Abonneer Log in

Signalen vanuit de Dorpsstraat

De impact van de lokale verkiezingen van oktober op de nationale politiek

Samenleving & Politiek, Jaargang 13, 2006, nr. 5 (mei), pagina 40 tot 48

De uitslag van de recente Nederlandse lokale verkiezingen werd in het licht van de parlementsverkiezingen van 2007 door heel wat betrokkenen - politici en media - vertaald tot op het nationale politieke niveau. De nationale oppositiepartijen PvdA en SP werden als de duidelijke winnaars aangeduid, terwijl de meerderheidspartijen CDA, VVD en D66 klappen kregen. De kiezer zou zich aldus niet alleen hebben uitgesproken over het lokale politieke gebeuren maar tegelijk van de gelegenheid gebruik gemaakt hebben om het door het nationale kabinet gevoerde beleid af te wijzen. Het tegenvallende lokale resultaat leidde zelfs tot het ontslag van de VVD-fractieleider in de Tweede Kamer, Jozias van Aartsen. Van Aartsen verklaarde tegenover de NOS: ‘We hebben intensief en met grote eensgezindheid campagne gevoerd. Het resultaat is van ons allemaal. Maar er is er maar één die de gezamenlijke verantwoordelijkheid op zich kan nemen. En dat ben ik.’ Ook minister-president Balkenende ontsnapte niet aan kritiek. Vanuit verschillende geledingen binnen zijn eigen partij werd kritiek geuit op de harde politieke lijn die het CDA binnen het nationale kabinet vaart. Half april besloot de verzamelde nationale partijtop - de voltallige Tweede Kamer-fractie aangevuld met de ministers van de partij - dat het regeringsbeleid voortaan ‘vrolijker en warmer’ zou worden voorgesteld en dat de minister-president zelf ‘meer onder de mensen zou moeten komen’.

Valt bij ons iets gelijkaardigs te verwachten naar aanleiding van de lokale verkiezingen van oktober 2006? In hoeverre zal de uitslag van de gemeenteraadsverkiezingen het nationale politieke gebeuren sturen en vorm geven?

Op zondag 8 oktober laten we een relatief lange periode van electorale rust volgend op de regionale en Europese verkiezingen van juni 2004 definitief achter ons. De lokale verkiezingen van oktober worden inderdaad ten laatste in mei 2007 gevolgd door nieuwe federale verkiezingen. Bij de laatste gemeenteraadsverkiezingen in 2000 was de volgorde omgekeerd. Toen volgden de lokale verkiezingen een dik jaar na de ‘moeder aller verkiezingen’ van 1999 en kwamen de electorale tendenzen van de nationale verkiezingsuitslag ook duidelijk tot uiting op lokaal niveau. Het Vlaams Blok en de VLD slaagden er toen in hun lokale electorale machtsbasis in vergelijking met 1994 gevoelig te versterken. Het CVP-overwicht in Vlaanderen kalfde gestaag verder af al bleef de partij wel duidelijk de grootste in Vlaanderen. De SP ging er algemeen genomen op achteruit maar slaagde er wel in in de steden haar positie grotendeels te behouden. Enkel bij Agalev week het resultaat opvallend af van dat van 1999. De partij ging er in vergelijking met 1994 slechts beperkt op vooruit in tegenstelling tot het zeer goede resultaat bij de dioxineverkiezingen van 1999. De uitslag in Wallonië liep min of meer in dezelfde lijn: vooruitgang voor de liberalen, achteruitgang voor de christendemocraten en status-quo voor de PS. In tegenstelling tot Agalev slaagde Ecolo er wel in stevig vooruit te gaan in vergelijking met 1994.
In 2000 bleef de nationale impact van de lokale verkiezingen al bij al vrij beperkt. Vermeldenswaard in dit verband is enkel dat in Brussel-stad de socialisten na 8 oktober 2000 ietwat verrassend de liberale coalitiepartner inruilden voor een coalitie met groenen en christendemocraten. Brussels burgemeester de Donnéa (PRL) werd daarop door zijn partij opgevist als minister-president van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Daarnaast viel nog op dat het ietwat tegenvallende resultaat van VU-ID de al aanwezige spanningen binnen de partij tussen de verschillende rivaliserende ‘clans’ verder verhoogde. Voorzitter Geert Bourgeois benadrukte dat de partij er toch in geslaagd was haar aantal lokale gekozenen te verhogen. Challenger Bert Anciaux reageerde teleurgesteld, stelde dat de partij geen uitstraling meer had en drong erop aan dat over de uitslag intern serieus zou worden nagedacht.
Ook nu volgen de lokale en federale verkiezingen binnen een relatief korte tijdspanne. Het grote verschil is echter dat nu eerst lokale verkiezingen worden gehouden en dat ten laatste een goed half jaar later federale verkiezingen volgen. Daarom wordt het voor politici, media en Wetstraat-watchers allerhande bijzonder verleidelijk om de lokale verkiezingen te benaderen vanuit een nationaal perspectief en ze te beschouwen als een soort generale repetitie voor wat komen gaat in het voorjaar van 2007. De lokale verkiezingsuitslag zomaar rechtstreeks en onvoorwaardelijk vertalen naar het nationale niveau is gezien de eigenheid van gemeenteraadsverkiezingen uiteraard een gevaarlijke oefening. Toch kan men verwachten dat de lokale verkiezingen net omwille van hun bijzondere timing onvermijdelijk van invloed zullen zijn op het nationale politieke reilen en zeilen. In deze bijdrage proberen we een inschatting te maken van de mate waarin de stembusslag van oktober het nationale politieke gebeuren zal bepalen.

