Abonneer Log in

'Het ongemak van religie. Multiculturaliteit en ethiek'

Uitgelezen

Samenleving & Politiek, Jaargang 13, 2006, nr. 6 (juni), pagina 58 tot 60

Het ongemak van religie. Multiculturaliteit en ethiek

Jos Kole en Gerrit de Kruijf (red.)
Kok, Kampen, 2005

Op het moment dat ik het boek Het ongemak van religie gelezen heb, staan de media bol van berichtgeving en opinies over de rellen in de voorsteden van Parijs en andere Franse steden.

Ik lees hoe een jonge Franse allochtoon uit Le Havre uiting geeft aan het ongenoegen dat leeft: ‘Ik ben geen doorsnee ‘zwarte’ of Arabier meer; ik ben een moslim. En dat lijkt wel een codewoord te zijn voor alien, iemand die is voorbestemd om niet in het systeem te passen. Maar ik ben geboren in Frankrijk en ik ben er opgegroeid; hoe meer Frans kan ik nog zijn?’ Kort daarna krijgt Filip Dewinter alle aandacht voor zijn interview eind oktober 2005 met The Jewish Week. Hij laat er noteren dat zijn partij Vlaams Belang niet xenofoob is. ‘Als het absoluut om een fobie moet gaan, laat het dan islamofobie zijn. De islamisering van Europa is beangstigend.’

Het (rechtse) discours over de multiculturele samenleving kent een conceptuele verschuiving: het gaat al lang niet meer over rassen, het gaat nu ook niet zozeer meer over culturen. Kop van jut is de religie, meer in het bijzonder de islam. Het spreekt vanzelf dat de verschillende terreuraanslagen en de moord op Theo van Gogh in Nederland deze verschuiving in het discours in de hand hebben gewerkt. Het is tekenend dat het problematiseren van de religie ook sterk ingang heeft gevonden bij de zogenaamde humanistische verlichtingsdenkers: Frits Bolkenstein, Paul Scheffer, Paul Cliteur, Ayaan Hirsi Ali, Herman Philipse en voor België Mia Doornaert en Etienne Vermeersch. In haar boekje De maagdenkooi (2004) schrijft Hirsi Ali over de Moslims ‘dat het streven naar een leven op basis van hun eigen heilige boek de voornaamste oorzaak is van hun misère’…

Ondanks het feit dat religie in onze samenleving tot enkele decennia geleden duidelijk een centrale en positieve rol kreeg toebedeeld, wordt ze nu steeds meer een steen des aanstoots. Gelovigen worden gestigmatiseerd, worden ‘achterlijk’ genoemd en zouden zich schuldig maken aan irrationeel gedrag. Religie zou verdeeldheid creëren, de integratie van minderheden in de weg staan, de democratische beginselen onder druk zetten en indruisen tegen de mensenrechten. Wie nog gelooft, moet dat op een verlichte manier doen en mag in de publieke ruimte vooral niets van dat geloof laten blijken. Geloof is een privézaak waar je niet mee uitpakt. (Dit alles sluit aan bij de manier waarop Rico Sneller in de lijn van de Joodse filosoof Hermann Cohen (1842-1918) onze ‘moderne’ multiculturele cultuur in het voorliggende boek (p.52) typeert en problematiseert.)

Het is tegen deze achtergrond van negatieve beeldvorming dat het boek Het ongemak van religie geschreven is. Het bevat naast een in- en uitleiding negen stukken van Nederlandse christenen (katholieken en protestanten) die reflecteren over de vraag of religie een positieve rol kan spelen in de Nederlandse multiculturele samenleving en democratische rechtsstaat. Door die Nederlandse en theologische invalshoek heeft het boek natuurlijk een bepaald profiel waardoor een vrijzinnige Belg misschien niet direct geneigd zou zijn het boek ter hand te nemen. Het boek bevat echter enkele interessante elementen, zeker ook voor vrijzinnige Belgen. Het feit dat de auteurs gelovigen zijn, maakt dat ze over de plaats van religie in de multiculturele samenleving schrijven vanuit een ‘deelnemersperspectief’. Het debat over religie ligt al te dikwijls in handen van mensen die van religie en godsdienstige beleving vervreemd zijn en/of zich expliciet tegen religie willen afzetten, waardoor niet zelden een karikatuur van religie en gelovigen naar voren wordt geschoven. Het debat over de plaats van de islam in onze westerse samenleving wordt hier opengetrokken doordat het boek medereligieuzen aan het woord laat die niet alleen denken ‘over de rol van religie maar ook vanuit hun rol en identiteit als aanhangers ervan’.

