Abonneer Log in

Nieuwe wetten, nieuwe bazen?

De impact van het gemeente(kies)decreet op de lokale verkiezingen van 2006

Samenleving & Politiek, Jaargang 13, 2006, nr. 5 (mei), pagina 22 tot 30

Een nieuw kader voor lokale besturen

Op 8 oktober 2006 worden er in ons land opnieuw gemeenteraadsverkiezingen gehouden. Die vinden voor het eerst onder Vlaamse vlag plaats. Dat is een gevolg van de vijfde staatshervorming die het gros van de organieke bevoegdheden op de lokale besturen naar de Gewesten overhevelde. Vooral onder de vorige paars-groene Vlaamse regering bracht dat een hervormingsdynamiek op gang. De ambitie om van de gemeenten een eerstelijnsbestuur te maken door middel van een modern gemeente- en gemeentekiesdecreet raakte echter niet voorbij de ontwerpfase.1 Enkele maatregelen van politieke vernieuwing vormden het struikelblok. Het compromis daarrond verdampte.
Pas onder de tripartite regering Leterme zag in juli 2005 een nieuw gemeentedecreet het licht. De aangepaste lokale kieswetgeving volgde wat later. Op politiek vlak boden beide echter een uitgebeende versie van voorgaande ontwerpen. Sterk bediscussieerde vernieuwingsplannen, zoals de rechtstreekse verkiezing van de burgemeester, verdwenen in de koelkast. De uiteindelijke politieke veranderingen bleven vrij beperkt. Ze hadden betrekking op de samenstelling van de lokale politieke organen en mochten in het merendeel van de gevallen vrij door de gemeenten worden toegepast.2
Toch hebben enkele wijzigingen als gevolg van de bovenstaande decreten wellicht een impact op het verloop van de komende gemeenteraadsverkiezingen. We belichten deze dan ook kritisch. Daarnaast hebben we ook aandacht voor die traditionele regels die in de aanloop naar de komende gemeenteraadsverkiezingen ter discussie stonden maar in de uiteindelijke regelgeving toch behouden werden. Dat laatste slaat dan vooral op het debat tijdens de paars-groene regeerperiode. Beide aspecten worden behandeld al naargelang de chronologische positie die ze in het lokale machtsverwervingsproces bekleden. Dat laatste beperkt zich niet tot de verkiezingsdag zelf. Vooraf wordt de electorale constellatie al uitgetekend door lijsten en kandidaten met hun strijdpunten. Na de uitspraak van de kiezer dient de uitslag te worden geïnterpreteerd. Dat gebeurt zowel nationaal als lokaal (zetelverdeling en meerderheidsvorming).
We zullen ook trachten aan te tonen dat kiesregels ideologisch niet neutraal zijn ondanks hun technisch aanschijn.3 Ze bepalen mee de krachtverhoudingen in het politieke landschap. Politieke actoren trachten ze dan ook in de eerste plaats aan te passen om hun eigen machtspositie te verstevigen. In de Vlaamse pacificatiepolitiek weerspiegelt de van kracht wordende regeling o.i. vooral een minimumcompromis op het niveau van de huidige regering waarbij elke partner enkele elementen op zijn conto mag schrijven. De vraag is hier dan ook of de ‘nieuwe wetten’ van het gemeente(kies)-decreet ook daadwerkelijk ‘nieuwe bazen’ aan de macht zullen brengen op lokaal vlak.

‘Alles vloeit’ (Heraclites)

Het gemeente(kies)decreet bracht enkele wijzigingen aan in de electorale spelregels bij de komende verkiezingen. Zo werd er meer ruimte voorzien voor de participatie van vrouwen op de kandidatenlijsten, holde men de nationaliteitsvoorwaarde voor het kiesrecht uit, verdween het overdrachtelijk effect van de lijststem en veranderden de te verdelen mandaten na de verkiezingen.

Cherchez la femme of ‘zeg niet te gauw...’?

