Log in

Hoe een fusie de beginselverklaring dwarsboomde

Samenleving & Politiek, Jaargang 13, 2006, nr. 4 (april), pagina 5 tot 12

Beginselverklaring sp.a - luik ‘duurzame en betaalbare energie’

De tekst van de sp.a-beginselverklaring, althans het deel gewijd aan energie, verrast niet door buitengewoon creatieve ideeën. Dat is jammer. Maar de vraag is ook of je met deze voorstellen voldoende het onderscheid maakt met andere partijen - Groen! op kop - en of je echt een socialistisch alternatief formuleert.
Principes als duurzaamheid en dalende afhankelijkheid van fossiele energiebronnen (veelal afkomstig uit weinig stabiele regio’s) zijn algemeen aanvaardbare en aanvaarde stellingen. Ook het promoten en stimuleren van Rationeel EnergieGebruik of REG is een weinig controversieel idee. Twee standpunten die echter wel van aard zijn om enige controverse los te weken, zijn het hernieuwde pleidooi voor de kernuitstap en voor een decentraal productiemodel voor elektriciteit.

Van gecentraliseerde naar gedecentraliseerde elektriciteitsproductie

Een decentraal productiemodel betekent dat in plaats van enkele gigantische elektriciteitscentrales te bouwen en die met de klanten te verbinden via hoogspanningslijnen en een lokaal distributienet, zoveel mogelijk gezinnen en bedrijven zelfbedruipend moeten worden en hun eigen elektriciteit opwekken via fotovoltaïsche zonnepanelen en micro-warmtekrachtkoppelingsinstallaties.
Dit laatste principe van opwekking van elektriciteit door middel van warmtekrachtkoppeling (WKK) wordt nu al in de industrie en in de landbouw toegepast. Waar warmte nodig is, wordt meteen van de gelegenheid gebruik gemaakt om bij de opwekking ervan ook elektriciteit te maken. Elektriciteit als ‘restproduct’ van industriële warmteopwekking als het ware. Toepassing van warmtekrachtkoppeling leidt tot het maximaliseren van het rendement dat uit de brandstof gebruikt voor de warmteopwekking gehaald wordt. Passen we datzelfde principe nu toe op gezinsschaal, dan wordt i.p.v. een klassieke centrale verwarmingsketel, een micro-WKK installatie gebouwd, zodat het verwarmen van een woning of water voor sanitair, gepaard gaat met het opwekken van stroom. Het overschot aan stroom - die het gezin niet verbruikt - kan worden teruggeleverd aan het elektriciteitsnet, waardoor de elektriciteitsmeter zelfs kan ‘achteruitdraaien’.
Dat de kernuitstap een controversieel thema is, valt niet te betwijfelen. Het is een debat tussen believers en non-believers geworden, waarbij je de vraag kan stellen of er van een debat nog wel sprake kan zijn. De sp.a blijft bij het standpunt dat de nucleaire centrales dicht moeten. Het afvalprobleem is daarvoor de voornaamste - maar zeker niet de enige - motivatie. We moeten ons inderdaad afvragen of je voor de energiebehoeften van de huidige generatie een technologie mag inzetten die de toekomstige generaties van de volgend pakweg 10.000 jaar nog last zal bezorgen. Maar hetzelfde argument kan je ook aanhalen voor het gebruik van fossiele brandstoffen, waarvan de uitstoot aan broeikasgassen zonder twijfel ook de komende tientallen generaties zal treffen op een onaanvaardbare wijze. De enige ethisch-duurzame keuze inzake het energiebeleid, is dus het maximaal inzetten op energiebesparing, en de daarna overblijvende energiebehoeften maximaal invullen op basis van hernieuwbare energiebronnen.
De voorstellen van de sp.a inzake decentrale productie en REG zijn zonder twijfel noodzakelijke stappen, die nu al (in)gezet moeten worden indien we, op de termijn die voorzien is voor de kernuitstap, de kerncentrales willen sluiten zonder gevoelig aan comfort in te boeten.
Kortom, het luik ‘energie’ van de beginselverklaring zelf is degelijk, maar niet van een verpletterende originaliteit. Wel biedt het een coherente visie op enkele van de belangrijkste uitdagingen voor onze samenleving, nl. hoe te voorzien in een voldoende energievoorziening om ons te verzekeren van economische groei en welstand, binnen de grenzen die gesteld worden door de nood aan een duurzame ontwikkeling.
De tekst is zeker groen genoeg om het verschil te maken met de standpunten van VLD en CD&V, maar is de tekst rood genoeg om het verschil te maken met Groen!? Begrijp deze conclusie niet verkeerd. Het is niet noodzakelijk dat sp.a en Groen! elkaar tegenspreken, zeker niet als het over energie gaat. Maar er mag naast een deel overlappende standpunten, ook een stuk analyse en beleidsvoorstellen eigen aan elk van de partijen terug te vinden zijn.

