Log in

Het internationaal luik van de sp.a-beginselverklaring

Een kritische bespreking

Samenleving & Politiek, Jaargang 13, 2006, nr. 4 (april), pagina 31 tot 36

Het internationale hoofdstuk van de beginselverklaring bevat een aantal waardevolle passages, die in het manifest van een progressieve partij niet kunnen ontbreken. Hier en daar wordt voorbij de te verwachten stellingen een interessant en belangrijk punt gemaakt. Maar andere delen verraden nog een gebrek aan durf of inspiratie om radicaal over linkse en duurzame alternatieven door te denken. Dromen over een ‘net-niet-haalbare’ utopie mocht toch weer?

Mondiaal beheer op basis van de VN

De sp.a kiest resoluut voor de VN als kloppend hart van het mondiaal beheer (in plaats van allerlei informele en ad-hocmechanismen), ook al beseft de partij dat de VN niet perfect is. Daarom worden hervormingen voorgesteld om de instelling effectiever en democratischer te maken. Interessant is de optie om in het VN-systeem aan de macroregio’s zoals de EU of de Afrikaanse Unie een grotere stem te geven. De tekst gaat wel niet in op het lastige probleem van het immobilisme van de VN ten aanzien van bepaalde crisissen. Wat de VN wil, is wet, zegt de sp.a. Maar als bijvoorbeeld door tegenstand van Rusland of China in de Veiligheidsraad niet de nodige maatregelen worden genomen om massale moordpartijen te stoppen (denk aan de toestand in Darfour, waar de wereldgemeenschap nu al een paar jaar tamelijk passief toekijkt), is de wil van de VN dan nog wet? Het is in ieder geval goed dat de sp.a pleit voor sterke VN-instellingen aangaande arbeidsnormen en milieu, met evenveel politieke en juridische slagkracht als de Wereldhandelsorganisatie (WTO), alsook voor een Economische, Sociale en Ecologische Veiligheidsraad die bindende resoluties kan aannemen. Al te vaak worden dergelijke voorstellen weggelachen omwille van de geringe politieke haalbaarheid. Maar haalbaarheid is de resultante van een machtsstrijd, en een progressieve partij hoeft niet vooraf in te binden. Een socialistische minister van buitenlandse zaken zal natuurlijk wel de nodige terugvalposities in zijn of haar binnenzak moeten hebben. Ten slotte is het nuttig dat de tekst nogmaals het gebrek aan transparantie van IMF en Wereldbank aanklaagt, waardoor zelfs parlementsleden nauwelijks weten wat daar gebeurt. Institutionele hervorming is een belangrijk aspect, maar de volgende vraag is wat we binnen die instellingen willen doen.

Welk Europa willen we?