Op de lokale kandidatenlijsten van 2006 zullen er in ieder geval meer vrouwen prijken. Met de uitbreiding van geslachtsgebonden quota op die lijsten wil men de traditionele ondervertegenwoordiging van vrouwen op lokaal vlak wegwerken (nu zijn er om en bij de 30% vrouwelijke mandatarissen). Daartoe werden eerder al initiatieven genomen. De huidige regeling gaat echter verder dan de tot voor kort vigerende wet Smet-Tobback uit 1994. Nu moet minstens de helft van de kandidaten van een ander geslacht zijn en mogen de eerste drie kandidaten niet van hetzelfde geslacht zijn. In de praktijk wil men dus meer vrouwelijke kandidaten waarvan er minstens ééntje een prominente lijstplaats bezet.4
In het verleden heeft de toepassing van dit soort quota het aandeel vrouwelijke verkozenen ontegensprekelijk verhoogd. Het is niet ondenkbaar dat dit ook in 2006 het geval zal zijn. Toch passen enkele kanttekeningen. Zo is de effectiviteit van deze quota vooral afhankelijk van het electorale potentieel van vrouwen. Die ligt nog altijd lager dan bij mannen. Zeker in een context waarin voorkeurstemmen doorslaggevend zijn om verkozen te raken (zie ook het verdwijnen van het overdrachtelijk effect van de lijststem) is het de vraag of kandidatenquota volstaan om te zorgen voor een substantiële verhoging van het aantal vrouwelijke verkozenen. De politieke logica lijkt hier haar electorale tegenhanger te overstemmen. Vooral de socialisten stonden deze quota voor in ruil voor de liberale scalp op het vlak van de voorkeurstemmen.
Bovendien hebben quota ook bijwerkingen. Ze vereenvoudigen de moeilijke zoektocht naar geschikte en beschikbare kandidaten niet. Bijkomend wijzen zetelende vrouwelijke mandatarissen ook op problemen in de beeldvorming rond hun positie. Quota hebben voor hen de weg naar een lokaal mandaat vergemakkelijkt maar zorgen tegelijk soms voor het perfide effect dat vrouwen het gevoel hebben zich extra te moeten bewijzen om als volwaardig beleidsmaker te worden gezien.5

Staatsburger of gemeentenaar?

Om een stem te kunnen uitbrengen, moet men aan een aantal traditionele kiesvoorwaarden voldoen. De meeste daarvan blijven ook in 2006 behouden. De nationaliteitsvoorwaarde werd echter wel geleidelijk aan uitgehold. Het lokale niveau fungeerde hier als proeflaboratorium.
Dat gebeurde echter stapsgewijs. Tot en met de gemeenteraadsverkiezingen van 1994 konden enkel Belgen stemmen. Vanaf 2000 werden ook hun niet-Belgische Europese medeburgers tot de stemming toegelaten. In de aanloop naar de komende gemeenteraadsverkiezingen ontspon zich de discussie of die regeling niet moest worden uitgebreid naar de niet-Europese vreemdelingen. Die verliep bijwijlen erg geanimeerd. Vooral de Vlaamse liberalen stonden in die periode meermaals politiek spagaat. Uiteindelijk keurde het federale parlement in 2004 het zogenaamde ‘migrantenstemrecht’ goed. Voortaan mochten ook niet-Europese vreemdelingen stemmen bij de gemeenteraadsverkiezingen.6
Sommigen zien in die regeling een radicale breuk met het verleden. Een aantal factoren maken dat het wellicht niet zo’n vaart zal lopen. Zo zijn de kiesmogelijkheden voor die groep niet-Europese vreemdelingen aan verschillende voorwaarden gebonden. Zij hebben in de eerste plaats enkel actief stemrecht: deze kiezers mogen wel stemmen maar kunnen zelf geen kandidaat zijn. Dat is bovendien een recht dat ze vrij actief moeten nastreven. Ze moeten zich expliciet registreren en een verklaring ondertekenen waarin ze akkoord gaan met de Belgische wetgeving en het verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Tot slot moeten ze vijf jaar ononderbroken in België wonen.7
Ook de omvang van die groep niet-Europese vreemdelingen moet wellicht niet worden overschat. Relatief gezien gaat het om een vrij beperkt aantal mensen: om en bij de 45.000 mensen voldoen aan de gestelde voorwaarden. Enkele stedelijke kernen uitgezonderd, is deze groep nergens significant.8 Wellicht vermindert de afwezigheid van de opkomstplicht dat relatieve effect nog meer. Ter indicatie: bij de laatste gemeenteraadsverkiezingen registreerde zich minder dan 15% van de potentiële niet-Belgische Europese kiezers. De vraag is dan ook in welke mate bepaalde politieke partijen extra inspanningen zullen leveren om deze groep kiezers naar het stembureau te mobiliseren.

