Abonneer Log in

De rol van het Marshallplan in het herstel van de Waalse economie

Samenleving & Politiek, Jaargang 13, 2006, nr. 7 (september), pagina 41 tot 54

Inleiding

Op 30 augustus 2005 stelde de Waalse regering de details voor van wat gebruikelijk het Marshallplan voor Wallonië wordt genoemd, naar de uitdrukking die PS-voorzitter E. Di Rupo voor het eerst in de pers gebruikte op 13 juni 2005.1
Dit plan kwam tot stand naar aanleiding van het debat dat in Wallonië en trouwens ook in de rest van het land al lang aan de gang is, over het herstel van de Waalse economie. Dat debat kwam plots in een stroomversnelling na de verschijning van het boek Wallonie, la vérité des chiffres waarin de Brusselse MR-Senator A.Destexhe de werkelijkheid van het herstel in twijfel trekt. Het effect van dit boek werd nog aangesterkt toen, op 19 mei 2005, de krant Le Soir een ophefmakend interview publiceerde, waarin drie gezaghebbende Franstalige professoren bevestigen dat er in Wallonië niet alleen een algemene aanhoudende achterstand is, maar ook dat ‘de Walen in slaap zijn gevallen, gewiegd door de overdrachten vanuit Vlaanderen'. Ook al ontkennen de vier economisten dat ze dat op die weinig genuanceerde manier gezegd hebben, toch ging de discussie de communautaire kant op. De Vlaamse kranten onderstreepten zo goed als unaniem dat de Walen nu zelf de contraproductieve invloed van de transfers op hun economie toegaven, die al jaren door een deel van de Vlaamse politici aangeklaagd werd.2
Kort daarna, op 30 mei, riep Elio Di Rupo de Waalse socialistische ministers en een aantal Waalse economisten bijeen om een nauwkeurige en gedetailleerde discussie te voeren over de economische situatie van het Gewest en over het al dan niet bestaan van een inhaalbeweging. De discussie leidde tot een genuanceerde conclusie. Uit de beschikbare statistieken blijkt dat het Waalse bruto binnenlands product (bbp) onbetwistbaar trager groeit dan de Vlaamse of Belgische gemiddelden. Op dat vlak is er dus nog steeds geen inhaalbeweging. Uit dezelfde statistieken blijkt echter, op een evenzeer onbetwistbare manier, dat het verschil in groeipercentage tussen het bbp in Wallonië en in Vlaanderen of in België steeds kleiner wordt. Op dat vlak is er dus wel beterschap, hoewel het onvoldoende is om de kloof tussen Wallonië en Vlaanderen te stabiliseren, te verkleinen en uiteindelijk te dichten. Het is bij deze gelegenheid dat E. Di Rupo voor het eerst gebruik maakte van het concept marshallplan.
De economische ontwikkeling is de voornaamste bekommernis geweest voor de Waalse regering en de Waalse politici sinds de meeste economische bevoegdheden overgeheveld werden naar de Gewesten in 1980 en 1988. Dat de economische resultaten veel lager liggen dan de verwachtingen, zorgt daarom ongetwijfeld voor teleurstelling, bezorgdheid en ongeduld.
Eerst de teleurstelling. De opeenvolgende staatshervormingen die sinds 1970 tot de huidige staatsstructuur hebben geleid, zijn telkens door de PS gesteund. Zij moesten de Walen in staat stellen hun eigen lot in handen te nemen en zodoende het economisch herstel van Wallonië tot stand brengen. Door het nalatenschap van het verleden kon men uiteraard eerst een moeilijke periode verwachten. ‘Het zal moeilijk zijn, maar we komen er wel’ zei J.-M. Dehousse, de eerste Waalse Minister-President. Nu ze 25 jaar verder staan, mogen de Walen zich afvragen wat een kwart eeuw zelfbestuur heeft opgeleverd. De woorden van J.-M. Dehousse werden als heel voorzichtig beschouwd toen hij die uitsprak maar blijken vandaag uiterst optimistisch. Moeilijk is het wel geweest, maar we zijn er nog altijd niet…
Nu de bezorgdheid. De te trage economische groei heeft gevolgen voor de Waalse samenleving die steeds zwaarder lijken te wegen: aanhoudend hoge werkloosheidscijfers, lage inkomens, pessimisme dat niet aanzet tot ondernemingszin, te lage investeringen, slecht imago,... Daarmee dreigt een vicieuze cirkel te ontstaan die het herstel nog moeilijker maakt. De aanhoudende economische achterstand van Wallonië wordt in Vlaanderen bovendien steeds vaker gebruikt om de opsplitsing van het land3 te eisen, of, minder radicaal, de splitsing van de sociale zekerheid
Ten slotte, het ongeduld. Politici, onder meer binnen de PS, hebben de indruk dat het Waalse Gewest en de Franstalige Gemeenschap al grote financiële inspanningen hebben geleverd op het vlak van belangrijke toekomstdomeinen. In verhouding soms grotere inspanningen dan in Vlaanderen. Ondanks alle maatregelen die reeds zijn getroffen, blijven de investeringen laag, de economische groei traag en blijft de werkgelegenheid hangen.
Het marshallplan vertolkt die teleurstelling, die bezorgdheid en dat ongeduld van de Waalse politici, vooral dan binnen de PS. De benaming marshallplan verwijst trouwens niet naar buitenlandse hulp, zoals dat het geval was voor het naoorlogse plan van de Amerikaanse Staatssecretaris, en zoals sommigen in Vlaanderen eerst hadden gevreesd, maar wel naar de omvang van het plan, zijn duurzame karakter, en de vastberadenheid van de auteurs.
Of het marshallplan ver genoeg gaat om het herstel krachtig te stimuleren en de Waalse economie definitief sneller te doen groeien dan de traditionele Europese, Belgische en Vlaamse vergelijkingspunten zal blijken in de komende vijf à tien jaar. Desondanks kan men in de volgende paragrafen een aantal elementen proberen te onderstrepen die a priori al dan niet duiden op het succes van het Plan. Eerst komt de context aan bod: het debat over de economische toestand in Wallonië (zie I). Daarna moet men logischerwijze terugkomen op de oorzaken van de Waalse malaise (zie II). Het plan zelf kan men benaderen via de financiële middelen die het gaat mobiliseren. In de oorsprong ervan zit een deel van de symbolische breuk met het verleden (zie III). De maatregelen van het plan zijn tamelijk goed gekend en het is daarom overbodig om ze op een gedetailleerde manier voor te stellen. Daarom worden ze enkel kort uiteengezet (zie IV). Ten slotte vinden we in de conclusie de effecten die het plan mogelijk kan hebben (zie V).

