Abonneer Log in

De m-v-verhoudingen na de verkiezingen van oktober 2006

Samenleving & Politiek, Jaargang 13, 2006, nr. 5 (mei), pagina 31 tot 36

Over het gewicht van instituties en de kracht van vrouwen

Bij een voorbeschouwing op verkiezingen hoort de laatste jaren steevast een reflectie op de positie van vrouwen in de politiek. Dit geldt ook voor de lokale en provinciale verkiezingen van oktober 2006 die een nieuw hoofdstuk toevoegen aan de quota die de laatste jaren ingevoerd werden om een evenwicht tussen mannen en vrouwen in de politiek te bevorderen. Deze quota hebben de laatste tijd wat stof doen opwaaien, vooral dan in Vlaanderen. De inzet is een recent advies van de Raad voor de Gelijke Kansen van Vrouwen en Mannen, een federaal adviesorgaan, over de gevolgen van de nieuwe quota (Advies nr. 106, zie ook http://www.raadvandegelijkekansen.be). Kort samengevat wordt in het advies gesteld dat vooral in Vlaanderen de kans bestaat dat na de komende verkiezingen niet meer vrouwen verkozen zullen worden dan nu het geval is. Het zouden er zelfs minder kunnen zijn. De reden hiervoor moet niet zozeer bij de nieuwe quota op zich worden gezocht. De Raad wijst vooral op de mogelijke interactie tussen de quotamaatregelen enerzijds en de parallel ingevoerde neutralisering van de lijststem voor wat de effectief verkozenen betreft. Terwijl adviezen van de Raad vaak geen stof doen opwaaien en men zelfs zou kunnen stellen dat zij niet opgemerkt worden, hebben in dit geval de Vlaamse ministers gereageerd die voor de materie bevoegd zijn. De Raad zou een betuttelende houding tegenover vrouwen aan de dag leggen en geen recht doen aan het zelfvertrouwen van vrouwen, terwijl we net in de kracht van vrouwen moeten geloven.
Wat zeggen de nieuwe quota? Voor de komende lokale en provinciale verkiezingen moeten lijsten evenveel mannelijke als vrouwelijke kandidaten tellen en daarnaast mogen de eerste drie kandidaten niet van hetzelfde geslacht zijn. Dezelfde regels vinden we ook terug voor Waalse lijsten. In het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest geldt eveneens de 50%-regel, maar daarnaast moeten de eerste twee kandidaten van een verschillend geslacht zijn. Concreet komt het erop neer dat de Brusselse kiezers minstens op de tweede plaats een vrouw ontmoeten terwijl de Vlaamse en Waalse kiezers hen eventueel pas op een derde plaats vinden. Met deze quota conformeren de spelregels voor de lokale en provinciale verkiezingen zich aan de in 2002 voor de andere verkiezingsniveaus ingevoerde soortgelijke maatregelen. Met dit fijne verschil dat Vlaanderen en Wallonië aan een bepaling vasthouden waarvan reeds in 2002 gezegd werd dat ze van tijdelijke aard is. Voor de Europese, federale en regionale verkiezingen geldt immers dat na een eerste verkiezing waarin partijen vrouwen minstens een derde plaats op de lijst moesten gunnen, een rits voor de eerste twee plaatsen wordt ingevoerd. Tot zover de nieuwe quota.
De vraag bij quota is altijd drievoudig: zijn dergelijke maatregelen wel gerechtvaardigd, hebben we ze nodig en leveren ze iets op? De laatste decennia is het aantal vrouwen ook in de lokale politiek gestaag toegenomen. Terwijl 30 jaar geleden nog maar 9% van de lokale verkozenen vrouw was, liep dit percentage achtereenvolgens op tot 10% (1982), 14% (1988), 20% (1994) om tenslotte 27% te bereiken tijdens de laatste lokale verkiezingen van 2000. Voor het provinciale niveau kunnen we een soortgelijke evolutie optekenen. Hier steeg het percentage vrouwen van 9% (1981, 1985), naar achtereenvolgens 11% (1987), 13% (1991), 21% (1994) om in 2000 uiteindelijk 31% te bereiken. Het gaat hier om landelijke gemiddelden. In de gemeenten van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest werden in 2000 bijvoorbeeld 38% vrouwen verkozen. Over het algemeen is de regel dat grote - stedelijke - gemeenteraden meer vrouwen tellen, en dit verklaart mee de resultaten voor Brussel. Voor de provincieraden geldt een soortgelijk effect, zij het dat het zich aldaar op het niveau van de kieskringen situeert.

