Log in

Vlaanderen en Europa in de wereld van morgen

Europa: een succesverhaal van integratie

De belangrijkste vaststelling waar we vandaag niet omheen kunnen, is dat ‘Europa’ steeds belangrijker wordt. Je zou kunnen zeggen dat Europa - de Europese Unie dus - een werk in uitvoering is. Klein begonnen in de jaren vijftig van de vorige eeuw als de Europese Gemeenschap met 6 lidstaten (België, Duitsland, Frankrijk, Italië, Luxemburg en Nederland), is de EU ondertussen al vijf keer uitgebreid: in 1973, 1981, 1986, 1995 en in 2004. De laatste uitbreiding met 10 lidstaten bracht het aantal van 15 op 25. De uitgebreide Unie van 25 landen telt 455 miljoen inwoners en wanneer de Unie eenmaal bestaat uit 27 landen (in 2007), zal zij bijna een half miljard inwoners tellen.
Op relatief korte tijd is de toenmalige Europese Gemeenschap (oorspronkelijk Europese Gemeenschap van Kolen en Staal) uitgegroeid tot een hecht handelsblok dat bijna het hele continent omspant. Dat handelsblok kende enkele verregaande integratiesprongen. Eén daarvan was zeker de creatie van de eengemaakte interne markt, waarin het vrije verkeer van goederen, diensten en personen gegarandeerd werd. Om die doelstelling in de praktijk om te zetten, werden tal van verdragen gesloten, waarvan het Verdrag van Schengen het meest bekende, en misschien ook het meest belangrijke is.
In 1992, nu al bijna vijftien jaar geleden, werd in Maastricht een verdrag getekend dat de Europese economische integratie naar een hoger niveau zou tillen. In het zogenaamde Verdrag van Maastricht werd afgesproken om de economische banden niet langer te beperken tot een interne markt, maar om een echte Europese economische unie tot stand te brengen, met als meest concrete verwezenlijking een gemeenschappelijke munt, de euro. Men stapte af van een beleid dat enkel en alleen gericht was op het afschaffen of harmoniseren van nationale regels en normen, en men ging resoluut voor de economische integratie.
Die expliciete keuze voor een verregaande integratie bracht een hele reeks onvermijdelijke verdere stappen met zich mee. In de eerste plaats is er het bekende Groei- en Stabiliteitspact, dat moet vermijden dat het lakse begrotingsbeleid van één lidstaat via de gemeenschappelijke munt een negatieve impact heeft op de economische resultaten van een andere lidstaat. De recent ingevoerde Europese spaarrichtlijn is een tweede onvermijdelijke stap. Hoogstwaarschijnlijk zullen in de toekomst nog initiatieven worden genomen op het sociale en het fiscale vlak.
De vorige Europese Commissie, onder leiding van Romano Prodi, merkte op dat de Europese economie, zelfs na de monetaire unie, niet kon concurreren met de Amerikaanse economische groei en productiviteit. De Europese beurzen volgen de Dow Jones en de Nasdaq op de voet, de grote Amerikaanse bedrijven domineren de internationale markten, de Amerikaanse economie is de locomotief voor de hele wereldeconomie.
De Aziatische landen anderzijds maken een gigantische economische groei door. Je kunt er de sfeer van ondernemerschap en geloof in eigen kunnen als het ware opsnuiven. De Aziatische regio produceert nu al 23 procent van het mondiale bruto binnenlands product en dat percentage loopt op. De Chinese economie zal binnen enkele jaren de drie grootste Europese economieën voorbijstreven, spoedig gevolgd door India. Om even in te gaan op een paar feiten: India, een land met ruim een miljard inwoners, komt razendsnel opzetten, met biotechnologie, ICT en de farmaceutische industrie als opvallende hightech groeisectoren in de economie. De Indiase universiteiten zorgen voor de nodige mensen: ze leveren meer ingenieurs af per jaar dan de Europese universiteiten samen in een heel decennium.
Op zich is de opkomst van Azië als economische grootmacht niet slecht voor Europa en de rest van de wereld. De enige manier om onze eigen welvaart veilig te stellen, is om ervoor te zorgen dat welvaart voor zoveel mogelijk mensen deel uitmaakt van het dagelijkse leven. De massale export van textiel die China nu realiseert, was bijvoorbeeld niet mogelijk geweest zonder voorafgaande import van Westerse, en vaak zelfs Vlaamse weefgetouwen. Het gevaar is echter dat Europa passief toekijkt naar al die Aziatische bedrijvigheid, en op de plaats blijft trappelen wanneer deze nieuwe industrielanden uit de startblokken springen. Dan bestaat immers de kans dat én de werkgelegenheid in Europa daalt én dat er hoogwaardige kennis voorgoed uit Europa verdwijnt.
De vergrijzing, de pensionering van de zogenaamde babyboomgeneratie kan in de komende decennia voor de Europese welvaart zware gevolgen hebben. In een recente publicatie1 stelt Eurostat dat de Europese bevolking op arbeidsleeftijd sterk zal dalen van 67,2% van de bevolking in 2004 naar 56,7% in 2050. Dat komt neer op 52 miljoen mensen op arbeidsleeftijd minder, wat natuurlijk een enorme impact heeft op het economische potentieel van een maatschappij.

