Abonneer Log in

Generatiepact en gender: een moeilijk te verzoenen duo?

Samenleving & Politiek, Jaargang 12, 2005, nr. 9 (november), pagina 38 tot 42

Niemand twijfelt vandaag nog aan de noodzaak om het eindeloopbaandebat te voeren. Ook vakbondsmensen en vrouwenorganisaties zijn al langer dan vandaag met de vergrijzing begaan. Maar wij hopen dat het generatiepact en gender meer met elkaar gemeen hebben dan hun eerste drie letters. Het eindeloopbaandebat noopt in elk geval tot extra genderwaakzaamheid.

De meeste mensen, ook in vakbondsmiddens en bij vrouwenorganisaties, beseffen heus wel dat ze geleidelijk aan langer - en ook anders - zullen moeten gaan werken. Wat ons de laatste tijd echter stoort in het eindeloopbaandebat is het onbegrip en de eenzijdige houding in bepaalde politieke middens en in sommige media. Een aantal elementen moet in rekening worden genomen, wil het generatiepact niet uitmonden in het louter kunstmatig opkrikken van de activiteitsgraad1 en in een pure financiële ingreep2. Het generatiepact moet een echt tewerkstellingsbeleid inhouden dat waardig werk biedt voor iedereen en niet alleen werknemers en werkzoekenden viseert, maar ook werkgevers voor hun verantwoordelijk plaatst.
Onder druk van vrouwenorganisaties en vakbonden werden een aantal genderaccenten aangebracht. Zo werd onder andere expliciete aandacht gevraagd voor de toepassing van het genderperspectief bij de inschatting van zware en/of eentonige beroepen en bij de bepaling van de voorwaarden die recht geven op (brug)pensioen. Maar we willen nu ook nog spijkerharde garanties dat deze visie ook effectief wordt meegenomen in de uitvoeringsmodaliteiten. Vandaar dat het eindeloopbaandebat tot extra genderwaakzaamheid noopt.

De hervorming van de vrouwenpensioenen: even terug in de geschiedenis

Tijdens het moeizame proces van de totstandkoming van het generatiepact werd door een aantal perscommentatoren geregeld verwezen naar de gelijkaardige situatie eind jaren 1970, begin jaren 1980, toen een aantal besparingsmaatregelen werd doorgevoerd. Slechts een handvol, toevallig of niet, vrouwelijke journalisten legde binnen het kader van dit debat ook de link met de hervorming van de vrouwenpensioenen van 1997.
Inderdaad, in 1990 kon toenmalig Staatssecretaris voor pensioenen Leona Detiège in haar boek Dame op rust. Pensioengids voor de vrouw nog schrijven: ‘Voor vrouwen geldt de loopbaanbreuk om het pensioenbedrag te berekenen. Het verschil is echter dat zij 40 jaar moeten hebben gepresteerd, in plaats van 45 voor de man, om een volledige loopbaan te bereiken.’ Voor vrouwen bedroeg de wettelijke pensioenleeftijd toen nog 60 jaar. Een aantal jaren later, in 1997, werd België echter conform de Europese regelgeving en zogenaamd om de gelijkheid tussen vrouwen en mannen te waarborgen, verplicht om de pensioenvoorwaarden voor vrouwen en mannen gelijk te schakelen. Sedert 1 juli 1997 is de wettelijke pensioenleeftijd voor vrouwen en mannen gelijkgeschakeld tot 65 jaar. De facto betekende deze wijziging voor de vrouwen een inlevering van maar liefst vijf jaar doordat de loopbaanbreuk voor de berekening van hun pensioenbedrag ook, zoals voor mannen, naar 45sten werd gebracht.
Om de bittere pil te doen slikken werden wel een aantal overgangsmaatregelen getroffen en ‘beloftes’ gedaan: zo was er om te beginnen de overgangsregeling voor vrouwen om de overschakeling geleidelijk en niet abrupt te laten verlopen.3 Daarnaast was er de belofte dat de ‘gelijkgestelde periodes’ die in rekening genomen worden voor de pensioenberekening onaangeroerd zouden blijven. Een belofte die men niet gerespecteerd heeft, zo blijkt later. En verder werd ook een nieuwe wet gelijkheid V/M op tafel gelegd en talloze beloftes gedaan om nu eens eindelijk komaf te maken met (in)directe discriminaties van vrouwen op de arbeidsmarkt, zoals de loonongelijkheid.
Velen trokken indertijd aan de alarmbel over de nieuwe pensioenregeling. Getuige onder meer een persartikel in wat toen nog De Financieel Economische Tijd heette op 12 september 1996: ‘De socialistische vrouwengroepen SV en SVV benadrukken in een persmededeling dat een gelijke pensioenberekening voor mannen en vrouwen slechts aanvaardbaar is als deze maatregel gepaard gaat met loongelijkheid. Er moeten absolute garanties komen dat er rekening zal worden gehouden met de minder gunstige beroepsloopbanen van vrouwen en de nog bestaande manifeste loonongelijkheid - ondanks de wettelijke verplichtingen - tussen vrouwen en mannen.’
Terecht, zo blijkt vandaag. Van de beloftes van destijds is niet veel in huis gekomen! Een déjà vu is ons vandaag dan ook niet vreemd.

