Log in

Links, rechts en de vooruitgang

Paul Kalma, directeur van het wetenschappelijk bureau van de Nederlandse Partij van de Arbeid, is er verbaasd over dat klassiek linkse opvattingen op de achtergrond raken. Markteconomie wordt bejubeld, sociale ongelijkheid stuit op onverschilligheid, werklozen houden nauwelijks rechten over. Kalma wil daar iets tegen doen. Op de tweede plaats wil hij - in het zog van de dramatische verkiezingsnederlaag van zijn partij in 2002 - nadenken over de koers van de PvdA op de lange termijn. Een cruciale passage in het boek1 dat ik in deze bijdrage uitgebreid bespreek, luidt als volgt: ‘Politiek gaat niet alleen over oplossingen, maar vooral ook over omschrijving en definiëring van de meest dringende maatschappelijke vraagstukken’ (88).

Uitgangspunten

Heeft het onderscheid tussen links en rechts nog zin? Hebben de traditionele ideologieën zichzelf niet overleefd? Kalma vindt van niet. Hij vindt links en rechts nog steeds relevante begrippen en de sociaaldemocratie moet weer een linkse politieke stroming worden. Hij beseft dat hij op die manier tegen de stroom ingaat. Overal schuift de politiek juist naar rechts op. En dat rechtse programma vertrekt met twee doelstellingen: een versterking van het marktmechanisme en een terugdringen van de verzorgingsstaat aan de ene kant en een hardere aanpak van criminaliteit aan de andere kant. Rechts straalt optimisme uit: ‘Het oude linkse maakbaarheidsideaal, met de plannende en verzorgende overheid in de hoofdrol, is dood; het nieuwe rechtse maakbaarheidsideaal , met zijn sterke, vrije individuen, zijn ‘onzichtbare hand’ van de markt en zijn straffende overheid, is springlevend’ (17).
Cynischerwijze is de opmars van rechts voor een stuk terug te voeren tot het succes van links. De welvaart leverde mondige burgers op, die denken dat ze geen collectieve bescherming meer nodig hebben. Verder bracht de sterke groei van de verzorgingsstaat problemen mee, zoals lastendruk, bureaucratisering, misbruiken van voorzieningen en afhankelijkheid van uitkeringen, waar links onvoldoende durfde op reageren. Tenslotte werden de linkse organisaties zelf zo verzakelijkt en verbureaucratiseerd dat besturen steeds meer doel op zich werd en de afstand met het electorale publiek steeds groter. Dit proces werd nog bevorderd door een aantal maatschappelijke ontwikkelingen: globalisering ondermijnt de vakbeweging en beperkt de mogelijkheden van de politiek om invloed uit te oefenen op de economie. De val van de muur heeft rechts ideologisch de wind in de zeilen geblazen. En een meritocratische ideologie, die iedereen zelf verantwoordelijk stelt voor zijn succes of zijn falen, kende een heropleving.
Als je kijkt hoe zich dit bij bijvoorbeeld New Labour vertaalt, dan zie je vooral een extreme aandacht voor vorm en presentatie en voor opiniepeilingen. De partij is verwikkeld in een permanente beleidsvernieuwing, wat echter verbergt dat het haar niet meer lukt om enige afstand te nemen van het dagelijks politiek handelen. Ze holt de trends achterna en is niet (meer) in staat om vanuit een globale visie zelf gestalte te geven aan de samenleving. Kalma noemt links, in navolging van de socioloog van Doorn, strijd tegen de afhankelijkheid van de economie en technologie en tegen de heerschappij van het geld. Labour wordt rechts, want zij geeft die strijd precies op. Rechts wil juist de markteconomie zo veel mogelijk vrij spel geven, terwijl links die economie wil kanaliseren en inbedden.