Zijn quota nodig?

Hebben we wel nieuwe quota nodig als we deze evolutie van het aantal vrouwen in de lokale politiek in beschouwing nemen? Een antwoord op deze vraag wordt door veel parameters beïnvloed. Een daarvan is sekse. Als het van mannen afhangt zijn quota een overbodige zaak, als het aan vrouwen ligt een noodzakelijk kwaad. Onderzoek onder Vlaamse kandidaten en verkozenen een aantal jaren terug heeft uitgewezen dat mannen en vrouwen er verschillende visies op na houden met betrekking tot wat de ondervertegenwoordiging van vrouwen in de politiek veroorzaakt. Politiek actieve vrouwen in België situeren de oorzaak van hun ondervertegenwoordiging deels buiten zichzelf. Het gaat volgens hen om een structureel probleem dat het niveau van de individuele vrouw en haar persoonlijke keuzes overstijgt. Hun mannelijke collega’s delen deze visie niet. Volgens hen situeren de prioriteiten van vrouwen zich nu eenmaal buiten de politiek.
Belgische politiek actieve vrouwen vinden dat ze minder kansen in de politiek krijgen dan mannen. Het merendeel van de politiek actieve mannen gaat er daarentegen van uit dat vrouwen evenveel kansen krijgen. Vrouwen menen ook dat partijen de voorkeur aan mannelijke kandidaten geven omdat ze denken dat die geschikter zijn voor de politiek. Mannen en vrouwen delen daarentegen wel de mening dat partijen geen voorkeur geven aan mannen vanuit een electoraal perspectief. Terwijl vrouwen ondervinden dat partijen hen minder geschikt vinden voor de politiek, denken ze toch electoraal aantrekkelijk te zijn voor partijen. Hier klinkt de opvatting door dat partijen in de slag om de kiezers een zekere mate van openheid moeten tonen naar vrouwelijke, jonge en andere kandidaten.
Mannen noch vrouwen denken dat vrouwen de nodige ervaring, beroepsachtergrond of opleiding missen. Mannen menen verder dat vrouwen ook over de nodige (informele) contacten beschikken om carrière te maken in de politiek, wat vrouwen tegenspreken. Vrouwen zijn ook minder dan mannen geneigd te geloven dat ze zich voldoende inzetten om hun politieke ambities waar te maken. Mannen zijn er meer dan vrouwen van overtuigd dat vrouwen minder geïnteresseerd zijn in een politiek mandaat. Vrouwen en mannen delen echter de opvatting dat vrouwen prioriteit geven aan hun gezin of thuissituatie. Dat wordt ondersteund door de vaststelling dat vrouwen inderdaad het leeuwendeel van de combinatie arbeid en gezin op zich nemen.
Het grote verschil tussen mannen en vrouwen bestaat er dus in dat mannen de ondervertegenwoordiging van vrouwen in de politiek bij de vrouw zelf zoeken, terwijl vrouwen eerder verwijzen naar structurele oorzaken zoals de werking van een politieke partij. Mannen gaan er niet van uit dat vrouwen geconfronteerd worden met vormen van discriminatie. Volgens hen beschikken vrouwen over de nodige kwaliteiten om een politieke carrière uit te bouwen en kunnen daar ook voldoende in investeren als ze dat willen. Volgens mannen zijn vrouwen gewoonweg minder geïnteresseerd in een politiek mandaat en geven ze prioriteit aan hun gezin. Vrouwen daarentegen zijn de mening toegedaan dat hun ondervertegenwoordiging deels verklaard wordt door het feit dat ze minder kansen krijgen dan mannelijke collega’s. In hun ogen zijn vrouwen niet zozeer ondervertegenwoordigd omwille van formele factoren, zoals een gebrek aan professionele ervaring, maar omwille van informele, zoals een gebrek aan contacten. Volgens vrouwen moeten de verklaringen voor hun ondervertegenwoordiging dan ook voor een groot deel op een structureel niveau worden gezocht. Zelfs het feit dat vrouwen ervan uitgaan dat ze onvoldoende opkomen voor hun politieke ambities past in dat kader. Ze associëren deze attitude met de strijd tegen discriminerende praktijken in de politiek, terwijl mannen dit relateren aan een minder uitgesproken interesse in een politieke carrière. Vrouwen gaan er dus van uit dat ze hun interesse in de politiek minder verdedigen dan ze zouden moeten, maar dat dit ook erg moeilijk is voor hen. Mannen daarentegen gaan ervan uit dat vrouwen die iets willen bereiken in de politiek daar ook de nodige energie in stoppen en succesvol zijn.
