Abonneer Log in

Democratie en transparantie: lang leve de lijststem?

Samenleving & Politiek, Jaargang 13, 2006, nr. 5 (mei), pagina 37 tot 39

Enkele kritische bedenkingen zijn nochtans niet overbodig. Vooral bij de manier waarop die neutralisering uiteindelijk wordt geïmplementeerd, maar ook bij de essentie van de maatregel zelf.

De neutralisering van de lijststem - waardoor enkel de uitgebrachte voorkeurstemmen tellen om te bepalen welke kandidaten zullen zetelen en niet langer hun plaats op de lijst - wordt dezer dagen door politici en journalisten vooral gekaderd als middel om de kiezer meer inspraak te geven en aldus de verkiezingen transparanter en democratischer te maken. Enigszins verrassend, wordt er niet meer verwezen naar de politiek-ideologische achtergronden ervan. De afschaffing van de lijststem was één van de electorale maatregelen uit de Burgermanifesten van Guy Verhofstadt die de ‘kloof tussen politiek en burger’ moesten dichten. Het kaderde in een algemene liberale kritiek op de particratie, de macht van zuilen en belangengroepen en de gesloten besluitvorming. Samen met enkele andere voorstellen (zoals de rechtstreekse verkiezing van de burgemeester) vond de afschaffing van de lijststem haar weg naar de politieke agenda, in het kader van de roep naar een ‘nieuwe politieke cultuur’ (NPC), een containerbegrip gelanceerd als reactie op de overwinningen van het Vlaams Blok, de corruptieschandalen en uiteindelijk de Witte Mars, volgens velen telkens illustraties van ‘de kloof’. Met het opnieuw aan de macht komen van de liberalen in 1999 drongen een aantal maatregelen door tot op beleidsniveau.
Het beantwoorden van complexe maatschappelijke vraagstukken met (beperkte) wijzigingen aan de kieswetgeving is alvast voor kritiek vatbaar. De vraag is echter niet enkel of het wel een goede remedie is voor een (al dan niet denkbeeldige) kwaal, maar ook of het wel een goede zaak an sich is. Zowel vanuit het standpunt van de partij als van de kiezer valt dat te betwijfelen.
Zo is het maar de vraag of het zo abnormaal is dat partijen mee kunnen bepalen welke kandidaten op de lijst ze het meest geschikt achten om hun programma te vertegenwoordigen en uit te voeren. Dat dit niet steeds de meest populaire figuren zullen zijn is allesbehalve denkbeeldig. Bekommernissen om een verdere personalisering van de stembusgang en verdringing van de zogenaamde ‘dossiervreters’ zijn dan ook niet ongegrond. In tegenstelling tot wat men zou verwachten, is deze vrees niet van recente datum. Al in de officiële argumentatie bij de introductie van de lijststem in 1899 werd hiernaar verwezen: ‘c’est qu’il y aura des noms très populaires qui auront peut-être toutes les voix, tandis que les autres n’auront rien. Les candidats dont les noms séduisent, vont attirer à eux la grosse majorité des électeurs de leur parti.’1
Vanuit het standpunt van de kiezer lijkt de neutralisering van de lijststem dan weer een oplossing voor een onbestaand probleem. Wie vroeger een voorkeurstem wou geven kon dat al. Bij de vorige gemeenteraadsverkiezingen in 2000 deed 85% van de kiezers dat ook. Moest elke kiezer overtuigd zijn van de noodzaak om voorkeurstemmen te geven, was de neutralisering al langer een feit. De kiezer bijna dwingen dat te doen, getuigt van eenzelfde soort paternalisme dat aan het systeem van de lijststem wordt verweten.
Sterker nog: je kan stellen dat de neutralisering voor bepaalde kiezers een probleem creëert en zelfs hun keuzevrijheid vermindert. Een kiezer die volledig de partij vertrouwt in haar keuze voor kandidaten (en dus instemt met de volgorde waarin de kandidaten door de partij op de lijst gerangschikt worden) kan zijn stem niet meer doen gelden. Er kan nog wel een lijststem worden uitgebracht, maar in praktijk levert dit steun op aan de uiteindelijke volgorde zoals bepaald door de andere kiezers. Ook alle bolletjes rood kleuren geeft hetzelfde resultaat. De kiezer kan in principe wel enkel de eerste kandidaten aanduiden, of een aantal kandidaten dat ongeveer overeenstemt met het aantal te verwachten zetels voor de partij, maar men kan van niemand zo’n precieze inschatting verwachten.
Vanuit democratisch oogpunt kan men dus evenzeer een argumentatie pro lijststem voeren. Dit betekent natuurlijk niet dat er iets mis is met het feit dat er nu een democratische meerderheid bestaat om een andere visie op de spelregels van de democratie ingang te doen vinden. De manier waarop deze wordt uitgevoerd is evenwel in strijd met de officiële doelstellingen van democratie en transparantie.
Dat de meerderheid voor de neutralisering van de lijststem tot stand komt via het sluiten van een compromis behoort tot de democratische geplogenheden. Probleem is wel dat de neutralisering van de lijststem (een liberale eis) en de eveneens goedgekeurde pariteit man-vrouw op de lijsten (een socialistische eis) elkaar kunnen doorkruisen. Zo wees de Raad voor Gelijkheid van Kansen er al op dat vrouwen traditioneel minder voorkeurstemmen halen en bijgevolg juist minder verkozenen zullen tellen. De effectieve kans op een dergelijk negatief effect valt te relativeren, onder meer omdat het aantal effectief uitgebrachte lijststemmen bij de vorige verkiezingen al vrij beperkt was en waarschijnlijk nog zou dalen indien men de lijststem behouden had. Feit blijft wel dat men een maatregel om een bepaalde groep in de samenleving beter politiek te vertegenwoordigen (de pariteit) koppelt aan een maatregel die dit soort ingrepen vanuit de partijen bemoeilijkt (de neutralisering). Zeer coherent is dat alvast niet.