Dat die tegenstelling tussen links en rechts actueel blijft, is op drie terreinen aanwijsbaar. Ten eerste ziet men in verschillende delen van de wereld een heropleving van de oude strijd tussen arbeid en kapitaal. De liberalisering van de Europese- en de wereldmarkt zal ongetwijfeld de welvaartsstaat onder druk zetten, met harde confrontaties tussen werknemers- en werkgeversorganisaties voor gevolg. In sommige Aziatische landen ontstaat een belangrijke nieuwe arbeidersklasse, die zich vroeg of laat zal willen organiseren. Ook in andere delen van de wereld zullen de sociale tegenstellingen worden aangescherpt. De milieuproblemen worden dermate groot dat ze eigenlijk alleen nog aan te pakken zijn door een andere organisatie van productie en consumptie. Ten tweede dreigen internationale politieke verhoudingen steeds conflictueuzer en gewelddadiger te worden. Het antwoord op de vraag of deze conflicten te beoordelen zijn in het licht van de verdeling van de rijkdom plaatst iemand onvermijdelijk links of rechts. Dit gebeurt ten derde ook bij de spectaculaire ontwikkelingen in de biowetenschappen: wie die wetenschappen hun gang laat gaan en alles laat ontwikkelen wat maar mogelijk is, zonder een poging om dat proces te sturen, laat toe dat dit terrein volledig aan het geld wordt overgelaten. Dat is een rechtse opstelling.
Geen afscheid dus van de links-rechtstegenstelling, wel een nieuwe interpretatie van de positie van links. Links moet meer oog hebben voor de bedreigende kant van de economie en technologie. Het vooruitgangsdenken is aan een matiging toe. Dat betekent niet dat de utopie zou moeten worden opgegeven, wel dat de bedreigingen en mislukkingen van het technische en organisatorische vermogen van de mens niet mogen worden ontkend. Eigenlijk moet gewoon worden aangesloten bij wat links altijd al gedaan heeft: een constructief verzet tegen de modernisering. Kalma is ervan overtuigd dat het electoraat dat zal weten te waarderen. Zijn ‘bespiegelende vooruitgangsidee’ stoelt op realisme, pluralisme en de idee dat economie en technologie zo veel mogelijk in dienst moeten worden gesteld van de menselijke waardigheid en de kwaliteit van het bestaan. Op deze manier schetst Kalma de antropologische uitgangspunten van een links politiek programma (36). De rest van zijn boek is daar een uitwerking van. Hij benadrukt met stelligheid dat hij niet de afschaffing van het kapitalisme beoogt. Dat is de motor van economische en technische ontwikkeling en de belichaming van economische vrijheden. De inzet is ‘sociale en democratische inbedding en inperking van het kapitalisme, het streven om de technologische ontwikkeling zoveel mogelijk aan de menselijke waardigheid en aan de kwaliteit van het menselijke bestaan te binden en aldus enigszins meester te blijven over de krachten die we zelf hebben ontwikkeld’(42) .