I. Gemeenteraadsverkiezingen: een geval apart

Gemeenteraadsverkiezingen kunnen binnen ons politiek bestel worden gezien als een buitenbeentje, zowel naar vorm als naar inhoud.
Om te beginnen worden lokale verkiezingen maar om de zes jaar georganiseerd en zijn vervroegde verkiezingen niet mogelijk. Dit systeem geeft - althans in theorie - meer ruimte voor een beleidsmatige planning gericht op de wat langere termijn. Bovendien maakt de omvang van de electorale strijd - gemeten aan het aantal ‘winnaars’ - dat lokale verkiezingen van een totaal andere orde zijn dan nationale (federale, regionale of Europese) verkiezingen. Bij de verkiezingen in oktober zullen meer dan 13.000 Belgen erin slagen een zetel in de gemeenteraad te verwerven. In Vlaanderen alleen al gaat het om 7.350 personen. Als we er even snel van uitgaan dat in elke gemeente gemiddeld vier tot vijf verschillende lijsten deelnemen aan de verkiezingen, komt dat in Vlaanderen grosso modo overeen met 30.000 tot 35.000 kandidaten. Voor Kamer, Senaat en Vlaams Parlement zijn de rechtstreeks te verkiezen Vlaamse zitjes uiteraard veel schaarser: momenteel gaat het in deze assemblees respectievelijk om slechts 88, 25 en 124 zetels. En amper iets meer dan een handvol Vlaamse politici (14 in totaal) hebben de eer om in het Europees Parlement te zetelen. Alles samen namen aan de federale, regionale en Europese verkiezingen van 2003-2004 voor de zes grootste Vlaamse politieke partijen om en bij de 2.500 - vaak nog dezelfde - kandidaten deel, nog geen tiende van het geschatte aantal Vlaamse kandidaten voor de gemeenteraadsverkiezingen. Hoewel de lokale verkiezingen vaak worden beschouwd als het kleine broertje in vergelijking met federale of regionale verkiezingen, maken deze cijfers duidelijk dat een pak meer Vlamingen zelf rechtstreeks als kandidaat betrokken is bij deze verkiezingen. Dit verschil in omvang verklaart meteen waarom de gemeenteraadsverkiezingen veruit de meeste aandacht genereren bij pers en publiek.

