Log in

'De rattenvanger van Hameln. De Wereldbank, armoede en ontwikkeling'

Uitgelezen

Samenleving & Politiek, Jaargang 13, 2006, nr. 4 (april), pagina 52 tot 54

De rattenvanger van Hameln. De Wereldbank, armoede en ontwikkeling

Francine Mestrum
epo, Berchem, 2005

Velen zijn zich bewust van het bestaan van een neoliberale pensée unique, maar weinigen slagen erin dit denken te doorgronden, laat staan er zichzelf van los te maken. Dit is wat Francine Mestrum wel doet in De rattenvanger van Hameln, en daarom is het een zeldzaam en belangrijk boek. We mogen niet onderschatten hoe totalitair het economisch-liberale eenheidsdenken in de hele wereld en zeker ook in Vlaanderen geworden is. De keerzijde van deze medaille is een enorme verschraling van het maatschappelijke debat over sociaaleconomische kwesties, die samenhangt met de povere toestand van het intellectuele weerwerk ter linkerzijde. Het grootste deel van de linkerzijde kleurt nu binnen de krijtlijnen die door de neoliberale hegemonie en het ‘globaliseringsdiscours’ zijn opgedrongen - één van de typische uitgangspunten is dat staten zowel in Noord als Zuid de neoliberale mondialisering als een gegeven moeten aanvaarden, en dat de (verzorgings)staat zich hieraan zo goed en zo sociaal mogelijk moet aanpassen. In de EU moet bijvoorbeeld de ‘Lissabon-agenda’ hiervoor zorgen. De neoliberale mondialisering, een fenomeen dat nog maar een paar decennia aan de gang is, wordt zomaar onthaald als onvermijdelijk en onomkeerbaar voor altijd. Ondertussen voltrekt zich een vicieuze cirkel. Door een gebrek aan gezaghebbende figuren die alternatieve analyses en projecten uitdragen, kunnen of durven steeds minder mensen een wezenlijke bijdrage tot de antihegemonische tegenspraak leveren, en valt ook de ideologische vorming stil. Dit soort kritisch denkwerk, waarbij discours, belangen en machtsverhoudingen worden blootgelegd, valt ook niet zo gemakkelijk in te passen in de welbepaalde publicatie-formats die momenteel in de academische wereld worden gewaardeerd en geëist - het wordt al vlug als te ‘normatief’, ‘partijdig’ of ‘essayistisch’ bestempeld - , wat voor ‘onafhankelijke’ sociale wetenschappers ook niet echt een stimulans is om op dit vlak voluit te gaan. Het is ooit anders geweest. Mestrums boek is in deze context een verademing, een licht in de duisternis, ook al hoeven we het niet met al haar scherpe analyses eens te zijn.