Vrijheid

Kalma werkt zijn linkse programma verder uit in drie hoofdstukken: waarden, instituties en cultuur. De eerste twee probeer ik nog samen te vatten. Het stuk over de multiculturele samenleving en over een socialistische cultuurpolitiek sla ik over. Het is echt te weinig uitdagend. Het hoofdstuk over de waarden vertrekt van het primaat van de vrijheid. Daarmee laat hij er geen misverstand over verstaan dat hij de notie vrijheid niet wil overlaten aan de liberalen. Hij grijpt integendeel terug op een traditie binnen de PvdA om vrijheid en individualisme heel centraal te stellen. Vrijheid is dan wel niet beperkt tot de keuzevrijheid van de burger-consument, die eigenlijk zeer verregaand geconditioneerd en gecontroleerd kan zijn. Vrijheid kan ook niet zonder dat een aantal maatschappelijke voorwaarden vervuld zijn. Er kan alleen sprake van zijn als iedereen toegang heeft tot essentiële hulpbronnen als werk en inkomen, onderwijs, gezondheidszorgen, huisvesting enzovoort. Vrijheid veronderstelt in elk geval dat ook verantwoordelijkheid wordt afgelegd. En vrijheid wil niet alleen zeggen ongestoord doen waar men zin in heeft, maar ook: de mogelijkheid hebben om zijn eigen leven gestalte te geven. Vrijheid en betrokkenheid, solidariteit en rechtvaardigheid horen samen. Belangrijk is tenslotte nog de vraag wat men met de vrijheid wil doen. De discussie mag niet alleen gaan over de productie en verdeling van goederen. Van even groot belang is ook de vraag hoe de rijkdom wordt besteed en gebruikt. Willen we bijvoorbeeld de misbruiken in de vleesindustrie echt beteugelen, maar dan ook hogere prijzen voor het vlees betalen? Hoe willen we ons inkomen en vermogen besteden? Hoe kunnen we een strijd tegen terrorisme combineren met een humaan strafrecht, juridische en politieke controle op veiligheids- en politiediensten en de verdediging van de rechtsstaat? In de interpretatie van Kalma heeft vrijheid niets met egalitarisme te maken. Vrijheid is niet gelijkheid, maar veronderstelt wel gelijkheid van kansen (78). Die gelijkheid van kansen is dan weer niet voldoende, ook het resultaat aan de finish is belangrijk! En herverdeling en een eerlijke verdeling van de baten en de lasten zijn essentieel. Het is fout wanneer een socialistische partij niet meer voldoende belangstelling voor de achterstandsgroepen betoont. Het is niet de bedoeling alle verschillen tussen mensen weg te vlakken, maar de ‘grotere’ ongelijkheden kunnen niet worden aanvaard. Gelijkheid blijft de core business van de sociaaldemocratie (97). De PvdA is te veel een bestuurderspartij geworden. Aan de ene kant is zij aangevreten door de arrogantie van de macht, aan de andere kant is zij een zeer angstige partij geworden, met een totaal gebrek aan zelfvertrouwen als het om het programma gaat. De partij moet dringend weer aandacht schenken aan de morele dimensie van de sociaaldemocratie. En dan gaat het om solidariteit, in de zin van onbaatzuchtige hulp aan anderen.