I. De context: het debat over het herstel van de Waalse economie

Een eenvoudige maar verontrustende vaststelling ligt aan de basis van het marshallplan: de Waalse economie is al meer dan 50 jaar structureel niet in staat om op hetzelfde ritme te groeien als het Europese of het Belgische gemiddelde. Dat dit decennia lang het geval is geweest, wordt aangetoond door de cijfers van de werkloosheid die in Wallonië (12%) aanzienlijk hoger liggen dan in Europa-25 (9,2 %), in België (8,4%) of in Vlaanderen (5,4%).
Het is geen nieuw probleem. Vanaf de jaren 1950 ging het bruto binnenlands product (bbp) per inwoner onder het Europese gemiddelde en sindsdien wordt het verschil regelmatig groter. Vergeleken met België, volgt de ontwikkeling dezelfde tendens. Het Waalse bbp per inwoner ligt lager dan het Vlaamse sinds 1963 en de kloof wordt ook groter.
Maar de belangrijkste vraag is uiteraard of deze neerwaartse tendens zich nog steeds doorzet of zij uiteindelijk wordt omgebogen in een opwaartse tendens. De vraag kan elementair klinken, ze is niet gemakkelijk te beantwoorden. De voornaamste reden daarvoor is dat men niet altijd beschikt over de nodige statistieken. Traditioneel oordeelt men over de welvaart van de drie Belgische Gewesten aan de hand van de bbp-statistieken (zie I.1). Het bbp is echter niet de enige en wellicht niet de beste manier om de welvaart van een regio te meten. Andere statistieken kunnen soms een verschillend beeld geven, vooral als het gaat om kleine gewesten zoals Brussel. Daarom is het aangewezen om andere bronnen in overweging te nemen, waaronder de fiscale statistieken (zie I.2).

I.1. De bbp-statistieken

In die bbp-statistieken is tot in 2003 nog geen teken te vinden van een gelijke groei in Wallonie en in België, laat staan Vlaanderen (zie tabel 1).

Tabel 1 - Groei van het bbp tegen constante prijzen 4
(Gemiddelde groeipercentage op jaarbasis)

Men stelt wel vast dat het verschil tussen het Waalse en het nationale of Vlaamse groeipercentage in de loop der jaren minder groot wordt. Tussen 1965 en 1970 lag de groei van het bbp in Wallonië respectievelijk 2,49 en 1,06 punten lager dan in Vlaanderen en in België. Tussen 2000 en 2003 was dat verschil herleid tot 0,484 en 0,4 punten (zie ook grafiek 1).

Grafiek 1 - Bbp: verschil in groeipercentage
(Wal - Vl en Wal - Bel in %)

Nog belangrijker is het feit dat het bbp maar een gedeeltelijk beeld geeft van de welvaart. Terwijl het bbp de toegevoegde waarde is die op het grondgebied van een bepaalde regio is tot stand gebracht, hangt de welvaart van een regio in feite af van het inkomen die zijn bewoners toekomt en minder van de waarde die op zijn grondgebied geproduceerd werd. Het maakt niet uit of die inkomens afkomstig zijn van binnen of buiten de regio. De inkomens komen niet overeen met het bbp maar wel met het brp of bruto regionaal product, maar daar zijn geen langetermijnstatistieken over beschikbaar.
Het verschil tussen bbp en brp kan van groot belang zijn. Zo is het bbp per inwoner van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest een van de hoogste in Europa, terwijl de fiscale statistieken duidelijk wijzen dat de Brusselaars niet veel rijker zijn dan de andere Belgen (zie I.2). Dit is makkelijk te verklaren: het hoge Brusselse bbp is deels geproduceerd door duizenden Vlaamse en Waalse pendelaars die letterlijk, elke avond, een deel ervan met zich meenemen naar het gewest waar zij wonen.
In Wallonië hebben een aantal analisten de indruk dat de evolutie van het brp beter uitkomt dan die van het bbp, en dus dat het verschil in groeipercentage tussen de Waalse economie en de rest van het land kleiner is dan wat te ontwaren valt aan de hand van de cijfers in tabel 1.
Tabel 2 geeft een vergelijking van de regionale economische prestaties in termen van bbp en van brp voor de periode 1998-2002.5

Tabel 2 - Economische prestaties van de Belgische gewesten in termen van bbp en brp (1998-2002)