Het vertrekpunt van de Beginselverklaring is alleszins juist: de malaise waarin de EU sinds de afwijzing van de ontwerpgrondwet verkeert, gaat grotendeels over haar te marktgerichte karakter en het gebrek aan interne democratie. Dit los je inderdaad niet op met betere communicatie en betere besluitvormingsprocedures. Als Europa door de publieke opinie gezien wordt als een instelling die in deze tijden van mondialisering vooral onzekerheid produceert, zal Europa door velen worden uitgespuwd. Dat is nu aan het gebeuren. Met andere woorden, het blijvende tekort aan substantiële sociale en fiscale minimumnormen, het provocatieve Bolkestein-voorstel, de bijdrage van de EU tot de sociaal en ecologisch niet-gecorrigeerde vrijmaking van de wereldhandel, en andere neoliberale strapatsen brengen de legitimiteit van het Europese project, en daarmee dit project als zodanig, in het gedrang, ook al is dit niet de enige oorzaak voor het euroscepticisme. Als je bedenkt waarom en in welke context de Europese Gemeenschap is opgericht, is dit bijzonder erg en zorgelijk. Het is onbegrijpelijk waarom opmerkingen hierover in het maatschappelijke debat nogal dikwijls worden afgedaan als ‘demagogisch’ en ‘anti-Europees’, terwijl het net de neoliberalen en hun vele volgelingen zijn die het draagvlak voor dit unieke project ondergraven. Daarbij mag het ook eens gezegd dat wat de scheefgroei tussen marktbevordering en marktcorrectie betreft, ook de Europese sociaaldemocratie meer dan eens haar duit in het zakje gedaan heeft. Het wordt in elk geval tijd dat dit debat eens grondig wordt gevoerd. In Frankrijk gebeurt het al, bij ons nog te weinig. De sp.a lijkt hier een moedige positie in te nemen, en heeft kennelijk een goede kijk op hoe het Sociale Europa er zou moeten uitzien. Speerpunten zijn het Europese sociale overleg en bodemtarieven voor de vennootschapsbelasting.
De sp.a gelooft sterk in een ééngemaakte Europese defensie, met zelfs de afschaffing van de nationale legers (sic). Deze operatie zou voor België gepaard gaan met een halvering van het aantal manschappen en een overdracht van 1 miljard euro van defensie naar ontwikkelingssamenwerking. Voorwaar een revolutionair voorstel. Het is belangrijk dat progressieven erkennen dat in de wereld en in Europa te veel aan defensie wordt uitgegeven. Hiermee wordt terecht ingegaan tegen het discours van NAVO- en andere kringen dat sommige Europese landen te weinig besteden, wat volgens de enen deloyaal is tegenover de andere NAVO-partners, en volgens anderen de VS te veel relatieve macht geeft. Het idee van een Europees leger, waarvan de politieke haalbaarheid voor de eerste decennia tamelijk twijfelachtig is, roept meer vragen op. Zo’n leger heet kosteneffectiever te zijn. Zo kun je meer doen met minder. Het is vooral ook een keuze voor een de facto Europese ‘staatsvorming’ inzake buitenlands en veiligheidsbeleid, met alle moeilijke compromissen die dit voor grote en kleine nationale staten met zich meebrengt. De Amerikanen zullen in Europa alvast niet meer zomaar troepen kunnen ronselen. Maar een kolossaal ééngemaakt Europees leger kan dan weer andere mogendheden en regio’s zoals Rusland, China en de Arabische wereld ongerust maken, wat voedsel geeft aan nieuwe bewapeningswedlopen op basis van wederzijds wantrouwen. Waarom moet de betrachting om van Europa een grootmacht te maken, ook zo’n uitgesproken militaire dimensie krijgen, ook al zijn deze defensievoorstellen ingebed in een breder kader dat ook over conflictpreventie gaat?
Hoogstwaarschijnlijk zullen sommige EU-landen in geen tientallen jaren tot dit Europees leger willen toetreden, en zal een kerngroep het alleen moeten doen. Hoe vermijd je binnen zo’n Europees leger dat een land tegen zijn wil in, in gevaarlijke avonturen wordt meegezogen, zowel operationeel, als wat betreft het imago dat de EU met haar leger in de buitenwereld neerzet? Is er binnen zo’n constructie een vetorecht voorzien? Een vetorecht is een mes dat aan twee kanten snijdt. Enerzijds kan theoretisch een land de andere lidstaten tegenhouden deel te nemen aan één of andere bedenkelijke oorlog (bijv. wanneer er geen VN-mandaat is), anderzijds kan het vetorecht ervoor zorgen dat het Europees leger binnen moet blijven als ergens een genocide plaatsvindt. De sp.a rekent er wellicht op dat het Europees leger alleen in actie zal komen als de VN groen licht geeft, en dat op zo’n ogenblik geen enkele lidstaat gaat dwarsliggen. Een andere vraag: betekent de koppeling van het idee om met deze besparingen meer geld vrij te maken voor ontwikkeling aan het net-niet-utopische idee van een Europees leger, dat de sp.a voor het eerste niet echt gaat knokken vooraleer het tweede gerealiseerd is? Kortom, welke strategie denkt de sp.a als beleidspartij omtrent dit merkwaardige voorstel te ontwikkelen, want we mogen toch hopen dat dit meer was dan een ideetje om zich eens groenlinks te profileren? Een eerste testcase vormen de eerstkomende federale regeringsonderhandelingen waar de sp.a eventueel mee aan tafel zit. Een reuzengroot probleem is natuurlijk het democratische karakter van deze Europese defensie en een sterker Europa in het algemeen. Het verwachte antwoord hierop luidt een versterking van het Europees Parlement.