Coöperatief kapitalisme

In het hoofdstuk ‘instituties’ breekt Kalma een lans voor een ‘coöperatief kapitalisme’. Hij merkt op dat de socialistische partijen niet veel belangstelling meer hebben voor de inrichting van de economie, terwijl zij in het verleden wel degelijk bijgedragen hebben tot een aanpassing van het kapitalisme. Het werd een kapitalisme met een menselijk gelaat, een sociale markteconomie. Dat kapitalisme is ondertussen opnieuw grondig van aard veranderd. Heel grof geschetst komt het neer op de overgang van een traditionele industriële economie naar een kenniseconomie. De financiële markten krijgen een overheersende rol, terwijl de behoefte om de winst te maximaliseren aanzet om alleen kortetermijnbelangen na te streven. Reorganisaties en inkrimpingen worden een permanent verschijnsel. Zij moeten een bedrijf niet noodzakelijk uit de rode cijfers halen, vaak zijn die cijfers helemaal niet rood. Zij moeten het vertrouwen van de belegger behouden. Dat is een ontketend kapitalisme, dat niet in staat is een aantal dringende maatschappelijke problemen op te lossen: hoge werkloosheid, ongelijke verdeling van welvaart en ontwikkelingskansen en milieuproblemen. ‘Het is de hoogste tijd om de markteconomie tegen haar vrienden in bescherming te nemen’ (157). Er is een nieuw sociaaleconomisch compromis nodig. Dat hoeft geen revolutie door te voeren, maar kan aansluiten bij de toenemende band van bedrijven met al hun stakeholders. De rol van de ondernemer hoeft zeker niet in vraag te worden gesteld, maar men moet uitkomen bij een samenwerking. Het kapitaal moet gewoon wat geduldiger worden: investeringen moeten gebeuren vanuit een perspectief op langere termijn, maar ze moeten ook rekening kunnen houden met niet economische overwegingen. De onderneming zelf moet worden opgevat als een samenwerkingverband tussen management, arbeid en kapitaal. De samenleving waarin die coöperatie gestalte krijgt moet zorgen voor een actief werkgelegenheidsbeleid, ontplooiingskansen voor iedereen, een rechtvaardige inkomensverdeling en een gecoördineerd arbeidsvoorwaardenoverleg. De overheid moet het recht behouden om de investeringsvrijheid bij te sturen, om sommige markten te reguleren en om inkomens en vermogens te herverdelen. Tenslotte moeten de milieuproblemen prioritair worden aangepakt, ook al kan men verwachten dat dit ten koste van de economische groei moet gebeuren. Kalma waarschuwt tegen een privatiseringsobsessie. Hij pleit voor publieke ondernemingen, die voldoende ruimte behouden voor een zelfstandige bedrijfsvoering, maar werken binnen duidelijk geformuleerde publieke taakstelling en onder een regime van publieke verantwoording (171). Hij verdedigt een efficiënte verzorgingsstaat tegen een te ver doorgedreven activeringsbeleid dat eigenlijk een besparingsbeleid verbergt. En hij aarzelt niet om zelfs de mogelijkheid van belastingverhogingen te voorzien om die verzorgingsstaat in stand te kunnen houden. Men kan dat de bevolking uitleggen, denkt hij. Hij verzet zich tegen een commercialisering in het onderwijs en de gezondheidszorgen, maar vindt wel dat ook in de zachte sectoren meer professionalisering nodig is. Hij komt ten slotte ook op voor een pragmatische en humane visie op misdaad en straf.
Het hoofdstuk wordt afgesloten met een aantal beschouwingen over politieke en maatschappelijke democratie. Kalma gelooft niet dat op dat vlak alles te reduceren valt tot de kloof met de burger en dat men zich kan beperken tot wat oplapwerk, dat men kan samenvatten met de term gepersonaliseerd kieswerk. Het is niet voldoende om naar de kiezer te luisteren, er moeten vooral effectieve oplossingen worden geboden: ‘De PvdA leed niet alleen een zware nederlaag omdat ze niet goed luisterde, maar ook omdat ze weinig te melden had en omdat ze een angstige partij was geworden die liever de trend volgde dan, op basis van de eigen sociaaldemocratische uitgangspunten, met burgers in gesprek ging over hun problemen en opvattingen’ (259). Luisteren is belangrijk, maar terugpraten evenzeer. Te veel afstand is niet goed, maar te weinig evenmin! Er zijn trouwens ook nog andere problemen met de democratie. De politiek is voor een stuk verplaatst naar andere bestuurslagen of zelfs naar andere maatschappelijke organisaties. Men mag overigens niet doen alsof er vandaag al geen sprake zou zijn van personalisering in de politiek. Men speelt gevaarlijk door daar zo maar verder in te willen gaan. Laat een referendumdemocratie toe dat de meerderheid regeert, of dreigt men niet eerder te verzeilen in een situatie waarin niemand meer regeert? De democratie moet worden versterkt, dat is zeker. Maar dat moet leiden tot meer zeggenschap over werk- en leefomgeving en tot participatie van burgers en maatschappelijke organisaties in de vormgeving van het overheidsbeleid. Politiek mag zich niet beperken tot bemiddelen, maar moet richting geven: ‘Wat ze aan sturend vermogen noodgedwongen prijsgeeft, kan ze herwinnen door de formulering en onderlinge confrontatie van concurrerende visies op de toekomst van de samenleving’ (274). Politiek is niet gelijk te stellen aan technocratie, maar is ook niet zomaar uitvoering van wat het volk denkt of wat sommigen zeggen dat het volk denkt. Partijen mogen zich niet laten herleiden tot kiesverenigingen, maar moeten wel degelijk programmapartijen zijn.

Wat te denken?