I.2. De fiscale statistieken

Om dit al dan niet te bevestigen kan beroep worden gedaan op de fiscale statistieken. Men beschikt inderdaad over heel nauwkeurige gegevens van de personenbelasting tot en met juni 2005. De benadering via de fiscale statistieken biedt twee praktische voordelen. Enerzijds zijn ze gebaseerd op de inkomens van de bewoners, waar die inkomens geografisch gezien ook vandaan komen. Anderzijds zijn ze van cruciaal belang in termen van intergewestelijke geldoverdrachten. Ze vertonen ook weliswaar tekortkomingen: niet alle inkomens worden belast en zelfs al worden ze belast, dan zijn ze nog niet op dezelfde manier belast. Zo worden arbeidsinkomens aanzienlijk zwaarder belast dan dividenden of interesten. Daarbij is er ook het feit dat de personenbelasting ook gedeeltelijk gestoeld is op inkomens zoals pensioenen of werkloosheidsuitkeringen, die meer te maken hebben met de solidariteit dan met de economische kracht eigen aan een regio. Ondanks die mogelijke vertekeningen biedt de fiscaliteit een interessant perspectief om over de welvaart van de gewesten te oordelen. Het beeld dat men via de fiscaliteit krijgt, komt grotendeels overeen met de statistieken van het bbp, ten minste wat de verhouding tussen Vlaanderen en Wallonië6 betreft. Maar er zijn ook verschillen.
Tabel 3 geeft het procentueel verschil van de regionale personenbelasting per inwoner t.o.v. het nationale gemiddelde.

Tabel 3 - Personenbelasting per inwoner: procentueel verschil t.o.v. het nationale gemiddelde

Voor Wallonië ziet men de negatieve trend die reeds te zien was in termen van bbp tot en met 2003. Opvallend is echter de positieve evolutie in 2003, 2004 en 2005. Tussen 2003 en 2004 is het negatieve verschil kleiner geworden: van -13,87 tot -13,738. Op zich is dat verwaarloosbaar, maar het werd bevestigd door de evolutie tussen 2004 en 2005: van -13,738 naar -13,252. Op twee jaar tijd is Wallonië erin geslaagd een ‘inhaalbeweging’ van 0,615% van het rijksgemiddelde te realiseren, terwijl Vlaanderen in dezelfde periode met 0,265% verder vooruit ging en Brussel met 3,614% achteruit ging (zie grafiek 2).

Grafiek 2 - Personenbelasting per inwoner: procentueel verschil t.o.v. het nationale gemiddelde - jaarlijkse evolutie.

Het is uiteraard te vroeg om te beweren dat de Waalse economie uiteindelijk sneller of zelfs even snel groeit als in de rest van het land of als in Vlaanderen. Vooral omdat de bovenvermelde cijfers mogelijk beïnvloed zijn door de fiscale hervorming die een gunstiger effect zou kunnen hebben in Vlaanderen. Het is dus afwachten op een onbetwistbare bevestiging.
Desondanks is het toch de eerste keer dat de evolutie in Wallonië op een periode van twee jaar gunstiger is dan die in Vlaanderen en veel beter dan die in Brussel. Als de tendens 2003-2005 zich doorzet, dan wordt de periode 2005-2010 die van de kentering: de periode waarin Wallonië op lange termijn de economische prestaties van het land, en misschien van Vlaanderen, qua groei gaat evenaren. Daarmee is de kloof nog lang niet gedicht, maar dan heeft men de eerste stap gezet en die eerste stap is meteen ook de belangrijkste.

II. De oorzaken

Men kan een hoopgevende evolutie zien in de jongste cijfers. Maar toch is het evident dat in vergelijking met de evolutie in andere regio’s, Wallonië decennialang achteruit is gegaan op economisch vlak. Het is dus ook logisch dat men zich afvraagt hoe dat verschijnsel te verklaren is. Ook daarover is al lang gedebatteerd en de gebruikte argumenten lopen vaak uiteen. Men heeft vaak de rol van de dominerende PS ingeroepen, maar op dat vlak kan men moeilijk het onderscheid maken tussen wat behoort tot het onvermijdelijke partijpolitieke spelletje en wat behoort tot de wetenschappelijke analyse. De PS is bovendien niet altijd aan de macht geweest en ze is nooit alleen aan de macht geweest, noch op centraal-federaal niveau, noch op gewestelijk niveau. De politieke verantwoordelijkheid is dus waarschijnlijk gedeeld. Als men zich dan beperkt tot minder betwistbare vaststellingen van louter economische of sociologische aard, moet men zeker rekening houden met de volgende oorzaken: de crisis van de steenkoolmijnen en de zware industrie (zie II.1), een algemeen onvermogen om zich aan te passen aan de nieuwe context (zie II.2), een slecht imago (zie II.3), een onderwijs en een opleidingssysteem die ondermaats presteren (zie II.4), en, ten slotte, een te lage rendabiliteit van het kapitaal (zie II.5).

II.1. De crisis in de steenkoolmijnen en in de staalindustrie

In 1955 was het Waals bbp per inwoner hoger dan het Vlaamse. Wallonië dankte toen haar welvaart aan de steenkoolmijnen en de staalindustrie. In twintig jaar tijd, tussen 1955 en 1975 zakte het Waalse bbp per inwoner, in procent van het nationale gemiddelde, van 92,19 naar 78,94 terwijl het Vlaamse bbp geleidelijk aan steeg van 88,27 naar 91,70. Sindsdien is het Waalse cijfer wel nog verder gedaald, maar ‘amper’ met 6,64 punten (van 78,94 naar 72,30) in bijna 30 jaar. Het is dus duidelijk dat de Waalse economie het vooral heeft laten afweten in de periode waarin ze haar basisindustrie kwijtraakte.

