Abonneer Log in

Ons kompas wijst naar het Noorden

Samenleving & Politiek, Jaargang 13, 2006, nr. 7 (september), pagina 15 tot 23

Op 22 mei hield sp.a een speciaal partijbureau over het Scandinavisch model samen met Poul Nyrup Rasmussen (oud-premier van Denemarken en nu voorzitter van de Europese sociaaldemocraten) en twee academici (Maria Jespen, Deense verbonden aan het Europees Vakverbond en Annika Sundén van het Zweedse instituut voor sociaal onderzoek). Op 9 juni organiseerde het IEV (het Institut Emile Vandervelde of de studiedienst van de PS) samen met de UCL en het Observatoire social européen een studiedag onder de titel Les modèles scandinaves de protection sociale. Ook in Louvain-la-Neuve was Poul Nyrup Rasmussen present samen met enkele gerenommeerde internationale onderzoekers. PS-voorzitter en minister-president van de Waalse regering Elio di Rupo en PS-minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid Rudy Demotte namen bovendien respectievelijk het openingswoord en de slottoespraak voor hun rekening. Tussen deze twee evenementen van de socialistische partijen opperde VLD-voorzitter Bart Somers dat het toch wel tijd begint te worden dat we ons werkloosheidssysteem op dezelfde leest schoeien als het Scandinavische: hogere werkloosheidsuitkeringen, maar beperkt in de tijd.

In dit artikel gaan we even dieper in op dit zo geroemde ‘Scandinavische model’ en de hype dat het blijkbaar teweeg brengt. We proberen een antwoord te vinden op vragen als: wat is nu precies het Scandinavisch model? Wat zijn de verschillen en gelijkenissen met andere Europese modellen? Kan het Scandinavische model echt zo’n goede resultaten voorleggen? Hoe komt het dat zowel socialisten als liberalen het zogenaamde Scandinavische model willen kopiëren? Kunnen we dat model wel kopiëren? …
De noodzaak om beknopt te zijn dreigt wel voor overdreven veralgemeningen te zorgen, wat helemaal niet de bedoeling kan zijn. Daarom moeten we er toch op voorhand voor waarschuwen dat er ondanks de nadruk op de vele gelijkenissen, ook tussen de verschillende Scandinavische landen belangrijke verschillen bestaan. Zo kan Noorwegen bestempeld worden als een olie-economie, is Zweden nog een vrij industriële samenleving, wordt Finland gedomineerd door één bedrijf (Nokia) en vecht het nog altijd (met liberale recepten) om te bekomen van het verlies van zijn grootste handelspartner (Rusland) en is Denemarken tenslotte een kleine flexibele economie met de nadruk op hoogtechnologie en kleine en middelgrote ondernemingen.

De verschillende Europese sociale modellen

Eigenlijk zijn er in de Europese Unie 25 sociale modellen. Sociale politiek is een domein waarover de lidstaten voor het overgrote deel heer en meester blijven en in de Europese verdragsteksten over het sociaal beleid heerst nog altijd de subsidiariteit. Elke lidstaat heeft daardoor zijn eigen model met zijn eigen tradities, gewoontes, actoren en organisatie. Toch bestaan er ook enkele sociale modellen, die verschillende lidstaten groeperen ondanks hun eigen specifieke kenmerken en achtergronden. Bij de beschrijving van deze modellen beperken we ons hier wel tot de 15 oude EU-lidstaten. Op dit ogenblik is immers nog niet duidelijk of de nieuwe lidstaten uit Centraal- en Oost-Europa omwille van hun gemeenschappelijke achtergrond en geschiedenis een eigen Oosters model zullen ontwikkelen of eerder elementen uit de andere Europese modellen zullen adopteren.
Titmuss was in de jaren 1970 de eerste die drie modellen van sociaal beleid onderscheidde: het residuele model of model A, waarbij de welvaartsstaat enkel tussenkomt wanneer de private markt en het gezin tekort schieten; het ‘industrial achievement-performance’-model of model B, waarbij de welvaartsstaat sterk geïntegreerd is in het economisch bestel en sociale rechten gebaseerd zijn op verdienste, arbeidsprestatie en productiviteit, en tenslotte het institutioneel-herverdelende model of model C met universele voorzieningen die los van de markt aan sociale noden tegemoet komen. Uiteraard wordt model A over het algemeen geassocieerd met de Angelsaksische landen (de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk, …), model B met de continentaal-Europese landen (Duitsland, Frankrijk, België, …) en model C met de Scandinavische landen (Zweden, Denemarken, …).