De lezer krijgt hierboven een wel heel lange samenvatting, maar het boek telt dan ook 350 bladzijden. De samenvatting zal de auteur met andere woorden nog altijd onrecht aandoen. Hij heeft achter in het boek zelf een samenvatting in 15 stellingen gegeven, maar voor men daaraan begint moet men toch eerst het boek gelezen hebben. Naar mijn gevoel gaat de ontwikkeling van de gedachtegang een beetje verloren. Ik durf hopen dat dit hierboven minder het geval is en dat de lezer door mijn samenvatting aangespoord wordt het boek ter hand te nemen. Het loont de moeite, ook al lopen de uitweidingen soms wat heel erg ver en zijn enkele bladzijden toch wel echt opgewarmde kost. Af en toe stoot je zelfs op storende drukfouten. Het is me een raadsel hoe dat kan, tenzij je aanneemt dat uitgevers tegenwoordig hun boeken niet meer nalezen. Maar goed, dat is alleen maar een pijnlijk detail. Kalma heeft een belangrijk boek geschreven, dat niet alleen aan de Nederlandse PvdA appelleert, maar aan de hele sociaaldemocratie. Wat te denken?
Misschien eerst iets over de opvatting van Paul Kalma over politiek. Hij wil niet alleen oplossingen aanbieden, hij wil op de eerste plaats de meest dringende maatschappelijke problemen omschrijven. Hij wil met andere woorden de tijd nemen om goed in kaart te brengen wat het probleem is. Hij wil met nog andere woorden rustig bepalen waar hij naar toe wil. Oplossingen zullen in functie van die doeleinden gevonden moeten worden. Dat lijkt evident, maar zo werkt politiek meestal niet (meer). Een politicus moet vooral bewijzen dat hij bezig is. Hij woelt en woelt, in de hoop dat de stofwolk die hij veroorzaakt zal overkomen als het bewijs van zijn ijver. De indruk die hij maakt is belangrijker dan wat hij uiteindelijk realiseert. Wat hij doet wordt daarom vaak veel meer bepaald door de journalisten dan door zijn eigen agenda. Wie bijvoorbeeld de kranten volgt weet op voorhand welke parlementaire vragen gesteld zullen worden. Maar die journalisten zelf hebben al te dikwijls geen andere agenda dan het volschrijven van het hen opgelegde aantal regeltjes. Als ze een beetje duwen en trekken kunnen zij hun regeltjes op de eerste bladzijden krijgen. Sensatie gaat dan boven waarheid of zelfs belangrijkheid. Kalma wil liever niet aan dagjespolitiek doen. En natuurlijk is hij niet zelf politicus, maar directeur van een wetenschappelijk bureau. Toch mag men zijn pleidooi om af en toe enige afstand te nemen niet zo maar naast zich neerleggen. Misschien moet men zijn gedachte nog verder doordenken. Heeft politiek eigenlijk wel veel met oplossingen te maken? Hannah Arendt vond van niet. Politiek handelen staat voor haar gelijk aan: naar buiten, in een publieke ruimte, treden, waar men de pen opneemt om mee te schrijven aan een verhaal dat begonnen is voor mij en verder zal lopen na mij, een groter verhaal. Men voegt er iets nieuws, iets onvoorspelbaars, aan toe. Men helpt op die manier de samenleving te dragen, men geeft er sturing aan. Doeleinden en richting bepalen, daar zou het de politicus moeten om gaan. Oplossingen, in de zin van technisch maatwerk, zijn van een andere orde. Misschien is dat wel de grond van het politieke probleem vandaag: misschien verwart politiek te veel doeleinden en middelen, misschien is de politicus te uitsluitend bezig met (technische) middelen. Hoe dan ook, de politicus moet niet alleen luisteren, registreren. Hij of zij moet ook terugpraten, richting aangeven. Hij of zij moet af en toe zelfs durven tegenspreken.
Kalma probeert de uitgangspunten van een hedendaagse sociaaldemocratie te vatten. Die zijn zeker niet allemaal even nieuw, ze horen integendeel grotendeels bij het erfgoed. Die band met de ‘klassieke opvattingen’ is op zich een goede zaak. De ‘Derde weg’ heeft misschien te veel gedaan alsof volledig opnieuw moest worden gestart. Misschien moest op die manier gewoon worden verdoezeld dat links minder links aan het worden was. De sociaaldemocratie is inderdaad zowat overal naar het midden - en dus naar de rechterkant - opgeschoven. Socialisten zijn ongetwijfeld een beetje liberaler geworden. Verleid door het marktmechanisme, verslapte misschien al te veel hun aandacht voor de verzorgingsstaat. Een beweging terug naar de bron kan dat op zijn minst duidelijk stellen. Toch wil Kalma niet alleen maar verduidelijken. Hij wil ook vernieuwen, hij wil antwoorden formuleren die in een veranderende samenleving van toepassing zijn. Hij probeert met andere woorden de socialistische ideologie in een moderner en aangepaster kleedje te steken. Hij wil dat de sociaaldemocratie weer duidelijker links is. Een gedurfde ambitie in een tijd dat links zijn hier en daar ook in sociaaldemocratische middens als een scheldwoord gebruikt wordt.