Maar er zijn nog andere - meer inhoudelijke - elementen die het specifieke karakter van de gemeenteraadsverkiezingen onderstrepen: er is de typische politieke constellatie op lokaal vlak die van de ene gemeente tot de andere sterk kan verschillen, er zijn de zeer lokale kwesties en gevoeligheden die aan de orde zijn, er is de kleinere afstand tussen kiezers en kandidaten en er is de deelname van een amalgaam van lokale lijsten, partijen en kartels.
Het is duidelijk dat de partijkeuze van de kiezer op het lokale vlak minstens ten dele door andere factoren wordt beïnvloed dan de partijkeuze op het nationale niveau. Op de eerste plaats hangt deze keuze uiteraard samen met vaak zeer lokale beleidskwesties en -problemen, aangelegenheden die veel specifieker, tastbaarder en dichterbij zijn voor de kiezer dan de aangelegenheden waardoor hij zich op het federale of regionale vlak laat leiden. Daarnaast is op het lokale niveau de afstand tussen de kandidaten en de kiezers beduidend kleiner dan op het bovenlokale niveau - weinig verwonderlijk gezien het grote aantal kandidaten dat bij de gemeenteraadsverkiezingen opkomt -, wat ervoor zorgt dat de partijkeuze ook sterk beïnvloed wordt door de persoonlijke band van de kiezer met deze of gene kandidaat. Die nauwere band vertaalt zich in een duidelijk hoger percentage voorkeurstemmen bij lokale verkiezingen. Onderzoek van Janssens en Dewachter (1994) en van Wauters (2000) maakt duidelijk dat kiezers bij gemeenteraadsverkiezingen beduidend meer dan bij nationale verkiezingen een voorkeurstem uitbrengen. In 1994 deed bijna 85% van de kiezers dat. Algemene cijfers voor 2000 ontbreken, al wijzen cijfers voor Vlaams-Brabant wel in dezelfde richting. Het is in dit verband trouwens niet verwonderlijk dat dit percentage afneemt naarmate de verstedelijkingsgraad en dus de afstand tussen de kandidaten en de kiezers stijgt. Bij nationale verkiezingen ligt het gebruik van voorkeurstemmen duidelijk lager. Bij de regionale en Europese verkiezingen van 2004 bijvoorbeeld lag dat cijfer net boven de 60% (Wauters, Weekers en Pilet, 2004).
Als gevolg van het feit dat deels andere factoren de partijkeuze bij lokale en nationale verkiezingen bepalen, lopen de uitslagen van beide verkiezingen vaak ook opvallend uiteen. Zo is de CVP/CD&V in Vlaanderen op lokaal vlak traditiegetrouw veruit de sterkste partij en haalt zij op dat niveau steevast een opvallend betere electorale score dan bij nationale verkiezingen. In 2000 haalde de partij globaal genomen 30,2% van de stemmen (Fraeys, 2000). De partij was bovendien in 140 van de 308 Vlaamse gemeenten de grootste partij en haalde in 66 gemeenten een volstrekte meerderheid van zetels. Bij de federale Kamerverkiezingen in 1999 en 2003 scoorde de partij duidelijk minder goed en haalde ze respectievelijk slechts 22,2% en 20,1% van de stemmen. In 2003 was CD&V daarmee pas de derde partij, na de VLD (24,2%) en het kartel sp.a-spirit (23,5 %). De lokale verankering van CD&V blijkt trouwens ook uit het indrukwekkende aantal van 155 burgemeesters dat ze in haar rangen telt. Met andere woorden: de helft van de Vlaamse gemeenten wordt bestuurd door een CD&V-burgemeester. Die lokale dominantie van CD&V kan vandaag de dag nog slechts ten dele worden verklaard door te wijzen op de tradities in het christelijk geïnspireerd en landelijk Vlaanderen. Minstens even belangrijk is net de sterke lokale politieke inplanting van de partij en de daaraan verbonden aantrekkingskracht van de grootste partij. Het stelt de partij nog steeds in belangrijke mate in staat de plaatselijk geëngageerde en bekende personen - en dus politiek en electoraal de meest interessante kandidaten - te rekruteren. Het heeft er mede voor gezorgd dat de afkalving van de machtspositie van de partij die we de laatste decennia gezien hebben op het nationale niveau zich niet in dezelfde mate heeft doorgezet op het lokale niveau.
En om voldoende tegenwicht te bieden tegen de plaatselijke CVP/CD&V-lijst zagen andere partijen en partijloze kandidaten zich vaak verplicht om onder één gezamenlijke vlag de verkiezingen in te gaan. Dit verklaart mee de vele verschillende lokale lijsten, partijen en kartels met namen als de Lijst van de burgemeester, Gemeentebelangen, Inzet, Nieuw, … Zelfs nationaal gekende figuren komen niet altijd onder de naam van hun partij op bij de gemeenteraadsverkiezingen. Zo voert oud-VLD-minister Jaak Gabriëls in zijn eigen gemeente Bree al sinds 1994 de lijst Jong aan. Net dit soort lokale lijsten geeft aan de gemeenteraadsverkiezingen dat typische, zelfs ietwat folkloristische karakter. Maar de politieke impact van dergelijke plaatselijke formaties mag niet worden onderschat: sinds de fusie van de gemeenten in 1976 halen ze steeds om en bij de 20% van de stemmen (Buelens en Deschouwer, 1996: 14). In 2000 vormden ze in 66 van de Vlaamse gemeenten de grootste ‘partij’. Toch ziet de toekomst voor dergelijke plaatselijke lijsten er niet echt rooskleurig uit. Bij elke lokale verkiezing proberen de nationale politieke partijen het aantal gemeenten waar ze met een eigen lijst opkomen uit te breiden. Het Vlaams Blok/Belang bijvoorbeeld kwam in 2000 in 189 Vlaamse en Brusselse gemeenten met een eigen lijst op. In oktober 2006 gaat het om ongeveer 250 gemeenten.