‘Anders mondialiseren’ vergt structurele ingrepen

Het stuk over mondialisering bulkt van de goede bedoelingen. Het komt erop aan dit concreet te maken. Met deze tekst geraken we zeker een eind op weg. Een goed uitgangspunt is alvast het vrijwaren van publieke zeggenschap over allerhande basisvoorzieningen. Hierbij sluit het belangrijke standpunt aan, dat de sectoren water, energie, gezondheidszorg, cultuur, mobiliteit en onderwijs uit de WTO-onderhandelingen over liberalisering van de dienstenhandel gehaald moeten worden. Dit standpunt impliceert natuurlijk wel dat België als puntje bij paaltje komt, zal moeten dwarsliggen. Toe te juichen is de aandacht voor de structurele aspecten van de mondialisering. Er wordt niet zomaar gepleit voor technische ondersteuning van de handel van arme landen, naast sociale en ecologische minimumnormen in een gemondialiseerde wereldeconomie, die voor de rest door de regels van de vrije markt gedomineerd wordt. Sommige van deze regels worden als zodanig in vraag gesteld. Ontwikkelingslanden moeten meer dan vandaag het recht krijgen zich omwille van eigen kwetsbare sectoren en prille industrieën aan de wetten van de vrije wereldmarkt te onttrekken. In deze context wordt ook gewezen op de noodzaak van stabiele en betrouwbare grondstoffenmarkten, steun aan diversificatie en voedselsoevereiniteit. Tot zover bevat de tekst een aantal belangwekkende standpunten.
Maar naast het amenderen en het aanbrengen van sociale en ecologische tegengewichten aan de mondialisering (zoals voorts nog het bestrijden van fiscale paradijzen en het promoten van Fair Trade-producten), missen we een coherente totaalvisie met structurele alternatieven voor de neoliberale mondialisering. Waarom wordt het economische model, waarbij de hele wereld verwordt tot één supermarkt of één marktplein, waar iedereen met iedereen concurreert ten koste van sociale en ecologische waarden, niet duidelijker als zodanig in vraag gesteld? Via de WTO, maar ook regionale en bilaterale akkoorden, wordt de neoliberale mondialisering alsmaar verder gedreven. De vraag moet worden gesteld of de socialisten een dergelijk model wel willen. Kan het ooit met duurzame ontwikkeling worden verzoend? Is meer regionale en lokale productie niet veel beter voor het milieu en voor de werkzekerheid? Waarom moet het grootste deel van de kleding- en textielproductie nu naar China en India verschuiven? Welke industriële producten kan men in Afrika voor de Afrikaanse markt dan nog produceren? Kan vrije wereldhandel wel zonder wereldwijde vakbondsvrijheid? Wat is de ecologische ratio achter het feit dat in Europa auto’s rondrijden die in China gemaakt zijn, en omgekeerd? Waarom moest in de jaren 1990 voor het eerst sinds de nasleep van de crisis van 1929 het speculatieve kapitaal weer overal vrij kunnen rondflitsen? Andere en duurzame mondialisering betekent eigenlijk minder financieel-economische mondialisering. Progressieven moeten dat durven zeggen, en daar de nodige concrete consequenties aan verbinden. Deze tekst vertrekt nog te veel van een sociaal en ecologisch bijsturen van de neoliberale mondialisering.