Het boek is in de eerste plaats een grondige discoursanalyse, met de Wereldbank als voornaamste studieobject. Kernidee is dat de Wereldbank er de jongste jaren in geslaagd is heel wat concepten van de ngo-wereld en de andersmondialisten over te nemen, maar daar telkens een neoliberale invulling aan geeft. Het gaat om termen als armoedebestrijding, sociale bescherming, sociale ontwikkeling, goed bestuur, participatie, empowerment, culturele eigenheid. De Wereldbank ziet deze concepten vooral door de bril van de markt, en in functie van de markt. De focus van de Wereldbank en menig andere internationale instelling op armoedebestrijding is op zich natuurlijk prima, maar in zijn huidige vorm tezelfdertijd erg problematisch omwille van het schrijnende gebrek aan ambitie. Armoede wordt in het beleid nogal dikwijls gedefinieerd in termen van de allerarmsten; de massa die net boven die grens zit, staat dan in de kou. De ambitie voor de ontwikkelingslanden is niet langer een verzorgingsstaat voor allen, of minstens voor alle kwetsbaren, met alle positieve economische dynamiek die daarvan zou kunnen uitgaan (inkomenszekerheid, consumentenvertrouwen, groei, …). Bij de bestrijding van deze armoede wil de Wereldbank directe staatsinterventie en inkomensherverdeling zoveel mogelijk uitsluiten. De Bank gelooft sterk in onderwijs en vorming van menselijk kapitaal, solidariteit binnen families en lokale gemeenschappen (dit zijn belangrijke facetten van ‘cultuur’ en ‘sociaal kapitaal’), private mechanismen om zich tegen risico’s te beschermen, microkredieten, en dergelijke. Terwijl ondertussen ontwikkelingslanden meer en meer aan de wetten van de wereldmarkt worden blootgesteld en openbare diensten worden geprivatiseerd, bereiken we zodoende armoedebestrijding, sociale bescherming en sociale ontwikkeling, zo luidt althans de Washington Consensus. De Bank wil niet horen van substantiële progressieve inkomstenbelastingen of een volwaardige sociale zekerheid, zelfs niet in staten met grote ongelijkheid waar hiervoor wel de nodige financiële middelen aanwezig zijn. Het gaat er steeds om arme mensen te integreren in de markt, en niet zozeer om ze te beschermen tegen de markt. Mestrum toont zich geen rabiate tegenstander van activerende ‘springplanken’, maar terecht is ze geïntrigeerd door de dogmatische manier waarop de Wereldbank voortdurend heen wandelt om het aspect rechtstreekse inkomenszekerheid. De auteur gelooft niet dat een dergelijke activering altijd en overal voor iedereen werkt. Kansen liggen niet altijd zomaar voor het grijpen, en vanuit hun sociaal burgerschap hebben volgens de auteur mensen ook sociale rechten, die onafhankelijk van de wisselvalligheden van de markt moeten worden gegarandeerd. Responsabilisering van de rijksten staat dan weer niet op de agenda van de Wereldbank - de notie ongelijkheid krijgt veel minder aandacht. Het is vreemd hoe de West-Europese regeringen in Wereldbank en IMF een extreme beleidsvisie steunen die ze in eigen land nooit zouden durven toepassen.

Wel is het zo dat de Washington Consensus de staat heeft herontdekt, meer bepaald aan de hand van het concept ‘goed bestuur’. Een sterke staat is nodig omwille van de vrije markt, en hoort zich toe te leggen op veiligheid, bescherming van eigendomsrechten, mededingingsbeleid, regulering van de deregulering, anticorruptie-maatregelen, maar ook armoedebestrijding en minimale openbare diensten zoals onderwijs en basisgezondheidszorg. Deze laatste functies dienen wel vervuld binnen het marktgerichte denkkader (beperkte budgetten, eigen bijdragen van gebruikers, veel ruimte voor private actoren, e.d.). Het is ook de staat die ervoor moet zorgen dat de nationale economie aangesloten raakt op de mondialisering en de internationale concurrentie. Op die manier verliezen nationale staten wel veel macro- en sociaaleconomische beleidsautonomie, waardoor noties als participatie van de armen, civiele samenleving en parlementen, en owner-ship van ‘pro-poor’-aanpassingsprogramma’s tamelijk hol gaan klinken. De dwingende spelregels van de wereldeconomie, ten opzichte waarvan kwetsbare landen heel weinig manoeuvreerruimte hebben, liggen vast in internationale verdragen en hangen samen met internationale machtsverhoudingen; zodoende zijn ze bijna helemaal onttrokken aan het binnenlandse democratische debat, mocht dit al bestaan.

