Log in

Wat hebben Thomas, Kevin en Mohammed met elkaar te maken?

Burgerschap en nationaliteit als politiek-filosofische concepten

De vraag naar het bindmiddel van onze samenleving wordt de laatste jaren steeds pregnanter gesteld. Onder meer door migratie, globalisering en individualisering is de diversiteit toegenomen en zichtbaarder geworden. Een samenleving is echter meer dan een losse verzameling van verschillende (groepjes) individuen die elk een eigen culturele, religieuze en morele voorkeur hebben. Er is nood aan een vorm van ‘sociale cohesie’ en ‘wederzijdse betrokkenheid’ als draagvlak voor solidariteitsmechanismen en samenlevingsopbouw. ‘Mensen moeten niet alleen naast elkaar leven, maar met elkaar. De interculturele en interreligieuze dialoog moet op verschillende niveaus worden ondersteund en iedereen moet de taal van het gastland leren. Er is nood aan een gemeenschappelijke identiteit en een platform van gedeelde waarden waar iedereen mee instem’, zo klinkt het dan al snel vanuit verschillende hoeken.
Deze ideeën liggen duidelijk aan de basis van het Vlaamse inburgeringsbeleid. Er ligt nadruk op het leren van taal, maar er is meer dan dat. Nieuwkomers moeten ook ‘de gemeenschappelijke waarden en normen die de Vlaamse samenleving van vandaag schragen’ aangeleerd krijgen in een cursus maatschappelijke oriëntatie. Om deze gemeenschappelijke waarden te expliciteren en in een handboek te gieten werd in 2005 door minister Keulen een commissie opgericht.
In het post-Fortuyn tijdperk gaan in Nederland steeds meer stemmen op om gedragscodes en samenlevingscharters op te stellen die verduidelijken op welke waarden en normen de Nederlandse samenleving gebaseerd is (of beter ‘zou moeten zijn’), wat de Nederlandse identiteit is (of beter ‘zou moeten zijn’) en waar Nederlanders trots op (zouden moeten) zijn. In de stad van Fortuyn bestaat de Rotterdamse Burgerschapscode, en in januari 2006 liet de Nederlandse minister van Vreemdelingenzaken en Integratie Rita Verdonk weten dat ze met deskundigen op zoek wil gaan naar de Nederlandse identiteit en op basis daarvan een gedragscode wil opstellen waarin staat hoe fatsoenlijke burgers in Nederland met elkaar zouden moeten omgaan. In de lijn van de Rotterdam-code zou ook de Nederlandse gedragscode willen wijzen op het verbod op discriminatie, op het belang van het Nederlands als gemeenschappelijke taal, het respect voor anders- en niet-gelovigen, gelijkheid van man en vrouw en het belang van (opvoeding tot) volwaardig burgerschap. Deze codes zijn onderwerp van een gepolariseerd debat. Velen vinden dat de multiculturele samenleving nood heeft aan zo’n landelijke gedragscode, dat het goed is dat één en ander nog eens duidelijk op papier wordt gezet, maar voor heel wat anderen gaan dergelijke ‘voorschriften’ - zeker inzake taal - duidelijk een brug te ver.
In wat volgt willen we vanuit een politiek-filosofisch perspectief wat meer klaarheid in deze discussie proberen te krijgen.

De politieke gemeenschap: het haalbare versus het wenselijke

Eén van de historische doelstellingen van de politieke filosofie is het denken van de (politieke) gemeenschap. Volgende vragen staan centraal: wat maakt dat onze samenleving meer is dan de optelsom van egoïstische individuen? Hoe komt het dat we ons Belg en/of Vlaming voelen? Wie beschouwen we als lid van onze politieke gemeenschap en wie als buitenstaander of vreemdeling? Hoe kunnen mensen tot onze gemeenschap toetreden? Moet een politieke gemeenschap steunen op een vorm van (culturele, religieuze, linguïstische, etnische) homogeniteit of is het een context waarbinnen ook plaats is voor verschil?
Er zijn twee manieren om deze vragen aan te pakken. Je kunt een ideale theorie opzetten om in tweede instantie te kijken op welke manier de sociale werkelijkheid gewijzigd kan worden opdat ze meer aan de ideale theorie zou voldoen. Een andere methode bestaat erin dat je vertrekt vanuit de sociale werkelijkheid en van daaruit enkele politiek-filosofische bedenkingen probeert te maken.
De eerste methode levert een normatief perspectief op (hoe het zou moeten zijn), terwijl de tweede methode eerder pragmatische resultaten oplevert die rekening houden met wat mogelijk is gezien de feiten. Een goede politieke filosofie eet van de twee walletjes want wie eenzijdig de nadruk legt op de eerste methode loopt het risico luchtkastelen te bouwen, en wie enkel de tweede methode hanteert verliest uit het oog hoe en in welke richting de samenleving verbeterd kan worden.
Hoe deze twee perspectieven op elkaar kunnen inspelen, wordt meteen duidelijk als we kijken naar de manier waarop de politieke gemeenschap wordt gedacht. Deze gemeenschap wordt traditioneel en idealiter gedacht als een verzameling van mensen die zich op de één of andere manier met elkaar verbonden weten, onder meer omdat ze dezelfde taal spreken, zich in elkaar herkennen en er over de meeste belangrijke dingen min of meer dezelfde mening op nahouden. Het concept natiestaat, gedacht als ‘één land, één taal, één cultuur’ is daar duidelijk een exponent van. Dit ideaal blijkt nu echter niet steeds met de feiten overeen te stemmen. De multiculturele, multireligieuze, multi-etnische en multilinguale realiteit van België en in het bijzonder Brussel spreekt voor zich en daagt de ideale theorie uit. Anderzijds bevat de ideale theorie wel een aantal basale inzichten die we maar beter niet zomaar in de wind slaan als we het gemeenschapsgehalte van onze samenleving willen verbeteren.