Het Pact van Lissabon als wissel op de toekomst

Om Europa op middellange termijn klaar te stomen voor deze uitdagingen, om onze welvaart te behouden en nog uit te breiden, heeft de Europese Commissie in 2000 de zogenaamde Lissabon-strategie geformuleerd. De centrale doelstelling van deze strategie is dat Europa tegen 2010 de meest concurrerende en dynamische kenniseconomie van de wereld is. Jaarlijks wordt deze doelstelling getoetst aan de hand van de vooruitgang die door de EU en de verschillende lidstaten wordt geboekt op 42 structurele indicatoren die door Eurostat worden gepubliceerd.

Die grote groep indicatoren werd al snel teruggebracht tot 14 ‘kernindicatoren’2 , die jaarlijks door Eurostat gepubliceerd worden om de lidstaten die minder goed presteren aan te zetten tot meer actie. Voor elk van die indicatoren werd een objectief geformuleerd, meestal met het oog op de Amerikaanse prestaties op die indicator.
De onderliggende analyse van de hele strategie was immers dat het behoud van het Europese sociale model niet louter een probleem is van houdbare overheidsfinanciën of liberalisering van markten, maar in de eerste plaats verband houdt met de te lage arbeidsparticipatie. In 1999 was in de VS 75% van de bevolking op arbeidsleeftijd aan het werk. In Europa was dat slechts 61%. Het verschil komt neer op 32 miljoen mensen waarvan het potentieel niet gerealiseerd wordt. 32 miljoen meer mensen aan het werk, betekent 32 miljoen meer mensen die belastingen en sociale bijdragen betalen en zo onze welvaart kunnen financieren. Het was en is trouwens zonder meer duidelijk dat het grootste werkloosheidsprobleem bij twee heel specifieke groepen zit. Vooral ouderen (+55) en vrouwen namen slechts zeer beperkt deel aan de arbeidsmarkt. In 1999 werkte in de EU slechts 36% van de 55-plussers, in de VS was dat 57%. Voor vrouwen stond het cijfer op 53% en 68%.
Geconfronteerd met de opkomst van China en India als goedkope producenten van consumentengoederen en als bestemming van steeds meer Europese investeringen, zagen de Europese leiders vooral heil in het verder uitbouwen van de kenniseconomie. Hoewel het belang dat men begin 2000 (bij de opmaak van de Lissabon-strategie) hechtte aan innovatie en aan ICT waarschijnlijk wat overdreven werd, valt toch niet te ontkennen dat de toekomst van de Europese industrie veel meer ligt in kwaliteitsconcurrentie en vernieuwende producten en diensten met hoge toegevoegde waarde dan in kostenconcurrentie. De fundamentele keuze voor hoge loonkosten en een uitgebreid sociaal vangnet is al decennia geleden gemaakt, en blijkt nog steeds de juiste keuze te zijn.
Met de nadruk die gelegd werd op dynamiek en op de ontwikkeling van de kenniseconomie, is het ook niet verwonderlijk dat er in de Lissabonstrategie een grote rol weggelegd was voor indicatoren zoals uitgaven voor Onderzoek en Ontwikkeling, internetpenetratie, en levenslang leren. En voor één keer moest daarvoor niet enkel naar de VS worden gekeken, maar waren er ook goede voorbeelden voorhanden in Europa. De Scandinavische landen, Finland op kop, hebben een sociaaleconomisch model opgebouwd dat in de meeste andere Europese lidstaten bewondering opwekt.
Het Scandinavische model slaagt er zelfs in een hoge belastingsdruk te verzoenen met stevige economische groei en vooral een hoge werkgelegenheidsgraad, ook bij oudere werknemers. In de vier Scandinavische landen bedroegen de overheidsinkomsten in 1999 stelselmatig meer dan de helft van het bbp. Ze varieerden tussen 54,3% van het bbp voor Finland en Noorwegen tot 62,7% in Zweden. Ter vergelijking: het niet-Scandinavische land met de grootste rol van de overheid in de economie was Frankrijk, met een overheidsinkomen dat 51,7% van het bbp bedroeg. België volgde niet ver daarachter, met 49,7%. De situatie in 2004 is nog niet gewijzigd.
De werkgelegenheidsgraad bedroeg in alle Scandinavische landen (uitgezonderd Finland) meer dan 70%, met als absolute topper Denemarken, met een werkgelegenheidsgraad van 76% (56% voor oudere werknemers). De Belgische situatie stak daar bedroevend tegen af, met een werkgelegenheidsgraad van 59% algemeen en 26% bij oudere werknemers. Vlaanderen scoorde wel aanzienlijk beter met een werkgelegenheidsgraad van 62,6%.3 Reeds in 1999 bleek dat vooral Finland en Zweden sterk hadden ingezet op de kenniseconomie en op innovatie, met hoge uitgaven voor Onderzoek en Ontwikkeling. In Finland werd 3,23% van het BBP aan O&O gespendeerd, in Zweden zelfs 3,65%. Vanzelfsprekend leidde dat tot een hoog aandeel van de hoogtechnologische producten in de totale export van die landen. Voor Finland en de VS kan misschien nog worden geargumenteerd dat er een scheeftrekking is (respectievelijk Nokia en Silicon Valley), maar voor Zweden is het niet zo gemakkelijk om een aanwijsbare bron van hoogtechnologische export te vinden. Ter vergelijking: in 2003 waren de O&O-uitgaven in Finland en Zweden nog gestegen (naar respectievelijk 3,48 en 3,98%). De uitgaven van de EU stegen lichtjes naar 1,98%, maar die van de VS en België daalden licht (naar respectievelijk 2,59 en 1,89%). Het aandeel van de hoogtechnologische export in de totale export daalde dan weer overal.