Esping-Andersen heeft in de jaren 1990 op deze typologie van Titmuss voortgeborduurd. Model A kreeg bij hem de titel ‘liberale welvaartsstaat’, model B ‘conservatieve welvaartsstaat’ en model C ‘sociaaldemocratische welvaartsstaat’. In welvaartsstaatregimes van het liberale type geldt de vrije markt als ideologisch uitgangspunt en kent de welvaartsstaat maar een residueel karakter. Het sociaal beleid kenmerkt zich door universele uitkeringen op laag niveau en door middelgetoetste en weinig adequate bijstandsuitkeringen. De doelstelling is dan ook om de armen een degelijk inkomen te bezorgen. Via deze selectieve maatregelen creëert men echter sociale ongelijkheid en segregatie tussen de welvarende niet-gebruikers van welvaartsstaatvoorzieningen en de minderbedeelden die net van deze voorzieningen afhankelijk zijn. In de conservatieve of corporatistische welvaartsstaat zijn de sociale rechten afhankelijk van de deelname aan de arbeidsmarkt en is het vooral de bedoeling dat de werkende bevolking een degelijk inkomen heeft. De sociale rechten worden bovendien gekoppeld aan de gezinstoestand en het sociaal statuut (arbeider, bediende, werknemer, zelfstandige, ambtenaar). Op die manier reproduceert de welvaartsstaat de bestaande statusverschillen en bevestigt en ondersteunt ze het traditionele gezinsmodel. Dit laatste valt vooral op bij de mediterrane of Zuid-Europese landen waar de familie en de liefdadigheid nog een belangrijke rol spelen. De sociaaldemocratische welvaartsstaat tenslotte is gebaseerd op universele, nationale solidariteit en op sociale rechten die verbonden zijn met het burgerschap. De doelstelling is om iedereen een degelijk inkomen te verschaffen.

Economisten stappen tegenwoordig af van de bovenstaande typologieën van politiek sociologen als Titmuss en Esping-Andersen en komen tot een opsplitsing van de Europese landen in vier categorieën: de Angelsaksische, de Continentale, de Mediterrane en de Scandinavische landen. Ze baseren zich voor deze typologie op twee criteria: efficiëntie en rechtvaardigheid. Een model wordt in deze optiek als efficiënt beschouwd als het voldoende stimuli tot werken bevat en dus ook leidt tot hoge werkgelegenheidsgraden. De Scandinavische en Angelsaksische landen scoren op dit vlak boven het gemiddelde en de Continentale en Mediterrane landen scoren onder het gemiddelde. Een model krijgt dan weer het etiket rechtvaardig mee als het erin slaagt om het armoederisico laag te houden. Op dit criterium zijn het de Scandinavische en Continentale landen die boven het gemiddelde scoren en de Angelsaksische en Mediterrane landen die onder dat gemiddelde stranden. Het Scandinavisch model scoort dus op beide criteria boven het gemiddelde en is dus volgens deze typologie het beste model.

Het Scandinavisch model onder de loep genomen

Onderstaande tabel illustreert duidelijk deze goede scores van de Scandinavische landen op het vlak van werkgelegenheid en armoedebestrijding.

Scores op het vlak van werkgelegenheid en armoedebestrijding

De volgende tabel toont dat het bovendien niet enkel bij een goed rapport op bovenstaande criteria blijft. Naast de hoge scores op het sociaaleconomische vlak, nestelen de Scandinavische landen zich ook steevast in de top-5 van de wereld inzake competitiviteit van de economie, kwaliteit van het leven, …