Communitarisme versus liberalisme

Lange tijd is het liberalisme in de lijn van J. Locke, I. Kant en J.S. Mill het basisparadigma geweest om aan politieke filosofie te doen. Dit paradigma is in zijn meest recente variant geijkt door John Rawls.1 Het filosofische liberalisme denkt de samenleving als een verzameling van vrije en gelijke burgers. Het autonome subject dat zelf een invulling wil/kan geven aan het eigen leven is de basisidee van waaruit al de rest moet vertrekken. Bijna alle democratische politieke partijen werken binnen de grenzen die dit filosofische liberalisme uitzet. We kunnen dit liberalisme typeren aan de hand van vijf basisbegrippen: pluralisme en tolerantie, vrijheid, rechten, gelijkheid en rechtvaardigheid.
Het politiek-filosofisch liberalisme werd in de jaren tachtig van de vorige eeuw onder vuur genomen door het ‘communitaristische’ geschut. Vanuit de sociologie werden Robert Bellah en Amitai Etzioni de voortrekkers. Deze laatste richtte zelfs een communitarian network op met een eigen tijdschrift: The Responsive Community.2 Vanuit de filosofie worden Michael Walzer, Alasdair MacIntyre, Michael Sandel, Daniel Bell en Charles Taylor met het communitarisme verbonden. Niet iedere filosoof die communitaristisch wordt genoemd, beschouwt zichzelf echter als dusdanig. Er is bovendien ook sprake van ‘communitaristische liberalen’ of ‘liberale communitaristen’.
Volgens het communitarisme heeft het liberalisme een belangrijke waarde over het hoofd gezien, namelijk de gemeenschapswaarde. Het wordt daarom soms ook ‘gemeenschapsdenken’ genoemd. In termen van de Franse Revolutie: het liberalisme heeft voldoende aandacht voor de vrijheid en gelijkheid, maar verwaarloost de waarde van broederschap. Mensen weten zich slechts met elkaar verbonden voor zover ze in een gemeenschap leven die deze verbondenheid constitueert. De waarden die in een bepaalde gemeenschap aanwezig zijn, zijn de bouwstenen voor een gemeenschapsgevoel. Als men, zoals de liberalen, de samenleving beschouwt als een verzameling van autonome subjecten, dan komt men hoogstens tot een vorm van associatie, een vorm van contract tussen individuen, maar niet tot een echte gemeenschap (community, Gemeinschaft). Dergelijke vorm van gemeenschap is echter noodzakelijk, zo stelt de communitaristische criticus, wil men de solidariteits- en rechtvaardigheidsprincipes waar veel (egalitaristische) liberalen voor pleiten, in de praktijk brengen. Om de samenleving tot een gemeenschap om te vormen, moet de overheid niet neutraal zijn zoals in het liberalisme, de overheid moet gemeenschapvormend optreden door bepaalde waarden, tradities en gedeelde opvattingen van het goede leven (politics of the common good3) door te geven, te promoten en in bepaalde gevallen zelfs op te leggen.
Communitaristen wijzen er ook op dat gemeenschappelijke waarden die in culturen, tradities en gemeenschappen terug te vinden zijn ook van belang zijn voor de identiteitsopbouw van individuen. De liberale politiek filosofen zouden teveel vertrekken van een illusoir mensbeeld: het autonome subject dat vrij zijn waarden en opvattingen kan kiezen als een unencumbered self4. Volgens communitaristen zijn mensen steeds ingebed en gesitueerd in sociale netwerken, culturele praktijken, tradities en gemeenschappen. Mensen kunnen niet zomaar vrij hun eigen identiteit kiezen, maar krijgen een identiteit.