Vanuit deze motivatie zijn mannen minder overtuigd van het nut van quota dan vrouwen. Aangezien mannen de oorzaak van de onevenwichtige sekseverhoudingen niet op het niveau van een maatschappelijk gestructureerde machtsstrijd situeren, waarom zouden ze dan voorstander zijn van quota? Het belang dat vrouwen hechten aan quota vertaalt voor een stuk ook hun visie op de wijze waarop zij zich behandeld zien in de politiek. Mannen zien quota als een storing van een initieel correct werkend selectiemechanisme, vrouwen beschouwen hen als een correctie op een verkeerd werkend selectiemechanisme.
Vrouwen en mannen verschillen duidelijk in hun verklaring van de bestaande verhoudingen in de politiek en wat daaraan gedaan moet worden. De vraag is, wie zou gelijk hebben? Botsen vrouwen in hun parcours op drempels die mannen niet tegenkomen omdat ze nu eenmaal man zijn? Het is moeilijk daar een sluitend antwoord op te geven. Niet iedere vrouw zal zich in het hierboven geschetste beeld herkennen. Maar de cijfers zijn wel duidelijk: vrouwen stromen minder dan mannen door naar de politiek. Onderzoek wijst er ook op dat de in- en doorstroom van vrouwen in de politiek verbetert wanneer de randvoorwaarden gunstig zijn. De modaliteiten van een kiessysteem zijn dergelijke randvoorwaarden. Maar zij bepalen niet alles. De rekruteringsstrategieën en selectiecriteria van partijen zijn ook van belang, evenals de houding van de kiezers. Perceptie speelt een belangrijke rol in de inschatting van wie de juiste persoon op de juiste plaats is. Het is moeilijk te achterhalen in welke mate die perceptie mannen in de politiek bevoordeelt en of dat wat ze te bieden hebben als waardevoller aanzien wordt. De vrouwenbeweging haalt in dat verband vaak het argument aan dat de ondervertegenwoordiging van vrouwen wijst op een slecht functioneren van de democratische instellingen. Indien er geen discriminerende mechanismen zouden bestaan, luidt de redenering, zouden vrouwen sinds lang in grotere aantallen aan het politieke gebeuren moeten deelnemen. Dat argument veronderstelt dat er geen intrinsiek geslachtsgebonden verschil bestaat in de wil om politiek actief te zijn. Zoals we zagen poneren politiek actieve vrouwen dit zelf ook.
Het feit dat de visies van vrouwen en mannen sterk verschillen als het gaat om de vraag of vrouwen drempels ervaren die mannen niet tegenkomen, kan echter als teken aan de wand worden beschouwd. Het lijkt erop te wijzen dat mannen de ondervertegenwoordiging van vrouwen in de politiek anders verklaren omdat ze inderdaad nu eenmaal niet met dezelfde problemen geconfronteerd worden. Velen onder hen kunnen (of willen) zich bijgevolg niet voorstellen dat vrouwen wel degelijk specifieke drempels ervaren tijdens hun parcours. De visie op andere vormen van ongelijkheid, zoals de discriminatie van holebi’s of allochtonen, verschilt ook wel naargelang men er rechtstreeks mee geconfronteerd wordt of niet.
Los van de mogelijkheid dat niet iedereen in dezelfde mate dergelijke drempels ervaart en dat individuen er zich ook achter kunnen verschuilen, is deze vaststelling belangwekkend. Het impliceert immers dat perceptie van de problematiek op zich een drempel kan zijn. Zit de laatste hindernis voor vrouwen die de politieke arena willen betreden en daar actief willen zijn tussen de oren van vooral mannen maar ook vrouwen? Is het zo dat mannen (en sommige vrouwen) de obstakels die (vooral) vrouwen tegenkomen niet erkennen? Is de inschatting door mannen van de specifieke moeilijkheden die vrouwen ondervinden op zich een drempel voor vrouwen om door te breken in de politiek? Het is bijvoorbeeld interessant vast te stellen dat vrouwen gemakkelijker achter quota staan naarmate ze langer actief zijn in de politiek. Vrouwen die nieuw zijn in de politiek gaan er vaak van uit dat zij het op eigen kracht halen. Maar die opvatting neemt af naarmate zij langer meedraaien, ook al zullen niet alle vrouwen hun mening over quota herzien.
Een sluitend antwoord kunnen we hier niet bieden. Wel staat vast dat vrouwen in de politiek ondervertegenwoordigd zijn en dat er een filtereffect bestaat, waarbij hun aantal afneemt naarmate de posities machtiger en schaarser worden.

