Log in

De vierkante cirkel van de ontwikkelingssamenwerking

Wie de sp.a-teksten over buitenlands beleid en mondialisering leest, voelt zich goed. Eindelijk! Sinds Willy Claes op Buitenlandse Zaken zat en Erik Derycke op ontwikkelingssamenwerking, was de belangstelling voor deze sector wat geluwd. Aan deskundige en overtuigde mensen geen gebrek, wat Dirk Van der Maelen presteert verdient alle lof. Toch kon niemand zich van de indruk ontdoen dat dit door de partij niet echt als een politieke prioriteit werd gezien.

De sp.a schijnt zich met deze nieuwe tekst te herpakken. Mocht de partij in België, in de Europese Unie en met haar diplomaten op mondiaal vlak voluit voor deze prioriteiten gaan, dan zou de Belgische premier met open armen worden ontvangen op het Wereld Sociaal Forum van Porto Alegre. De sp.a pleit voor een multilaterale aanpak in een gedemocratiseerde en hervormde VN. De IAO (Internationale Arbeidsorganisatie) en UNEP (het VN-milieuprogramma) krijgen evenveel macht als de WTO. De Wereldbank en het IMF moeten democratisch en transparant worden hervormd en onder parlementaire controle komen.
In het sub(?)-hoofdstuk ontwikkelingssamenwerking is men iets minder duidelijk. Het gaat enerzijds om hulp aan de ‘armste groepen’ (213) - we hebben nu eenmaal internationale verplichtingen - maar anderzijds ook om het wegwerken van de economische achterstand van de ontwikkelingslanden (1417). Hier gaat het over het onvoorwaardelijk kwijtschelden van de schulden die frauduleus zijn aangewend (een redelijk moeilijke formulering die wel achterpoortjes openlaat, zie 1442 e.v.), over een Europese en mondiale Tobintaks (1436), over het internationaal helaas begraven 20/20-pact (1482), over een mondiale sociale zekerheid (1485), over voedselsoevereiniteit (1349), over het uitsluiten van militaire bestedingen in de begroting voor ontwikkelingssamenwerking (1494) en over de coherentie tussen het ontwikkelingsbeleid en de verschillende andere beleidskeuzen. En de tekst eindigt met dat schitterende zinnetje vol inzicht: ‘De problemen van de rest van de wereld zijn ook onze problemen omdat wij niet alleen deel uitmaken van de oplossing maar ook doorgaans van de oorzaak van hun problemen’(1525-27).

Drie vragen

De kers op de taart waarmee de sp.a-voorzitter meteen de media haalde is uiteraard de belofte om de defensie-uitgaven drastisch te verminderen en het vrijgekomen geld aan ontwikkelingssamenwerking te besteden. ‘Tegen 2015 moet men alles inzetten om de selecte kopgroep van de 1% besteders te vervoegen’ (1424). Het lijkt zo logisch voor een socialistische partij om iets dergelijks voor te stellen, maar het was wel lang geleden dat we ook zo iets hoorden. Het lijkt te mooi om waar te zijn. Daarom dat er misschien best enkele vragen bij gesteld worden.
Ten eerste zijn er zeker goede argumenten te bedenken voor de vervanging van 25 nationale legers door één Europese defensie. In normale omstandigheden zou dit inderdaad moeten leiden tot een inkrimping van de begroting. Echter, in het ontwerp van Europees grondwettelijk verdrag dat door de sp.a toch ten volle werd gesteund, stond een bepaling dat de Lidstaten er zich toe verbinden hun militaire vermogens geleidelijk te verbeteren (art. I-41, 3). Het is niet makkelijk te begrijpen hoe dit zou kunnen zonder verhoging van de begroting, vooral omdat de modernisering toch hoog op de agenda staat. Bovendien, zo stond al in de intentieverklaring van de sp.a-voorzitter, werd op de Navo-Top van Praag in 2002 beslist dat elke lidstaat minstens 2% van het bbp aan defensie zou besteden. Nergens staat dat de sp.a zich niet aan die verplichtingen wil houden. Zeker, de EU-grondwet is er voorlopig niet, maar de sp.a stond er achter en dit soort bepalingen kunnen in het kader van het gemeenschappelijk buitenlands- en veiligheidsbeleid ook zonder nieuw verdrag worden goedgekeurd. Dit is zeker een punt dat de sp.a-voorzitter zal moeten verduidelijken. Er wordt gesteld dat de defensiebegroting vermindert, maar België heeft er zich internationaal toe verbonden de begroting te doen stijgen. Hoe kan dat?
Ten tweede zijn er vragen over de precieze verschuiving naar de begroting van ontwikkelingssamenwerking. Voor ‘het voorkomen van internationale conflicten’ zo staat er in de tekst bij (183). Dat is al een eerste vreemde vaststelling, aangezien alle internationale instellingen er sinds het einde van de koude oorlog op hameren dat er minder en minder internationale conflicten zijn, maar des te meer interne conflicten. Er zijn dus redenen om te denken dat er niet zo veel geld nodig is voor die internationale problemen. Met wie kan België in oorlog zijn? Of gaat een klein land als België zich moeien in conflicten waar het niet zelf door bedreigd wordt? In de achtergrondtekst wordt men iets duidelijker: ‘...financiële en menselijke middelen die vrijkomen door de verdere inkrimping en rationalisering van het Belgische leger naar ontwikkelingssamenwerking over te hevelen’. ‘Wij geloven immers dat de internationale veiligheid veel beter gediend wordt door het inzetten van middelen voor sociaaleconomische ontwikkeling dan door de aankoop van militair materiaal en het onderhouden van een staand leger’ (1425-1431). Ook hier weer de vraag naar de manier waarop de internationale veiligheid van België wordt bedreigd. We vernemen ook dat het gaat om financiële én menselijke middelen en dat die zullen gaan naar sociaaleconomische ontwikkeling. Dat is interessant, want met de recente klemtoon op armoedebestrijding en internationale handel is die ontwikkeling wat ondergesneeuwd. Verder wordt daar in de tekst helaas niets meer over gezegd, dus misschien is het niets meer dan een fout gekozen terminologie. Of wordt ontwikkeling hier gelijk gesteld met het voorkomen van internationale conflicten? Die band is niet meteen duidelijk, en ook al worden ontwikkeling en sociale rechtvaardigheid al sinds het ontstaan van de IAO en het handvest van de VN gekoppeld aan vrede, dit is altijd een abstracte band gebleven. Als België die nu concreet wil maken, dan bevindt het zich wel volledig in de context die door de internationale instellingen zoals de Wereldbank is uitgestippeld. Ontwikkeling wordt meer en meer gekoppeld aan en verward met veiligheid. Aangezien België zich nooit eerder heeft afgezet tegen het beleid dat de instellingen van Bretton Woods opleggen, lijkt dit een aannemelijke hypothese. Het is een vraag die aan de sp.a-voorzitter moet worden voorgelegd.