Synthese: burgerschap

Heel wat conservatieven, cultuurpessimisten en nationalisten hebben het communitaristische discours opgepikt, maar het communitarisme laat zich lang niet tot deze perspectieven herleiden. Ook in ‘progressieve kringen’ heeft het communitarisme ingang gevonden. Het debat tussen liberalen en communitaristen is ondertussen echter over zijn hoogtepunt heen. Het politiek filosofische debat wordt vandaag gedomineerd door de discussie over internationale rechtvaardigheid, globalisering en kosmopolitisme, en de discussie over het multiculturalisme - zowel door immigratie als door de aanwezigheid van verschillende nationale gemeenschappen. In deze discussies spelen de thema’s uit het klassieke liberalen-communitaristendebat nog wel een bepalende rol, maar ze worden minder als dusdanig benoemd. Dit is het gevolg van het feit dat beide partijen van elkaar geleerd hebben: de liberalen hebben ondertussen behoorlijk wat aandacht voor de waarde van gemeenschapsvorming en de communitaristen geven toe dat ze bepaalde liberale verworvenheden niet in vraag willen stellen. Het is dus minder dan een tijd geleden ‘in’ om zich in termen van liberalen versus communitaristen te profileren.
Als gevolg van de liberalen-communitaristendiscussie heeft de consensusnotie ‘burgerschap’ sterk aan belang gewonnen in het discours van de politiek filosofen5, maar niet alleen daar. Ook in de media en het dagelijkse politieke discours heeft ‘de burger’ als buzzword een steile opmars gemaakt aan het eind van de twintigste eeuw. Er zijn niet alleen de bekende burgermanifesten van Guy Verhofstadt en diens oprichting van ‘de partij van de burger’, ook over minderheden (inburgering!), kansarmoede, ecologie, onderwijs, arbeid, media, het middenveld, sociale zekerheid, gender, identiteit en publieke waarden wordt heel vaak in termen van burgerschap gesproken en geschreven.6 Het Verdrag van Maastricht (1992) lanceerde het ‘Europees burgerschap’ en in het kielzog van de witte woede werd plots heftig gediscussieerd over de nieuwgeboren mondige burger, actief burgerschap, de rol van burgerinitiatieven, burgerobservatoria, enzovoort. Ook het aantal studiedagen en congressen dat onder de vlag van burgerschap georganiseerd werd, is niet meer bij te houden.
Het succes van het burgerschapsconcept ligt in het feit dat het erin slaagt tegemoet te komen aan de bekommernissen van zowel de liberals als de communitarians. Burgers zijn immers dragers van rechten (liberals), maar slechts voor zover ze deel uitmaken van een gemeenschap (communitarians). Bovendien is het burgerschap geen neutraal begrip, het impliceert een actieve houding van individuen: goede burgers participeren, zetten zich in voor de gemeenschap, zijn verantwoordelijk, enzovoort. De overheid moet ten aanzien van haar burgers wel neutraal zijn en iedereen zoveel mogelijk als gelijke behandelen (liberals), maar die neutraliteit sluit niet uit dat de overheid aanstuurt op actieve burgerzin en gedeelde waarden bij haar onderdanen (communitarians). De overheid moet op basis van een formative project haar onderdanen de nodige burgerschapsdeugden bijbrengen. Op die manier is de citizenship theory als het ware de hegeliaanse Aufgebung waarbij de thesis en antithesis gesynthetiseerd worden zonder zichzelf in die synthese te verliezen. De notie ‘burgerschap’ heeft, als eervol compromis voor beide partijen, het soms erg gepolariseerde debat tussen liberalen en communitaristen kunnen ontmijnen. Waar vroeger de nadruk steeds lag op het diepe water dat hen scheidde, trekken ze nu samen op onder een gemeenschappelijke burgervlag en voeren ze meer en meer eenzelfde politieke strijd.

Pluralisme en solidariteit

Binnen het liberalisme, in het bijzonder binnen het egalitarisme na Rawls, is heel wat energie gegaan naar het zoeken, bepalen en bespreken van rechtvaardigheidsprincipes. Meestal gaat het over abstracte regels waarvan men argumenteert dat alle redelijke mensen ermee zouden moeten kunnen instemmen. Het rechtvaardigheidsdenken vindt meestal plaats binnen de premisse dat mensen binnen afgebakende gemeenschappen (i.c. natiestaten) leven waarbinnen er solidariteit kan ontstaan. Solidariteitsmechanismen ontwikkelen zich echter niet in abstracto, solidariteit is een concreet gebeuren tussen reële mensen. Alle universele rechtvaardigheidsprincipes ten spijt, moeten we ook onder ogen zien dat solidariteit sneller tot stand komt tussen mensen die zich met elkaar associëren en met elkaar verbonden weten, dan tussen vreemden of mensen die drastisch van elkaar verschillen waardoor men zichzelf niet meer in de ander herkent. Hoe sterker de sociale, culturele, etnische of linguïstische diversiteit binnen een samenleving, hoe moeilijker het zal zijn een draagvlak te vinden voor solidariteit. Hoewel dit inzicht triviaal lijkt, werd daar in de liberale politiek-filosofische literatuur tot voor kort niet veel aandacht aan besteed.7 Ook in het licht van het federale België en Europa is dit thema natuurlijk bijzonder relevant.