II.2. Een moeilijke aanpassing aan een nieuwe context

Maar de ondergang van de steenkoolmijnen en de staalnijverheid verklaart niet alles en verklaart vooral niet waarom in de jaren 1980 of 1990, de Waalse economie nog altijd geen economische groei heeft bereikt dat in overeenstemming is met Belgische of Europese normen. Dit heeft dan te maken met een te trage sociologische evolutie, waarbij Wallonië zich niet heeft weten aan te passen aan de nieuwe context. In het verleden zorgden de grote bedrijven uit de traditionele sectoren voor een goed loon en werkzekerheid, zelfs voor weinig gekwalificeerde werkkrachten. Dat model is blijkbaar in de roots van de Waalse sociologie blijven hangen en veel Walen zijn te lang blijven zoeken naar het geruststellend karakter van een baan bij een groot bedrijf; terwijl die banen al lang niet meer bestonden. Dit weerspiegelt zich in een gebrek aan ondernemingszin. In 2003 telde Wallonië 206.093 zelfstandigen, of 60,96 per duizend inwoners, terwijl er in Vlaanderen 415.288 zelfstandigen waren (69,03 per duizend inwoners) en in Brussel 55.447 (55,45 per duizend inwoners). Tussen 1995 en 2003 daalde het aantal zelfstandigen met 3,28% in België, met 0,30% in Vlaanderen, met 7,77% in Brussel, en met 7,63% in Wallonië.

II.3. Een slecht imago

Met het wegvallen van haar industrie, vaak in dramatische omstandigheden, begon Wallonië te kampen met een slecht imago, zowel op nationaal als op internationaal vlak. Dit moet niet worden onderschat. Het regionaal imago is een belangrijk aspect voor de vestiging van een bedrijf, zo blijkt uit een studie van het Federaal Planbureau.7 Bedrijven investeren niet graag hun kapitaal in gebieden die meer gekend staan voor hun problemen dan voor de toekomstperspectieven die ze bieden. De vele verlaten industrieterreinen op het Waalse grondgebied verwijzen naar een triest verleden en niet naar een toekomstgerichte regio. Zij hebben een duidelijk afschrikwekkend effect. Ook de talrijke financiële en politieke schandalen en de soms verbazende verklaringen van bepaalde politici dragen bij tot een imago van slordigheid en verkwanseling van openbaar geld.

II.4. Het onderwijs en het opleidingssysteem

Om rendabele economische activiteiten te ontwikkelen moeten er op regionaal vlak scherpzinnige ondernemers zijn maar ook voldoende geschoolde werkkrachten of werkkrachten die snel kunnen worden opgeleid. Het is ook niet verbazend dat het Federaal Planbureau de kwaliteit van de arbeidskrachten als een van de belangrijkste factoren acht als het gaat om de vestiging van bedrijven. Ondanks de goede wil en de inzet van de leerkrachten of de goede bedoelingen van veel Franstalige politici staat Wallonie ook niet gekend voor de doeltreffendheid van het onderwijs. En dat terwijl de middelen die eraan worden besteed vergelijkbaar zijn met die van de omringende regio’s. Keer op keer wezen de PISA-enquêtes op een grote kloof tussen het noorden en het zuiden van het land.8 Te veel jongeren beheersen hun eigen moedertaal niet perfect - laat staan andere talen - ondanks de schoolplicht tot op 18-jarige leeftijd. Een dergelijke situatie kan alleen maar een negatief effect hebben op hun loopbaan. De Walen zijn ook te vaak niet in staat om zich een voldoende kennis van het Nederlands eigen te maken en dat terwijl we in een tweetalig land leven waar het knooppunt van de economie in het tweetalige centrum en in het noorden ligt, dus grotendeels buiten het Franstalige grondgebied. In het belang van de Franse gemeenschap, en dus van Wallonië, wordt het tijd dat er een diepgaande en realistische studie komt over de doeltreffendheid van het onderwijs.

II.5. De rendabiliteit van het kapitaal

Het geïnvesteerde kapitaal blijkt minder rendabel te zijn in Wallonië dan in Vlaanderen. Volgens Mignolet & Mulquin (2005) leverde het over de periode 1995-2001 een bruto rendement van 14,6% in Wallonië tegenover 17,5% in Vlaanderen.9 Een dergelijk verschil maakt Wallonië natuurlijk minder aantrekkelijk om er een economische activiteit te vestigen.
In Wallonië blijkt de industrie ook minder toegespitst op de nieuwe groeisectoren.10 In dergelijke omstandigheden zal de groei in Wallonië lager uitkomen dan in Vlaanderen, zelfs indien de Waalse bedrijven individueel even goed presteren als hun Vlaamse sectorgenoten. De rendabiliteit is uiteraard beïnvloed door de loonkosten en de productiviteit. Het Federaal planbureau stelt daaromtrent vast dat hoewel de lageloonlanden een forse stijging van de lonen kennen, deze evolutie zeer traag verloopt. In vergelijking met de Europese of OESO-landen is in België de handicap inzake loonkosten stilaan verminderd tijdens de voorbije 25 jaar. Maar in vergelijking met zijn concurrenten, heeft België - en dus ook Wallonië - toch nog altijd te kampen met een groot nadeel op het vlak van loonkosten en dat ondanks alle verminderingen van de sociale bijdragen.

III. De financiële middelen

Met het marshallplan probeert de Waalse regering een aantal van de zwakke punten die hierboven werden vermeld, uitdrukkelijk aan te pakken. Het plan is bedoeld als een extra inspanning die de maatregelen die vroeger werden genomen - en die integraal van kracht blijven - versterkt en coördineert. De omvang van de actie is te zien aan de geldmiddelen die worden ingezet. Tussen 2006 en 2009 zal 1,5 miljard euro extra worden uitgegeven om de economische heropleving te bevorderen.
Zoals reeds vermeld, wordt het plan uitsluitend met Waals geld gefinancierd.11 De verkoop van aandelen van Arcelor levert 180 miljoen euro op; de SRIW12 zal 60 miljoen aan dividenden storten. De regering gaat daarnaast ook 341 miljoen besparen op sectoren die de economische groei niet beïnvloeden13, en de marges die de financiering van de gewesten opleveren voor de periode 2006-2009, 473 miljoen, ook integraal bestemmen voor het plan. In totaal dus 1.054 miljoen euro waaraan men nog een lening van 500 miljoen euro moet toevoegen, om de indus-triële ruïnes en verlaten industrieterreinen schoon te vegen en in hun plaats nieuwe industrieparken aan te leggen. De kosten van de lening (11 miljoen per jaar) zijn inbegrepen in de uitgaven van het plan.