Leveren quota iets op?

De vraag die zich bijgevolg stelt is of de nieuwe quota iets zullen opleveren. Over hetgeen quota zouden moeten bereiken en onder welke omstandigheden dit gebeurt is al veel inkt gevloeid. Het argument is daarbij dat quota niet enkel moeten mikken op het aantal vrouwelijke kandidaten maar best ook leiden tot meer vrouwelijke verkozenen. Anders hebben zij geen intrinsieke waarde. En met beleidsmaatregelen die niets uithalen is de samenleving niet gebaat. Stel dat we een belastingsverlaging invoeren die niet tot een vermindering van de belastingen leidt, of een staatshervorming die uiteindelijk de staat niet hervormt. Waarvoor zou dit goed zijn? Opdat quota impact zouden hebben moeten zij inspelen op de modaliteiten van het kiessysteem. De Belgische quota evolueerden de laatste jaren zodanig dat zij meer en meer gebaat zijn bij een kiessysteem met eerder gesloten lijsten. De eerste quotawet van 1994 bepaalde louter dat kieslijsten maximaal twee derde kandidaten van hetzelfde geslacht mochten tellen. Om ervoor te zorgen dat kandidaten het feit dat zij op de lijst staan maximaal kunnen verzilveren, zou de positie die zij op de lijst bekleden géén invloed mogen hebben op hun verkiezingskansen. Met andere woorden, de quotawet Smet-Tobback van 1994 zou gebaat geweest zijn bij een systeem van open lijsten waarin kandidaten verkozen worden op basis van hun aantal voorkeurstemmen. Enkel op die wijze maakt ook een kandidaat die redelijk onderaan de lijst staat een kans. In tegenstelling tot de wet Smet-Tobback leggen de nieuwe quota de bepaling op dat de eerste twee respectievelijk drie kandidaten niet van hetzelfde geslacht mogen zijn. De nieuwe quota zijn dus gebaat met een systeem van meer gesloten lijsten, opdat die posities bovenaan de lijst effectief verkiesbaar zijn.
In de praktijk moeten we vaststellen dat het kiessysteem een tegenovergestelde ontwikkeling heeft meegemaakt. Er is een trend naar meer open lijsten. Eerst werd de impact van de lijststem gehalveerd voor de verkiezingen van 2003 en 2004. Vervolgens werd voor de Vlaamse lokale en provinciale verkiezingen de lijststem afgeschaft, tenminste wat de effectief verkozenen betreft. Wie in oktober als effectieve kandidaat verkozen wordt heeft dit te danken aan de voorkeurstemmen die hij of zij weet te vergaren. Theoretisch kan het dat de eerste drie kandidaten op de lijst niet worden verkozen. In de praktijk is de kans klein dat een lijsttrekker niet verkozen wordt. Ook bij open lijsten blijft dit een symbolisch belangrijke plaats en zullen die plaatsen ingenomen worden door kandidaten met een zekere naambekendheid. De eerste drie plaatsen zijn echter minder verkiesbaar dan toen de lijstvolgorde nog een invloed had op wie van de kandidaten verkozen was. Onder de oude quotawet was die lijstvolgorde van groot belang, terwijl kandidaten toen - vanuit het perspectief van de quotawet - veel meer baat gehad zouden hebben bij open lijsten.