Uit het boek blijkt dat de christelijke theologen geen eenduidig antwoord hebben op de vraag naar de rol van religie voor het maatschappelijke leven. Zonder elkaar daarom noodzakelijk tegen te spreken legt de één meer nadruk op de seculiere, neutrale rechtstaat, de ander meer op de positieve rol die particuliere religies in een pluralistische samenleving kunnen spelen. De lectuur van het boek levert een genuanceerde visie op: religie heeft de potentie om bij te dragen aan de multiculturele samenleving en de democratische rechtsstaat, maar dat is geen vanzelfsprekendheid. Dit kan pas onder bepaalde voorwaarden naar de religie toe en onder bepaalde voorwaarden naar de samenleving toe. De religie moet zich confirmeren aan een vorm van ‘smalle moraal’, anderzijds moet de samenleving ook bereid zijn religie een plaats te geven en het concept ‘gelovige burgers’ niet als een contradictie te beschouwen. (Dit is ook de richting die Steve Stevaert met zijn boekje Ander geloof. Naar een actief pluralisme in Vlaanderen (2005) aan het debat wilde geven.)

De belangrijkste bijdrage van het boek bestaat er volgens mij in dat het erin slaagt duidelijk te maken dat nogal wat deelnemers aan het debat - ook (moderne) gelovigen - dusdanig seculier denken dat ze vertrekken van een verkeerde analyse van het gegeven godsdienst. Bert Musschenga geeft toe dat hij lange tijd ten onrechte voorbij is gegaan aan het verschil van mening tussen seculiere Nederlanders (inclusief moderne christengelovigen) en gelovige moslims over de (publieke) rol van religie. Wij, geseculariseerde, verlichte westerlingen, begrijpen eigenlijk niet goed meer wat het ‘betekent’ als mensen zich gelovig noemen en hierdoor kan een gevaarlijk soort onbegrip ontstaan. Gerrit de Kruijf schrijft: ‘Met het oog op maatschappelijke vrede is het van groot belang de sensibiliteit in onze samenleving te bevorderen voor wat godsdienst eigenlijk is. Daarmee is niet gezegd dat het fenomeen godsdienst een bij uitstek positieve factor in het integratieproces is. Integendeel, het is een gevaarlijke factor en juist daarom verdient het aandacht. Godsdienst is vuur (warm èn gevaarlijk) omdat ze naar haar aard absolutistische trekken heeft.’ We moeten godsdienst begrijpen als een onherleidbaar gegeven (het kan niet restloos in iets anders (iets redelijks) worden vertaald) en als een element dat constitutief is voor de identiteit van mensen, ook voor hun morele en de politieke identiteit. Met andere woorden, of je nu voor of tegen het geloof bent, je kunt niet vragen aan mensen dat ze hun geloof zomaar thuis laten of zomaar uit hun identiteit wegsnijden wanneer ze zich de rol van burger aanmeten. Karl-Wilhelm Merks maakt duidelijk dat seculariteit niet betekent dat God niet bestaat noch dat God uit de publieke ruimte moet verdwijnen. Veelal wordt over het hoofd gezien dat secularisatie geen doel op zich is, maar in functie van godsdienstvrijheid en godsdienstbeleving moet worden gedacht.

Jos Kole wijst erop dat niet elke religie fundamentalistisch is, maar ook (en dat is moedig) dat niet elke vorm van fundamentalisme gewelddadig is. Daarop verder denkend maakt hij een indringende analyse van het begrip tolerantie waar ‘verlichte’ mensen als Cliteur en anderen misschien nog wel eens iets zouden kunnen van opsteken. Kole wijst er ook op dat bepaalde verlichtingsadepten de menselijke factor in religie graag miskennen en werken met een veel te statisch en essentialistisch beeld van religies. Cliteur, Hirsi Ali en Vermeersch geven de indruk dat zij weten wat de inhoud van de religie is en schuiven elke mogelijkheid tot verandering, interpretatie, hermeneutiek en dynamiek van de geloofstraditie opzij. Een dergelijke houding wijst niet op een intentie tot een ernstige dialoog met gelovigen. De lectuur van het boek Het ongemak van religie heeft me nog beter doen inzien dat we als humanisten en verlichte seculiere denkers niet (of niet alleen) ten strijde moeten trekken tegen het geloof - een polariserende gedachte die in diverse kringen steeds meer terrein wint -, maar dat we op de eerste plaats op zoek moeten gaan naar een manier om het geloof opnieuw te begrijpen om van daaruit met gelovigen te kunnen omgaan binnen de context van de seculiere multiculturele samenleving waarin we leven.

Samenleving & Politiek, Jaargang 13, 2006, nr. 6 (juni), pagina 58 tot 60