Burgerdemocratie of liberaal speelgoed?

Kiezers bepalen echter niet alleen de krachtverhoudingen tussen lijsten, ze doen dat ook daarbinnen. Ze kunnen immers opteren voor een lijststem of voor een (meervoudige) persoonlijke voorkeurstem. Beide stemtechnieken blijven ook in 2006 bestaan. Het zogenaamde overdrachtelijk effect van de lijststem verdwijnt echter (behalve bij de opvolgers). Effectieve kandidaten zullen in de toekomst enkel beroep kunnen doen op hun voorkeurstemmen om verkozen te geraken. Ze kunnen niet meer putten uit de pot met lijststemmen die kandidaten al naar gelang hun positie op de lijst hielpen hun verkiesbaarheidscijfer te halen.9
Sommige liberale commentatoren zagen in die maatregel een belangrijke stap richting burgerdemocratie. De praktijk nuanceert. Traditioneel wegen voorkeurstemmen op lokaal vlak door. In 2000 maakte ongeveer 85% van de kiezers er gebruik van. Van een spectaculaire wijziging onder de verkozenen is er dan ook wellicht geen sprake. Zeker niet wanneer men in rekening brengt dat het overdrachtelijk effect van de lijststem in 2000 al gehalveerd werd. Tot slot speelt ook de impact van selectie: enkel wie door een partij op de kieslijst gerekruteerd werd kan voorkeurstemmen verzamelen.10 Wellicht blijft de symbolische betekenis van de lijstplaats echter spelen. Kandidaten verkrijgen er een prominentie van hun partij die ook door de kiezer wordt opgemerkt.
Het uiteindelijk afschaffen van het overdrachtelijk effect van de lijststem moet vooral als VLD-scalp in een compromis binnen de Vlaamse Regering worden gezien. Het fungeert in de eerste plaats als een soort verkenning van het liberale speelterrein. Dat die maatregel een neutraliserend effect zou kunnen hebben op het gebruik van quota voor vrouwen op de kandidatenlijsten lijkt daaraan ondergeschikt.

Voor elk wat wils of teveel van het goede?

Bij het vormen van een meerderheid moeten de deelnemende partijen tot een overeenkomst komen m.b.t. de samenstelling van de uitvoerende organen. Die heeft dan vooral betrekking op een aantal sleutelfuncties in het lokaal bestuur. In de aanloop naar de komende gemeenteraadsverkiezingen stond het debat onder paars-groen vooral in het teken van de al dan niet rechtstreekse verkiezing van de burgemeester. Die kwam er uiteindelijk niet. Enkele veranderingen op het vlak van de toebedeling van de uitvoerende mandaten haalden de uiteindelijke decreten wel. De meeste daarvan zijn echter facultatief: zij kunnen door de gemeenten naar eigen inzicht worden toegepast.
Zo kan de gemeenteraad voortaan zelf een eigen voorzitter kiezen. Dat hoeft niet langer van rechtswege de burgemeester te zijn. Echt uitvoerend is dat mandaat niet, al zal het wellicht een zekere symbolische betekenis hebben. Dat het voorzitterschap noch met extra bevoegdheden noch met bijkomende middelen zal gepaard gaan, verleent het in sommige gemeenten waarschijnlijk eerder de status van politieke troostprijs.
Op het niveau van het schepencollege kunnen er ook enkele wijzigingen optreden. Zo kan een gemeente ervoor kiezen het aantal schepenen te verminderen binnen een vooraf gegeven vork. Zeker in situaties waarin verschillende partners deel uitmaken van de lokale meerderheid lijkt de kans op zo’n vermindering echter klein. Dat schepencollege moet voortaan ook van een verschillend geslacht zijn. Dat ligt in het verlengde van de eerder aangehaalde quotaregelingen voor de kandidatenlijsten. Vandaag de dag is nog één op vier schepencolleges een exclusief mannenclubje. Hier kan er dan wel sprake zijn van een (beperkte) vervrouwelijking. Tot slot kan de gemeente ook beslissen om de OCMW-voorzitter tot het schepencollege te laten toetreden. Die zou dan een soort superschepen van sociale zaken worden. Of die éénhoofdige personele vervlechting (OCMW-voorzitter in het college) ook een functionele integratie van het lokaal sociaal beleid met zich mee zal brengen, blijft echter de vraag.11