De tijdslijn voor de Lissabon-strategie was in 2005 precies halfweg. Het is voor iedereen duidelijk dat de meeste landen de oorspronkelijke doelen tegen 2010 niet meer kunnen halen. In 2004 bleek de werkgelegenheidsgraad nog niet echt veel verbeterd. De totale werkgelegenheidsgraad in de Europese Unie is met twee procentpunt gestegen tot 63%, die van België is gestegen van 59% in 1999 naar 60% in 2004. De werkgelegenheidsgraad van ouderen blijft een pijnpunt, met een percentage van 41% voor de Unie en 30% voor België (26% voor Vlaanderen). De werkgelegenheidsgraad voor vrouwen steeg gemiddeld 3%, zowel in de EU als in België.
De mislukking van de strategie is zowel te wijten aan de lagere economische groei als aan de gebrekkige implementatie van de lidstaten. Tussen 1996 en 2000 groeide de Europese economie met gemiddeld 2,7% per jaar, tegenover 1,5% in de vijf jaar daarvoor. Sinds 2001 is de economische groei teruggevallen tot gemiddeld 1,5% per jaar.
Een lagere economische groei betekent dat er minder ruimte is om de (sociale) pijn van de noodzakelijke maatregelen te verzachten of te compenseren. Ongetwijfeld is dat één van de oorzaken van de gebrekkige implementatie door de verschillende Europese nationale of regionale overheden. Een andere en belangrijkere oorzaak is ongetwijfeld de politieke keuze om de periode van hoogconjunctuur niet te gebruiken om structurele maatregelen door te voeren, maar in de plaats daarvan een deel van de geïnde belastingen terug uit te keren aan de bevolking. In het voorjaar keurde de Unie een nieuwe werkmethode goed, die de implementatie van de Lissabon-strategie moet verbeteren. Het is nog afwachten wat de resultaten zullen zijn van die methode.