II. Nationalisering van de lokale verkiezingen

Ondanks het bijzondere en aparte karakter van de gemeenteraadsverkiezingen wordt algemeen aangenomen dat er zeker de laatste decennia sprake is van een toenemende ‘nationalisering’ van de lokale verkiezingen (Dewachter, 1982; Buelens en Deschouwer, 1996). Daarmee wordt bedoeld dat de nationale partijen bij die plaatselijke verkiezingen steeds nadrukkelijker nationale thema’s naar voor schuiven en met nationaal gekende kandidaten deelnemen. Vooral de fusie van de gemeenten in 1976 is daarbij een keerpunt geweest. Door die schaalvergroting werd het hyperplaatselijke karakter van het lokale politieke gebeuren immers in belangrijke mate gemilderd. Daarenboven wordt sindsdien aan de lijsten die opkomen bij de lokale verkiezingen ook een nationaal lijstnummer gegeven. Lokale partijen nemen daardoor steeds nadrukkelijker deel aan de verkiezingen als lokale afdeling van een nationale partij. Het verhoogt duidelijk de gelijkenis tussen de lokale en de nationale verkiezingen.
Deze trend tot nationalisering uit zich op verschillende manieren. Vooreerst zetten de partijen nagenoeg hun volledige potentieel van nationaal gekende kandidaten - parlementsleden, ministers en andere partijkopstukken die geregeld in de media opduiken - in in de lokale verkiezingsstrijd. Daarnaast worden vanuit de nationale hoofdkwartieren vaak ook strak georganiseerde begeleidende verkiezingscampagnes opgezet en wordt de lokale campagne financieel ondersteund.
Het is nu al duidelijk - een half jaar voor de gemeenteraadsverkiezingen van oktober - dat ook deze keer de lokale verkiezingen niet aan deze nationaliseringstrend zullen ontsnappen. Zo zijn de meeste grote partijen de voorbije maanden al een ondersteunende nationale campagne gestart. Einde maart lanceerde de VLD in verschillende steden een affichecampagne met de slogan ‘Wie hard werkt moet vooruitgaan.’ CD&V pakte in dezelfde periode uit met de campagne ‘Van respect word je sterk’ die voortbouwde op de regionale campagne van 2004. Ook het Vlaams Belang koos met de slogan ‘Veiligheid, onze prioriteit’ voor één overkoepelend nationaal thema voor de lokale verkiezingen. En dat dergelijke landelijke campagnes een aardige duit kosten, hoeft geen betoog. Zo zou het Vlaams Belang al meer dan 400.000 euro hebben gespendeerd aan haar nationale veiligheidscampagne. Een serieus bedrag als in rekening wordt gebracht dat in de drie maanden voor de lokale verkiezingen de partij wettelijk gezien slechts 372.000 euro mag uitgeven. In 2000 gaven de zes grote Vlaamse nationale partijen samen volgens de officiële verslagen van de verantwoordelijke parlementaire controlecommissie en gespreid over het gehele jaar trouwens meer dan vier miljoen euro uit aan dergelijke nationale verkiezingscampagnes en aan rechtstreekse steun voor de verkiezingsuitgaven van de lokale afdelingen.
Bovendien zullen de nationale partijkopstukken en -boegbeelden ook nu weer ten volle worden uitgespeeld. Omdat op veel plaatsen de lijstvorming nog niet volledig is afgerond, is het moeilijk om hierover nu al definitieve uitspraken te doen. Maar het spreekt voor zich dat het aantal parlementsleden en ministers dat als effectieve kandidaat of ter ondersteuning op de kieslijsten zal figureren bijzonder groot zal zijn. Dit houdt ook verband met het feit dat een cumul tussen een lokaal en een landelijk mandaat in ons land wettelijk mogelijk is en vaak zelfs als politiek wenselijk wordt gezien. Waar in bepaalde andere landen, bijvoorbeeld in Nederland, duidelijke regels bestaan die een dergelijke cumul uitsluiten, wordt dit in België net beschouwd als een belangrijke manier om de steden en gemeenten een stem te geven op het bovenlokale niveau. Dit wordt duidelijk geïllustreerd door het feit dat in Kamer, Senaat en Vlaams parlement het aantal parlementsleden dat tegelijk ook gemeenteraadslid, schepen of burgemeester is sinds begin jaren 1980 steevast tussen twee derde en drie vierde van het totaal aantal parlementsleden ligt (Fiers, Gerard en Van Uytven, 2006: 107).