Gemeenschappelijke nationale identiteit

In het liberalisme gaat men uit van feitelijke diversiteit (fact of pluralism) en probeert men binnen dat pluralisme de stabiliteit en solidariteit van een samenleving te denken. De zorg van het communitarisme was echter terecht: is het niet naïef om het over solidariteit, herverdeling en rechtvaardigheid te hebben als men een belangrijke vooronderstelling opdat solidariteit in de praktijk zou kunnen werken, negeert: namelijk de gemeenschapsvorming, het creëren van een wij-gevoel en het bevorderen van het gevoel dat mensen ergens bij horen. Wie erop wil toezien dat mensen zich concreet solidair weten met anderen, zal meer moeten doen dan enkel politieke en morele rechtvaardigheidsbeginselen uit te denken en aan de man te brengen.
Enkele zogenaamd ‘nationaal liberalen’ hebben deze kritiek ter harte genomen.8 Ze willen op zoek gaan naar ‘gemeenschapsvormende elementen’ in het besef dat het naïef is te willen teruggrijpen naar het ideaal van de homogene gemeenschap waarbinnen een common good van door iedereen gedeelde waarden en normen door de overheid wordt opgelegd. Dit is in de huidige maatschappelijke context onhaalbaar, bovendien is het vanuit (liberaal) ethisch oogpunt onwenselijk want paternalistisch en fnuikend voor het pluralisme.
De liberale nationalisten stellen daarom voor om een ‘nationale identiteit’ te promoten: de nationale identiteit laat culturele, sociale en etnische diversiteit toe, en creëert tegelijk een gevoel van verbondenheid. Deze gemeenschappelijke nationale identiteit die los staat van cultuur, herkomst en religie wordt met de term civic nationality aangeduid.
Vanuit liberaal, antipaternalistisch oogpunt zijn niet alle middelen goed om de nationale identiteit te bevorderen. Zo kan een welbepaalde godsdienst niet als bindmiddel worden voorgesteld (zoals bijvoorbeeld de Anglicaanse Kerk in het Verenigd Koninkrijk of het Grieks Orthodox geloof in Griekenland en in mindere mate, maar toch, het katholicisme in Vlaanderen). Het proces van nation-building mag niet in de val trappen om bij mensen één welbepaalde conceptie van het goede leven te promoten. Het zal dus op een ietwat diffusere manier moeten verlopen: bevorderen van en inspelen op het bewustzijn dat we tot eenzelfde intergenerationele samenleving behoren, dat we met mensen eenzelfde territorium delen en een gezamenlijke geschiedenis en toekomst hebben. Vanzelfsprekend spelen onderwijs en media hierbij een bijzonder belangrijke rol. Iemand die in de Kempen net onder de grens met Nederland woont, voelt zich op heel wat punten meer verwant met iemand die in Kortrijk woont dan met de Nederlander die slechts op een paar kilometer van hem af woont. Ze hebben immers dezelfde premier, kijken naar dezelfde programma’s, volgen dezelfde voetbalcompetitie, hebben dezelfde BV’s, kunnen van gedachten wisselen over de verzuilde structuur van bijvoorbeeld het onderwijs, de ziekenbonden en de vakbonden, enzovoort. Dat de genoemde kempenaar zich nog minder kan identificeren met de Duitser die even verderop woont, heeft natuurlijk alles te maken met het taalverschil dat daar nog eens bij komt.

Wat kan worden afgedwongen?

Burgerschap wordt dikwijls normatief ingevuld: burgers zijn geen passieve dragers van rechten, maar beantwoorden idealiter aan een idee van actief, participatief of verantwoord burgerschap. Een ‘goede’ burger beoefent verschillende deugden: loyaliteit aan de gemeenschap, gehoorzaamheid aan de wetten, fairness, tolerantie, een positief arbeidsethos, politieke interesse, deelname aan publiek debat, enzovoort.
Binnen deze nieuwe consensus over burgerschap wordt nu vooral gedebatteerd over de wijze waarop dat burgerschap moet worden vormgegeven, hoe het bevorderd kan worden en wat afgedwongen moet worden. In dit verband heeft men het dikwijls over a minimal en a thick concept of citizenship. Vanuit een liberaal perspectief is enkel het minimale burgerschap afdwingbaar: mensen moeten zich houden aan de moderne rechten en plichten zoals die in de grondwet zijn vastgelegd, respect betonen voor de openbare orde en instemmen met de resultaten van het democratische politieke proces.
Of men dat nu graag hoort of niet - en sommigen lijken het er echt moeilijk mee te hebben - tal van morele en praktische moeilijkheden begrenzen de macht van de overheid en maken dat een ‘smalle’ invulling van burgerschap het enige is dat rechtmatig juridisch kan worden afgedwongen. Dit betekent niet dat de overheid voor de rest lijdzaam moet toezien. De overheid mag (en is het eigenlijk aan zichzelf verplicht) proberen om een aantal van die zogenaamde burgerschapsdeugden zoveel mogelijk te promoten. Door een werkgelegenheidsbeleid kan de overheid de activering van mensen stimuleren, via de media het nationale gevoel versterken, door campagnes de politieke interesse aanwakkeren, levenslang en levensbreed leren aanmoedigen, taalverwerving stimuleren, enzovoort. Maar ondanks een werkgelegenheidsbeleid kan je niemand echt verplichten om te gaan werken want dan zitten we in de dictatuur van de activering. En alle campagnes ten spijt kan niemand verplicht worden zich Belg te voelen, politiek geïnteresseerd te zijn, deel te nemen aan het verenigingsleven, enzovoort. Een ‘dikkere’ gemeenschappelijke vorm van burgerschap kan dus enkel worden bevorderd.