IV. De inhoud van het plan

Het plan is opgesplitst in 5 delen (de ‘prioriteiten’): de groeipolen (zie IV.1); de steun aan de economische activiteit (zie IV.2); lastenverlagingen voor bedrijven (zie IV.3); extra steun voor onderzoek en ontwikkeling (zie IV.4); en nieuwe maatregelen die de werkgelegenheid moeten bevorderen (zie IV.5).
Tabel 414 geeft een samenvatting van de 5 prioriteiten, van de maatregelen die ze bevatten en van de middelen die eraan worden besteed.
Terwijl het overbodig is alle maatregelen te becommentariëren, is het interessant even terug te komen op de elementen die het meest opvallen.

Tabel 4 - De vijf prioriteiten van het plan en hun financiële middelen

IV.1. De groeipolen

In een economie die steeds meer voordeel haalt uit concentratie is versnippering een factor van ondoeltreffendheid. Volgens sommige economisten ligt ze trouwens ook mee aan de basis van de Waalse economische malaise.15 Het is precies om versnippering te vermijden dat de Waalse regering heeft gekozen voor vijf groeipolen waarin de financiële middelen geconcentreerd moeten worden. Een bedrag van 280 miljoen, voornamelijk onder de vorm van steun aan onderzoek en ontwikkeling, moet ervoor zorgen dat het concurrentievermogen in de sectoren waar Wallonië al een zeker potentieel heeft, nog wordt aangesterkt. De sectoren werden gekozen na een universitair onderzoek.16 De voorkeur ging naar sectoren waarin de Waalse bedrijven reeds sterk waren, en die een duidelijk groeipotentieel vertoonden. Het gaat om: biowetenschappen, voedingsmiddelenindustrie, mechanische engineering, vliegtuigbouwkunde & luchtvaart, en vervoer & logistiek De regering zal in deze sectoren innoverende projecten steunen waarbij bedrijven samenwerken met universitaire onderzoekseenheden en opleidingscentra. In december 2005 deed de regering een oproep om projecten in te dienen. De projecten zijn vervolgens voorgelegd aan een internationale jury, en op basis van diens advies heeft de Waalse regering op 7 juli 2006 16 groeipoolprojecten geselecteerd.

IV.2. Steun voor het scheppen van economische activiteit

Een van de redenen van de Waalse economische achterstand is het relatief lage percentage van bedrijfsoprichtingen. Dat percentage blijft laag ondanks talrijke vormen van overheidssteun en een groot aantal privé of openbare organisaties die bij het oprichten van een bedrijf voor advies of administratieve steun kunnen zorgen. Het plan schaft ze niet af, het voorziet de oprichting van een pararegionale NV die belast wordt met de uitvoering van de regionale politiek en met de coördinatie van alle vormen van economische animatie, om het contact met de bedrijven te vereenvoudigen. Naast het marshallplan zelf is ook een akkoord bereikt met de federale regering om regionale subsidies vrij te stellen van de vennootschapsbelasting.
Het plan zal 1.950 banen financieren in de kinderopvang en de diensten die afhankelijke personen begeleiden, zodat vooral alleenstaande vrouwen met kinderen gemakkelijker toegang krijgen tot de arbeidsmarkt. De ruimte die beschikbaar is voor nieuwe bedrijven is een pluspunt voor de regio en het kan een van zijn sterkste troeven worden. Het plan besteedt 232 miljoen aan de aanleg van 34 nieuwe industrieparken goed voor een totale oppervlakte van 1.500 ha. Op termijn kan dit ongeveer 27.000 banen opleveren. Tegelijkertijd zullen 100 industriële ruïnes worden gesaneerd, zowel om plaats vrij te maken als om het imago van de regio te verbeteren.