Macroregio’s als de EU, de Afrikaanse Unie of een nog op te richten Zuid-Amerikaanse unie zouden een grotere bufferfunctie tegen de neoliberale mondialisering moeten vervullen, in plaats van deze laatste door allerlei beslissingen in WTO- en andere verbanden voort te stuwen. In de tekst staat heel terecht dat een regio als de EU de macht heeft om de spelregels van de wereldeconomie ter discussie te stellen. Dit is alvast een progressiever én duurzamer project dan de Europese Lissabon-strategie, die de Europese verzorgingsstaten zo sociaal en ecologisch mogelijk aan de neoliberale mondialisering wil aanpassen. De meeste Vlaamse en andere Europese socialisten investeren in de praktijk meer politiek kapitaal in één of andere variant van deze weinig ambitieuze agenda, dan in de strijd voor een andere mondialisering. Tussen 1945 en 1975 handelden regeringen meer vanuit de opvatting dat de mondiale economische dynamiek complementair was aan de nationale (of Europese), en zeker niet overheersend hoorde te zijn, wat wel de expliciete doelstelling is van het neoliberale mondialiseringsproject. De mondialisering moest zich aanpassen aan de nationale schaal in plaats van omgekeerd. Daar moeten we op een eigentijdse manier terug naartoe. De staat België kan dit alles niet veranderen; Belgische politieke partijen kunnen wel bijdragen tot een Europese politieke beweging die op termijn zoiets op Europees niveau wel kan doordrukken.
‘Anders mondialiseren’ heeft uiteraard ook een belangrijke ecologische dimensie, waar de beginselverklaring zich op een te gemakkelijke manier van af maakt. Ongeveer de hele politieke elite in het Noorden (inclusief de sociaaldemocraten) bepleit meer economische groei in het Noorden. Groei zou volgens het milieuhoofdstuk in deze beginselverklaring noodzakelijk zijn voor de welvaart. Men moet echter durven doordenken op wat hier wordt voorgesteld. Terwijl het Noorden zijn ‘milieugebruiksruimte’ (d.i. de maximaal verantwoorde milieuvervuiling en grondstoffengebruik die theoretisch aan elk individu, land of regio kunnen worden toegewezen) al ver overschrijdt, moet daar nog groei bovenop komen. Het is ethisch totaal onverantwoord dit (alsmaar groeiende) welvaartspeil niet aan de Chinezen, de Indiërs, de Afrikanen en alle anderen te gunnen. De beginselverklaring gelooft in een loskoppeling tussen economische groei en milieu-impact, en wil rijke landen laten betalen voor hun overschrijding van milieugebruiksruimte. Stel nog dat ecologisch duurzame groei in het Noorden mogelijk is (wat hoe dan ook een enorme staatsinterventie en ‘groene regelneverij’ zal vereisen, tenzij die groei zich om een onverklaarbare reden vanzelf zal beperken tot immateriële diensten), dan lost dit onverdroten vooruitgangsoptimisme nog niets op aan het feit dat het Noorden nu reeds ver boven de limieten van het ecologisch verantwoorde zit, en dat het huidige consumptiepatroon al niet meer wereldwijd te veralgemenen is. Omdat deze problematiek uiteindelijk het dagelijkse leven van elke burger en kiezer raakt, is het kennelijk moeilijk expliciet te stellen dat, in plaats van te dromen van niet-vervuilende en niet-materiaal-intensieve economische groei, we iets minder gaan moeten consumeren en meer inkomen en arbeid herverdelen, kwestie van de ontwikkelingskansen van andere gebieden in de wereld en toekomstige generaties niet te hypothekeren. En opnieuw moeten hier concrete consequenties aan worden verbonden, zowel in het discours, het programma als de dagelijkse politieke praktijk. Voor sommigen zal dit waarschijnlijk te ‘zuur’ klinken, en zeker te weinig ‘gezellig’, maar deze analyse is, in alle bescheidenheid, wel eerlijker.

Hoe de Huntingtoniaanse haatspiraal stoppen?