‘Alles staat stil’ (Parmenides)

In het debat rond het nieuwe gemeentedecreet en gemeentekiesdecreet kwamen ook een aantal discussiepunten aan de oppervlakte die de uiteindelijke regelgeving niet haalden. Het wegdeemsteren daarvan is illustratief voor de ‘non decision-making’ rond het vernieuwde organieke kader op de lokale besturen. Die laat een tweede gezicht van de compromispolitiek zien: wanneer één van de elementen in de overeenkomst wankelt, zet men snel ook de andere onderdelen daarvan op de helling.
Zoals gezegd was de ambitie vooral onder paars-groen groot. In die regeerperiode werden de onderstaande elementen het sterkst bediscussieerd en vormden ze de onderdelen van een wat vreemde ‘package-deal’. Zeker de debatten rond de rechtstreekse verkiezing van de burgemeester, de vervanging van het zetelverdelingssysteem Imperiali door het systeem D’Hondt en een vergaande decumulatie van politieke mandaten moeten als actiepolen uit dat voorgaand onderhandelingspakket worden gezien. De discussie over de afschaffing van de opkomstplicht staat daar wat los van. Met het kantelen van het machtsevenwicht binnen die toenmalige regering en de verandering naar een tripartite met de traditionele partijen na de regionale verkiezingen stelde men die ambities bij. Heel wat van de eerdere voorstellen verdwenen uiteindelijk van de politieke agenda.

Principe of strategie?

In het debat rond het gemeentekiesdecreet dook ook de vraag naar het afschaffen van de opkomstplicht enkele malen op.12 De argumenten zijn ondertussen bekend. België is één van de weinige landen waar de opkomstplicht nog geldt. Voor sommigen overwegen strategische argumenten: het afschaffen van de opkomstplicht zou de zogenaamde ‘foertstemmen’ van het toneel doen verdwijnen. Een deel van het electorale succes van het Vlaams Belang wordt al dan niet terecht aan dat ‘antistemmen’ toegeschreven. Voorstanders beroepen zich vooral op het argument van de burgerplicht en bekritiseren de mogelijke sociale gevolgen van de introductie van stemrecht.
Verkennend onderzoek toont aan dat om en bij de 65% van de kiezers altijd of meestal bereid zou zijn deel te nemen aan de lokale verkiezingen mocht de opkomstplicht worden afgeschaft. Dat aandeel bleek wel onevenredig verdeeld over de verschillende sociale groepen. Een hoge sociaaleconomische status verhoogde de participatiebereidheid. Dat ging ook gepaard met een specifieke houding t.a.v. politiek: weinig politieke interesse en een gevoel van machteloosheid, deden de neiging om af te haken toenemen. Het afschaffen van de opkomstplicht zou dus kunnen leiden tot sociale selectie in het stemhokje. Ten koste van één partij zou dat echter niet gaan. Waar een relatief groot deel van het kiezerskorps van Vlaams Belang inderdaad zou afwezig blijven, gold dat ook meer voor de kiezers van de VLD (die daarmee het electorale slachtoffer zou kunnen worden van haar eigen burgerdemocratisch discours) en de toenmalige CVP.13
De vrees bestaat dat een dergelijk niet-representatief kiespubliek ook gevolgen zal hebben op het beleid. Politici zouden slechts oren hebben naar dat (socio-demografisch specifieke) deel van de bevolking dat de moeite doet zich naar het stemhokje te begeven en hun beleid enkel daarop richten. De vraag blijft echter in welke mate beleidsmakers niet zullen investeren in campagnes om (bepaalde delen van) de kiezer(s) voor de stemming te mobiliseren. Dat bepaalde bevolkingsgroepen niet aan de stembusgang deelnemen, hoeft overigens niet noodzakelijk te leiden tot hun uitsluiting in het beleid. Zelfs om puur strategische en electorale redenen zouden partijen of politici er toe kunnen worden aangezet in te spelen op de specifieke noden of wensen van dat bevolkingsdeel.