Oude beloftes moeten nieuwe afspraken worden

We bevinden ons opnieuw in een besparingslogica, in een discussie over de pensioenen - zij het nu ook over de brugpensioenen en niet alleen de vrouwenpensioenen. Wat heeft de vorige pensioenhervorming ons opgeleverd? En welke lessen hebben we hieruit getrokken?
Bijna tien jaar later blijkt dat er van loongelijkheid tussen vrouwen en mannen helaas nog bitter weinig in huis is gekomen. Integendeel: ondanks de toegenomen onderwijs- en opleidingskansen voor meisjes en vrouwen, is de loonongelijkheid nog altijd een hardnekkig feit. Meer zelfs: toen wij in het kader van de organisatie van onze Equal Pay Day4 onderzoek deden naar de loonverschillen tussen vrouwen en mannen, stelden wij vast dat de loonkloof tussen vrouwen en mannen de laatste tien jaar niet afgenomen is, wel integendeel! Vrouwen verdienen tot op vandaag, berekend op basis van de totale bruto loonmassa per jaar, nog steeds 24% minder dan mannen. Omgerekend in bruto uurloon is dit 12%.
Berekeningen hebben ons intussen ook geleerd dat het verhogen van de pensioenleeftijd voor vrouwen de vrouwenpensioenen met 11% afgeroomd heeft. Men heeft dan wel de pensioenberekening gelijkgeschakeld, maar van een gelijk pensioen is geen sprake. De meeste vrouwen hebben vandaag een zeer laag pensioen. Zo krijgt bijvoorbeeld een alleenstaande arbeidster na een loopbaan van 45 jaar, als zij in 2005 met pensioen gaat, een bedrag van 849 euro. Voor een modale arbeider is dit 1.075 euro. Voor een modale vrouwelijke bediende is dit 1.187 euro, tegenover 1.473 euro voor een mannelijke bediende.
De meeste vrouwen komen niet eens tot aan deze 849 euro, het bedrag van het minimumpensioen. Bijzonder weinig vrouwelijke gepensioneerden kunnen immers een volledige loopbaan voorleggen. Veel vrouwen werken deeltijds, naar schatting 35 tot 40%. In Vlaanderen is zelfs 43% van de werkende vrouwen deeltijds aan de slag (cijfers 2004), tegenover slechts 7% van de mannen; ouderschapsverlof en zorgverlof worden voor 82% door vrouwen opgenomen, 71% van de voltijdse loopbaanonderbrekingen wordt door vrouwen opgenomen. Bovendien is het zogenaamde vrijwillig deeltijdse werk van vrouwen niet altijd zo vrijwillig. Want, wat doe je als jonge moeder wanneer de kinderopvangvoorzieningen ontoereikend zijn, of hoe ga je om met een werkgever die je hooguit 14 dagen vooraf je flexibele uurrooster meedeelt. Het is haast onmogelijk om een voltijdse baan als kassierster te krijgen als de werkgever alleen deeltijdse contracten met flexibele uurroosters aanbiedt. Vrouwen die elke dag drie of vier uur moeten werken en hun uurrooster hooguit enkele weken vooraf krijgen, hebben het moeilijk om dit te combineren met een andere deeltijdse job.