Behalve het standpunt dat het mondiale beheer zich niet mag blindstaren op terrorisme ten koste van vele andere thema’s, komt het thema van de groeiende polarisatie en radicalisering tussen en binnen de Westerse en islamitische wereld in de tekst niet aan bod. Dat is een gemiste kans. Mogen we zelf enkele aanzetten geven? Het lijkt er in het algemeen op dat het Europese politieke establishment dit fenomeen aan het mismeesteren is, door niets te doen, of door foute dingen te doen. In elk geval worden de ernst van de situatie en de toekomstige risico’s onderschat. Zwijgen om het fenomeen geen extra aandacht of voeding te geven, is al lang geen optie meer. De verwevenheid van onze multiculturele samenleving met de internationale politiek in een context van mondialisering compliceert de zaak, en maakt ze ook belangrijker. Aanvallen, aanslagen, verwijten en provocaties over en weer maken dat sommige groepen zich steeds dieper in hun stellingen ingraven, en extremisten aan beide zijden steeds meer garen spinnen. Wanneer zich in de internationale en interculturele betrekkingen een dergelijke structuur heeft gevormd, is het niet zo gemakkelijk ze weer ongedaan te maken, maar toch mogen we ons er niet bij neerleggen. Dit meerlagige proces versterkt de macht van extremisten als Hamas, Ahmadinejad en Bush, verlaagt de drempel voor oorlog en zelfmoordaanslagen, voedt de wapenwedloop, creëert bij ons en in het Midden-Oosten een gunstig klimaat voor wederzijds wantrouwen, racisme en fundamentalisme, vormt een alibi om mensen uit te sluiten en te discrimineren, enzovoort. Ook al hoeven we niet meteen voor een nieuw Auschwitz te vrezen, dit lijstje is al beroerd genoeg om het fenomeen heel ernstig te nemen. De ‘cartoonrel’ of beter ‘cartooncrisis’ was de zoveelste episode waarbij provocateurs en opruiers aan beide zijden zich van hun smalste kant hebben laten zien. Als we ons realiseren binnen welke beladen politieke context deze zaak zich heeft afgespeeld, is het moeilijk de ‘humor’ van die prenten in te zien. Op die manier wordt de Huntingtoniaanse these van tamelijk monolithische ‘beschavingen’ die tegenover elkaar staan, een zelfvervullende voorspelling.
Hoe kunnen Westerse progressieve politici hiermee omgaan? Ze moeten volop deelnemen aan de strijd om de publieke opinie, die ook door vele andere actoren wordt gevoerd. De prioriteiten moeten zijn minder polarisatie en deëscalatie, en niet zozeer stoere borstklopperij over hoe superieur onze ‘bedreigde’ beschaving wel is. Dwaze veralgemeningen in het maatschappelijke debat zoals ‘de islamcultuur is minderwaardig’ en het gesakker over de politiek van appeasement tegenover ‘de islam’, alsof deze godsdienst van meer dan een miljard mensen nu even bedreigend is als Hitler-Duitsland omstreeks 1938, moeten steevast worden bestreden. In Vlaanderen krijgen dergelijke boodschappen te weinig weerwerk vanwege gezaghebbende opiniemakers. Om de Huntingtoniaanse spiraal te stoppen, is actie op verscheidene niveaus aangewezen. Op nationaal vlak is het hoog tijd voor structurele trendbreuken op basis van het nodige leiderschap en een evenwichtige totaalvisie, met ambitieuze doelstellingen inzake werk, onderwijs en algemene gelijkberechtiging, maar ook aspecten als democratische waarden en taalkennis. Enkel zo kunnen gemeenschappen weer dichter bij elkaar komen. Dit thema komt wellicht op een volgend congres aan bod.