IV.3. Bedrijfslastenverlaging

Het plan voorziet de afschaffing of de vrijstelling van een aantal regionale, provinciale of gemeentelijke belastingen die de ondernemingen troffen. De regionale vrijstelling betreft de onroerende voorheffing op materiaal en gereedschap en de vaarrechten. Op provinciaal niveau worden de compenserende industriebelasting, de belasting op drijfkracht en de Henegouwse oppervlaktebelasting afgeschaft. Dit zal de provincies jaarlijks 28 miljoen kosten waarvan het gewest 20 miljoen zal compenseren. Ten slotte wordt ook de gemeentelijke taks op drijfkracht afgeschaft. De bedoeling is enerzijds om de bedrijven die reeds aanwezig zijn op Waalse bodem aan te zetten om meer te investeren en anderzijds om Wallonië aantrekkelijker te maken voor nieuwe bedrijven van Waalse, Belgische of buitenlandse afkomst. Of dit de verhouding tussen Vlaanderen en Wallonië grondig gaat beïnvloeden is moeilijk in te schatten. Er bestaat al lang een zekere vorm van fiscale concurrentie inzake onroerende voorheffing: de Waalse basisaanslagvoet bedraagt 1,25% tegen 2,5% in Vlaanderen, zonder dat de Vlaamse capaciteit om nieuwe investeringen aan te trekken is bedreigd. De provinciale fiscaliteit was aanzienlijk zwaarder in Wallonië (133 euro per inwoner) dan in Vlaanderen (81 euro per inwoner). De drie provinciale belastingen die het plan afschaft (industriebelasting, oppervlaktebelasting en belasting op drijkracht) bestaan niet in Vlaanderen, en Vlaanderen heft ook geen vaarrechten. Het ziet er dus naar uit dat de Waalse maatregelen meer een fiscale inhaalbeweging tegenover Vlaanderen vormen dan een echte vorm van fiscale concurrentie.17 Aanvankelijk was de regering ook van plan ‘vrije zones’ te creëren in de gemeenten die het meest getroffen zijn door de economische achterstand.18 In die zones zouden niet alleen de kmo’s maar ook alle andere bedrijven kunnen genieten van de vermelde belastingafschaffingen. De Europese Commissie had echter bezwaren en beschouwde dat een aparte behandeling van grote ondernemingen in de vrije zones en in de rest van het gewest kon zorgen voor concurrentievervalsing. Om aan die opmerking tegemoet te komen, zag de regering uiteindelijk af van de vrije zones, waardoor de belastingsvrijstellingen op dezelfde manier toegepast worden voor alle bedrijven, overal in Wallonië. Om de meest getroffen gemeenten toch een gunstigere behandeling te bezorgen, voorziet het plan dat de investeringen in die zones een hoger niveau van overheidssubsidies zullen krijgen.

IV.4. Onderzoek en innovatie

Het plan voorziet nog eens 150 miljoen voor onderzoek en innovatie, los van de middelen voor de groeipolen. Daarmee zullen onder meer 120 nieuwe onderzoeksbeurzen worden toegekend in samenwerking met het Nationaal Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek.19
Bovendien kondigt het plan de fusie aan van de twee algemene directies die zich binnen de Waalse administratie respectievelijk bezig hielden met onderzoek en economische zaken.

IV.5. Werkgelegenheid en opleiding

Een bedrag van 75 miljoen euro zal worden besteed aan opleiding. Het plan wil in de eerste plaats de kennis van een of meerdere vreemde talen uitbreiden. Daarvoor zullen studietoelagen worden toegekend voor 8.000 uur taalbad en 12.000 extra taalkundige opleidingen voor werkzoekenden.

V. Conclusie: de mogelijke effecten op de Waalse economie

Om te concluderen lijkt het aangewezen om de drie volgende vragen te proberen beantwoorden. Men mag zich eerst afvragen of het Plan een verregaande breuk met het verleden is en, desgevallend, op welk vlak (zie V.1). Daarna moet men ook nagaan wat de zwakke punten van het plan zijn en welke moeilijkheden het niet aanpakt (zie V.2). Ten slotte komen zijn sterke punten aan bod en de effecten die het kan hebben op de Waalse economie. Daarmee snijdt men eigenlijk een andere vraag aan: zijn de verwachtingen die het marshallplan heeft gewekt niet overdreven? (Zie V.3).

V.1. Het marshallplan: een breuk met het verleden?

We hebben het van meet af aan vermeld, het marshallplan weerspiegelt de teleurstelling, de bezorgdheid en het ongeduld van de Waalse politici, onder meer binnen de PS, tegenover de aanhoudende achterstand van de Waalse economie. Het plan ziet echter niet af van de sociale dialoog. Het wil werk maken van een nieuwe economische bloeiperiode, maar daar heeft het de sociale partners voor nodig. Het plan is uitdrukkelijk bedoeld als een project die alle krachten moet bundelen20, dus een geheel dat aanvaardbaar moet zijn voor alle sociale partners. Met andere woorden, het plan is gebaseerd op het idee dat men de welvaart van Wallonië niet kan heropbouwen zonder de mannen, de vrouwen, en de bedrijven die er leven. In die zin, is er geen breuk met het verleden, maar of die breuk wenselijk is op dat vlak, is nu eenmaal de vraag.
Het Plan is dus geen omwenteling. Het is een poging om een economie duurzaam op te krikken zonder sociaal bloedbad. De Vlaamse economie heeft wel een merkwaardig niveau kunnen bereiken met de heel hoge sociale waarborgen die in België al decennia lang gelden. Als het is gelukt in Vlaanderen, waarom moet het per se onmogelijk zijn in Wallonië?
Het behoud van een sociaal dialoog sluit niet uit dat er in het plan wel tekens zijn van een breuk met het verleden. Een eerste breuk is terug te vinden in de oorsprong van de financiële middelen: het gewest verkoopt zijn aandelen van de staalholding Arcelor om onderzoek en ontwikkeling te financieren in de privébedrijven van de groeipolen. Dit houdt een drievoudige symboliek in. Aan de ene kant trekt het gewest zich nog verder terug uit het aandeelhouderschap van privébedrijven en geeft daar impliciet mee toe dat het management van privéondernemingen niet behoort tot de kerntaken van de overheid. Daarbovenop is het ook en vorm van afscheid van de staalnijverheid die historisch symbool staat voor het Wallonië van het verleden. Ten slotte spitst men zich voortaan toe op nieuwe groeisectoren die nog sterker moeten worden via onderzoek en ontwikkeling.
Een tweede breuk betreft de aanzienlijke inspanningen die geleverd zullen worden om de verlaten industrieterreinen te saneren en de industriële ruïnes te doen verdwijnen. Om te breken met het verleden moet men ook de zichtbare littekens van het verleden en hun afschrikwekkend effect schoonvegen. Het verleden moet letterlijk plaats ruimen voor nieuwe investeringen die de toekomst vorm zullen geven.
Een derde breuk is terug te vinden in de verlaging van de fiscaliteit. Dit is trouwens in lijn met de eerste breuk. Als het gewest minder aanwezig is in het aandeelhouderschap van privébedrijven dan heeft het ook minder geld nodig om die aanwezigheid te financieren. Andersom bekeken, als het gewest de bedrijven minder steunt via een rechtstreekse participatie in hun kapitaal, dan is het ook normaal dat het ze minder belast.
Om af te ronden kan men dus vaststellen dat, hoewel het marshallplan op sociaal vlak de dialoog niet opgeeft, het duidelijke nieuwe accenten legt op toekomstgerichte groeisectoren, op een verlaging van de fiscaliteit, op onderzoek en ontwikkeling als motoren van de competitiviteit, en op de eigen verantwoordelijkheid van de privébedrijven.