Het bekende klassieke politieke carrièreverloop bestaat erin dat een beloftevolle en ambitieuze kandidaat-politicus eerst de ‘stiel’ leert en zich electoraal bewijst op het lokale niveau waarna hij/zij de kans krijgt zich ook hoger op de politieke ladder waar te maken. Niettegenstaande het feit dat er zich recentelijk meer en meer ook andere, alternatieve carrièrepatronen ontwikkelen (Fiers en Reynaert, 2006), blijft een dergelijke klassieke instroom van capabel politiek personeel van het lokale naar het bovenlokale niveau nog steeds erg belangrijk voor de partijen. Maar ook wanneer een politicus erin slaagt dat bovenlokale niveau te bereiken, blijft een stevige lokale machtsbasis voor hem/haar een essentiële factor, met name in de uitbouw van een zogenaamd independent kingdom (Dewachter, 2002). Een degelijke lokale machtsbasis zorgt er onder meer voor dat de nationale partijleiding bij de verdeling van belangrijke politieke posities moeilijk om de politicus in kwestie heen kan. Voor een aanstormend politiek talent of een ‘kopstuk in wording’ komt het er bij lokale verkiezingen dus op aan aan de nationale partijleiding duidelijk te maken hoe zwaar hij/zij electoraal al weegt. Dat betekent ook dat de deelname aan de lokale stembusslag voor dergelijke kandidaten - ook al bekleden zij al belangrijke nationale politieke functies -, onvermijdelijk risico’s inhoudt. Zelfs voor iemand als federaal vice-premier Freya Van den Bossche (sp.a) is de deelname aan de lokale verkiezingen in Gent niet zonder gevaar. Van den Bossche is het aan haar status als eerste sp.a’er in de federale regering verplicht een behoorlijke electorale score neer te zetten. Lukt dat niet dan dreigt onvermijdelijk politiek gezichts- en gewichtsverlies. Ook Vlaams minister Inge Vervotte (CD&V) die de Mechelse lijst zal duwen, haalt maar beter een mooi resultaat. Het is in deze niet zonder reden dat Jean-Marie Dedecker (VLD) de boot om deel te nemen aan de lokale strijd in Oostende vooralsnog zo veel mogelijk afhoudt. Evenzeer lijkt een sterke lokale uitslag in Mechelen voor VLD-partijvoorzitter Somers een must om zijn in de voorbije maanden binnen de partij moeizaam opgebouwd gezag niet onderuit te halen en de onbetwiste leider van zijn partij te worden.
Bepaalde partijen schrikken er in dit verband zelfs niet voor terug om een beloftevol kandidaat in een voor hem of haar totaal vreemde stad of gemeente te droppen. Zo organiseerde Steve Stevaert in de nasleep van de federale verkiezingen van mei 2003 de verhuis van Caroline Gennez naar Mechelen om daar de sp.a met het oog op de gemeenteraadsverkiezingen van 2006 nieuw leven in te blazen. Als wederdienst werd Gennez gecoöpteerd senator en enige tijd later zelfs ondervoorzitter van de partij.
Maar niet alleen ‘kopstukken in wording’ worden afgerekend op hun lokaal resultaat. Dat geldt evenzeer voor ervaren partijvoorzitters of ministers. Maar zij hebben wel het voordeel dat zij al op andere momenten hebben bewezen wat ze electoraal waard zijn. Zij zijn aldus veel beter bestand tegen de politieke gevolgen van een eventueel mindere score in oktober.
Het is duidelijk dat ondanks het bijzondere en aparte karakter van de gemeenteraadsverkiezingen het spel in grote mate gespeeld wordt door dezelfde spelers (politieke partijen en kandidaten) als op het nationale niveau. En net omwille van deze nationalisering van de gemeenteraadsverkiezingen, geldt ook omgekeerd dat de lokale stembusslag het nationale (regionale of federale) politieke gebeuren beïnvloedt. Dat is zeker zo als kort na de gemeenteraadsverkiezingen ook federale verkiezingen op de agenda staan.