West-Europese moslims krijgen te weinig de boodschap dat ze volwaardige medeburgers zijn. Hun gevoel van achterstelling wordt nog versterkt door berichten en beelden uit de internationale politiek. Maar dat geldt net zozeer voor het wantrouwen van de autochtonen tegenover moslims; het buitenlandse nieuws over moslimextremisme; aanslagen of de Iraanse atoomplannen zijn niet bevorderlijk om het vertrouwen in de eigen multiculturele samenleving te versterken. Sommige regimes en bewegingen in de islamitische wereld dragen zonder twijfel een zware verantwoordelijkheid. Maar hoe kunnen we ze indijken? Het lijkt er sterk op dat zij net veel legitimiteit verwerven door bepaalde acties van het Westen, zoals de steun aan de politiek van rechtse Israëlische regeringen, steun aan corrupte Arabische dictaturen, de Irak-oorlog of de op handen zijnde actie tegen Iran. De vraag kan zelfs worden gesteld of zonder het gedrag van het Westen en Israël gedurende de voorbije jaren en decennia deze extremisten ooit zoveel macht en invloed zouden hebben verworven. Door het zover te laten komen, zitten we nu met een pak lastige vragen: was de oorlog in Afghanistan een goede zaak? Moet er met de Hamas-regering worden gesproken? Moeten de nucleaire installaties van Iran worden aangevallen? De voedingsbodems van het extremisme proberen weg te nemen is alleszins een juiste strategie, want deze strijd gaat vooral over de hearts and minds van de mensen, en bommen en invasies hebben nogal dikwijls een averechts effect. Het Westen moet behoedzaam te werk gaan, en de gematigde krachten in de islamitische wereld steunen, in plaats van het hen met folterpraktijken, fosforbommen en ‘grappige’ cartoons waarin de hele islam vereenzelvigd wordt met terrorisme, moeilijker te maken.
Misschien moet net de druk op landen als de VS en Israël worden opgevoerd. De politiek van deze regeringen is niet alleen op zich af te keuren, maar brengt door het internationale klimaat dat ze scheppen ook - meer dan vroeger - onze nationale veiligheid en belangen in het gedrang. Zonder te overdrijven vormt het terrorisme een dreiging voor de levens van Belgen hier en in het buitenland. Het internationale wapengekletter heeft een negatieve impact op onze multiculturele samenleving. Deze gespannen context drukt ook de Belgische waarden inzake mondiaal beheer van de internationale agenda. De Belgische en vele andere regeringen die de confrontatiepolitiek niet steunen, hoeven dit niet langer te pikken. Het is niet meer een louter morele kwestie, wij worden rechtstreeks benadeeld. Er moet worden gedacht over een veel strakkere houding tegenover de VS en Israël, totdat hun regeringen de confrontatiepolitiek afzweren. België en gelijkgezinde staten zouden zich veel openlijker van deze regeringen moeten distantiëren, en geen enkele logistieke steun aan hun confrontatiepolitiek bieden. Het Oosten moet weten dat er een ander Westen bestaat, en omgekeerd. Om deze beweging een iets duidelijker ‘smoel’ te geven, kan een actieve coalitie van gematigde krachten gesmeed worden, met landen als België, Frankrijk, Italië, Spanje, Turkije en Marokko, en groepen uit de civiele samenleving, die hun acties orchestreren en elkaar steunen. Zo kunnen deze landen de publieke opinie in de VS, Israël en het Midden-Oosten beïnvloeden, aan de hand van public diplomacy met een discours dat confrontatie afwijst. Denk bijvoorbeeld aan de gezamenlijke open brief van de Spaanse premier Zapatero en zijn Turkse ambtsgenoot Erdogan naar aanleiding van de cartooncrisis. We hebben meer zulke initiatieven nodig. Het spreekt voor zich dat de sociaaldemocraten en de andere progressieven hierin een belangrijke rol te spelen hebben.

Dries Lesage
Redactielid en FWO-postdoctoraal medewerker Vakgroep Politieke Wetenschappen - UGent (Onderzoeksgroep Global Governance)

sp.a - beginselverklaring - internationaal beleid - Verenigde Naties - WTO

Samenleving & Politiek, Jaargang 13, 2006, nr. 4 (april), pagina 31 tot 36