Competitiviteit van de economie en kwaliteit van het leven

Dat de Scandinavische landen zeer goed scoren op economische én sociale indicatoren, is geen toeval. Hun uitgangspunt is immers dat een sterke competitiviteit en sociale zekerheid samengaan en geen contradicties hoeven te zijn. Vandaar dat Le Monde _ er onlangs voor pleitte om Europa het Scandinavisch model te laten overnemen omdat het de economische efficiëntie van het Angelsaksisch model combineert met de welvaartsstaatvoorzieningen van het Continentale model.
De combinatie van competitiviteit en sociale zekerheid hebben de Scandinaven heel secuur uitgewerkt in het zogenaamde systeem van _flexicurity
. Deze combinatie van een flexibele arbeidsmarkt (flexibility) met een sterke sociale zekerheid (security) is gebaseerd op de volgende pijlers.
(1) Voldoende flexibiliteit in de arbeidswetgeving om te beantwoorden aan de behoeften van de werknemers en werkgevers. Men maakt daarbij een onderscheid tussen vier soorten flexibiliteit: (a) externe flexibiliteit: het gemak om aan te werven of te ontslaan; (b) interne flexibiliteit: het gemak om de werkuren te wijzigen via werken in shifts, seizoensgebonden wijzigingen, overuren en variabele uren; (c) functionele flexibiliteit: het gemak van werkgevers om werknemers verschillende taken toe te kennen, maar ook het gemak voor werknemers om binnen een bedrijf van job of taak te veranderen en (d) loonflexibiliteit: het gemak om het loon aan te passen aan de individuele prestaties.
(2) Vorming en opleiding. Als men in een geglobaliseerde economie heel vaak van job en dus van vaardigheid moet veranderen, dan moet de periode tussen twee jobs gebruikt worden om de werkloze te vormen en nieuwe vaardigheden aan te leren. In Denemarken slaagt men er bijvoorbeeld in om 85% van alle jongeren een opleiding te laten volgen. Van alle mensen op actieve leeftijd volgde de voorbije maand 24,8% in Finland, 27,6% in Denemarken en zelfs 34,7% in Zweden een opleiding, terwijl we in België niet verder komen dan 10%. Deze nadruk op human capital resulteert ook in forse investeringen in hoogtechnologie, in innovatie en in een kenniseconomie, wat zeker heeft bijgedragen tot de sterkte en de competitiviteit van de Scandinavische economieën.
(3) Een actief arbeidsmarktbeleid met het oog op een snelle overgang van de ene naar de andere job en van inactiviteit naar werk. Werkzoekenden worden heel strikt en heel snel opgevolgd, begeleid en ondersteund in hun zoektocht naar een job. Al na drie maanden start in Denemarken deze intensieve begeleiding met aanbiedingen voor opleidingen en voor een job. De flexibele arbeidswetgeving en de intensieve begeleiding leiden er bijvoorbeeld toe dat in de loop van een jaar maar liefst 30% van de Deense werknemers van job verandert! Het arbeidsmarktsysteem is dan ook veeleer gebaseerd op ‘werkzekerheid’ in plaats van op ‘jobzekerheid’. Het gevoel van zekerheid ontstaat niet zozeer door in een zelfde job te blijven, maar eerder door het gemak om een ander te vinden. De sleutel tot dat succes is dat de werkgelegenheidsdienst is omgetoverd van aanbieder van een passieve compensatie voor werkloosheid naar aanbieder van diensten die de werkloze helpt zijn talenten te ontwikkelen en actief op zoek te gaan naar werk. Op die manier kunnen sociale zekerheidssystemen springplanken zijn voor nieuwe mogelijkheden eerder dan passieve afhankelijkheidssystemen.