Belang van taal

In verband met ons onderwerp is taal het meest heikele punt dat opduikt in de discussie. Niemand zal ontkennen dat taal één van de belangrijkste elementen van nation building kan zijn en taalverwerving daarom sterk aangemoedigd moet worden. Er bestaan echter nogal wat meningsverschillen over de vraag of het verwerven van de gemeenschapstaal al dan niet ook verplicht moet worden. Taal is - bij bepaalde bevolkingsgroepen al sterker dan bij andere - een heel belangrijk onderdeel van de identiteit van mensen. Wie verplicht wordt om de gemeenschapstaal te leren, kan dit aanvoelen als een vrij drastische vorm van gedwongen ‘assimilatie’. Verplichte taalaanpassing wordt door sommigen beschouwd als een illegitieme, want paternalistische, inbreuk op de vrijheid van mensen.
Nogal wat nationalisten - ook liberale nationalisten - redeneren echter dat een nationale staat noodzakelijk eentalig moet zijn. Vanuit de logica ‘één taal - één natie’ vormt elke anderstalige een bedreiging voor de nationale identiteit. Dit impliceert dat taalverschil een legitieme reden kan zijn om de (politieke) autonomie van een regio te bepleiten en dat de overheid nieuwkomers moet verplichten de gemeenschapstaal te verwerven. De vele discussies in het verleden tot op vandaag over de Vlaamse autonomie, het Vlaamse inburgeringsbeleid, de taalgrens, Brussel en de faciliteitengemeenten zijn hier symptomatisch.
De discussie of nationale identiteitsvorming gedeeltelijk losgekoppeld kan worden van taal kunnen we hier niet beslechten. We willen er echter wel op wijzen dat wie de Brusselse context kent, goedschiks of kwaadschiks toch met een meertalige realiteit aan de slag moet. Deze gemengde meertalige realiteit is een - toegegeven, wel vrij uitzonderlijk - gegeven waar veel liberaal nationalisten te gemakkelijk aan voorbij gaan, omdat ze ervan uitgaan dat regio’s en gemeenschappen altijd eentalig zijn.
De verdedigers van de logica ‘één taal - één natie’ hebben ongetwijfeld een punt dat een Babylonische spraakverwarring niet wenselijk is en dat taalverschillen voor vervreemdingseffecten kunnen zorgen die de praktijk van solidariteit niet ten goede komen. Of men daarom ook alles moet doen om staten of de publieke ruimte zoveel mogelijk eentalig te maken, is daarmee niet gezegd. Het belangrijkste argument om mensen te verplichten de taal te leren ligt niet in de nationalistische assimilatielogica, maar in de instrumentele waarde die taal heeft in het kader van een toerustingsbeleid. Het verwerven van de taal is een belangrijk middel voor emancipatie en maatschappelijke participatie. De discussies over de verplichte inburgering verlopen dan ook dikwijls in ongelukkige bewoordingen. Er wordt al te veel nadruk gelegd op ‘disciplinering’, ‘assimilatie’, ‘aanpassing’, ‘identiteit’, terwijl het doel van onthaalcursussen en taalverwerving voornamelijk gelegen is in de ‘emancipatie’ en ‘kwalificatie’ van de betrokken (groepen) mensen. Pas dan wordt duidelijk dat het onthaalbeleid in het belang is zowel van de nieuwkomer als individu als van de gastsamenleving in haar geheel.