Het kiessysteem en de quotawetten evolueren dus in een tegenovergestelde richting. De nieuwe quota zouden gebaat zijn met het kiessysteem dat net werd afgeschaft. Deze uitspraak is enigszins overdreven. Tenslotte garanderen de nieuwe quota vrouwen in Vlaanderen louter een van de eerste drie plaatsen. Die eerste drie plaatsen op de lijst zijn misschien wel zichtbare plaatsen, maar die zichtbaarheid moeten kandidaten vertalen naar voorkeurstemmen. De plaats op zich doet er verder niet meer toe. Naast een prominente plaats op de lijst garandeert die plaats bovenaan vrouwen niets meer, terwijl zij onder het oude kiessysteem meestal wel verkozen geweest zouden zijn. De verkiezingskansen van alle kandidaten zijn afhankelijk van het aantal voorkeurstemmen dat zij behalen.
Daar wringt echter het schoentje. Mannen halen gemiddeld veel meer voorkeurstemmen dan vrouwen. Vergeleken bij de andere verkiezingsniveaus zijn de voorkeurstemmen van uitermate groot belang bij lokale verkiezingen. Bij de laatste lokale verkiezingen werden om en al 50% van de kandidaten verkozen op basis van hun voorkeurstemmen. Er werden in totaal bijna 16 miljoen voorkeurstemmen uitgebracht, iets meer dan 5 miljoen op vrouwelijke kandidaten en net geen 11 miljoen op mannelijke. Van alle uitgebrachte voorkeurstemmen gingen er dus één derde naar vrouwen, 32% om precies te zijn. In totaal waren er 40% vrouwelijke kandidaten. Vrouwen wisten dus verhoudingsgewijs minder voorkeurstemmen te strikken dan mannen. Ook de vrouwelijke verkozenen behaalden gemiddeld minder voorkeurstemmen dan hun mannelijke collega’s.
Enkel de vrouwelijke kandidaten van de twee groene partijen behaalden in 2000 verhoudingsgewijs meer voorkeurstemmen dan hun mannelijke collega’s. In het geval van Vivant behaalden mannelijke en vrouwelijke kandidaten evenveel voorkeurstemmen. De kiezers van de toenmalige VU-ID stemden net iets meer op mannen dan op vrouwen. In het geval van de andere partijen stemden de kiezers ongeveer een kwart meer op mannelijke dan op vrouwelijke kandidaten. Bij het FDF en de Franstalige christendemocraten was de voorkeur voor mannen nog groter en in het geval van de Franstalige socialisten werd zelfs bijna twee keer meer op mannen dan op vrouwen gestemd. Een vrouw behaalde daar gemiddeld slechts de helft van de voorkeurstemmen die een man kreeg.
Uiteindelijk bevestigen de uitzonderingen ook in dit geval de regel dat naambekendheid en voorkeurstemmen vaak samengaan. Vrouwelijke kandidaten kregen in vergelijking tot mannen slechts in twee gemeenten meer of evenveel voorkeurstemmen. Dat was het geval in de Brusselse gemeente Vorst, die door een vrouwelijke burgemeester bestuurd wordt. Het andere geval was de Brusselse gemeente Sint-Lambrechts-Woluwe, waar reeds meerdere vrouwen in het uittredende schepencollege zetelden.