(4) Een sterke sociale zekerheid en brede welvaartsvoorzieningen. Om te vermijden dat het wankel evenwicht tussen rechten en plichten teveel overhelt naar het laatste, is het van het grootste belang dat er in een sterke en goed uitgebouwde sociale bescherming voorzien is. Die hoge sociale bescherming manifesteert zich door vrij hoge uitkeringen, sterk uitgebouwde diensten en uitgebreide verlofregelingen. Zeker de hoogte van de werkloosheidsuitkering valt op. Ze is dan wel beperkt in de tijd, maar ze is toch vrij riant. Een alleenstaande ouder met twee kinderen krijgt bijvoorbeeld in Finland 80% van het laatst verdiende loon, in Denemarken 76%, in Zweden 88% en in Noorwegen 83%. Voor hetzelfde typegeval is dit in België slechts 64%. De gekende negatieve effecten van hoge werkloosheidsuitkeringen op de werkbereidheid compenseren die landen volledig door de intensieve begeleiding en het activeringsbeleid. De sterk uitgebouwde diensten als kinderopvang en ouderenvoorzieningen en de uitgebreide verlofregelingen (in Zweden bijvoorbeeld 96 weken zwangerschapsverlof versus 15 bij ons) zijn tenslotte vooral bedoeld om de combinatie tussen arbeid en gezin draaglijk te maken.
(5) Sociaal overleg en collectieve onderhandelingen. De rol van de sociale partners, de vakbonden en werkgevers, is in dit hele systeem niet te onderschatten. Ze zijn niet alleen de medebeheerders van de sociale bescherming, ze zijn ook echte sleutelactoren met heel veel verantwoordelijkheid over de arbeidsmarkt en de competitiviteit. Tenslotte is er ook zeker voor de vakbonden een belangrijke rol weggelegd om de mensen voldoende vertrouwen en zekerheid te schenken in de overgang van de oude samenleving met oude zekerheden naar een nieuwe samenleving met nieuwe zekerheden (in plaats van hardnekkig te blijven strijden voor het behoud van de oude zekerheden, ook in een nieuwe samenleving).
(6) Een hoge belastingsdruk. De vele inspanningen op het vlak van sociale zekerheid, vorming, arbeidsmarktbeleid, diensten, competitiviteit, … vergen enorme investeringen en financiële middelen. De belastingsdruk ligt dan ook zeer hoog in de Scandinavische landen, maar de inwoners schijnen dat niet eens zo erg te vinden. Hoge belastingen zijn er geen echt politiek thema, omdat de mensen een zeer sterk vertrouwen hebben in wat er met hun geld gebeurt (ook fraude en ontduiking zouden er veel minder voorkomen dan elders) en omdat het hier gaat om samenlevingen die altijd al veel waarde hebben gehecht aan gelijkheid en solidariteit.
(7) Gelijkheid tussen mannen en vrouwen. Niet alleen tussen de verschillende sociale statuten (ambtenaren, zelfstandigen, werknemers, arbeiders, bedienden) bestaan er geen zo’n verschillen zoals we die bij ons kennen, ook de mannen en vrouwen worden op een veel meer gelijke manier behandeld. De sterk uitgebouwde diensten als kinderopvang en ouderenvoorzieningen en de verlofregelingen maken de combinatie tussen arbeid en gezin draaglijk, wat een zeer positief effect heeft op de werkgelegenheidsgraad en dus de zelfstandigheid van de vrouwen. Bovendien worden de sociale uitkeringen op volledig individuele basis berekend en uitgekeerd. Ze zijn dus niet afhankelijk van de gezinssituatie zoals bij ons en moedigen dus ook al niet het traditionele gezinspatroon aan.