Hopelijk is er méér dan een sprankeltje hoop

Minister van Pensioenen Bruno Tobback heeft blijkbaar oor voor de vakbonden en de vrouwenorganisaties: hij plaatste terecht de lage vrouwenpensioenen in de kijker. Zo wil hij de toegang tot het recht op een minimumpensioen voor deeltijdse werknemers - vaak vrouwen - enigszins verbeteren. Daarvoor zou in 2006 een som van 15 miljoen euro prioritair worden voorzien. Wij willen de minister oproepen het niet bij deze eenmalige operatie te laten, maar ook meer structurele middelen te voorzien. Een genderreflex is in dit dossier meer dan aangewezen. Als we in de toekomst een generatie van krachtige grannies willen, zal het beleid hier nu de nodige inspanningen voor moeten doen.
De minister van pensioenen beloofde ook dat elke 55-jarige in 2006 (dit zullen er 155.000 zijn) een pensioenraming zal krijgen, want ‘op die leeftijd bezint men zich vaak over vervroegd stoppen’. De berekening moet toelaten om mensen erop te wijzen welk extra pensioen zij kunnen opbouwen als zij langer blijven werken. Je hoeft geen cynicus te zijn om op te merken dat het voor velen, in de eerste plaats maar niet alleen vrouwen, een bittere pil zal zijn als ze die pensioenberekening onder ogen krijgen. Als aanmoediging om langer te blijven werken kan dit tellen, létterlijk. Bovendien moeten de gevolgen van bepaalde keuzes in de beroepsloopbaan voor het(brug)pensioen - voor zover er echt sprake is van keuzes - al veel sneller kenbaar worden gemaakt aan de mensen. Misschien kan de kersverse Minister van Werk eens werk maken van een loopbaanchecker?
De pensioenminister voorziet ook een bonus voor wie langer wil werken: 120 euro per maand voor wie na haar of zijn 62ste tot 65 wil werken. Wij kunnen ons zoal een beeld vormen over wie die plus-62-jarige dan wel zal zijn. Wellicht de 15% decision makers (werkgevers, politici, en wellicht ook een aantal schrijvers en mediacommentatoren) die bij de enquête eindeloopbaanrapport (Marc Elchardus e.a.) stellig verkondigden dat ze hun job zouden missen.
Ook inzake brugpensioenen is het nuttig het generatiepact te screenen en bij te sturen in de richting van meer gendergelijkheid. Vandaag is het mogelijk om op 58 jaar met brugpensioen te gaan na een loopbaan van 25 jaar. De regering wil tegen 2008 deze leeftijd optrekken tot 60 jaar na een loopbaan van 30 jaar (voor vrouwen wordt dit 26 jaar) en in 2012 na een loopbaan van 35 jaar (voor vrouwen 28 jaar). Er zijn weliswaar uitzonderingen voorzien voor bepaalde zware beroepen zoals de bouw, nachtwerk, ploegenarbeid. Inderdaad, dit zijn ongetwijfeld zware beroepen maar laat dit nu toevallig of niet nét uitgerekend typisch mannelijke beroepen zijn die in aanmerking komen voor die uitzonderingen. Of is dertig jaar in een klas vol kleuters staan, of dertig jaar eentonig werk verrichten aan een kassa of poetsen dan geen zwaar beroep? Een spoedige regeling en een serieuze definitie van zware beroepen die rekening houdt met de genderdimensie dringt zich dan ook op.
Het blijft trouwens nog maar zeer de vraag of dit akkoord over brugpensioen uitvoerbaar is en Europa dit niet in vraag zal stellen. Het brengt immers een ongelijke behandeling van vrouwen en mannen teweeg wat betreft de vereiste anciënniteit, zij het tijdelijk. Een dergelijke ongelijke behandeling is in tegenspraak met art. 141 van het EU-verdrag dat gelijk loon voor vrouwen en mannen oplegt. Het hof van justitie van de EU besliste reeds eerder - met name in twee arresten tegen België uit 1993 en 2000 - dat brugpensioen wel degelijk een loon is. Dat betekent dus ook dat de toekenningsvoorwaarden en de bedragen voor vrouwen en mannen identiek moeten zijn. Krachtens hetzelfde artikel 141 van het EU-verdrag bestaat er wel een mogelijkheid voor de lidstaten om positieve actie in te voeren ter compensatie van de feitelijke ongelijkheden waarmee personen van het ondervertegenwoordigende geslacht geconfronteerd worden. België zal met andere woorden de nodige argumenten op tafel moeten leggen om de tijdelijke specifieke maatregelen voor vrouwen te rechtvaardigen. Bovendien zouden mannen die eenzelfde nadeel ondergaan ook van deze voordelige maatregel moeten kunnen genieten. En hier wringt het schoentje.
Samen met het Instituut voor de Gelijkheid van vrouwen en mannen pleiten wij ervoor om een systeem in te voeren waarbij de vereiste anciënniteit verminderd wordt, ten bate van alle werkneemsters en werknemers die gedwongen werden om hun loopbaan te onderbreken en/of een deeltijdse job uit te oefenen om zich te wijden aan de zorg van kinderen en/of het zorgen voor afhankelijke personen.

Nu of nooit?