Achtergrondtekst

Ook in de achtergrondtekst vinden we weinig elementen terug die op dit vlak het verschil maken. De tekst gaat in grote mate uit van de huidige ordening van de energiesector, voor wat betreft de liberalisering, de eigendomsverhoudingen en de huidige marktordening. Van een socialistische beginselverklaring verwacht je een visie op het structurele niveau. Maar om daar zinvolle uitspraken over te kunnen doen, moeten we eerst inzicht verwerven in de fundamentele werking van de geliberaliseerde energiemarkten.
De sp.a-tekst werd daarenboven het slachtoffer van een ongelukkige timing. Net na de afronding ervan, werd immers het gevecht tussen het Italiaanse Enel en Suez ingezet, dat als doel heeft de controle over Electrabel te verwerven. De geplande fusie tussen Gaz de France en Suez heeft in de eerste plaats nu haar beslag gekregen als reactie tegen de Italiaanse dreiging. Het zonder meer realiseren van deze fusie zou de situatie van de Belgische energiemarkt van problematisch in onaanvaardbaar doen omslaan.
Maar laten we eerst naar de achtergrondtekst kijken. De liberalisering van de energiemarkt wordt vaak als ‘geflopt’ omschreven, laatst nog door Johan Vande Lanotte. Daar valt over te discussiëren: op distributievlak is er in Vlaanderen in ieder geval een concurrentiele markt tot stand gekomen. Vanaf het begin was echter de waarschuwing te horen dat concurrentie op distributieniveau enkel een structureel gegeven kan blijven, als ook op productieniveau een reële concurrentie zou ontstaan. Laten we dat even illustreren.
De energieprijzen zijn gestegen onder invloed van de internationale noteringen voor steenkool, aardolie en aardgas. De concurrentiedruk die door de liberalisering gecreëerd werd, heeft tot nog toe de impact van deze stijging op de Vlaamse energieafnemers getemperd. Dat blijkt duidelijk uit de vergelijking van de prijsevolutie in Vlaanderen met deze in het nog niet geliberaliseerde Wallonië. De Waalse prijzen worden immers nog steeds bepaald via het mechanisme dat voor de liberalisering in heel België van toepassing was, en dat voorzag in een doorrekening van de productieprijsevolutie. In Vlaanderen gebeurt deze doorrekening slechts partieel, omdat de concurrentie maakt dat de leveranciers een deel van de stijging ten laste van hun kosten- en winstmarge nemen. Er zijn natuurlijk grenzen aan deze situatie en die grenzen worden in belangrijke mate bepaald door de positie van de dominante speler op productievlak (lees: invoervlak voor aardgas).
In de gereguleerde markt was het eenvoudig, je kon - als je daarvoor de hefbomen in handen had - op elk ogenblik van de productieketen ingrijpen. Hetzij op productieniveau, hetzij op transport- of distributieniveau, hetzij op niveau van de eindafnemer. Met de liberalisering is de waardeketen van de energievoorziening echter in stukken geknipt. Niet alleen tussen levering en distributie, de zogenaamde unbundling, maar veel fundamenteler ook tussen productie en levering. Dit heeft een naar gevolg: je kan niet meer ingrijpen op niveau van de prijzen die de eindafnemers betalen.
De geïntegreerde energiebedrijven hebben zich allemaal opgedeeld in een productie- en leveringspoot, die zich elk gedragen alsof ze niets met elkaar te maken hebben. Zo produceert Electrabel NV elektriciteit, die het aan dezelfde prijs doorverkoopt aan Electrabel Customer Solutions (het leveringsbedrijf) als aan Luminus, Nuon, enz. Deze bedrijven zijn doorverkopers, die aan uiterst lage marges werken, eenvoudigweg omdat hun activiteiten zich beperken tot administratie en marketing, en dus een beperkte toegevoegde waarde hebben. Het plafonneren van de prijs aan eindafnemers doet dus niets anders dan de leveringsbedrijven dooddrukken. De winsten - die essentieel worden gemaakt door de productiebedrijven die over de goedkoopst in te zetten productiecapaciteit beschikken - blijven daardoor ongemoeid. Het zetten van een price cap op het niveau van de eindafnemers is dus een uitstekende manier… om de concurrentie van Electrabel de doodsteek te geven.
Het aftoppen van het voordeel dat Suez puurt uit het productiepark van haar dochter Electrabel, kan dus enkel door het opleggen van maatregelen die rechtstreeks op productieniveau ingrijpen. Als dat voldoende drastisch gebeurt om de dominante positie op dat vlak af te bouwen, is het slechts een kwestie van maanden voor hetzelfde op spontane wijze ook gebeurt met het dominante marktaandeel van het bedrijf op leveringsniveau.