Er is nog een derde vraag die hieruit voortvloeit. De intentieverklaring was ook op dit vlak wel wat duidelijker. Daarin leest men dat er zo’n 900 miljoen euro van defensie naar ontwikkelingssamenwerking kan gaan. ‘In de beginfase moeten hiermee ook de lonen betaald worden van de 15.000 mensen die we in hoofdzaak in andere ministeries of in de gemeenten zullen tewerkstellen. Maar een beperkt aantal mensen zal effectief mee verhuizen naar ontwikkelingssamenwerking, waar ze ingezet worden voor burgerlijke bouwprojecten’. Dat betekent dus dat de begroting voor defensie vermindert, dat ontwikkelingssamenwerking gedurende een zekere tijd de militairen betaalt in andere ministeries en dat het zelf ook een gedeelte van de militairen in dienst neemt. In een voetnoot wordt nog vermeld dat 61% van de huidige defensiebegroting naar personeel gaat en slechts 14% naar investeringen. Of met andere woorden, misschien kan België zijn EU-verplichtingen naleven door meer te investeren in militair materieel en tegelijk het personeel laten afvloeien naar een ander, sympathiek, departement. Hoe men het draait of keert, dit blijft dan wel een verwrongen voorstelling van zaken. De begroting voor militaire investeringen stijgt en ontwikkelingssamenwerking wordt uitgevoerd door militairen. Of ook hier weer iets wat perfect aansluit bij de ontwikkelingen die vanuit de - door defensiedeskundige Wolfowitz geleide - Wereldbank worden gestuurd en die in de Verenigde Staten al worden toegepast. USAID heeft nu een militaire dienst en werkt nauw samen met het leger, met name in Afghanistan en in Irak. Ook in Latijns-Amerika wordt er momenteel meer militaire steun gegeven dan tijdens de koude oorlog, onder het mom van ontwikkeling.
Indien deze interpretatie juist is, dan valt er helemaal niets meer te vieren, dan is die nieuwe belangstelling van de sp.a niets meer dan een zinsbegoocheling. ‘Burgerlijke bouwwerken’ staat er weliswaar, en elders leest men ook nog dat Europa kiest voor een ‘structurele manier om aan conflictpreventie te doen: het verschaffen van zoveel mogelijk publieke goederen aan zoveel mogelijk mensen’(1120). Dit is echter niet voldoende om ons gerust te stellen. De Europese Unie is net bezig om via de WTO en GATS te proberen om de markten van arme landen open te breken voor haar nutsmultinationals. Publieke diensten zoals gezondheidszorg, onderwijs en media mogen in het kader van GATS niet aan onderhandelingen worden blootgesteld, zegt de sp.a (1372), maar er wordt niet gesproken over water, stroom, afvalverwerking en dies meer. Gezondheidszorg en onderwijs zijn in veel arme landen, onder druk van de Wereldbank en het IMF, trouwens al lang geprivatiseerd.