Laat ons tenslotte nog één heilige koe in heel dit debat bij de horens vatten.
Men doet alsof 2010 hét ‘scharnierjaar’ is waarin de ‘vergrijzingsbom’ zal barsten, en dus moet het brugpensioen zeer snel worden afgebouwd. Met de timing voorzien in het Generatiepact wordt de loopbaanvereiste om nog vanaf 58 jaar met brugpensioen te kunnen gaan hoogstwaarschijnlijk vanaf 2012 op 40 jaar gebracht (‘als de tewerkstelling van de oudere werknemers geen 1,5 keer sneller is gestegen dan in de andere Europese landen’ schrijft het pact). Dit zou tot gevolg hebben dat de helft van de mannen en 71% van de vrouwen hun brugpensioen moeten uit- of afstellen.
In werkelijkheid veroudert de bevolking slechts heel geleidelijk. In academische kringen wordt nu al gezegd dat niet 2010 maar 2012 het jaar is waarop de veroudering begint te spelen. Bovendien beschikt België vandaag over een enorme ongebruikte arbeidsreserve om de daling van de beroepsbevolking te compenseren. Maar wellicht is het moeilijker om de juiste maatregelen te treffen om jongeren, allochtonen en niet te vergeten vrouwen, die graag aan de slag willen, aan een baan te helpen. Is het maatschappelijk verantwoord om een deel van deze groepen op te geven en de meeste aandacht op de oudere werknemers te richten, terwijl er geen enkel tastbaar bewijs is dat werkgevers effectief ook oudere werknemers meer kansen willen geven?

Tot slot: enkele gender-wijze tips

Mannen en vrouwen zijn vandaag de dag actiever dan ooit als het op buitenshuis werken aankomt. Tussen 20 en 50 jaar wordt in België meer en harder gewerkt dan in de rest van Europa: de Belgische werknemers behoren vandaag tot de productiefste van de wereld.
Bovendien is het werkritme de afgelopen jaren op de meeste plaatsen flink gestegen en zal de generatie die nu voor haar of zijn (brug)pensioen staat, weinig kunnen genieten van onthaastingsmaatregelen zoals tijdskrediet, vaderschapsverlof en ouderschapsverlof, aangezien deze pas recent werden ingevoerd. In de Scandinavische landen zijn dergelijke zaken al jarenlang ingeburgerd.
De generatie aan wie men nu vraagt langer te werken zal niet kunnen genieten van deze maatregelen en het is maar de vraag of de maatregelen voor de toekomstige generaties zullen stand houden.
Zonder in een geitenwollensokken-discours te vervallen, ware het goed niet uitsluitend te focussen op loonarbeid en productiviteit, maar ook sociale arbeid, persoonlijke ontwikkeling en zorgarbeid mee in rekening te brengen als elementen waarop een maatschappij draait. Daarom moet o.i. de nadruk meer worden gelegd op de levensloop en op het spreiden van de loopbaan, zodat mensen tussen de 30 en de 50 niet het gevoel hebben als citroenen uitgeperst te worden, om na hun 50ste óp te zijn.
Gelijkstellingen van bepaalde ‘inactiviteit’speriodes voor pensioen zijn een manier om de zo nodige sociale arbeid en zorgarbeid te waarderen. Maar ook gezinsvriendelijke omkaderende maatregelen, zoals meer kinderopvang en zorgopvang, meer recht op tijdskrediet, bijkomende inspanningen om (jonge) vaders aan te zetten meer tijd voor zorg op te nemen… moeten absoluut worden behouden en verbeterd. En last but not least moet er ook eindelijk eens echt werk gemaakt worden van de versterking van de positie van vrouwen op de arbeidsmarkt. Loongelijkheid en afdwingbare gelijkekansenplannen zijn daarbij een eerste prioriteit. De manifeste onwil van werkgevers moet omgebogen worden naar engagementen in meer en resultaatsgebonden investeringen in onderzoek en ontwikkeling, in tewerkstelling en in menselijk potentieel, met daarbij expliciete aandacht voor een gender- en diversiteitsbewust personeelsbeleid.
Laat VOKA daar maar eens een radiospot over maken!

Vera Claes
Nationaal secretaris zij-kant
Gitta Vanpeborgh
Verantwoordelijke gendermainstreaming federaal ABVV

Noten
1/ Eén uur werken per week volstaat al om in de statistieken als actief beschouwd te worden, maar dat staat voor ons niet synoniem met werk.
2/ Het beperken van het brugpensioen zal zeer waarschijnlijk alleen maar meer mensen in de werkloosheid en invaliditeit brengen, wat uiteraard ‘voordeliger’ is voor de sociale zekerheid.
3/ Voor vrouwen die vanaf 1 januari 2003 tot 1 december 2005 met pensioen gingen of gaan, bedroeg/bedraagt de pensioenleeftijd 63 jaar. Dit wordt 64 jaar voor wie met pensioen gaat vanaf 1 januari 2006 tot 1 december 2008. En vanaf 1 januari 2009 zal zowel voor vrouwen als voor mannen de wettelijke pensioenleeftijd 65 jaar bedragen.
4/ Equal pay day, 31 maart 2005, actiedag van zij-kant en ABVV-vrouwen voor meer loongelijkheid m/v. Zie www.equalpayday.be

gender - generatiepact - vrouwen - gelijke kansen - pensioen - tewerkstelling

Samenleving & Politiek, Jaargang 12, 2005, nr. 9 (november), pagina 38 tot 42