Dominante marktspeler

Aan de onaanvaardbaar dominante positie van Suez wordt door de tekst van de beginselverklaring niet ten gronde geraakt, op het al bekende voorstel van de ‘mottenballentaks’ na, een taks op de productie door oude, al lang afgeschreven centrales. Met deze taks room je voor een deel de winsten af die Suez nu maakt op basis van het bestaande productiepark. Het Belgische productiepark bestaat uit kerncentrales, centrales op steenkool en op aardgas. Een kerncentrale bouwen is op het ogenblik voor geen enkele onderneming nog een haalbare kaart, zonder uitgebreide steun vanuit de overheid. Die heeft echter een moratorium opgelegd, samen met het scenario voor de kernuitstap.1 Alleen al de verzekeringskost is voor een privé-investeerder een onoverkomelijke hindernis. Het bijbouwen van steenkoolcentrales ligt moeilijk op milieuvlak. De uitstoot aan CO2 - die sinds kort bestraft wordt door het systeem van emissierechten - maakt een investering in dit soort centrale ook onhaalbaar. Blijft over: een aardgasgestookte centrale. Maar in de huidige context van sterk opgelopen aardgasprijzen kan zulk een centrale niet op tegen de spotgoedkope elektriciteit die de afgeschreven nucleaire en steenkoolcentrales van Electrabel produceren. De broodnodige autonomie die de leveranciers die als nieuwkomers op de markt willen concurreren moeten opbouwen, wordt dus bijzonder duur betaald. En hoe relatief is die autonomie, als je moet vaststellen dat je voor de bevoorrading van je aardgascentrale onvermijdelijk moet aankloppen bij Distrigas of Gaz de France, (binnenkort) beide onderdeel van dezelfde moedermaatschappij?
Waarom geeft het productiepark van Electrabel Suez op het ogenblik zo’n onoverwinnelijk voordeel op de concurrentie? Dat ‘nationale’ productiepark werd in het verleden door de Belgische elektriciteitsafnemers al dubbel en dik afbetaald. De nucleaire productiecapaciteit in België is met het akkoord rond de opsplitsing van CPTE - het vroegere samenwerkingsverband tussen de twee Belgische elektriciteitsproducenten Electrabel en SPE - voor 97% in handen gekomen van Suez. Het nucleaire park staat trouwens in voor ruim 55% van de Belgische elektriciteitsproductie. De productiekost van de nucleaire centrales kan geschat worden tussen 10 en 20 euro per MWh.2 Een moderne aardgascentrale - het type van productie-eenheid waarmee SPE en andere uitdagers hun elektriciteit moeten produceren - draait met de huidige gasprijzen minstens aan 65 euro per MWh. Het concurrentievoordeel dat de oud-monopolist hiermee opgebouwd heeft, wordt door de concurrenten op minstens 1 miljard euro per jaar geschat.