VI.2. De zwakke punten en de problemen die niet worden aangepakt

Hoewel een miljard euro veel geld betekent op regionaal niveau, vertegenwoordigt dat bedrag, gespreid op vier jaar, gemiddeld 250 miljoen per jaar, of amper 4,37% van de gewestelijke uitgaven in 2005 (5.723 miljoen euro). Dit is het rechtstreekse gevolg van de wil om het plan volledig met eigen middelen te dekken. Daarnaast stelt men ook vast dat het plan nog veel berust op overheidssubsidies. Dit is waarschijnlijk te wijten aan het feit dat de gewesten hun economische bevoegdheden meer kunnen uitoefen via het toekennen van subsidies dan via de verlaging of de afschaffing van sociale bijdragen of belastingen. Op de arbeidskost heeft het plan weinig invloed. Dit is wel begrijpelijk omdat alles wat te maken heeft met het arbeidskostenbeleid hoofdzakelijk een bevoegdheid is van het federaal niveau. Het plan probeert wel de kosten per eenheid product te drukken via een hogere productiviteit, die zelf bevorderd moet worden door een reeks maatregelen op het vlak van onderwijs en vorming/opleiding. Het is nog eens een positieve aanpak van het herstelbeleid: liever meer productiviteit dan minder loon. De vraag is echter of het effect niet te zwak of te traag zal uitkomen.
Voor de rest mag men niet uit het oog verliezen dat de gewestelijke regeringen enkel maatregelen mogen treffen die binnen hun bevoegdheden vallen. Zo behoort de wetgeving op de arbeidskosten tot de bevoegdheden van de federale overheid, net zoals de vennootschapsbelasting. Daarom moet het plan ook worden bekeken in een bredere context. De PS steunt niet alleen de Waalse regering maar ook de federale regering. Die heeft diverse maatregelen getroffen om de loonlasten te verlagen. De federale maatregelen houden geen verband met het marshallplan, maar beide vullen elkaar nuttig aan. De federale loonlastenverlagingen komen ook ten goede aan de Waalse arbeidsmarkt en de notionele interesten die een vestiging in België aantrekkelijker maken, hebben ook een positieve invloed op de aantrekkelijkheid van Wallonië.

VI.3. De sterke punten en de potentiële effecten op de Waalse economie

Onder de sterke punten mag men onderstrepen dat het plan er ongetwijfeld in is geslaagd een positievere stemming te creëren rond de Waalse economie. Het is unaniem gesteund door de Waalse sociale partners. De bedrijven mobiliseren zich alsook de universitaire instellingen en de opleidingscentra om projecten in te dienen in het kader van de groeipolen. De meeste reacties op het marshallplan waren positief in Wallonië en in Vlaanderen.21 Het plan speelt ook terecht in op de beste troeven van de regio: ruimte en ligging. Het creëert meer ruimte om nieuwe vestigingen te ontvangen en bevordert de infrastructuur die in Wallonië reeds beschikbaar is, onder meer, via de afschaffing van de vaarrechten. Die infrastructuur is dan een voordeel voor de groeipool vervoer en logistiek. Ook positief is de sterke nadruk die wordt gelegd op belastingsverlaging en onderzoek en ontwikkeling evenals op de vorming van werkkrachten, onder meer, op het vlak van taalvaardigheid.
Maar ondanks de breuk met het verleden en alle positieve aspecten die het bevat, mag men toch niet alles verwachten van het marshallplan: het mechanische macro-economische effect van een injectie van een miljard euro, gespreid over vier jaar, zal waarschijnlijk beperkt blijven. Daarmee bedoelen wij dat het zeker te beperkt is in omvang om in vier jaar tijd de kloof volledig te dichten die zich gedurende vijftig jaar geleidelijk heeft kunnen ontwikkelen tussen Wallonië en de rest van het land of Europa. Om die kloof te dichten moet men eerst de verdieping ervan stopzetten. In dat opzicht komt het plan waarschijnlijk op een gunstig moment. Zoals vermeld in punt I.2. geven de recentste fiscale statistieken voor 2004 en 2005 een eerste blijk van prestaties die, qua groei, niet alleen het Brussels niveau duidelijk overtreffen, maar ook het nationale en Vlaamse niveau evenaren. Het plan kan ervoor zorgen dat die prille positieve tendens wordt bevestigd, versterkt en bestendigd door een nieuwe groeidynamiek. Het kan bijdragen tot het creëren van een sfeer die meer aanzet tot het scheppen van nieuwe economische activiteit, investering en innovatie. Daarmee zijn al de problemen nog lang niet van de baan en is de kloof nog niet gedicht, maar dat de Waalse economie voortaan minstens even snel groeit als het Belgische en Europese gemiddelde kan gezien worden als dé eerste stap op weg naar het definitieve herstel.