Rekenen met cijfers na de komma?

Ook het zetelverdelingssyteem bij de gemeenteraadsverkiezingen was enige tijd voorwerp van debat. Vooral het toenmalige Agalev was gebrand op een wijziging van het bestaande systeem en wist de andere regeringspartners tot een compromis te verleiden. Samen met de voorgestelde regeling op het vlak van politieke cumulatie was dat meteen ook het ruilmiddel waarmee de partij enkele andere voorziene wijzigingen aanvaardde. Met het wankelen van de consensus rond de rechtstreekse verkiezing van de burgemeester, verdween echter ook het draagvlak voor een ander zetelverdelingsmechanisme bij de gemeenteraadsverkiezingen.14
Ook bij de gemeenteraadsverkiezingen van 2006 zal de zetelverdeling aan de hand van het zogenaamde systeem Imperiali gebeuren. Het getotaliseerde stemcijfer wordt daarbij gedeeld door een geijkte reeks om de rangorde van te verdelen zetels per partij te bepalen. Elk zetelverdelingsmechanisme vertekent. Het systeem Imperiali zorgt echter nog voor enkele bijkomende afwijkingen. Enerzijds bevordert het de vorming van homogene meerderheden. Die kunnen dan niet rekenen op een meerderheid in stemmen maar wel in zetels.15 Anderzijds heeft het ook een gunstig effect op het zetelaandeel van de politieke formatie met het grootste aantal stemmen. Die haalt verhoudingsgewijs meer zetels binnen dan zij eigenlijk op basis van dat stemmenaandeel verdient. Dat valt dan uit in het nadeel van de kleinere electorale spelers.
Precies hier zagen de groenen heil in een alternatieve verdelingsmethode. Zij stonden de methode D’Hondt voor die ook op andere machtsechelons wordt toegepast. Deze verschilt initieel enkel in cijfers na komma van de delerreeks Imperiali. In de praktijk zouden de aangehaalde vertekeningen daardoor gemilderd worden. Dat blijkt ook uit verkennend onderzoek. In heel wat Vlaamse gemeenten zou de zetelverdeling er bij toepassing van een alternatieve methode anders uitzien al blijft dat meestal beperkt tot één zetel.16 Voor relatief kleine electorale spelers hangt het electoraal overleven echter vaak af van een beperkt aantal verkozenen. Met het electorale debacle van Agalev bij de jongste federale verkiezingen, de geleidelijke remonte op regionaal niveau en de uitgebreide deelname van Groen! bij de komende gemeenteraadsverkiezingen zal dit effect in een aantal gemeenten ongetwijfeld voelbaar zijn.

The winner takes it all?

De groenen wisten echter nog een andere maatregel in het vorige voorontwerp van gemeentedecreet in te schrijven. Het ambt van schepen of burgemeester zou onverenigbaar worden met dat van parlementslid op Vlaams, Federaal of Europees niveau. Voor de duur van dit laatste mandaat zouden lokale uitvoerende mandatarissen als ‘verhinderd’ worden beschouwd in hun plaatselijk mandaat.17 Met het wegvallen van het politiek draagvlak voor de rechtstreekse verkiezing van de burgemeester kwam echter ook het compromis rond deze decumulatie op de helling te staan. Net als bij de discussie rond het aantal schepenen wordt in het huidige decreet voor een facultatieve regeling gekozen. De cumulatie met andere uitvoerende mandaten blijft sowieso verboden. Nieuw is het systeem van vrijwillige verhindering. Daarbij kan een schepen of burgemeester die verkozen is tot lid van één van de vermelde parlementen verzoeken om verhindering in de uitoefening van zijn lokaal mandaat.
Wellicht zal zo’n vrijwillige verhindering slechts worden toegepast door een heel beperkte groep politici. Waar de argumenten tegen een cumulatie van lokale uitvoerende en parlementaire mandaten ondertussen bekend zijn (rolvermenging, tijdsgebrek en machtsconcentratie), levert de praktijk lokale mandatarissen vaak sterke politieke voordelen op. Zij verleent ongelijke toegang tot het centrale besluitvormingsniveau met belangenverdediging van en middelenverwerving voor de eigen gemeente in het kielzog. Lokale mandaten blijven bovendien van electoraal groot belang in de opbouw van een (nationale) politieke carrière.18