Het Belgische productiepark werd indertijd, net als het hoogspanningsnet, versneld afgeschreven. Dat leverde toen hogere elektriciteitsprijzen op, maar dat werd verdedigd door te zeggen dat na afloop van de afschrijvingstermijn de elektriciteitsprijzen zouden kunnen zakken. Nu is het zover, maar ondertussen is het nucleaire productiepark in handen gekomen van Suez, en het transmissienet in handen van Elia (dit laatste tegen een forse vergoeding, op basis van een reconstructiewaarde i.p.v. de afgeschreven boekwaarde). De versnelde afschrijvingsinspanning komt m.a.w. niet ten goede aan de Belgische afnemers, maar aan een - ondertussen in Franse handen overgegane - privé-maatschappij.3
De mottenballentaks is dan een ogenschijnlijk interessant middel om de superwinsten die hierdoor ontstaan af te romen. Het is zonder twijfel een middel om de druk op Suez hoog te houden, maar geen efficiënt middel om de liberalisering van de energiemarkt structureel vooruit te helpen. Het niet doorrekenen van een eventuele heffing op de afgeschreven centrales in de elektriciteitsprijs aan de eindafnemers, is eerder een echt onhaalbare dan een net niet haalbare utopie. In een vrijgemaakte markt zal iedere kostenverhogende maatregel doorgerekend worden aan de consument, tenzij de concurrentie de prijzen drukt. Het prijspeil wordt echter bepaald door de dominante marktspeler op productievlak, op basis van het hoger beschreven voordeel op vlak van het productiepark.
Er moet dus iets meer fundamenteels gebeuren op vlak van de krachtverhoudingen in de energiesector. Van een socialistische kijk op onze energievoorziening, mogen we toch ook een structurele aanpak verwachten. Het nationaliseren van de energie als sleutelsector is een oude socialistische doelstelling. Dat is nu, met een vanuit Europa aangedreven liberaliseringsbeweging, niet meer aan de orde. De uitdaging van het structureel ingrijpen in de energiesector is er echter niet minder op geworden. Dit streven moet zich nu richten naar het realiseren van een gelijk speelveld op de energiemarkt, zowel op het vlak van de productie van elektriciteit en invoer van aardgas, als op vlak van de distributie- en transport van energie. Het was een fundamentele fout om de regels voor zowel de federale als de regionale energiewetgevingen op te stellen alsof er al een gelijkspeelveld geldt voor de spelers op de energiemarkt, terwijl op het vlak van de productie van elektriciteit en de invoer van aardgas (een federale bevoegdheid) weinig of geen maatregelen genomen werden om daadwerkelijk tot deze situatie te komen. Wereldwijd kan men vaststellen dat de liberalisering van de elektriciteits- en aardgasmarkten steeds een veel complexere uitdaging betekende dan initieel gedacht werd, zowel door de regelgevers als de marktpartijen. Het is dan belangrijk wat de historische achtergrond is van de betrokken markt: vrij concurrentieel (zoals het geval was in het VK), of eerder monopolistisch (zoals in Frankrijk en België), om de uitkomst van de oefening te duiden en niet de kwaliteit van de voorbereiding van de liberalisering of de regelgeving op zich.

Ontvlechten!

