komen in stagflatie: een combinatie van lage economische groei met prijsstijgingen. De aangroei van de invoer van klederen uit China wordt verantwoordelijk gesteld voor een felle achteruitgang van de kledingsnijverheid in verschillende lidstaten. De invoer van Chinese truien in de Europese Unie is na de opheffing van het internationaal vezelakkoord tijdens de eerste vier maand van het jaar toegenomen met 187% ten opzichte van 2004 (EP, 18 mei 2005, p.15). De prijzen van die truien daalden met ongeveer 35%.
De Eurocommissaris voor de handel, de Brit Peter Mandelson, zorgde er in juni voor dat de Chinese overheden een nieuw quotasysteem aanvaardden. Toen bleek dat het quotum voor 2005 voor truien reeds was uitgeput. Veel distributiebedrijven hadden truien ingevoerd, die ze niet meer konden dedouaneren. Het hoofd van een Zweedse firma, die 30% van haar kleren uit China betrok, verklaarde dat dit quotasysteem hem niet verontrustte. Hij kon de truien verder invoeren langs Noorwegen, dat geen quota’s toepaste (FT, 17 aug. 2005, p.5). Dit toont aan hoe moeilijk het is de invoer van bepaalde goederen aan banden te leggen.
Door de talrijke problemen waarmee de Europese lidstaten worden geconfronteerd, zal hun groeiratio tijdens de volgende decennia lager zal zijn dan die van de Verenigde Staten, China, India en Brazilië. Volgens de Amerikaanse firma Goldman Sachs zal het bruto nationaal product van China in 2050 dat van de Verenigde Staten overtreffen. India zal de derde plaats bekleden en Europa zal teruggezakt zijn tot de vierde (LV-LE 29 juli 2005).
Er ontbreekt een duidelijk door alle lidstaten aanvaard project om de stagnatie van de Europese economie tegen te gaan. De meeste vooraanstaande politici wensen meer EU-geld te besteden aan wetenschappelijk en technologisch onderzoek. De nieuwe voorzitter van de EU-commissie, de Portugees José Manuel Barroso, bepleitte op het congres van regeringsleiders, bedrijfshoofden en academici te Davos een poging om de in 2000 te Lissabon afgesloten overeenkomst nieuw leven in te blazen. Deze overeenkomst voorzag dat de lidstaten 3% van hun bbp zouden besteden aan wetenschappelijk en technologisch onderzoek. Er waren geen sancties voorzien tegen de lidstaten die deze overeenkomst niet zouden naleven. De meeste regeringen hebben deze beslissing naast zich neergelegd (EP, 3 feb. 2005, p.54).
Hoe Barroso de verhoging van de gelden voor wetenschappelijk en technologisch onderzoek wil bereiken blijkt uit zijn redevoering op een bijeenkomst van de Consejo de cooperación económico. In deze raad, samengesteld uit bedrijfsleiders van Frankrijk, Italië, Spanje en Portugal, stelde hij voor een belastingsvermindering van 10 tot 15% toe te staan aan bedrijven die voldoende geld besteden aan onderzoek. Zo zouden 2/3 van die 3% gedekt worden door privé-investeringen (EP, 1 feb. 2005, p.54).
Een dergelijke liberale oplossing verschaft een fiscaal voordeel aan bedrijven die onderzoek financieren met uitsluitend commerciële doeleinden. Als bijvoorbeeld wordt gezocht naar een nieuw geneesmiddel, omdat het brevet op een degelijk geneesmiddel zal vervallen, vloeit hieruit voor de maatschappij geen enkel voordeel.
De Britse premier, Tony Blair, sprak zich in een redevoering voor het Europese parlement eveneens uit voor een opvoering van het wetenschappelijk en technologisch onderzoek. Hij verklaarde zich bereid af te zien van de zgn. Britse cheque indien in de EU-begroting voor de periode 2007-2013 minder geld zou worden voorzien voor de landbouw en meer voor het wetenschappelijk en technologisch onderzoek. Deze cheque bedraagt nu ongeveer 5 miljard euro, die in mindering worden gebracht van de normale bijdrage van Groot-Brittannië.
Voor 2005 wordt 36,4% van de EU-uitgaven bestemd voor de landbouw tegen slechts 7,8% voor onderzoek, verkeer, binnenlandse veiligheid en cultuur (LM,10 juni 2005, int). Blair verwijt terecht dat een dergelijk beleid activiteiten ondersteunt die beter aan minder ontwikkelde landen worden overgelaten en onvoldoende aandacht besteedt aan industriële sectoren in volle ontwikkeling (EP, 23 juni 2005, int).
Blair, die op 1juli 2005 voorzitter werd van de Ministerraad van de EU stelde voor het beleid in gezamenlijk overleg te herzien. Dit voorstel wordt door de leidende politici met veel scepsis onthaald. Ze herinneren zich dat Blair in 2002 tegenstander was van het voorstel van de toenmalige Eurocommissaris, Franz Fischler, om de subsidies aan de grote landbouwbedrijven te beperken tot een maximaal bedrag (NRC,17-18 sept. 2005, p.27).
De Franse president, Jacques Chirac, wil niet horen van een drastische vermindering van landbouwsubsidies en vindt hiervoor steun bij de Spaanse premier José Luis Zapatero. Ook de Duitse ex-kanselier Gerhard Schröder was tegenstander van een vlugge afbouw der landbouwsubsidies.
Het verzet van Blair tegen de afbouw van de Britse cheque en dit van Chirac tegen deze van de landbouwsubsidies hebben belet dat op de vergadering van de regeringshoofden van de EU-lidstaten in juni 2005 te Luxemburg een begroting voor de periode 2007-2013 kon worden goedgekeurd (EP, 22 juni 2005, int). Het uitblijven van zo’n overeenkomst wekt wantrouwen over de toekomst van de EU met een daling van de wisselkoers van de euro als gevolg.
Chirac reageerde op de voorstellen van Barroso en Blair met de opmerking dat met nieuwe technieken alleen de werkloosheid niet zal dalen. In 1991 bedroeg de werkloosheid in Zweden slechts 4,2% en de openstaande betrekkingen 0,4% van het globale aantal werknemers. In 2000 waren deze percentages opgelopen tot respectievelijk 6,5% en 0,8%. De vraag naar arbeidskrachten was toegenomen maar een groot deel van de werklozen kwam niet aanmerking voor het invullen van de openstaande vacatures (W.Bergström, A. Svennsson en M.Adahl, 2005, pp.15-16). Chirac pleit voor het invoeren naar Deens voorbeeld van een begeleiding van de werklozen, zodat ze zich kunnen voorbereiden op een nieuwe functie. Hij meent dat dit aspect van de overeenkomst van Lissabon door Blair en Barroso wordt verwaarloosd. Hij is nochtans een warm voorstander van een uitbreiding van het onderzoek, maar wenst dit zoveel mogelijk onder controle van de overheid te houden. In samenwerking met andere lidstaten zouden door een Frans agentschap voor industriële innovatie grote projecten worden gefinancierd inzake luchtvaart, biotechnologie, telecommunicatie en chemie (NRC, 5 jan. 2005, p.15). Gezien Frankrijk met een deficit op zijn overheidsbegroting kampt is er voorlopig weinig geld voor dergelijke projecten. De eerste minister Dominique de Villepin verklaarde in juni 2005 volgend jaar twee centra te zullen openen waar Franse en buitenlandse onderzoekers de nodige materiële middelen zouden bekomen om hun onderzoek uit te breiden (LM, 22 juni 2005, int.). Om de jeugdwerkloosheid te bestrijden lanceert hij het project contrats nouvelle embauche. De jongeren, die zo’n contract aangaan behouden hun werklozensteun en krijgen bovenop een partieel loon van de onderneming. Indien ze niet voldoen aan de gestelde eisen, kan de werkgever ze zonder vergoeding ontslaan.
Nicolas Sarkozy, voorzitter van de UMP, de partij van Chirac, wenst bij de volgende presidentsverkiezingen als kandidaat van zijn partij op te treden. Hij verwijt aan Chirac dat hij de UMP wil omvormen tot een tweede socialistische partij. Hij verwerpt een politiek die vooral de ‘uitgeslotenen’ wil helpen en de harde werkers culpabiliseert en hoge belastingen doet betalen (LM, 23 juni 2005, p.8). Sarkozy is ervan overtuigd dat hij de volgende presidentsverkiezingen kan winnen tegen de socialistische kandidaat, de huidige voorzitter van de PS, François Hollande of Laurent Fabius, een ex-eerste minister (Ibidem). Als dit zou gebeuren is de kans gering dat tijdens de volgende jaren Europa volgens een sociaaldemocratisch patroon evolueert. In het tegenovergestelde geval komt er wellicht door samenwerking van de Franse socialisten met een Duitse centrum-regering een Europees beleid tot stand dat de bestendige toename van de materiële ongelijkheden tegengaat.