Hoe definieer je links? De definitie van Kalma is eigenlijk verbluffend eenvoudig: strijd tegen de afhankelijkheid van de economie en technologie en tegen de heerschappij van het geld. Positief geformuleerd is het gewoon de idee dat economie en technologie in functie van de mensen moeten staan. En voor Kalma betekent dit niet dat de vrije markt moet worden afgeschaft, wel dat die markt aan een aantal regels moet beantwoorden die vermijden dat het kapitalisme ontspoort of ontketend wordt. Kalma wil een kapitalisme met een menselijk gelaat, een sociale markteconomie. Dat is inderdaad een oude, maar een goede omschrijving van het verschil tussen liberalisme en socialisme. Ga je ervan uit dat de economie automatisch in dienst van de mensen functioneert of vind je dat deze (wat) bijgestuurd moet worden? Socialisme heeft op zich niets te maken met de idee dat zo’n menselijke economie enkel kan worden verzekerd door een grote impact van de staat. Het is wel de idee dat de samenleving zo in elkaar moet steken dat niemand in de steek gelaten wordt. Wie het nodig heeft, moet kunnen rekenen op ondersteuning. En die ondersteuning mag niet met liefdadigheid worden verward, het moet gaan om structurele ondersteuning. Kalma ziet niet graag dat moderne sociaaldemocraten wat minder geïnteresseerd zijn in achtergestelde groepen. Hij heeft gelijk. Natuurlijk is de samenleving bij ons een stuk rijker (vadsiger) geworden. En Kalma heeft inderdaad door dat die rijkdom mede oorzaak is voor de verschuiving naar rechts. Het eigen publiek is een stuk allergisch geworden voor de misère. Maar die bestaat nog wel en als links zich er niets meer van aantrekt zal niemand dat nog doen. In dat kader past het pleidooi van Kalma voor publieke ondernemingen en tegen een commercialisering van onderwijs en gezondheidszorgen. Niet toevallig stoot hij ook op het gratis verhaal van Steve Stevaert.
Kalma heeft zijn uitgangspunten ook proberen te vertalen in een programma. Vrijheid blijkt dan een centraal begrip te zijn. Hij herinnert eraan dat dit binnen de traditie van de PvdA helemaal niet nieuw is. En daar doet hij goed aan, want de moderne sociaaldemocratie hoeft zich op dit punt inderdaad de les niet te laten lezen. Vrijheid, ook individueel ingevuld, is helemaal niet tegenstrijdig met socialisme. Dit wil er wel voor zorgen dat de omstandigheden zo ingericht zijn dat zo veel mogelijk mensen van hun vrijheid kunnen genieten. Vrijheid geldt niet enkel voor wie iet of wat geluk heeft gehad. De lezer zal gemerkt hebben dat Kalma op dit punt een vraagteken plaats bij de stelling dat het erop aankomt voor iedereen gelijke kansen te garanderen. Hij noemt dat een liberale overtuiging, als er ook niet vanuit gegaan wordt dat gelijkheid van kansen bij de start zich ook moet vertalen in een vorm van gelijkheid aan de eindmeet. Ik ben er zeker van dat Patrick Janssens dit niet anders zag, toen hij van de gelijkheid van kansen het uitgangspunt, de missie, van de Vlaamse socialistische partij maakte. Het is hoe dan ook een goede zaak dat Kalma zo’n nadruk op vrijheid legt. Links is waarschijnlijk inderdaad wat te bang geworden voor sommige woorden. Geldt dat ook niet voor solidariteit? Het woord wordt tegenwoordig heel spaarzaam gebruikt! Van verantwoordelijkheid heeft links dan weer minder schrik. Kalma gaat helaas niet echt in op de ‘actieve welvaartsstaat’, hoewel dit naar mijn aanvoelen een essentiële discussie is. Wie vrijheid centraal stelt moet aanvaarden dat dit alleen maar een verhaal van rechten én plichten kan zijn. En wie in zijn plichten tekort schiet moet daar ook de gevolgen van dragen. De vraag echter is hoever dit strekt. Wie bijvoorbeeld aanspraak wil maken op werkloosheidsuitkeringen moet bereid zijn in te gaan op opleidings- en tewerkstellingsvoorstellen. Hij of zij moet in een traject naar werk stappen. Anders verliest hij of zij gewoon zijn of haar recht op de uitkering. Maar is dan niet de primordiale voorwaarde dat er ook werk is? Mag men eisen dat mensen inspanningen doen om aan werk te geraken als er geen enkele kans bestaat dat die inspanning beloond wordt? Of moet men er integendeel niet aan denken op dat moment de overheid in gebreke te stellen?