Verdere stappen in de integratie zijn nodig

In elk geval staat de nieuwe Europese Commissie voor de grote uitdaging om de Europese welvaart en welzijn op langere termijn te verzekeren. Op de Europese top van maart 2005 werden lichte wijzigingen aangebracht aan de twee belangrijkste mank lopende Europese economische programma’s, het Stabiliteitspact en de Lissabon-doelstellingen. Het is echter zeer twijfelachtig of de doorgevoerde wijzigingen daadwerkelijk een impact zullen hebben op het succes van de maatregelen, en op de concurrentiekracht van de Europese lidstaten. De Lissabon-strategie is achterhaald, en gedoemd om te mislukken zolang er niet een krachtdadig leiderschap op Europees niveau ontwikkeld wordt.
Bij gebrek aan echte vooruitgang in de Europese integratie ontstaat er concurrentie tussen de Europese lidstaten onderling. De Ierse regering bijvoorbeeld, slaagde er jarenlang in om buitenlandse investeringen aan te trekken door de vennootschapsbelasting sterk te verlagen en de kosten daarvan af te wentelen op de gehele Unie (via de structuurfondsen waarvan het land genoot). Hetzelfde zien we nu gebeuren met de tien nieuwe lidstaten, met dat verschil dat de ‘oude’ lidstaten teruggrijpen naar klassieke protectionistische maatregelen.
In Frankrijk wint het pleidooi om ‘Franse industriële kampioenen’ te creëren aan kracht. Het Franse beleid ten opzichte van Alstom of bij de fusie van Novartis spreekt boekdelen. De Franse regering gaat zelfs zover om een aantal ‘strategische sectoren’ te identificeren, waarvan de bedrijven niet door buitenlandse bedrijven mogen worden overgenomen. Die denkwijze komt overeen met de verankeringsidee die ook in Vlaanderen sterk leeft, waarbij een aantal bedrijfsleiders en politici pleiten voor staatsinterventie om belangrijke bedrijven Vlaams te houden. In Frankrijk leeft dat nog sterker, in die mate dat men een zeer actief industrieel beleid wil voeren, waarbij binnenlandse bedrijven en fusies gestimuleerd worden, en overnames door buitenlandse bedrijven afgeremd of zelfs botweg verboden worden. Een ander voorbeeld: één enkel bedrijf, DHL, slaagt erin de overheden van twee landen te chanteren en tegen elkaar uit te spelen om de meest gunstige vestigingsvoorwaarden te verkrijgen.
De nationale overheden voelen dat ze niet kunnen reageren op de nieuwe economische groeilanden zoals China en India, enerzijds omdat ze op hun eentje niet sterk genoeg staan en anderzijds omdat de Europese regelgeving te veel beleidsopties uitsluit in het kader van de interne markt. Zo worden er sterke beperkingen gesteld aan de steunmaatregelen die de overheid kan nemen voor de eigen bedrijven, wordt het risicokapitaal dat door de Vlaamse overheid nu zo enthousiast verschaft wordt sterk gecontroleerd, en bestaan er bijvoorbeeld op het vlak van milieuwetgeving strenge Europese richtlijnen, die weinig interpretatie of afwijking toelaten.