Gaston Vandewalle
Professor emeritus Universiteit Gent

Bibliografie
- W.Bergström, A.Svensson en M.Adahl, Employment and the Riksbank, Sveriges Riksbank Economic Review, 2005, nr. 1.
- J.Eekhoff, Competitive Policy in Europe, Remedies to cure some of its Problems, Springer, Berlijn, 2004.
- R.de Mooij en P.Tang, Four Futures of Europe, CPB Netherlands Bureau for Economic Policy Analysis, Den Haag, Okt. 2003.
- M.Eyskens, De Houdbaarheid van de Welvaartstaat - de Onmogelijkheid van het Noodzakelijke, Monografie nr.2, Denktank vzw, Antwerpen, Wilrijk, sept. 2004.
- IMF, Statistical Annex, New York, herfst 2004.
- B.Tuyttens, De sociaaldemocratie in al haar staten, Brussel, 2004.

Gebruikte Afkortingen:
DM: De Morgen
EP: El País
EP int: artikel gepubliceerd door El País op Internet.
FT: Financial Times
LM: Le Monde
LM int artikel gepubliceerd door Le Monde op Internet
LV-LE: Le Vif-L’Express
NRC: NRC-Handelsblad.

Europa - Europese grondwet

Samenleving & Politiek, Jaargang 12, 2005, nr. 8 (oktober), pagina 44 tot 51