Wat met de notie ‘coöperatief kapitalisme’, dat nieuw sociaaleconomisch compromis? De hedendaagse sociaaldemocratie heeft al een tijdje terug de klassenstrijd afgezworen. Het conflictmodel heeft plaats gemaakt voor een overlegmodel. Dat wil niet zeggen dat conflicten uitgesloten zouden zijn. Kalma wijst er terecht op dat zich nog belangrijke conflicten aanmelden. Het wil zeggen dat men afgestapt is van de overtuiging dat verandering en zelfs vooruitgang door conflicten bepaald worden. De klassenstrijd als motor van de geschiedenis, weet je wel. Wanneer je daarvan afstapt, kun je niet anders dan over te gaan op verhoudingen die gebaseerd zijn op overleg, op onderhandelen, op het nastreven van win-winsituaties. Ik denk dat Kalma het op het principiële vlak helemaal bij het rechte eind heeft. In praktijk blijkt het niet altijd op die manier te werken. Het zou een uitgebreide analyse vragen om dit helemaal uit te klaren, maar volgens mij heeft dat minstens voor een stuk te maken met de gebrekkige bepalingen van doelstellingen. Je merkt bijvoorbeeld dat binnen een regering de vertegenwoordigers van de meerderheidspartijen niet aan eenzelfde project werken, maar dat de verschillende partijen en zelfs regeringsleden hun eigen doelen najagen. Je ziet iets gelijkaardigs ook op het vlak van de sociale verhoudingen, waar vakbonden tegenwoordig veel meer wantrouwen tegenover elkaar blijken te hebben dan tegenover de werkgeversorganisaties.
Wat te denken? Paul Kalma probeert een blauwdruk te geven voor een hedendaagse sociaaldemocratische partij. Ik denk dat men inderdaad niet naast een aantal van zijn bevindingen kan. Noem het zoals je wilt, maar de sociaaldemocratie moet blijven proberen een zekere sturing te geven aan de economie. Niemand mag haar ervan verdenken die sturing totaal te willen maken. Dat heeft geen kans op slagen. De recente geschiedenis leert dat je dan heel vlug de vrijheid opoffert. En ook op dat vlak heeft Kalma gelijk: vrijheid en solidariteit zijn centrale socialistische waarden. Een moderne sociaaldemocratische partij mag zeker niet angstig de trends volgen. Zij moet voorop lopen, richting aangeven. En zij moet daar met burgers durven over spreken, ook als het moeilijk is. Wie gelooft in vrijheid, heeft vertrouwen in de mensen. Een aspect ontbreekt bij Kalma, al kan ik mij niet voorstellen dat hij dit niet belangrijk zou vinden. Links heeft niet enkel te maken met de overtuiging dat je de economie zijn gangetje niet kunt laten gaan. Links heeft ook te maken met openheid. Links mag geen angst hebben, links moet van dialoog en verschil van mening zijn belangrijkste wapen maken. Rechts weigert integendeel te spreken. Hij of zij sluit zich op in het eigen gelijk. Hij of zij is zodanig overtuigd van dat eigen gelijk dat de ander zich naar mij moet voegen. De ander is bijna per definitie te wantrouwen, een bedreiging. Rechts heeft angst. Links kijkt met open blik. Dat de ander anders is wordt dan gewoon positief. Links praat het uit, klopt er niet op. Links heeft geen angst voor de ander, maar treedt hem of haar tegemoet. Ik heb natuurlijk het hoofdstuk over de multiculturele samenleving overgeslagen, maar ik wijs er hier toch even op dat Kalma daar een kans mist. Pluralisme staat niet gelijk met tolerantie in de zin van: ik wil eigenlijk niet dat die ander zich anders gedraagt, maar ik duld hem. Ik duld hem vooral omdat hij zich in een getto verschanst en ik hem niet of nauwelijks ontmoet. Maar op het moment dat hij uit zijn getto stapt, moet de ander zijn anders zijn opgeven, zich integreren. Dat is verborgen racisme misschien, maar toch racisme. Pluralisme wil zeggen dat ik de ander tegemoet treed en hem dan niet alleen de les spel, maar ook van hem leer. Dat soort pluralisme is essentieel voor een moderne sociaaldemocratie!