In de nabije toekomst zijn er maar twee mogelijkheden: ofwel onttrekken de nationale regeringen zich steeds meer aan de Europese regels, zodat ze op hun eigen manier een poging kunnen doen om hun toekomstige welvaart te verhogen. Het risico dat we dan terugvallen in protectionisme en onderlinge concurrentie, met uiteindelijk een algemene daling van de welvaart als gevolg, is reëel. Anderzijds kunnen de Europese regeringen ervoor opteren als één blok te reageren, en op Europees niveau een krachtdadig beleid uit te stippelen. Dat houdt enerzijds de noodzaak in om een einde te stellen aan de interne sociale, fiscale en ecologische concurrentie, bijvoorbeeld door minimale ‘fatsoennormen’, zodat er een economische level playing field ontstaat. Anderzijds zal op Europees niveau een krachtiger stimuleringsbeleid moeten worden ontworpen, waarbij de Europese economie grensoverschrijdend gestimuleerd wordt, bijvoorbeeld via de creatie van ‘Europese kampioenen’, via grotere investeringen in wetenschappelijk onderzoek of via grensoverschrijdende infrastructuurprojecten.
Hoewel dit waarschijnlijk de enige manier is waarop Europa de hoge vergrijzingskosten, de kracht van de Amerikaanse productiviteit en de sterke kostenconcurrentie van China en India kan opvangen zonder de eigen welvaart af te bouwen, leeft er nog heel wat tegenstand. Begrijpelijkerwijs zijn de meeste nationale overheden nogal huiverachtig om meer bevoegdheden in Europese handen te geven, uit vrees voor de eigen positie of vanwege binnenlandse politieke druk.

Vlaanderen in Europa

Nadat we hebben geconstateerd dat Europa steeds belangrijker wordt, en nadat we hebben bekeken welke de uitdagingen voor Europa zijn, komen we zo langzamerhand toe aan de vraag: hoe staat het met Vlaanderen? Vlaanderen is in vergelijking met de brede buitenwereld hoe dan ook een relatief welvarende regio. Dat blijkt uit het Sociaal-Economisch Rapport Vlaanderen, een lijvig verslag over de socio-economische situatie van Vlaanderen dat de SERV tweejaarlijks publiceert. Vlaanderen presteert op zich niet slecht met een bbp per inwoner van 24.357 euro, een relatief laag armoedecijfer (7% van de Vlaamse bevolking heeft een inkomen dat lager ligt dan 60% van het mediaan inkomen, wat beter is dan het Europese gemiddelde) en een veel omvattende sociale zekerheid.
Vlaanderen is dus relatief welvarend, maar die welvaart wordt bedreigd. De vergrijzingsproblematiek speelt in Vlaanderen eerder en sterker dan in de meeste andere regio’s. Nochtans is er in Vlaanderen een minstens even grote nood aan structurele hervormingen als in de rest van de EU. In Vlaanderen is momenteel 17,6% van de bevolking ouder dan 65.4 In vergelijking met de andere Europese topregio’s is dat veel: enkel het Spaanse en het Italiaanse Noordoosten tellen een groter aandeel 65-plussers. West-Nederland heeft bijvoorbeeld maar 13,6% 65-plussers.5 België telt op dit moment 3,2 miljoen mensen die op één of andere manier genieten van een pensioen of brugpensioen. Op een bevolking van 10,4 miljoen mensen kan dat tellen. In België ligt de gemiddelde leeftijd bij het verlaten van de arbeidsmarkt op 58,5 jaar; dat is onder het Europese gemiddelde (60 à 61 jaar) en sterk onder het Zweedse cijfer (63,2 jaar).
De Vlaamse cijfers van de werkzaamheidsgraad van jongeren, allochtonen en vrouwen zijn ontgoochelend. Maar vooral de cijfers over de werkzaamheidsgraad van oudere werknemers zijn beangstigend. In Vlaanderen werkt nog slechts een vierde van de 55-plussers. In Zweden werkt bijna 70% van hen nog (zie tabel). In Wallonië en in Brussel zijn nog ongeveer 29% van de 55-plussers aan het werk.