Ontwikkeling en veiligheid

Kortom, wat op het eerste gezicht een mooie belofte lijkt, zou op termijn ook lelijk kunnen tegenvallen. Er is geen enkele reden om te twijfelen aan de goede wil van de sp.a, maar wel om zich af te vragen of de partij voldoende beseft wat de internationale ontwikkelingen zijn. Het is bijna twintig jaar geleden dat werd begonnen met het onderbrengen van ontwikkelingssamenwerking bij buitenlandse zaken. Vandaar dat ontwikkelingssamenwerking slechts een sub-hoofdstuk is. Met de ‘armoedebestrijding’ van de Wereldbank, is economische en sociale ontwikkeling volledig van de agenda verdwenen. Alle heil wordt nu verwacht van buitenlandse handel. Die handel zou groei teweegbrengen en die groei zou de armoede doen dalen. Helaas werd dit dogma nog nooit in feiten vertaald, nergens ter wereld. De groei is sterk vertraagd sinds de invoering van de ‘Washington Consensus’ en veel sociale indicatoren gaan achteruit. Dat is de reden van de talrijker wordende conflicten, niet internationaal maar intern. En daar willen rijke landen nu hun legers voor inzetten, want de grondstoffenbevoorrading mag niet in het gedrang komen. Meer en meer wordt ontwikkelingssamenwerking gezien als een beleid dat conflicten moet tegengaan of vermijden, meer en meer wordt ontwikkelingsbeleid een veiligheidsbeleid. Onze steun gaat naar landen waar onze economische belangen op het spel staan.
Ik wil geenszins beweren dat dit de verborgen agenda van de sp.a is. Wel wil ik aantonen dat met dit aantrekkelijk discours over meer geld voor ontwikkeling, ook een heel ander beleid kan worden gevoerd dan op het eerste gezicht lijkt. Dat ander beleid wordt uitdrukkelijk bepleit door de Wereldbank en is in sommige landen al in uitvoering. ‘Burgerlijke bouwwerken’ en ‘publieke goederen’ kunnen scholen en gezondheidszorg zijn, maar het kunnen ook gevangenissen of opvangkampen voor vluchtelingen en ‘terroristen’ zijn, het kan een muur zijn om migranten tegen te houden, het kan een spoorlijn zijn om grondstoffen uit te voeren, het kunnen infrastructuurwerken zijn die dan door de particuliere sector gebruikt mogen worden. De Europese Unie, waarmee ons ontwikkelingsbeleid deels samenloopt, is niet noodzakelijk het beste voorbeeld om te volgen. Haar verhaal over conflictpreventie gaat gepaard met een stevig offensief om toegang te krijgen tot de arme markten. Sommigen willen alle Europese landbouwsubsidies doen verdwijnen om in Afrika voor de Europese markt te kunnen produceren. De exportsubsidies blijven de landbouwmarkten van arme Afrikaanse landen vernielen. Via de Overeenkomst van Cotonou wordt nu onderhandeld over vrijhandelsakkoorden die in veel gevallen verder gaan dat wat in de WTO wordt geëist. De Afrikaanse bevolking begint dit steeds beter te begrijpen. Het is geen toeval dat op het Wereld Sociaal Forum in Mali, in januari 2006, de Europese Unie even erg werd gehekeld als de VS.
De sp.a geeft in haar tekst aan dat ze goed begrijpt waar de echte problemen vandaan komen. ‘Deze structurele ongelijkheid en onleefbaarheid vormen de bakermat voor gewapend verzet, reactionair geweld en wereldwijd vertakte terroristische groeperingen’ (1320-1322). Als de sp.a wil vermijden dat ontwikkelingssamenwerking een verkapte vorm van terrorismebestrijding wordt, als ze een werkelijke inhoud wil geven aan de band tussen vrede, ontwikkeling en sociale rechtvaardigheid, dan moet die structurele ongelijkheid inderdaad worden aangepakt. Met armoedebestrijding en minimale millenniumdoelstellingen komt men er niet. Met het huidige exportbeleid evenmin. Het zou daarom goed zijn mocht de sp.a kunnen proberen een duidelijker antwoord op deze drie vragen te geven. Dat kan haar helpen om het programma verder uit te werken en er garanties in te bouwen dat de evolutie niet in negatieve richting kan gaan. Het zou niet de eerste keer zijn dat met de allerbeste bedoelingen een nefast beleid tot stand komt.

Francine Mestrum
Redactielid en Doctor in de sociale wetenschappen

cartoon: © Arnout Fierens

sp.a - beginselverklaring - ontwikkelingssamenwerking - Verenigde Naties - WTO

Samenleving & Politiek, Jaargang 13, 2006, nr. 4 (april), pagina 37 tot 40