III. Nationale impact van de lokale verkiezingsuitslag

Op de eerste plaats kunnen we ervan uitgaan dat in de aanloop naar oktober de electorale profilering tussen de partijen onvermijdelijk ook op nationaal niveau zal toenemen waardoor extra druk gelegd zal worden op de schouders van de regionale en federale regeringen. Geen van de partijen zal zich in het zicht van de lokale en federale verkiezingen laten verleiden om in gevoelige dossiers ingrijpende toegevingen te doen. Dat zal het nemen van moeilijke beslissingen in de komende maanden ongetwijfeld niet vereenvoudigen. Het valt te verwachten dat de regionale en federale regeringen daarom zullen opteren voor een voorzichtig en risicoloos beleid waarbij beslissingen ten gronde inzake politiek gevoelige kwesties zo veel als mogelijk worden uitgesteld. Een dergelijke electorale profilering resulterend in een relatieve stilstand op beleidsmatig vlak zal ongetwijfeld nog worden versterkt als blijkt dat één of meerdere van de federale of regionale meerderheidspartijen op 8 oktober duidelijke klappen krijgt.
Tekenend in dit verband is dat na de zoveelste gerechtelijke uitspraak half maart van dit jaar over de nachtvluchten van op de luchthaven van Zaventem een aantal hoofdrolspelers - onder wie de federale minister van Mobiliteit - openlijk opriep om ‘overhaasting’ te vermijden. De kans is vrijwel onbestaande dat men nog voor de lokale en federale verkiezingen tot een fundamentele oplossing komt in het zeer complexe dossier. Aldus wordt de kwestie die dringend om een oplossing vraagt en al minstens sinds begin 2003 nagenoeg onafgebroken hoog op de politieke agenda staat, weerom onopgelost verder doorgeschoven, minstens tot medio 2007.
Daarnaast zijn de komende lokale verkiezingen niet alleen van belang inzake het beoordelen van het politieke gewicht van individuele politici (zie boven), maar ook meer algemeen bij het inschatten van de onderlinge machtsverhoudingen tussen de nationale partijen. Dat opiniepeilingen meer en meer invloed hebben op de acties en gedragingen van partijen en politici is al langer duidelijk. Wat dan te denken van een officieel georganiseerde peiling bij het gehele electoraat? Zoals reeds gesteld is het gezien de eigenheid van lokale verkiezingen bijzonder moeilijk en gevaarlijk om daaruit nationale trends af te leiden. Maar dat de politieke wereld en de media dat in oktober zullen doen, leidt geen twijfel. En die trends zullen onvermijdelijk meespelen in het nationale politieke gebeuren in de aanloop naar de federale verkiezingen van 2007. Op basis van de lokale verkiezingen zullen de posities op de startgrid worden vastgelegd. Wie vertrekt vanuit pole position de campagne voor de federale verkiezingen in? Welke partijen zijn van bij het begin al op achtervolgen aangewezen? Daarbij speelt ongetwijfeld de vermeende electorale aantrekkingskracht van de winnaar: mensen kiezen nu eenmaal niet graag de zijde van de verliezer, van wie zich van meet af aan al in een verloren positie bevindt.
Probleem is echter dat het niet alleen gevaarlijk is om nationale trends af te leiden uit de lokale uitslag, maar ook technisch allesbehalve eenvoudig. De optelsom maken van de uitslag van alle partijen in alle 308 Vlaamse gemeenten is een tijdrovende bezigheid waarvan de resultaten - als een dergelijke oefening al wordt gemaakt - pas een hele poos na de verkiezingen bekend worden. En wat dan te doen met de verschillende lokale lijsten en kartels? Vaak wordt daarom in de eerste dagen na de gemeenteraadsverkiezingen door de media en politieke waarnemers teruggegrepen naar surrogaatoplossingen zoals de prestaties van de partijen in de belangrijkste steden en gemeenten of het aantal gemeenten waar elk van de partijen de grootste is gebleken.
Een andere oplossing zou erin kunnen bestaan te kijken naar de uitslag van de provincieraadsverkiezingen. Net als bij de Europese verkiezingen op nationaal niveau kunnen die provinciale verkiezingen trouwens gezien worden als een soort second order elections waarbij de kiezer zich meer laat leiden door ontwikkelingen op andere meer vertrouwde beleidsniveaus omdat het beleidsniveau in kwestie weinig bekend en zichtbaar is (Dewachter en Wauters, 2006). Het blijft voor de nationale partijleiding echter vrij eenvoudig om bij een minder electoraal resultaat het andersoortige karakter van de provincieraadsverkiezingen te benadrukken.
De meest voor de hand liggende vergelijking is uiteraard die met de resultaten van de lokale verkiezingen van 2000. Maar aangezien ondertussen federale, regionale en Europese verkiezingen hebben plaats gevonden en de machtsverhoudingen tussen de partijen ingrijpend zijn gewijzigd (zie grafiek), bestaat er voor elke partij een veelheid aan mogelijke vergelijkingspunten. Het geeft de partijen in oktober uiteraard de kans dat vergelijkingspunt te kiezen dat voor henzelf het meest positieve resultaat oplevert.