Volgens Mestrum is dit dominante denken ook de achtergrond waartegen in 2000 de Millenniumdoelstellingen van de VN zijn gelanceerd, een flauw afkooksel van verscheidene vroegere VN-verklaringen. Ze is bijvoorbeeld allerminst onder de indruk van de eerste doelstelling, met name de halvering van het aantal mensen die met minder dan 1 dollar per dag moeten leven. Dit is huilen met de pet op, gezien hiermee maar een fractie van het mondiale armoedeprobleem wordt opgelost. Dit is de klassieke discussie over de vraag of het glas halfvol of halfleeg is. Natuurlijk is armoedebestrijding op deze schaal niet eenvoudig, maar gelet op de enormiteit van de problematiek en de aanwezige middelen en ongelijkheid in de wereld, is het boerenbedrog aan de hand van de Millenniumdoelstellingen de indruk te wekken dat we nu echt op weg zijn naar een meer rechtvaardige wereld. Bovendien wordt vanuit het officiële project van de Millenniumdoelstellingen zelden de link gelegd naar de nefaste spelregels van de wereldeconomie en de internationale machtsverhoudingen (behalve kritiek op de schuldenlast en het noordelijke protectionisme). Omdat de neoliberale mondialisering door de VN en hun machtigste lidstaten te weinig in vraag wordt gesteld, betwijfelt Mestrum of dit initiatief überhaupt iets wezenlijks kan uithalen. Daarom ergert ze zich ook zo aan het enthousiasme dat bij menig ngo over de Millenniumdoelstellingen bestaat. Van de andere kant bekeken valt er iets voor te zeggen dat ngo’s dit zeldzame momentum vanuit de VN toch aangrijpen, en ondertussen wel kritisch en waakzaam blijven, maar het is zonder meer waardevol dat iemand in het Nederlandse taalgebied het project van de Millenniumdoelstellingen tot zijn ware proporties heeft herleid, en het aan de hand van een degelijke studie in zijn historische politiek-ideologische context heeft geplaatst. Sterk in het boek is overigens dat het Wereldbank-discours en zijn historische evolutie op een niet-clichématige manier worden geanalyseerd. Doordachte redeneringen over de intellectuele en reële consequenties van dit alles, en empirisch materiaal (dat, zoals meestal, uitgebreider had gekund) voorkomen dat het betoog als sloganesk moet worden geklasseerd.
Maar mogelijks de meest interessante dimensie in het boek is dat tijdens de discoursanalyse impliciet, en in de laatste hoofdstukken ook expliciet, over alternatieven wordt nagedacht. Hiervoor grijpt de auteur onder meer terug naar de (niet-marxistische) econoom Karl Polanyi, die al in 1944 schreef dat de internationale markteconomie moet ingebed zijn in de samenleving en haar doelstellingen en waarden, of dat anders de samenleving en uiteindelijk de economie zware schade zullen oplopen. Zowel in Zuid als Noord is deze gedachte vandaag verschrikkelijk actueel. Is het de bedoeling dat nationale en lokale gemeenschappen speelbal zijn van de gemondialiseerde wereldeconomie, of moet deze laatste ten dienste staan van de mens en gecontroleerd worden door een democratische gemeenschap? Uit deze tweede optie vloeit een herwaardering van de staat voort. De staat draagt verantwoordelijkheid voor een nationaal ontwikkelingsproject. Dit omvat de creatie van nationale productiecapaciteit voor een brede waaier van producten, de uitbouw van een verzorgingsstaat en de vorming van een florerende interne markt met koopkracht voor de massa (zodat ontwikkelingslanden minder afhankelijk worden van export van producten tegen vaak bedenkelijke prijzen, waarmee ze de noordelijke verzorgingsstaten soms pijnlijk beconcurreren). De internationalisering van de economie kan dit beleid zeker aanvullen, maar mag niet de bovenhand halen. Dergelijke ideeën domineerden nog in de jaren 50 en 60, alsook in de beweging vanuit het Zuiden voor een ‘Nieuwe Internationale Economische Orde’ (NIEO) in de jaren 70, maar zijn ondertussen opgeborgen. Mestrum voegt aan deze ideeën nu ook een sterke ecologische component toe, vanuit de (logische, maar politiek-maatschappelijk vooralsnog marginale) redenering dat verdere groei in het Noorden en wereldwijde veralgemening van deze levensstandaard, niet te verzoenen zijn met duurzame ontwikkeling. Volgens Francine Mestrum is het liberale, maar ogenschijnlijk ook andersmondialistische pleidooi om het noordelijke protectionisme tegen onder meer landbouwproducten uit het Zuiden af te schaffen, ontoereikend. Dit soort maatregelen geven de armste landen niet automatisch een gegarandeerde afzet tegen eerlijke prijzen (zeer integendeel, ondertussen worden zulke regimes in de EU in het voordeel van de kwetsbaarste landen afgebouwd) en vergroten dus de onzekerheid. Ontwikkeling gaat over meer dan ‘goed bestuur’ en het opengooien van markten. Anders gezegd, de auteur levert - onder meer op basis van een heropfrissing van ideeën uit vroegere tijdperken - vernieuwend ideologisch denkwerk over de relatie tussen politiek en economie in een nationale en internationale context, iets wat we vandaag hard nodig hebben.

Samenleving & Politiek, Jaargang 13, 2006, nr. 4 (april), pagina 52 tot 54