Idool 2006 afgevoerd?

De aanstellingswijze en de bevoegheden van de burgemeester blijven in het gemeente(kies)decreet vrijwel ongewijzigd. Dat is bijna omgekeerd evenredig aan de dynamiek van het voorafgaande debat rond diens rechtstreekse verkiezing. Vooral de liberalen wilden van die rechtstreekse burgemeestersverkiezing het speerpunt maken van een lokaal bestuur dat ‘dicht’ bij ‘de burger’ stond. Door het aanduiden van zowat de belangrijkste politieke figuur op lokaal vlak zou de kiezer zijn impact vergroten op het gemeentelijk beleid en de ‘kloof tussen hem en de politiek’ in één stembeweging dichten. In het vorige ontwerp van gemeentedecreet was dan ook een vrij concrete regeling voor die burgemeestersverkiezing uitgetekend. Die verliep in hoogstens twee ronden. Het kandidatenpaar (burgemeester-running mate) met de meeste stemmen zou de burgemeesterssjerp binnenhalen.
De benoeming van de burgemeester blijft in de uiteindelijk goedgekeurde regeling echter de bevoegdheid van de Vlaamse Regering. Wel bestaat er een politiek akkoord om de kwestie na de gemeenteraadsverkiezingen van 2006 terug ter tafel te brengen. De vraag is nog maar of de discussie dan wel tot de invoering van de rechtstreekse burgemeestersverkiezing zal leiden.
Toch menen wij te mogen stellen dat het gros van de waarnemers van de lokale politiek tevreden is met het loslaten van de piste van de rechtstreekse burgemeestersverkiezing zoals opgevat in de vorige ontwerpen van gemeentedecreet. Los nog van het naar alle waarschijnlijkheid beperkte operationele effect van de vroeger voorgestelde regeling (75% van de huidige burgemeesters is nu al stemmenkampioen) konden fundamentele bedenkingen geformuleerd worden bij het bevriezen van de bevoegdheden van de burgemeester, het versterken van mediatisering en personalisering door de rechtstreekse burgemeestersverkiezing, het risico op cohabitation en de moeilijke verhouding met de gemeenteraad die door de toenmalige regeling kon ontstaan.19 Wellicht is het geleidelijk verdwijnen van het (partij)politiek draagvlak voor de rechtstreekse burgemeestersverkiezing en in bredere zin voor maatregelen van politieke vernieuwing zoals vooropgesteld in de ‘Nieuwe Politieke Cultuur’ (NPC) belangrijker geweest in het afvoeren van deze plannen dan de bovenstaande bedenkingen.