Om aan de vergrijzingsproblematiek het hoofd te bieden, moet Vlaanderen zich kunnen meten met de best presterende landen en regio’s. Het fel bekritiseerde maar noodzakelijke Generatiepact moet daaraan tegemoetkomen. Een eerste uitdaging is zonder meer de ontwikkeling van een creatief en dynamisch bedrijfsleven. Onze bedrijven zorgen immers voor werkgelegenheid en belastingsinkomsten, en zijn zo de basis voor onze welvaart. We stellen dan ook tevreden vast dat de Vlaamse overheid de laatste paar jaar weer meer aandacht aan het economische beleid besteedt.

Lissabon in Vlaanderen

Amper een jaar na het opstellen van de Europese Lissabonstrategie sloot de Vlaamse overheid met de sociale partners het ‘Pact van Vilvoorde’, dat de doelstellingen van de Lissabonstrategie op Vlaams niveau vertaalt. In dat Pact werden 21 doelstellingen gelanceerd om Vlaanderen in 2010 tot de Europese top te laten behoren. Die Vilvoorde-doelstellingen bestrijken een nog veel breder veld dan de Lissabon-doelstellingen. Om de doelstellingen van het Pact van Vilvoorde op te volgen heeft men niet minder dan 118 grafieken of tabellen nodig. Geen wonder dat de prestaties van Vlaanderen op veel gebieden achter blijven op de planning.
Het is inmiddels duidelijk dat Vlaanderen nog een hele weg af te leggen heeft als de doelstellingen van het Pact van Vilvoorde echt tegen 2010 gehaald moeten worden. Net zoals de EU dit jaar haar Lissabonstrategie heeft moeten herformuleren zodat de nadruk haast éénzijdig kwam te liggen op groei en jobs, zal de Vlaamse regering haar Pact van Vilvoorde scherper moeten herformuleren, met minder doelstellingen en minder op te volgen indicatoren. Het ligt voor de hand dat de nadruk meer moet komen te liggen op die beleidsdomeinen waarop Vlaanderen het minst goed scoort, met name de deelname aan de arbeidsmarkt van ouderen, laaggeschoolden en allochtonen. Een deel van dat probleem ligt echter op federaal niveau, terwijl de situatie in Vlaanderen en Wallonië niet dezelfde is. Ik denk dan concreet aan de loonkost en de loononderhandelingen.
De vorige Vlaamse regering trok zeer sterk de kaart van innovatie en ondernemerschap om de doelstellingen van Vilvoorde te kunnen halen. Ze deed dat vanuit dezelfde overweging als de Europese Commissie: enkel door constante vernieuwing, door verhoging van de arbeidsproductiviteit en van de productie-efficiëntie kan het Vlaamse bedrijfsleven nog concurreren met de nieuwe EU-lidstaten of de bekende lage loonlanden van buiten de EU. In maart 2003 stelde de Vlaamse regering daarom het Innovatiepact voor, in december van hetzelfde jaar presenteerde ze de Ondernemingsconferentie.
Het Innovatiepact is een overeenkomst tussen de Vlaamse sociale partners en de Vlaamse regering om één van de centrale Lissabon-doelstellingen in het Vlaamse beleid op te nemen: tegen 2010 3% van het bbp aan Onderzoek en Ontwikkeling besteden (waarvan 1/3de door de overheid en 2/3de door het bedrijfsleven). De Vlaamse overheid beloofde toen een jaarlijkse stijging van het budget voor wetenschap en innovatie met 60 miljoen euro. Merk op dat die jaarlijkse stijging in feite toen al niet voldoende was om het doel te bereiken. Vertrekkend van het Vlaamse bbp in 20026 en de Vlaamse overheidsuitgaven voor Onderzoek & Ontwikkeling in 20027, met een geraamde jaarlijkse economische groei van 2%, zou men in 2010 226 miljoen euro tekort komen. Om de 1%-doelstelling te halen op basis van de cijfers die in 2003 bekend waren, zou men sinds 2003 elk jaar 100 miljoen euro meer moeten uitgeven. De Vlaamse Raad voor Wetenschapsbeleid kwam in 2002 op ongeveer hetzelfde cijfer uit, met name 94 miljoen euro extra per jaar.
De Ondernemingsconferentie van eind 2003 was zeer optimistisch over de Onderzoek & Ontwikkeling-cijfers: de deadline om 3% van het bbp aan Onderzoek & Ontwikkeling te spenderen werd vervroegd naar 2007. Reden voor het optimisme was de zeer hoge Onderzoek & Ontwikkelingsuitgaven van de Vlaamse bedrijven in 2000 en 2001, zodat de Vlaamse Onderzoek & Ontwikkelingintensiteit in 2001 2,43% van het bbp bedroeg. Ondertussen werden de Onderzoek & Ontwikkelingcijfers van 2002 en 2003 bekend gemaakt. Mede door de sterk verlaagde economische groei die we kenden sinds de eeuwwisseling is de O&O-intensiteit in Vlaanderen in 2003 teruggevallen tot 2,14% voor het Vlaams Gewest of 2,19% voor de Vlaamse Gemeenschap8, vooral door een mindere toename van het gedeelte dat de bedrijven moeten realiseren. Dat betekent hoogstwaarschijnlijk de doodsteek van de doelstelling van het Innovatiepact, en zeker die van de Ondernemingsconferentie.
Op de Ondernemingsconferentie werden nog tal van andere maatregelen genomen om het ondernemerschap te bevorderen en om het opstarten van een onderneming gemakkelijker te maken. Concrete voorbeelden daarvan zijn de opname van ‘ondernemerschap’ in de eindtermen van het onderwijs, de subsidiëring van tv-programma’s rond ondernemers, de starterscheques, het vlotter ter beschikking stellen van risicokapitaal via een Vriendenlening en de Talentenbank. Op de Ondernemingsconferentie werden ook heel wat maatregelen genomen voor de ondersteuning van bestaande ondernemingen zoals daar zijn de administratieve vereenvoudiging, de verlaging van de ondernemingskosten en het verhogen van het aantal bedrijventerreinen.