Verbondenheid door gedeelde participatie

Overheden kunnen maximale inspanningen leveren om een nationale identiteit te bevorderen, ze botst onvermijdelijk op morele grenzen en praktische moeilijkheden. We hebben er al op gewezen hoe regio’s waar verschillende talen gemengd aanwezig zijn, zoals in Brussel, de taal minder als bindmiddel kan optreden dan in homogene eentalige gebieden. We hebben er ook op gewezen dat een overheid mensen wel kan verplichten de wetten na te leven en nieuwkomers kan verplichten onthaallessen te volgen, maar hoe kan je mensen verplichten zich met België of Vlaanderen te vereenzelvigen, hoe kan je verplichten dat mensen zich werkelijk betrokken voelen bij het maatschappelijke leven hier, dat ze de Belgische media volgen, enzovoort? Als wij naar CNN mogen kijken, mogen anderen toch naar Al Jazeera of naar de Turkse televisie kijken?
Men kan dus maximaal inzetten op het creëren en verspreiden van een gedeelde nationale identiteit, we moeten er toch rekening mee houden dat dit in de huidige context van globalisering en immigratie niet steeds helemaal kan slagen. De traditionele idee van de natiestaat als ‘één staat-één taal-één cultuur’ staat in ieder geval onder druk en maakt het de facto onmogelijk burgerschap helemaal met nationale identiteit en nationale betrokkenheid te laten samenvallen. Sommige migranten(groepen) die naar hier komen, behouden immers lang (soms over generaties heen) banden en betrokkenheid met de landen van herkomst. Ook het feit dat mensen zich bijvoorbeeld met een bepaalde godsdienst associëren, kan voor transnationale verbanden zorgen. Deze transnationale bindingen kunnen resulteren in solidariteitsacties met slachtoffers van een aardbeving in Turkije of Marokko, het supporteren voor het land van herkomst tijdens een voetbalmatch, buurten vol schotelantennes of het organiseren van een steunbetoging voor het Palestijnse volk. Veel autochtonen blijken de verbondenheid die de eigen nationale grenzen overstijgen erg bedreigend te vinden en kunnen dit moeilijk plaatsen. Het feit dat migranten sociale, culturele, politieke en/of economische banden behouden met het land van herkomst, sluit echter niet noodzakelijk uit dat ze ook hun verantwoordelijkheid willen opnemen voor de samenleving waarin ze dagdagelijks leven. Interessant in dit verband is het pleidooi voor het leren omgaan met ‘transnationaal burgerschap’. De immigratierealiteit kan immers niet voorkomen dat immigranten meervoudige bindingen en loyaliteiten hebben en dat hoeft ook niet noodzakelijk negatief te worden geduid.9
De zoektocht naar een draagvlak voor solidariteit tussen mensen zonder een gemeenschappelijke nationale identiteit is moeilijker dan in een volstrekt homogene natiestaat. Het betekent echter niet dat solidair samenleven zonder een gedeelde nationale identiteit onmogelijk zou zijn. Ondanks cultuurverschillen en verschillende nationale identificaties kan toch een gedeeld burgerschap ontstaan.10 Het belangrijkste element van gemeenschappelijkheid is immers dat mensen in dezelfde sociale, politieke, juridische en economische ruimte leven. Wat mensen delen ontstaat door het gedeeld participeren zelf, niet noodzakelijk door een gedeeld nationaal gevoel. We sluiten ons op dit punt aan bij Etienne Vermeersch: ‘Kortom, wie even rustig nadenkt, zal tot het besluit komen dat zowel op feitelijke als op ethische gronden het uitgangspunt van een gezonde solidariteit in de reële contacten en interacties met de medemens ligt: familiekring, werkkring, buurt, gemeente en bredere netwerken op het stuk van gezondheidszorg, sociale zekerheid, en tenslotte, ruimer gezien, het land waarin men leeft.’11
Er kan een gevoel van lotsverbondenheid en een draagvlak voor solidariteit ontstaan omdat de Thomassen, Kevins en Mohammeds van onze samenleving in dezelfde straat wonen, met elkaar op de werkvloer aan de slag moeten, kinderen in dezelfde school hebben, met dezelfde instellingen geconfronteerd worden of samen sporten. In dit verband moeten de pogingen om de idee van sociale mix gestalte te geven in buurten, in scholen, in vrijetijdsorganisaties, enzovoort, worden aangemoedigd als voorwaarde voor concrete vormen van identificatie en solidariteit.12 Het is uitermate belangrijk dat mensen met elkaar in contact komen en weten wie de sociaal, culturele of levensbeschouwelijke ‘ander’ is. Het is slechts door contact en gedeelde participatie - op welk niveau dan ook - dat men zich met elkaar gaat identificeren en elkaars lot gaat aantrekken.
Gelet op de realiteit is het wenselijk dat mensen het signaal krijgen dat burgerschap wordt georganiseerd op basis van verblijf en niet op basis van cultuur, religie, nationaliteit of herkomst: la reconnaissance d’une citoyenneté de résidence. Vanuit de eigen religieuze, sociale, culturele of nationale achtergrond kan iedereen zich op een gelijke manier burger van een samenleving voelen en zich willen inzetten voor een gemeenschappelijk doel: de verbetering van deze samenleving waarin mensen kunnen aarden met uiteenlopende opvattingen van het goede leven - steeds binnen het kader van de democratische liberale rechtsstaat natuurlijk.
Het idee van ‘gemeenschappelijk burgerschap’ komt erop neer dat mensen zich engageren voor een gedeeld maatschappelijk project. Mensen moeten zich aangesproken en opgenomen weten door een samenleving, en dat veronderstelt niet noodzakelijk een gemeenschappelijke nationale identiteit. We kunnen misschien zelfs het omgekeerde suggereren: wie onderlinge solidariteit wil promoten in een multiculturele samenleving doet er goed aan de verschillende nationale identiteiten en bindingen te erkennen in plaats van te onderdrukken. Mensen van verschillende nationale groepen zullen zich enkel door de gastsamenleving aangesproken en opgenomen weten als ze die samenleving kunnen beschouwen als een context waarbinnen ze hun nationale identiteit een plaats kunnen geven, in plaats van moeten wegsnijden.

Belang van nationaliteitsverwerving

Concreet betekent dit dat er veel te zeggen valt om de nationaliteitsverwerving en naturalisatie te herwaarderen. De nationaal liberalen stellen terecht dat nationaliteit meer is dan een vodje papier. Het gaat erom dat mensen zich expliciet bekennen tot een bepaald land en zijn mensen én om een symbool dat het land van zijn kant de nieuwkomer volledig wil erkennen en tot zijn gemeenschap toelaten. Een dergelijk gebeuren van nationale identificatie (een belangrijke voorwaarde voor solidariteit) verdient wat meer luister dan nu het geval is. We kunnen in dit verband inspiratie halen uit de naturalisatiedag die Canada en Australië (National Australia Day) organiseren om de nieuwe landgenoten officieel te verwelkomen en in de bloemetjes te zetten. Ook Nederland organiseerde in 2005 op 24 augustus (de datum dat de Nederlandse grondwet in 1815 in werking trad) voor het eerst zo’n feestdag voor nieuwe Nederlanders. Op deze ‘Dag van de Naturalisatie’ werden mensen die in de voorbije maanden de Nederlandse nationaliteit gekregen hadden, uitgenodigd op het gemeentehuis van hun stad of gemeente. In Den Haag bijvoorbeeld kregen deze mensen uit de handen van minister Verdonk zelf een boekje met de grondwet en een Nederlandse vlag. Het geheel werd omkaderd door muziek, toespraken, een hapje, een drankje en de nodige media-aandacht.
Een dergelijke ‘ceremonie’ kan een goede indruk wekken bij de nieuwkomer, maar zal ook de nieuwkomer in een positiever daglicht stellen bij de autochtone bevolking. Anderzijds moeten zoveel mogelijk rechten en plichten van burgers losgekoppeld zijn van het feit of ze al dan niet onze nationaliteit hebben. Met andere woorden, het is legitiem om wat meer aandacht te besteden aan het verwerven van de nationaliteit (eventueel ook door opnieuw enkele relevante voorwaarden aan de nationaliteitsverwerving te koppelen), maar het is niet wenselijk dit te doen door bepaalde rechten en plichten van de burger naar de overheid of omgekeerd daaraan te koppelen. We pleiten dus tegelijk voor een ‘herwaardering’ én een ‘relativering’ van de nationaliteitsgedachte.