Giuseppe Pagano en Miguel Verbeke
Faculté Warocqué des Sciences Economiques - Université de Mons-Hainaut

Noten
1/ Het Plan heet officieel Onze krachten bundelen: prioritaire acties voor de toekomst van Wallonië.
2/ Zie De Standaard 20 mei 2005.
3/ Zie het recent verschenen Manifest voor een zelfstandig Vlaanderen in Europa.
4/ Bron: Centre de Recherche en Economie Wallonne (Professeur M. Mignolet, Facultés Universitaires Notre-Dame de la Paix, Namur).
5/ Bron: M. Mignolet & M.-E. Mulquin (2005), p.13.
6/ Voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest is het beeld anders. Dat bevestigt dat de bbp-statiesteken er niet in slagen alle aspecten van de regionale welvaart op te vangen.
7/ Zie Federaal Planbureau (2005).
8/ Zie P. Pestieau (2005), pp. 19-20.
9/ Zie M. Mignolet & MP.-E. Mulquin (2005), p.12.
10/ Zie Michiels P.F., Mignolet M. & Mulquin M.-E. (2004).
11/ Het kon trouwens moeilijk anders: onderhandelingen om extra Belgische of Europese steun te krijgen zouden waarschijnlijk lang hebben aangesleept, terwijl de auteurs van het plan zonder uitstel wensten in te grijpen.
12/ Société Régionale d’Investissement pour la Wallonie.
13/ De precieze inhoud van die besparingsmaatregelen zal worden bepaald naar annleiding van de jaarlijkse begrotingsbesprekingen.
14/ Bron: Waalse regering (2005).
15/ Zie J.F. Thisse (2005), hij citeert namelijk de dubbele structuur Gewest-Gemeenschap, de vele staalbekkens en de verspreiding van de universitaire instellingen.
16/ Zie H. Capron (2006).
17/ Het Manifest van de Groep “in de Warande” voor een zelfstandig Vlaanderen, merkt trouwens op dat enkel 9% van het totale bedrag dat gemoeid is met het marshallplan naar de vermindering gaat van de fiscale druk op de ondernemingen (zie pp. 242-243).
18/ Charleroi, Châtelet, Farciennes, Fontaîne-L’Evêque, Manage, La Louvière, Mons, Boussu, Quaregnon, Colfontaine, Dour, Frameries, Liège, Seraing, Herstal, Saint-Nicolas, Oupeye, Verviers, Dison, Flémalle, Engis, Visé en Tubize.
19/ Hoewel de benaming Nationaal Fonds is behouden, gaat het eigenlijk uitsluitend om de Franstalige vleugel van de instelling.
20/ Zie de officiele benaming.
21/  In het Manifest voor en zelfstandig Vlaanderen in Europa daagden ook niettemin kritische stemmen op. Voor de auteurs van het Manifest gaat het niet om echt ingrijpende en verregaande maatregelen. Zij plaatsen de volgende vraagtekens bij het plan (zie pp. 242-243):
- is het wel verstandig dat de overheid de - zogenaamd - veelbelovende sectoren kiest en dit niet overlaat aan de markt?
- het leeuwendeel van de 1.054 miljoen euro gaat naar overheidsparticipaties en -subsidies,
- slechts ±9% van voormeld bedrag gaat naar de vermindering van de fiscale druk op de ondernemingen,
- over 2000-2006 zal enkel en alleen in Henegouwen vanuit de EU 645 miljoen euro geïnvesteerd worden in het kader van Objectief 1 [...] zonder dat het lot van Henegouwen noemenswaardig zal zijn verbeterd,
- er wordt wel gewag gemaakt van een betere coördinatie tussen de diverse overheidsinstellingen maar van een vereenvoudiging van het netwerk van intercommunales e.d. is geen sprake,
- waarom zijn er weinig of geen maatregelen om het dynamisme en de flexibiliteit van de arbeidsmarkt te bevorderen?

Bibliografie
- Capron H. (2006): Les pôles de compétitivité wallons; Rapport de recherche financé par le Ministère de la Région wallonne pour l’Economie, l’Emploi et le Commerce extérieur; 1/2006.
- Denkgroep «In de Warande» (2005) Manifest voor een zelfstandig Vlaanderen in Europa; Brussels; November 2005.
- Destexhe A. (2005) La Vérite des chiffres.
- Hindriks J. (2005) Le malaise économique wallon; in Regards économiques; N° 31; juni 2005; pp. 1-3.
- Federaal Planbureau (2005) Determinanten van internationale lokalisatie met toepassing op de Agoriabranches; Working Paper Nr 16-05; Brussel; September 2005.
- Michiels P.F., Mignolet M. & Mulquin M.-E. (2004) La croissance régionale en Belgique et ses déterminants: une comparaison Flandre-Wallonie entre 1995 et 2001; Tendances économiques n° 27; december 2004; pp. 89-103.
- Mignolet M. & Mulquin M.-E. (2005) PIB et PRB de la Wallonie: des diagnostics contrastés; in Regards économiques; N° 31; juni 2005; pp. 9-14.
- Instituut voor de Nationale Rekeningen (2005) De regionale rekeningen; Brussel.
- Pestieau P. (2005) Le portrait social de la Wallonie: responsabilités et gouvernance; in Regards économiques; N° 31; juni 2005; pp. 15-20.
- Thisse J.-F. (2005) Bruxelles et Wallonie: une lecture en termes de géographie économique; in Regards économiques; N° 31; juni 2005; pp. 4-8.
- Van Haeperen B. (2005) Le marché du travail en Wallonie: un tableau en clair-obscur; in Regards économiques; N° 31; juni 2005; pp. 21-30.
- Waalse Regering (2005) Onze krachten bundelen: prioritaire acties voor de toekomst van Wallonië; Namen; 30 augustus 2005.

Wallonië - Marshallplan - werkloosheid - communautaire verschillen

Samenleving & Politiek, Jaargang 13, 2006, nr. 7 (september), pagina 41 tot 54