Kalma wil de klassieke linkse opvattingen terug op de voorgrond brengen. Ik denk dat dit inderdaad nog altijd te maken heeft met een inperken van de markteconomie en een strijd tegen sociale ongelijkheid. En natuurlijk maken globalisering, milieuproblemen en de fundamentele transformatie van de arbeid het de socialist niet makkelijker. Ze dwingen tot nieuwe antwoorden. Ik weet niet of de antwoorden van Kalma zullen volstaan, waarschijnlijk niet. Maar dat hij vrijheid en solidariteit vooraan zet is alvast een goed begin. Vrijheid is niet in tegenstrijd met socialisme. Socialisme is niet gelijk aan collectivisme, laat staan etatisme. Solidariteit is de absolute voorwaarde om de nieuwe problemen het hoofd te bieden. Want de welvaartstaat zal niet overleven zonder een nieuwe, ook mondiale, herverdeling. Dat moeten de politici durven zeggen. Ze moeten inderdaad niet alleen registreren, maar het voortouw nemen. Natuurlijk wil het volk dat naar hem geluisterd wordt, maar het wil vooral duidelijkheid over de richting. Het wil betrouwbare leiders. Met een angstige partij kan dat niet lukken. Angst staat overigens haaks op socialisme. Wie angst heeft, kruipt in zijn schelp. Wie angst heeft begint te stotteren en vermijdt dialoog. Vanuit de angst kan men de wereld niet veranderen, terwijl dat voor socialisten de prioritaire doelstelling moet blijven. Er is een tijd geweest dat velen van hen dachten dat ze dat alleen met een revolutie konden bereiken. Ik wil bekennen dat ik daar soms zelf nog eens stiekem van droom. Maar dat kan niet en het houdt overigens oneindig veel risico’s in. We moeten het hoe dan ook van coöperatie hebben. Dat gaat moeizaam wellicht, maar het kan wel. Voorwaarde is dat we dan allemaal op wat langere termijn en in een ruimer perspectief gaan denken. Voorwaarde is dat we allemaal echt aan politiek willen doen. Politiek is meeschrijven aan een groter verhaal. Het verhaal is al lang bezig wanneer ik er als individu instap en het zal doorlopen als ik er al lang niet meer ben. Maar ik kan toch een tijdje enkele regels toevoegen, die misschien het ritme zullen bepalen of een nieuwe wending zullen geven aan het verhaal. Politiek zet bijna per definitie iets nieuws in beweging. Men zegt met enige gretigheid dat de tijd van de grote verhalen voorbij is. Dat is een vergissing. We zijn er alleen niet genoeg meer mee bezig en laten anderen toe het te schrijven. Paul Kalma probeert weer aan te knopen. Mooi zo. Laten we hopen dat naar hem geluisterd wordt. Links is nog nodig. De sociaaldemocratie moet dringend weer linkser worden.

Luc Vanneste
Redactielid en Directeur beleidscel Werk van de Minister van Werk

Noot
1/ Links, rechts en de vooruitgang, Paul Kalma, Wiardi Beckman Stichting, Amsterdam/ Mets & Schilt, Amsterdam 2004

sociaaldemocratie - Nederland

Samenleving & Politiek, Jaargang 13, 2006, nr. 3 (maart), pagina 48 tot 56