Bovenop dit eerste compromis werd echter nog een tweede geplaatst. Ook dit heeft te maken met de vertegenwoordiging van minderheidsstromingen, met het belangrijke verschil dat het hier om geïnstitutionaliseerde minderheden op de lijst gaat. Zo weigerden de kartelpartners van de meerderheidspartijen (spirit en N-VA) hun steun te verlenen aan de neutralisering van de lijststem, omdat ze vrezen daardoor uit de boot te vallen (gezien de grote kartelpartners een veel sterker electoraat hebben, gaan de kleine kartelpartners ervan uit dat er voor hun kandidaten veel minder gestemd zal worden en deze dus niet op eigen kracht verkozen zullen raken). Deze electorale redenering is niet onbegrijpelijk. Nochtans gaat ze niet per se op (de kiezers van grote partijen zullen hun stemmen over meer kandidaten kunnen verdelen) en men kan enkel maar de wenkbrauwen fronsen bij de vaststelling dat uitgerekend een partij als spirit - gefundeerd op pleidooien voor directe democratie en meer inspraak voor de burger/kiezer - hiermee afkomt.
Het compromis dat uiteindelijk uit de bus kwam kan echter niemand toejuichen, ook en vooral niet zij die bekommerd zijn om een te grote macht van de partijcenakels. Het gewicht van de lijststem wordt geneutraliseerd voor de aanduiding van de effectieven, maar telt nog voor de helft mee voor de opvolgers. In veel gevallen komt echter precies een aantal opvolgers in de gemeenteraad terecht, als gevolg van de gewoonte om kandidaten in te zetten die niet effectief zullen zetelen (bijvoorbeeld omdat ze al op andere niveaus actief zijn). Alleen al het feit dat spirit en N-VA akkoord gaan met dit compromis, impliceert dat men ervan uitgaat/weet dat dit veelvuldig zal gebeuren.
Erger nog: in het slechtste geval vormt dit systeem een aansporing voor de partijen om met schijnkandidaten te werken. Immers, wil een partij zekerheid dat ze zoveel mogelijk gewenste kandidaten ook effectief de gemeenteraad kan binnenloodsen, heeft ze er baat bij een zo groot mogelijk aantal opvolgers en dus ook niet zetelende effectieven achter de hand houden. Hoe ondenkbaar is het dat sommige partijen zelfs geneigd zullen zijn om verkozenen onder druk te zetten om niet te zetelen als een bepaalde samenstelling niet bereikt wordt?
Het zijn niet meteen procedures die het transparant en democratisch gehalte van de verkiezing opdrijven.
In de argumentatie voor het uiteindelijke compromis verwees de Vlaamse regering naar het feit dat zowel de ‘individuele keuze van de burger’ als het ‘lijstbelang’ van tel is. Dit is de beste argumentatie voor het net afgeschafte systeem van halfopen lijsten, waarbij zowel voorkeurstem als lijststem een effect heeft en de kiezer zelf kan bepalen hoe hij zijn stem wil gebruiken. Te oordelen aan deze argumentatie, voert men dus een nieuw systeem in om dezelfde effecten te sorteren als het oude. Faut le faire!
Bovendien is de lijststem een democratischer en transparanter middel om de partij invloed te geven op wie er verkozen wordt: er zijn vooraf duidelijke regels, je weet als kiezer dat je via een lijststem de keuzes van de partij en bijgevolg de hoger gerangschikte kandidaten steunt. Met het nieuwe systeem wordt de kiezer een onbeperkte invloed voorgespiegeld op wie verkozen wordt, terwijl het niet altijd duidelijk is hoeveel en welke personen uiteindelijk effectief zullen zetelen. Paradoxaal genoeg zal in gemeentes waarin veel opvolgers zetelen de invloed van de weinige kiezers die nog een lijststem uitbrengen waarschijnlijk nog steeds groot zijn. Alleen zal deze invloed sterk aan transparantie inboeten.
En dan is er nog de vraag hoe de doorzichtigheid gebaat is bij het invoeren van een andere verdeling van de stemmen voor effectieven en opvolgers?
Het valt te vrezen dat de twee basisdoelstellingen, transparantie en het respecteren van de wil van de kiezer, vooral retorisch van belang zijn. Waarom heeft men anders niet meteen gebruik gemaakt van dit kiesdecreet om het systeem Imperiali af te schaffen? Hoe transparant is het dat op alle andere niveaus (inclusief districtsraden en provincieraden) het systeem D’Hondt geldt en enkel op gemeentelijk niveau nog Imperiali? En hoe wordt er rekening gehouden met de wil van de kiezer wanneer Imperiali de grotere partijen bevoordeelt en dus een veel minder evenredige vertegenwoordiging oplevert?

Dave Sinardet
Redactielid en Politicoloog Universiteit Antwerpen

Noot
1/ Geciteerd in Bouckaert, Gekiere en Lambrecht, De lijststem 100 jaar. Een verjaardag. En een begrafenis?, Acco, Leuven, 1998

verkiezingen - lijststem

Samenleving & Politiek, Jaargang 13, 2006, nr. 5 (mei), pagina 37 tot 39