Deze initiatieven, gecombineerd met de verhoogde aandacht voor Onderzoek en Ontwikkeling en innovatie die overgewaaid kwam uit de Europese Lissabonstrategie, hebben het ondernemerschap terug op de kaart gezet. Het is misschien nog te vroeg om nu reeds duidelijke resultaten te zien, maar ik meen dat op middellange termijn de impact op de economische groei significant zal zijn.
In de nabije toekomst is het belangrijk dat meer aandacht besteed wordt aan het belang van de medium- en hoogtechnologische sectoren in de economische structuur en in de export. In Vlaanderen bedraagt het aandeel van deze sectoren bijna 43% van de totale industriële toegevoegde waarde. Het aandeel van de hoogtechnologische component in de totale industriële toegevoegde waarde bedraagt 7,83% (bron: Sociaal-Economisch Rapport Vlaanderen, SERV).
De hoogtechnologische diensten zoals post en telecommunicatie, ICT en onderzoeksactiviteiten vertegenwoordigen in Vlaanderen 5,3% van de totale tertiaire toegevoegde waarde. Vlaanderen scoort hiermee het laagst tegenover de toetsregio’s Baden-Württemberg, Lombardije, Catalonië en Schotland, maar ook tegenover Finland, Ierland, de Verenigde Staten en Japan. Het is voornamelijk de informaticasector die het hoogtechnologisch profiel van Vlaanderen bepaalt. Algemeen kan worden gesteld dat de industriële hoogtechnologische sectoren in Vlaanderen met name farmacie, computers, audio, video- en telecomapparatuur en lucht- en ruimtevaart een hoge arbeidsproductiviteit kennen, maar in vergelijking met de andere regio’s en toetslanden vrij zwak uitgebouwd zijn. Er is met andere woorden in Vlaanderen nood aan een verdere uitbouw en sterkere aanwezigheid van hoogtechnologische sectoren. Hier moet dringend een kordate impuls komen.
Er blijven ook nog enkele andere knelpunten bestaan. Op Vlaams niveau gaat het dan in de eerste plaats om administratieve problemen. De regelgeving moet opnieuw worden bekeken, niet de doelstellingen wel de middelen, de modaliteiten en de procedures. Daarnaast is er ook een duidelijk gebrek aan bedrijventerreinen. Sanering van bestaande vervuilde industrieterreinen en een duurzamer en zuiniger gebruik van nieuwe bedrijventerreinen kan een oplossing bieden.
Op federaal vlak is er zeker een probleem van hoge loonkosten, hoewel de situatie niet zo dramatisch is als men vaak laat uitschijnen. Iedereen beseft immers dat kostenconcurrentie met het vroegere Oostblok of met Oost-Azië niet mogelijk is. De kostenconcurrentie voor België speelt vooral met de buurlanden. Hier mag men niet te ver afwijken van het gemiddelde van Nederland, Frankrijk en Duitsland. De hoge loonkosten, en dan vooral de loonwig9 hebben een negatieve invloed op het aantal werkenden, zodat onze hoge productiviteit vooral via arbeidsbesparende investeringen gerealiseerd worden.
Vooral de 55-plusser in de Vlaamse economie ondervindt daar hinder van. Het is een feit dat de actieve loopbaan van de Vlamingen zich voornamelijk situeert tussen de 25 en 50 jaar. Voor de ouderen tussen 55 en 64 jaar ligt de werkzaamheidsgraad op 25,6%, ver verwijderd dus van de 50% die de Europese Commissie als streefcijfer vooropstelt. Het is een opmerkelijke vaststelling dat de werkzaamheidsgraad van mannen (35,5%) en vrouwen (15,8%) in deze leeftijdscategorie vrij sterk verschilt. Het aandeel 55-plussers ligt het hoogst bij de zelfstandigen, in de kleinere bedrijven, bij ambtenaren, zelfstandigen en bij deeltijds werkende loontrekkenden in de private sector. Opvallend is dat 18,2% van de deeltijds werkende mannen in de private sector 55-plusser is. In 24 van de 66 Vlaamse economische sectoren zijn er meer 55-plussers dan het gemiddelde van 8,5%. Het zijn sectoren met veel zelfstandigen (zoals visserij en landbouw, maar ook vrije beroepen), publieke sectoren (onderwijs, maar ook lobbywerk), en nutsectoren (elektriciteit, water,…). Het zijn met andere woorden sectoren waar de loonkost minder een rol speelt.
Investeringen in levenslang leren kunnen hier eveneens een deel van de oplossing betekenen. Dat is gebaseerd op het erkennen van verworven competenties. De bedoeling is om levenslang leren te stimuleren, de mobiliteit op de arbeidsmarkt te verbeteren, een efficiënter en doelmatiger competentiebeleid mogelijk te maken in de bedrijven en instellingen en het opleidingsaanbod meer op maat maken van het individu en de arbeidsmarkt. Deze doelstellingen kunnen gerealiseerd worden door bijvoorbeeld te voorzien in verkorte opleidingen.
Het erkennen van verworven competenties staat sinds een paar jaar in de kijker op zowel het Europese als het Vlaamse beleidsniveau. Europa heeft een aantal initiatieven op de rails gezet om het erkennen van verworven competenties te stimuleren. Voorbeelden daarvan zijn de Common principles for validation of non-formal and informal earning, Europass, de European framework for qualifications, de niveau-indicatoren en de zones van wederzijds vertrouwen. Op Vlaams niveau zijn o.m. in het pact van Vilvoorde en het akkoord tussen de sociale partners en de Vlaamse Regering van 2003-2004 bepalingen inzake het erkennen van verworven competenties opgenomen en is vooropgezet dat alle competenties volwaardig moeten worden erkend tegen 2010. En in 2004 is er een decreet goedgekeurd dat het erkennen van verworven competenties met het oog op het verwerven van beroepsbekwaamheid toelaat.