Het ‘net niet haalbare voorstel’ om op structurele wijze in te grijpen in de energiesector, moet zich nu dan ook op het transport- en distributievlak richten. De praktijk wijst uit dat de unbundling (of ‘ontvlechting’: de scheiding van productie en leveringsactiviteiten enerzijds en vervoersactiviteiten anderzijds) alleen voldoende geloofwaardig en boven twijfel verheven is, als ze volledig doorgevoerd wordt. In Vlaanderen/België zijn we verder gegaan dan bijvoorbeeld in Nederland, maar toch blijft de aanwezigheid van ondernemingen met productie- en leveringsactiviteiten in Elia, Fluxys en de (gemengde) distributienetbeheerders problematisch. De geloofwaardigheid van de liberalisering kan alleen volledig worden gemaakt door het onafhankelijk werken van de vervoerbedrijven. De overheid moet in ieder geval de vervoeractiviteiten reguleren, gelet op het feit dat het over natuurlijke monopolies gaat.
De tekst gaat echter niet expliciet in op het probleem van de scheiding tussen de - geliberaliseerde - leveringsbedrijven en de distributienet- en vervoerbedrijven. Deze laatste groep, de beheerders van de distributienetten, het transmissienet van elektriciteit (Elia) en het vervoernet voor aardgas (Fluxys), zijn natuurlijke monopolies en moeten daarom onder controle van de overheid blijven, stelt de tekst volkomen terecht. De verdere uittreding van de privépartners uit het historisch opgebouwde aandeelhoudersschap in deze bedrijven blijft onvermeld, hoewel het bijvoorbeeld in het GdF-Suez-verhaal cruciaal blijkt. Het meerderheidsaandeelhouderschap van Suez in Fluxys maakt dat met het samengaan van de enige twee leveringsbedrijven die het recht hebben om laagcalorisch gas uit Nederland in België te verkopen (GdF en Distrigas), er nu een totale houdgreep van één (buitenlandse) maatschappij op de gasvoorziening in België geldt.

Nieuwe of echte liberalisering?

In het kader van de fusie Gaz de France - Suez wordt de term ‘nieuwe liberalisering’ gebruikt. De beginselverklaring houdt het bij een pleidooi voor een ‘echte liberalisering’ en gebruikt daarvoor weer het argument van lagere prijzen voor de consument. Dit in tegenstelling tot de eigenlijke beginselverklaring, die het enkel over betaalbare (en voldoende) energie heeft. Dat lijkt inderdaad een beter uitgangspunt dan puur lagere prijzen, waarmee je moeilijker tot een ecologisch bewustzijn op het vlak van energiegebruik kan komen.
Maar hoe vermijd je dat hogere energieprijzen - wenselijk als signaal naar de verbruiker om spaarzaam met energie om te springen - ook leiden tot hoge winsten, in de eerste plaats van de ex-monopolisten? Die hebben we immers een productiepark in handen gegeven dat toelaat om de nieuwkomers op de energiemarkt te verpletteren.
En hoe vermijd je vervolgens dat de hoge energieprijzen de gezinnen en de industrie sensibiliseren om spaarzaam met energie om te springen, zonder ze naar een situatie van energiearmoede te drijven, of ze op het idee te brengen hun productie te delokaliseren naar lage(re) loonlanden, met minder strikte milieuwetten en gunstigere fiscale regimes?
De discussie moet zich dus concentreren op het drukken van de energiefactuur, niet op de energieprijs. Dat betekent niet dat de energieprijs geen aandacht verdient. Het bevorderen van concurrentie op de energiemarkt moet immers vermijden dat bepaalde bedrijven zich onterecht kunnen verrijken op de kap van de consumenten en de industrie.