Conclusie

De opkomst van de ideeën rond het concept ‘burgerschap’ heeft de discussie tussen liberalen en communitaristen getemperd. Beide partijen konden zich in het burgerschapsconcept vinden om ermee aan de slag te gaan. Het burgerschapsconcept heeft zowel oog voor individuele rechten als voor de verhouding tot de gemeenschap en voor de vraag naar een gemeenschappelijke identiteit als voorwaarde voor solidariteit. De liberale nationalisten hebben terecht aangeduid dat liberale overheden niet bang hoeven te zijn om een gedeelde (nationale) identiteit te promoten. Dit kan immers op een niet-paternalistische wijze en zonder cultureel, sociaal of religieus pluralisme te fnuiken. Ook bij nieuwkomers kunnen op legitieme wijze inspanningen gedaan worden opdat ze zich meer zouden identificeren met de gastsamenleving en haar (nationaal) maatschappelijke context eigen zouden maken. Dit moet echter niet gebeuren door te eisen dat nieuwkomers hun persoonlijke levensstijl, familiale gewoontes of religieuze overtuigingen aanpassen, maar door het promoten van taalverwerving en identificatie met de ‘maatschappelijke cultuur’ hier. Deze maatschappelijke cultuur is vanuit liberaal oogpunt per definitie pluralistisch en religieus, cultureel en sociaal gediversifieerd. Binnen de Belgische (Vlaamse) maatschappelijke cultuur is er plaats zowel voor moslims als christenen, joden en atheïsten, voor zowel conservatieven als progressieven, voor zowel landbouwers als stedelingen, enzovoort.
Hoe verdienstelijk de inzichten van de nationale liberalen ook mogen zijn, wie oog heeft voor de realiteit moet vaststellen dat het creëren van een gedeelde nationale identiteit nooit helemaal zal lukken. Zo is de hoop op een territoriale afbakening op basis van eentaligheid in specifieke gevallen zoals Brussel onmogelijk. Bovendien leven we in een immigratiesamenleving waarbij we voortdurend met nieuwkomers te maken hebben en waarbij we met bevolkingsgroepen geconfronteerd worden die banden hebben met andere landen en gemeenschappen. Deze transnationale bindingen kunnen voor- en nadelen hebben. Maar hoe dan ook, een overheid kan mensen niet verbieden die te hebben en te behouden. Ze moet echter wel blijven insisteren op een gevoel van ‘gemeenschappelijk burgerschap’ hier (wat transnationale bindingen niet noodzakelijk in de weg hoeft te staan). Mensen moeten weten dat ze met deze samenleving hier verder moeten en omgekeerd moet de samenleving weten dat ze met deze mensen verder moet. De overheid moet daarom voldoende incentives geven opdat mensen niet in het hoger genoemde smalle idee van burgerschap zouden blijven steken, maar een dikker concept van gedeeld burgerschap in de praktijk zouden kunnen brengen: stimuleren van middenveld, stimuleren van taalverwerving, stemrecht voor iedereen die hier langere tijd verblijft, aandacht voor het samenleven in verschil in onderwijs en vorming, etc.. Het uiteindelijke doel is dat mensen - ondanks hun verschillen en eigenheid - zich hier samen verantwoordelijk weten voor de samenleving waarin ze leven. Of mensen zich op de eerste plaats als Belgische moslim, dan wel als Antwerpenaar van Marokkaanse afkomst of Vlaams-nationalist definiëren, is van ondergeschikt belang als men zich vanuit de eigen identiteit maar geëngageerd weet voor het concreet en vreedzaam samenleven in de buurt, de stad, het land, Europa.

Patrick Loobuyck
Redactielid en doctor-assistent moraalfilosofie verbonden aan de UGent