Deze gegevens in het achterhoofd houdend is het nog maar de vraag hoe de politieke sekseverhoudingen er na 8 oktober 2006 zullen uitzien. De nieuwe quota garanderen meer vrouwen een plaats op de lijst dan dit vroeger het geval was. Ze hebben echter geen enkele invloed op het aantal vrouwen onder de effectief verkozenen. Dat zal louter afhankelijk zijn van het aantal voorkeurstemmen dat vrouwen weten te vergaren. Het is hierop dat het advies van de Raad inpikte. Er wordt gesteld dat indien de overheid mannen en vrouwen evenveel kansen had willen geven, ze beter had gewacht met de neutralisering van de lijststem tot er reeds meer evenwicht bestaat onder de verkozenen. Indien vrouwen gemiddeld evenveel voorkeurstemmen krijgen als mannen, dan zou een quotawet die voor evenveel vrouwelijke als mannelijke kandidaten zorgt, ertoe kunnen leiden dat dit evenwicht zich ook vertaalt naar de verkozenen. In de huidige situatie vertrekt een groot deel van de vrouwelijke kandidaten vanuit een ‘achterstandspositie’. De term is niet mooi en staat daarom tussen aanhalingstekens. Waar het om gaat is dat mannelijke kandidaten verhoudingsgewijs meer bekendheid genieten en dat is belangrijk om voorkeurstemmen te vergaren. Vanuit deze bevinding zijn ze meer gebaat met de neutralisering van de lijststem dan vrouwelijke kandidaten. Dit heeft niets te maken met een gebrek aan geloof in de kracht van vrouwen. De Raad wijst enkel op een alom bekende wetmatigheid, zijnde dat instituties invloed hebben. De modaliteiten van een kiessysteem zijn dergelijke instituties en zij zijn van invloed op de verkiezingskansen van verschillende groepen kandidaten. Het is niet voor niets dat partijen de herziening van een kiessysteem onderhandelen met het rekenmachientje in de hand. Ze weten maar al te goed dat een wijziging van de spelregels hen zetels kan opleveren of kosten. Het is niet voor niets dat nieuwe partijen het gemakkelijkst over de kiesdrempel springen in grote steden. Het is niet voor niets dat vrouwen en kandidaten van allochtone afkomst het talrijkst zijn in kieskringen waar lijsten een groot aantal zetels winnen. Het advies van de Raad komt tot de bevinding dat de herziening van het kiessysteem voor de Vlaamse lokale en provinciale verkiezingen de randvoorwaarden er voor vrouwen in het algemeen niet gemakkelijker op maakt, ook al zijn er nieuwe quota. Dat een aantal partijen dit begrepen hebben blijkt uit het feit dat ze niet enkel op zoek gaan naar vrouwelijke kandidaten, maar ook naar kiezers die op deze vrouwen een stem willen uitbrengen.

Petra Meier
Vrije Universiteit Brussel

verkiezingen - discriminatie - gender

Samenleving & Politiek, Jaargang 13, 2006, nr. 5 (mei), pagina 31 tot 36