Van fusion tot hutsepot

Het nieuwe gemeente(kies)decreet brengt op electoraal vlak allicht geen aardverschuiving teweeg bij de lokale besturen. Met de overgang van paars-groen naar de tripartite Vlaamse Regering verdwenen de meest in het oog springende en dito bediscussieerde maatregelen van de politieke agenda. Van de rechtstreekse verkiezing van de burgemeester, de vervanging van het systeem Imperiali door het systeem D’Hondt of een vergaande decumulatie van politieke mandaten is niet langer sprake.
Wat overblijft aan veranderingen is beperkt (zowel naar inhoud als naar effect) en bovendien vaak facultatief. Wellicht zorgt de uitbreiding van geslachtsquota op de kandidatenlijsten voor een beperkte verhoging van het aantal vrouwelijke mandatarissen. Evengoed personaliseert het toenemend belang van de voorkeurstem de gemeenteraadsverkiezingen nog sterker dan voorheen het geval was. Hier en daar (al was het maar symbolisch) zal de beperkte groep niet-Europese vreemdelingen de stembusgang wellicht beïnvloeden. De effecten van enkele maatregelen op het niveau van de lokale uitvoerende lichamen zijn zoniet tegenstrijdig dan toch bescheiden. Verscheidene maatregelen liggen dan ook in het verlengde van eerdere wetgevende initiatieven of feitelijke tendensen op lokaal vlak (vervrouwelijking van het kandidatenprofiel, toenemend belang van de voorkeurstem,...).
Wie de particulariteiten van deze mager uitgevallen nouvelle cuisine overstijgt, ziet een mooi staaltje Vlaamse compromishutsepot. Wat niet in de decreten staat, is misschien minstens zo belangrijk als wat de eindtekst wel haalde. De huidige Vlaamse Regering trok daarbij lessen uit het falen van haar voorganger. Die overspeelde haar hand met het wankelen van het compromis rond enkele vrij ambitieuze wijzigingen aan de lokale electorale architectuur. De NPC-scheuten in de fusionwok van het vorige voorontwerp van gemeentedecreet (rechtstreekse verkiezing van de burgemeester, decumulatie van politieke mandaten,...) schiften, zodat het aanvankelijk royale hervormingsmaal verbrokkelde. Met het verzuren van één van de ingrediënten, verviel de houdbaarheid van heel het gerecht.
Leterme I hield het grotendeels bij grootmoeders recepten op smaak gebracht met een toefje minicompromis. De rest werd in de koelkast gestopt. Politiek bleek eens te meer de kunst van het minimaal haalbare. Dat de geuren van het smaakpalet soms met elkaar vloeken, lijkt daaraan ondergeschikt. Het argument dat vrouwen het door het toenemend belang van de voorkeurstem allicht niet gemakkelijker zullen krijgen ondanks een uitbreiding van de bestaande quotawetgeving lijkt dan eerder de afgeleide van een electorale dan van een politieke logica.
De discussies rond het gemeente(kies)-decreet tonen ook het niet-neutrale karakter van electorale hervormingen. Ook binnen coalitiemeerderheden trachten de verschillende partners veranderingen op gang te brengen die in het verlengde van hun ideologische of machtspolitieke uitgangspunten liggen. Daarvoor moeten mixer en wafelijzer soms worden bovengehaald.
Dat oude recepten de basis blijven, hoeft niet noodzakelijk betreurd te worden. Lokale besturen zullen in de toekomst wellicht met andere uitdagingen worden geconfronteerd (externe verzelfstandiging, publiek-private samenwerking, veiligheid, milieu,...). Daarom is het wellicht beter de lokale agenda niet te lang en te intens te laten beheersen door electorale aanpassingsdrang. Die bedenking geldt vooral voor de fixatie bij sommigen op puur verkiezingsgebonden hervormingen. Het fundamentele politieke belang van de gemeenteraadsverkiezingen blijft. Van de gemeenten verwacht men echter dat zij ook naar de burger als basisniveau fungeren. Dan past men ook de basisregels daarrond best met enige doordachtheid aan.

Kristof Steyvers
Doctor-assistent Centrum voor Lokale Politiek, Vakgroep Politieke Wetenschappen, UGent