Noten
1/ Rawls J. (1971), A theory of justice, Harvard University Press, Cambridge Mass.; Rawls J. (1993), Political liberalism, Columbia University Press, New York.
2/ zie http://www.gwu.edu/~ccps/
3/ Sandel M. (1984), Morality and the liberal Ideal, in: New Republic, 190: 15-17 en Taylor Ch. (1985): Alternative futures: legitimacy, identity and alienation in late twentieth century Canada, in: Cairns A. & Williams C., Consitutionalism, citizenship and society in Canada, University of Toronto Press, Toronto: 183-229.
4/ Zie Sandel M. (1984), The procedural republic and the unencumbered self, in: Political Theory 12: 81-96.
5/ Zie o.a. Van Gunsteren H. (1998), A theory of citizenship: organizing plurality in contemporary democracies, Westview, Boulder; Kymlicka W. & Norman W. (1994), Return of the Citizen, in: Ethics, 104, 2: 352-81. Ook het zogenaamde ‘republicanisme’ heeft als politiek-filosofische stroming het denken in termen van burgerschap bevorderd. Zie o.a. Pettit Ph. (1997), Republicanism. A theory of freedom and government, Oxford University Press, Oxford.
6/ Wat betreft het Nederlandstalige aanbod hier slechts een heel kleine greep: Van Gunsteren H. (red.) (1992), Eigentijds burgerschap, WRR, ’s-Gravenhage; Van Gunsteren H. & Den Hoed P. (red.) (1992), Burgerschap in praktijken, WRR, ’s-Gravenhage; Holemans D. (1999), Ecologie en burgerschap: pleidooi voor een nieuwe levensstijl, Pelckmans, Kappellen; Pelleriaux K. (2001), Demotie en burgerschap. De culturele constructie van ongelijkheid in de kennismaatschappij, VUBPress, Brussel; Sanders L. (red.) (2003), Heeft de burger nog zin? Essays in burgerzin, Garant, Antwerpen/Apeldoorn; Kremer M. (2000), Geven en nemen. Burgerschap en informele zorg in Europees perspectief, NIZW, Utrecht; Foblets M.C. en Hubeau B. (eds.) (1997), Nieuwe burgers in de samenleving? Burgerschap en inburgering in België en Nederland, Acco, Leuven/Amersfoort; Biltereyst D. (2003), Nieuws, democratie en burgerschap: onderzoek over hedendaagse nieuwsmedia, Academia Press, Gent; Loobuyck P. (2002), Multicultureel burgerschap: voorbij integratie, assimilatie, segregatie en marginalisering, in: Ons Erfdeel, 45, 3: 399-411.
7/ Daar begint nu wel verandering in te komen. Van Parijs Ph. (ed.) (2004), Cultural diversity versus economic solidarity. Is there a tension? How must it be resolved, De boeck université, Brussel (te lezen op http://www.uclouvain.be/en-12569.html). Van Parijs, Ph. (2003), Natievorming tegen solidariteit?, in: Samenleving en politiek, jg.10, nr.6 (juni): 27-35; European Communities Commission (2001), Unity, solidarity, diversity for Europe, its people and its territory, Office for official publications of the European communities, Luxembourg.
8/ Canovan M. (1996), Nationhood and political theory, Edward Elgar, Cheltenham; Tamir Y. (1993), Liberal nationalism, Princeton University Press, Princeton; Spinner J. (1994), The boundaries of citizenship: race, ethnicity and nationality in the liberal state, Johns Hopkins University Press, Baltimore: ch. 7; Miller D. (1995), On nationality, Oxford University Press, Oxford; Miller D. (2000), Citizenship and national identity, Polity Press, Cambridge; Kymlicka W. (2001), Politics in the Vernacular: nationalism, multiculturalism and citizenship, Oxford University Press, Oxford. Voor verdere discussie zie ook Couture J., Nielsen K. & Seymour M. (eds.) (1998), Rethinking Nationalism, University of Calgary Press, Calgary; Beiner R. (ed.) (1999), Theorizing nationalism, State University of New York Press, Albany.
9/ Bauböck R. (1994), Transnational citizenship: membership and rights in international migration, Aldershot, Edward Elgar; Faist T. (2000), Transnationalization in international migration: implications for the study of citizenship and culture, in: Ethnic and Racial Studies, 23: 189-222; Christiansen F. (ed.) (2004), The politics of multiple belonging, Ashgate, Aldershot; Snel E. & Engbersen G. (2002), Op weg naar transnationaal burgerschap. De schuivende panelen van internationale migratie, in: Transnationaal Nederland, het 23ste jaarboek voor het democratisch socialisme, Wiardi Beckmanstichting, De Arbeiderspers, Amsterdam: 23-48.
10/ Cf. Entzinger H. (2003), Nationale identiteit en burgerschap, in: Civis Mundi 42, 1: 22-26; Mason A. (1999), Political community, liberal nationalism and the ethics of assimilation, in: Ethics 109: 261-86.
11/ Vermeersch E. (2003), Over de multiculturele samenleving, in: Van Den Berg F. (red.), Schepping, wereldbeeld en levensbeschouwing, Bureau Studium Generale, Utrecht, 197-222: 216.
12/ We beseffen dat we hier een bijzonder heikel punt aanraken. Los van het feit of ‘sociale cohesie door menging’ inderdaad werkt, zijn er immers vele institutionele, wettelijke, sociale en morele moeilijkheden die ervoor zorgen dat er steeds een discrepantie tussen het theoretisch wenselijke en het praktisch haalbare blijft bestaan. Denken we maar aan de discussie over onmogelijkheid van spreiding in het onderwijs of over de grenzen van de mogelijkheden om tot residentiële desegregatie te komen. Wat dit laatste betreft zie o.a. Duyvendak J.W. & Veldboer L. (2001), Meeting point Nederland: over samenlevingsopbouw, multiculturaliteit en sociale cohesie, Boom, Amsterdam; Duyvendak J.W. & Hortolamus R. (1999), De gedroomde wijk: methoden, mythen en misvattingen in de nieuwe wijkaanpak, Forum, Utrecht; Kesteloot C. (1998), Over de beperkingen van de sociale mix als beleidsstrategie, in: Planologisch Nieuws, 18, 3: 144-147.

gelijke kansen - inburgering - diversiteit

Samenleving & Politiek, Jaargang 13, 2006, nr. 2 (februari), pagina 45 tot 55