Grafiek: Lokale en nationale verkiezingsuitslagen sinds 1999 in Vlaanderen (voor de gemeenteraadsverkiezingen van 2000 gaat het om schattingen: de uitslagen van de kartels worden op basis van de provinciale uitslag van de samenstellende partijen verrekend: Fraeys, 2000: 578)

\* sp.a-spirit / \*\* sp.a-spirit, CD&V-N-VA, VLD-Vivant

Niet alleen de machtsverhoudingen tussen de nationale partijen worden herbepaald door de lokale verkiezingen. Ook de onderlinge relaties tussen de partijen zullen worden beïnvloed. In deze kan de lokale politiek worden gezien als één groot laboratorium waarin kartels en coalities naar hartelust kunnen worden uitgetest. Zo werden al lang voor 1999 op provinciaal niveau en in bepaalde grote steden paarse coalities gevormd of werden de groene partijen in bestuurscoalities opgenomen. Men zou zich wat de komende gemeenteraadsverkiezingen betreft bijvoorbeeld de vraag kunnen stellen wat er zou gebeuren als de PS in navolging van de regionale coalitiewissel in 2004 er ook in een aantal belangrijke Waalse steden en gemeenten voor kiest om de liberale coalitiepartner in te ruilen voor een coalitie met christendemocraten en/of groenen? Het zal ongetwijfeld zorgen voor bijkomende druk en spanning in het federale huishouden. Maar misschien wel de meest indringende vraag in dit verband zal zijn: wat met het cordon sanitaire? Het valt niet uit te sluiten dat in een aantal gemeenten het cordon inderdaad zal worden doorbroken, op de eerste plaats door burgemeesters die uit zijn op het behoud van hun leidende politieke positie en die het zich kunnen veroorloven om een onafhankelijke koers te varen tegenover hun nationale partij. Aangezien de verschillende nationale partijen zich al duidelijk uitgesproken hebben tegen het doorbreken van het cordon, valt te verwachten dat de initiatiefnemers van dergelijke manoeuvres op korte termijn zonder pardon uit de partij worden gezet. Op middellange termijn draagt deze evolutie echter onvermijdelijk bij tot het meer salonfähig maken van het Vlaams Belang. Als de partij dergelijke kansen krijgt en het spel vervolgens ook slim speelt - wat betekent: niets doet dat voor teveel aanstoot of afkeer zou kunnen zorgen - dan zullen binnen verschillende andere partijen weer stemmen opgaan tegen het cordon, afhankelijk van de beleidsprestaties van het Vlaams Belang mogelijks met meer kans op slagen. Anderzijds zijn net daarom de komende lokale verkiezingen voor het Vlaams Belang cruciaal. Slaagt zij er nergens in haar primary goal - met name toetreden tot een bestuurscoalitie - te bereiken, dan zou de interne druk binnen de partij wel eens behoorlijk kunnen stijgen. Het is niet voor niets dat Filip Dewinter zich de laatste maanden opvallend inspant de hoge verwachtingen - op de eerste plaats in Antwerpen - te temperen.