Noten
1/ Steyvers K., Reynaert H., Het gemeentedecreet: gerealiseerde ambities? In: Reynaert H., Steyvers K., (eds.), Het gemeente- en provinciedecreet: gerealiseerde ambities? Brugge, Vanden Broele, 2003, pp. 1-13.
2/ Reynaert H., Steyvers K., Oude wijn in nieuwe zakken? Een doorlichting van de politieke vernieuwingen in het gemeentedecreet. In: Schram F., Wayenberg E., (reds.), Het Vlaamse gemeentedecreet: tussen continuïteit en vernieuwing. Brugge, Vanden Broele, 2006, pp. 41-44.
3/ Kersting N., Reforming Local Electoral Systems in Europe. In: Reynaert H., Steyvers K., Delwit P., Pilet J.-B., (eds.), o.c., 2005, pp. 29-48.
4/ Reynaert H., Steyvers K., o.c., 2006, pp. 20-21.
5/ Deschouwer K., Meier P., Tussen wens en werkelijkheid: reële en mogelijke impact van quotawetten op kieslijsten. Brussel, Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, 2002, pp. 47-56. Reynaert H., Steyvers K., Verlet D., Vrouwen als lokale mandatarissen: instroom, profiel en uitstoom. In: Burger, bestuur & beleid, Tijdschrift voor Bestuurskunde en Bestuursrecht, 2005, nr. 2, pp. 91-113.
6/ Arcq E., Blaise P., De Coorebyter V., Les résultats des élections communales du 8 octobre 2000. II. En Flandre. Bruxelles, CRISP, 2002, pp. 48-54. Van Craen M., De slag om het migrantenstemrecht. In: Samenleving en politiek, jg. 11, 2004, nr. 7 (september), pp. 50-52.
7/ Art. 2 van de Wet van 19 maart 2004 tot toekenning van het actief kiesrecht bij de gemeenteraadsverkiezingen aan vreemdelingen. B.S. 23 april 2004.
8/ (Anon.), Migrantenstemrecht. 45.000 mensen krijgen stemrecht. In: De Standaard, 25 maart 2006, p. 4.
9/ Reynaert H., Steyvers K., o.c., 2006, pp. 21-23. Ackaert J., Het gebruik van de voorkeurstem bij de gemeenteraadsverkiezingen. Een terreinverkenning in de provincie Limburg. In: Res Publica, 1994, nr. 2, pp. 107-117.
10/ Buelens J., Over lijsten, namen en macht verwerven. In: Buelens J., Deschouwer K., (reds.), De dorpsstraat is de Wetstraat niet. VUBPRESS, Brussel, 1996, pp. 39-49. Wauters B., De kracht van voorkeurstem in stad en dorp. Afdeling Politicologie, Leuven, 2000, pp. 13-50.
11/ Reynaert H., Steyvers K., o.c., 2006, pp. 24-33.
12/ Recent spraken ook enkele CD&V’ers rond Johan Sauwens zich voor het afschaffen van de opkomstplicht uit: Kld. Sauwens (CD&V) wil afschaffing stemplicht. In: De Standaard, 2 december 2006.
13/ De Ceuninck K., Devos C., Reynaert H., Valcke T., Verlet D., De opkomstplicht in Vlaanderen. In: Burger, Bestuur & Beleid. Tijdschrift voor bestuurskunde en bestuursrecht, 2005, nr. 3, pp. 204-213.
14/ Reynaert H., Steyvers K., o.c., 2006, pp. 33-34.
15/ Ackaert J., Imperiali, D’Hondt en Niemeyer als verdelingstechnieken bij de gemeenteraadsverkiezingen. Een simulatie aan de hand van de gemeenteraadsverkiezingen van 9 oktober 1988. In: Res Publica, 1990, nr. 4, pp. 537-556.
16/ Senaeve P., De vertekening van de uitspraak van het kiezerskorps bij de verwerking. Analyse van de gemeenteraadsverkiezingen van 10 oktober 1976. In: Res Publica, 1977, nr. 4, pp. 607-622. Ackaert J., o.c., 1990, pp. 540-541
17/ Steyvers K., Reynaert H., o.c., 2003, pp. 24-28.
18/ Page E., Goldsmith M., Centre and Locality: Functions, Access and Discretion. In: Page E., Goldsmith M., (eds.), Central and Local Government Relations. A Comparative Analysis of West European Unitary States. Sage Publications, London, 1987, pp. 1-11. Fiers S., Carrièrepatronen van Belgische parlementsleden in een multi-level omgeving. In: Res Publica, 2001, nr. 1, pp. 171-192.
19/ Steyvers K., Pilet J.-B., Reynaert H., Devos C., Idool 2006: naar een rechtstreekse verkiezing van de burgemeester in België. In: Burger, Bestuur & Beleid, 2004, nr. 2, pp. 95-113.

verkiezingen - gemeentedecreet - gemeentekiesdecreet

Samenleving & Politiek, Jaargang 13, 2006, nr. 5 (mei), pagina 22 tot 30