Vlaanderen en Europa in de wereld van morgen

Met de herwerking van de Lissabon-strategie in het voorjaar werd de aandacht zeer sterk gericht op de economische pijler van de strategie, met een aantal actiepunten inzake economische groei en werkgelegenheid. Officieel is het onderdeel van de Lissabonstrategie dat zich richt op ecologische en sociale duurzaamheid nog steeds volwaardig onderdeel van de strategie, maar in feite is ze een beetje op de achtergrond geraakt. Dit is alles behalve een goede evolutie. Niet alleen sociaal, maar ook economisch gezien hebben we nood aan een duurzame economische ontwikkeling. Welzijn en welvaart hangen sterk samen, zijn onderling afhankelijk.
Ook in Vlaanderen zie je die evolutie. Het Vlaamse beleid heeft een inhaaloperatie inzake de ‘harde beleidsdomeinen’ zoals economie en werkgelegenheid opgestart, terecht, maar dat mag niet ten koste van de duurzaamheid verlopen. De ecologische doelstellingen afzwakken zou een grove economische fout zijn in een dichtbevolkte regio als Vlaanderen, maar modaliteiten en procedures kunnen zeker vereenvoudigd en transparanter worden.
Trouwens, de sociale en ecologische verwezenlijkingen die Vlaanderen en België de afgelopen decennia verwezenlijkt hebben, lagen aan de basis van onze spectaculaire welvaartstijging. Het feit dat vrouwen nu volwaardig deel uitmaken van de arbeidsmarkt heeft gezorgd voor een hoge economische groei, en bijkomende arbeidsplaatsen. Investeringen in milieutechnologie hebben van Indaver een topspeler op wereldniveau gemaakt inzake afvalverwerkingstechnologie. In die zin is Vlaanderen goed te vergelijken met het Scandinavische model, hoewel de resultaten bij ons niet zo spectaculair zijn als in Zweden of Finland. Sinds 1995 groeiden Finland en Zweden elk jaar veel sterker dan het gemiddelde van de Europese Unie. Finland groeide over de laatste tien jaar gemiddeld 3,3% per jaar, Zweden gemiddeld 2,6%. De Belgische gemiddelde groei week nauwelijks af van het Europese gemiddelde: 1,9% ten opzichte van 1,8% voor de 15 ‘oude’ lidstaten.
Voor Vlaanderen zijn er zeker mogelijkheden in de energietechnologische sector. De Vlaamse technologiesector ‘hernieuwbare energie’ telde in 2002 403 bedrijven, realiseerde naar schatting een omzet van 280 miljoen euro en stelde ongeveer 1.227 voltijdse personeelsleden tewerk. Bijna 90% van de bedrijven zijn kmo’s. De sector van de hernieuwbare energie is zeer sterk op export gericht. Zo realiseert de windenergietechnologiesector bijvoorbeeld bijna 60% van zijn omzet buiten Vlaanderen. De groeiperspectieven van deze sector zijn voor de nabije toekomst vrij positief. Ongeveer 60% van de bedrijven verwacht een positief evoluerende omzet.
Onderzoek toont ook duidelijk aan dat een meer gelijke inkomensverdeling leidt tot een gemiddeld hogere economische groei. België scoort zeer sterk op inkomensgelijkheid, maar er worden steeds meer voorstellen gelanceerd om die goede score aan te tasten. Belastingsfraude en -ontwijking, o.a. langs vennootschappen die onroerend goed van privé-orde inbrengen, ondergraven de sociale vrede en maatschappelijke consensus, wat op termijn ook economisch nefast kan zijn.
Vlaanderen mag dan ook niet toegeven aan die neiging om de verwezenlijkingen van het verleden op de helling te zetten in de naam van de economische groei. Vaak wordt een afbouw van de sociale en ecologische verwezenlijkingen gerechtvaardigd door de belofte om in de toekomst, als de economische groei ‘terug op peil is’, meer te investeren in die domeinen. Dat is een nepargument. Afbouwen van de sociale en ecologische pijler van zowel de Lissabonstrategie als het Pact van Vilvoorde betekent dat we in een vicieuze cirkel terechtkomen, met een reëel gevaar om af te glijden naar het asociale en niet duurzame Amerikaanse economische model.
Vlaanderen moet het voortouw nemen om een evenwichtig maatschappijmodel uit te bouwen, waarin economische groei en hoge werkgelegenheid gecombineerd wordt met respect voor het milieu en met gelijke kansen voor iedereen. Enkel zo kunnen we erin slagen om onze welvaart te behouden, enkel zo kunnen we onze modelfunctie, die we al hebben op een aantal terreinen, verder uitbouwen. Enkel zo zal Vlaanderen in het Europa van morgen het voortouw kunnen nemen om te komen tot een economisch sterk en sociaal en ecologisch verantwoorde Europese Unie. Sterke regio’s binnen een sterk Europa kunnen immers een duidelijk antwoord zijn op de vervreemdende globalisering.

Norbert De Batselier
Voorzitter Vlaams Parlement
Koen Lebegge
Stafmedewerker sp.a studiedienst

Noten
1/ Eurostat News Release 48/2005, 8 april 2005
2/ Deze veertien indicatoren zijn: (i) BBP per capita, (ii) arbeidsproductiviteit, (iii) arbeidsparticipatie en arbeidsparticipatie van vrouwen, (iv)arbeidsparticipatie van ouderen, (v) onderwijsniveau van 20-24 jarigen, (vi) totale uitgaven voor O&O, (vii) bedrijfsinvesteringen, (viii) prijsniveau, (ix) armoederisico, (x) langdurige werkloosheid, (xi) regionale verschillen in de arbeidsparticipatie, (xii) emissie broeikasgassen, (xiii) energie-intensiteit van de economie en (xiv) omvang goederenvervoer.
3/ Bron: Vrind 2000
4/ Bron: NIS
5/ Bron: SERV, Sociaal-Economisch Rapport Vlaanderen, 2005
6/ Bron: APS
7/ Bron: Speurgids Wetenschap, Technologie en Innovatie
8/ Het verschil zit in de opname van de middelen van de VUB, de KUB en de Vlaamse hogescholen in Brussel
9/ loonwig: het verschil tussen brutoloonkost en netto loon

Europa - Vlaanderen

Samenleving & Politiek, Jaargang 13, 2006, nr. 2 (februari), pagina 14 tot 24