De fusie Gaz de France - Suez

Zoals hoger al betoogd werd, werkt concurrentie pas op een structurele manier als er op het vlak van de verkoop én van de energieproductie (elektriciteitsproductie en aardgasinvoer) voldoende onafhankelijke en competitieve bedrijven aanwezig zijn. Op het ogenblik wijst de evolutie van de prijzen van elektriciteit en aardgas op de markt voor huishoudelijke afnemers in Vlaanderen erop dat de concurrentie een prijsdrukkend effect heeft. Dat effect is echter geen lang leven beschoren als de onderliggende productie- en groothandelsmarkten onvoldoende concurrentieel zijn. Daar ligt de grote dreiging van de fusieoperaties, GdF-Suez, maar ook de overname van SPE door GdF en Centrica, waardoor Luminus en City Power onder dezelfde koepel kwamen als SPE. Ook de fusiegeruchten in Nederland, over de vorming van een nationale kampioen door het samengaan van Nuon, Essent en eventueel ook Eneco, zouden de concurrentie doen verschralen.
Een mooie indicatie van de te verwachten effecten van de fusie, valt af te leiden uit de evolutie van de beursnoteringen van de betrokken bedrijven en hun concurrenten. Zo viel op te merken dat de koers van het EDF-aandeel (de voornaamste concurrent van de GdF-Suez) steeg na de aankondiging. Dat wijst erop dat de verwachtingen eerder naar een stijging van de elektriciteitsprijs gaan (die ook ten goede komt aan EDF) dan naar een daling (die het aandeel van de concurrenten zou doen afnemen in waarde). De beleggers beoordeelden de fusieplannen dus als een sterk industrieel project, zonder te geloven in een toenemende concurrentie, eerder in tegendeel.
De fusieplannen en het vooruitzicht om zowat alle hefbomen van de Belgische energievoorziening, inclusief de strategisch delicate nucleaire installaties, te zien vertrekken naar Parijs, maken dat het debat over de dominante positie van Suez - terecht - met vernieuwde ijver woedt. Het pleidooi om significant in te grijpen, was nog nooit zo wijd verspreid. Merkwaardig genoeg wordt deze redenering niet doorgetrokken naar de gasmarkt, waar de dominante positie van de combinatie Fluxys-Distrigas, zonder twijfel nog zwaarder weegt dan deze van Suez in de elektriciteitsmarkt.

Duurzame energievoorziening

Het drukken van de energiefactuur kan en moet ook door een verlaging van de verbruikte hoeveelheid energie. Dat is echter geen sinecure, zeker niet als je - om redenen van sociale aard en omwille van de concurrentiepositie - de energieprijs niet mag gebruiken als signaal. Het blijkt aartsmoeilijk om de (ver)bouwende Vlaming en de Vlaamse industrieel te sensibiliseren om in hun projecten van bij het begin rekening te houden met energiebewust verbruiken. In veel gevallen worden investeringen in een zonneboiler of een fotovoltaïsch paneel als een achteraf gedachte toegevoegd. Het is noodzakelijk om aannemers, architecten en bouwpromotoren te informeren en te motiveren om van bij het begin rekening te houden met het energieverbruik van de woning, door oriëntatie, ventilatie, isolatie, energieverbruikende toepassingen en eventueel eigen elektriciteitsproductie te voorzien.
Alleen als we het op die manier aanpakken, bouwen we onze samenleving om naar een CO2-arme omgeving, zonder aan comfort in te boeten. Dit vergt een aanpassing van onze manier van denken over energie. In Nederland wordt nu geëxperimenteerd met micro-WKK-verwarmingsinstallaties bij particulieren. Ieder jaar worden er 400.000 CV-installaties geïnstalleerd of vervangen. Stel dat de helft ervan opteert voor een micro-WKK, dan volstaat dat na enkele jaren om een conventionele elektriciteitscentrale te sluiten. Dat is een concreet alternatief voor het sluiten van de kerncentrales, op voorwaarde dat we er nu mee beginnen.
Ook de promotie van hernieuwbare energiebronnen bij de productie van elektriciteit blijft een aandachtspunt, zowel van het energiebeleid, als van het milieu- en klimaatbeleid. Windmolens zijn uitgegroeid tot het symbool van hernieuwbare energie, terwijl er in Vlaanderen toch minstens evenveel (economisch rendabel) potentieel zit in biomassa, zeker als dit ingevuld wordt met de valorisering van afvalstromen. Voorbeelden van dit laatste is vergisting van GFT-afval en mest, maar ook verwerking van industriële afvalstromen: hout en zaagsel, productieafval uit de voedingssector, enz.

Blinde vlekken

Een aantal dingen komt niet (voldoende) aan bod in de teksten. De nadruk ligt zwaarder op WarmteKrachtKoppeling dan op hernieuwbare (groene) energiebronnen. Er is geen aandacht voor internationalisering van het energiebeleid, zoals die tot uiting komt in het project van de koppeling van de Nederlandse, Belgische en Franse elektriciteitsmarkten via de energiebeurs BelPEx. Er wordt geen aandacht besteed aan de Europese dimensie van het energiebeleid. De verbanden met mobiliteitsbeleid, werkgelegenheid, milieubeleid blijven relatief onderbelicht.