En daarmee zijn we aanbeland bij het laatste punt: de invloed van de lokale uitslag op de interne toestand binnen elke nationale partij. Bij een duidelijke en zware electorale afstraffing van een bepaalde partij valt niet uit te sluiten dat zich ook hier een Nederlands scenario zal voltrekken: ontslag van een nationaal kopstuk of losbreken van interne discussies over de gevolgde partijlijn. Uiteraard zal elke partij haar uiterste best doen om een dergelijk scenario te vermijden. Dat kan bijvoorbeeld door de electorale verwachtingen vooraf niet al te hoog op te drijven, door na de uitslag het lokale karakter van de gemeenteraadsverkiezingen te benadrukken of door vooral de beperkte positieve scores in bepaalde steden of gemeenten in de verf te zetten. Maar een zware en duidelijke electorale afstraffing valt ook zo niet te verdoezelen en zal zeer zeker ingrijpende gevolgen hebben op de strategie, de acties en de inhoudelijke lijn van de nationale partij. Hoeft het nog gezegd dat ook in de nationale partijhoofdkwartieren met spanning wordt uitgekeken naar de uitslag van 8 oktober?

Jo Noppe en Stefaan Fiers
Centrum voor Politicologie, K.U.Leuven

Referenties
- Buelens J. en Deschouwer K. (red.) (1996). De Dorpsstraat is de Wetstraat niet. Brussel: VUBPress.
- Dewachter W. (1982). Het effect van de samenvoeging van gemeenten op de gemeenteraadsverkiezingen, Res Publica, 26, 445-460.
- Dewachter W. (2002). Politieke partijen. Leuven: Afdeling Politologie K.U.Leuven.
- Dewachter W. en Wauters B. (2006). Provincieraadsverkiezingen: een illusie van democratie, Burger, bestuur en beleid, 3(1).
- Fiers S. en Reynaert H. (2006), Wie zetelt? De gekozen politieke elite in Vlaanderen doorgelicht. Heverlee: Lannoo.
- Fiers S., Gerard E. en Van Uytven A. (2006). De uitverkorenen. De federale en Vlaamse parlementsleden (1946-2004) in Fiers S. en Reynaert H. (2006), Wie zetelt? De gekozen politieke elite in Vlaanderen doorgelicht. Heverlee: Lannoo.
- Fraeys W. (2000). Où en sont les partis politiques, au lendemain du 8 octobre 2000?, Res Publica, 42(4), 575-587.
- Janssens P. en Dewachter W. (1994). Gemeentenaren kiezen hun raadsleden. Leuven: Afdeling Politologie K.U.Leuven.
- Wauters B. (2000). De kracht van de voorkeurstem in stad en dorp, Leuven: Afdeling Politologie K.U.Leuven.
- Wauters B., Weekers K. en Pilet J. (2004). Het gebruik van de voorkeurstem bij de regionale en Europese verkiezingen van 13 juni 2004, Res Publica, 46(2-3), 377-411.

verkiezingen

Samenleving & Politiek, Jaargang 13, 2006, nr. 5 (mei), pagina 40 tot 48