Kortom

Energie neemt een prominente plaats in de sp.a-beginselverklaring in. De beginselverklaring en de achtergrondtekst zijn degelijke werkstukken, met coherente en doordachte voorstellen. De toets van de ‘net niet haalbare utopieën’ haalt de tekst m.i. niet op alle vlakken. Daarvoor blijft de tekst net teveel op bekend en veilig terrein. De tekst scoort merkwaardig genoeg ook meer groene dan rode punten, doordat wel nadruk gelegd wordt op een aantal ecologische strijdpunten (en terecht), maar in belangrijke mate voorbij gegaan wordt aan het debat over het structureel ingrijpen in de sector. In weerwil van de in Vlaanderen formeel afgeronde liberalisering, blijft op dit vlak nog heel wat (moeilijk) werk aan de winkel. Er zal politiek gestreden moeten worden om de liberalisering van de Belgische energiemarkt vlot te trekken. Dat moet gebeuren door een hernieuwd debat, niet met een tweede pax electrica, die in het verleden al enkele keren mager uitgevallen is.
De oplossingen die nodig zijn voor een tweede, echt doortastende liberaliseringsbeweging, zijn geen van alle gemakkelijk. Het gaat om een bedrijf dat over de jaren verankerd is geraakt in alle lagen van de Belgische politiek, van het lokale (intercommunale) niveau tot aan de regeringstop(pen). Dit is geen pleidooi tegen een bedrijf, maar voor een bewuste en moedige keuze om de liberalisering van de energiemarkten opnieuw aan te vatten en te streven naar een gelijk speelveld. We bevinden ons op een scharniermoment voor het Belgische energiebeleid, laten we het niet voorbij gaan zonder een poging het maatschappelijk belang te dienen.
De sp.a moet de beginselverklaring ter harte nemen, dit wil zeggen nu maximaal inzetten op energiebesparing, hernieuwbare energie en milieuvriendelijk gebruik van fossiele brandstoffen door middel van WKK. Alleen zo kan de politieke beslissing van de kernuitstap werkelijkheid worden, i.p.v. dat we over enkele jaren moeten vaststellen dat we de nucleaire centrales niet kunnen sluiten op straffe van een nieuwe ‘duistere periode’ in onze geschiedenis. Als we dat verstandig aanpakken, bouwen we de Belgische economie om naar een CO2-arm, innovatief en arbeidsintensief, sterk decentraal energiemodel. Dat is de ‘net niet haalbare’ utopie in deze. Zoniet, zullen we vaststellen dat we overgeleverd zijn aan buitenlandse bedrijven, die ons in de richting sturen van een nucleair energiesysteem, mogelijk ten koste van de Belgische energiegebruikers.

Dirk Van Evercooren
Redactielid 4

*Noten *
1/ Dat moratorium is echter hoogst relatief: de nakende vervanging van een stoomgenerator van Doel 1, de eerste kerncentrale die moet sluiten in het uitstapscenario, verhoogt de productiecapaciteit van de reactor met zo’n 7 à 8%.
2/ Sinds het jaar 2000 is Electrabel niet meer verplicht hierover informatie openbaar te maken. Eric De Keuleneer schat de productiekost op 10 euro per MWh, 20 euro is zeker een conservatieve schatting.
3/ Op de website http://electrospector.blogspot.be/, van Eric De Keuleneer, vind je enkele achtergrondartikels die deze stellingen verder onderbouwen. De Keuleneer was voorzitter van de commissie, die tot doel had de liberalisering van de energiemarkt in België voor te bereiden.
4/ De auteur is dank verschuldigd aan een aantal mensen die commentaar en suggesties gaven op een eerste versie van deze tekst. Hij blijft als enige verantwoordelijk voor de standpunten die erin weergegeven worden en schrijft deze bijdrage ten persoonlijke titel.

sp.a - beginselverklaring - energie - energiebeleid

Samenleving & Politiek, Jaargang 13, 2006, nr. 4 (april), pagina 5 tot 12