Waarom kijkt iedereen naar het Scandinavisch model?

Naast de eerder geciteerde en tot de verbeelding sprekende resultaten zijn het ook de kenmerken zelf van het beleid die het Scandinavisch model zo aantrekkelijk maken. Het is daarbij opvallend dat de Scandinaven blijkbaar goed weten om te gaan met verschillende uitdagingen waarmee alle Westerse of geïndustrialiseerde landen worden geconfronteerd.
Een eerste voorbeeld daarvan is de globalisering. De snelle en permanente veranderingen plaatsen alle industrielanden voor de uitdaging om de economie aan die globalisering aan te passen, maar tegelijk voor een betere sociale zekerheid te zorgen om de mensen te beschermen tegen de negatieve gevolgen van de globalisering. Het moge duidelijk zijn dat de Scandinavische landen hier met onderscheiding in slagen. Dankzij de nadruk op nieuwe technologieën, op menselijk kapitaal en op arbeidsmobiliteit zijn ze erin geslaagd om hun competitiviteit te verzekeren en om economische wereldprestaties neer te zetten. Door het systeem van flexicurity combineren ze dit met het behoud van hun sterke sociale zekerheid. Door dit beleid zijn ze ook goed op weg om een specifieke uitwas van de globalisering succesvol aan te pakken: de dreigende kloof tussen hoog- en laaggeschoolden, de zogenaamde nieuwe sociale kwestie.
Een tweede uitdaging voor de hele geïndustrialiseerde wereld waar de Scandinavische aanpak toonaangevend is, betreft de vergrijzing. Door hun actieve welvaartsstaat met nadruk op levenslang leren, herscholing en arbeidsmobiliteit gecombineerd met uitgebreide verlofregelingen zijn ze erin geslaagd om de werkgelegenheidspercentages van de oudere werknemers heel hoog te houden.
Een derde uitdaging waar de Westerse wereld mee kampt, is de verandering van de samenlevingsmodellen, het einde van het klassieke gezin. Er zijn veel meer scheidingen dan vroeger, mensen trouwen minder gemakkelijk, er zijn nieuw samengestelde gezinnen, zeer veel alleenstaanden en eenoudergezinnen, … De Scandinavische sociale zekerheid en welvaartsstaatvoorzieningen hebben ervoor gezorgd dat ze ook deze klip vlot hebben genomen. Individuele uitkeringen, uitgebreide verlofregelingen om de combinatie tussen werk en gezin te vergemakkelijken, sterk uitgebouwde diensten voor de gezinnen (kinderopvang, ouderenvoorzieningen, huishoudhulp), … zorgen ervoor dat mensen veel zelfstandiger zijn en minder afhankelijk van de aanwezigheid van een partner en dus ook minder financieel moeten lijden bij een verlies ervan.
Een laatste en vrij simpele reden waarom iedereen de blik naar het Noorden richt, is ongetwijfeld omdat er voor elk wat wils in het model zit. Het model bevat een mix van maatregelen die voor meer flexibiliteit moeten zorgen en andere die voor meer zekerheid moeten zorgen. Daardoor is het mogelijk dat zowel liberalen als socialisten (traditioneel toch tegenpolen op het vlak van socio-economische thema’s) in het Scandinavisch model hun voorbeeld zien. In hun diagnose stellen zowel socialisten als liberalen het einde van de traditionele sociale zekerheid en welvaartsstaat vast, maar hun remedies zijn uiteraard anders. Voor de socialisten is het Scandinavisch model een ideale gelegenheid om offensief zelf voorstellen te doen die de welvaartsstaat en sociale zekerheid hervormen en versterken. Deze kans is alleszins welgekomen, want de laatste jaren stonden socialisten toch vaak met de rug tegen de muur slagen te incasseren van neoliberalen die het einde verkondigen/wensen van de sociale zekerheid en de welvaartsstaat. Voor de liberalen is het Scandinavisch model dan weer een mooie verpakking om een hervorming door te voeren die eigenlijk meer de nadruk legt op flexibiliteit dan op zekerheid. De verpakking is des te aantrekkelijker door de resultaten, maar ook omdat de socialisten ook naar het model verwijzen (het kan dus wel niet zo onmenselijk of ultraliberaal zijn).

Wat kunnen we leren/kopiëren van het Scandinavisch model?

Het moet eerst en vooral duidelijk zijn dat we niet zomaar het Scandinavisch model kunnen kopiëren. In de literatuur wordt in dit verband de term ‘padafhankelijkheid’ gehanteerd. Dit betekent dat het institutionele effect van eerder gemaakte keuzes met betrekking tot de welvaartsstaat zekere grenzen stelt aan de latere handelingsvrijheid.
Er moet ook zeer voorzichtig worden omgesprongen met het kopiëren, omdat het Scandinavisch model een zeer goed uitgebalanceerd evenwicht is tussen rechten en plichten, tussen flexibiliteit en zekerheid. De kans is dan ook reëel dat hervormingen gebaseerd op het Scandinavisch model leiden tot een liberalisering en flexibilisering en dat de verhoging van de zekerheid te weinig aandacht krijgt. Recent vinden we hiervan goede voorbeelden terug in Duitsland met het Hartz-programma (de sociaaleconomische hervormingen van de laatste regering Schröder) en in Frankrijk met het CNE (het Contract Nieuwe Aanwervingen, een arbeidscontract dat werkgevers van KMO’s twee jaar lang de vrijheid geeft om werknemers zonder opgave van reden aan de deur te zetten) en het CPE (het Contract Eerste Job, een nieuw arbeidscontract voor jongeren dat tot doel heeft werkgevers te stimuleren jongeren in dienst te nemen door de ontslagbescherming te verminderen).
Dat een sociaaleconomisch model niet (zomaar) transporteerbaar is van het ene naar het andere land, neemt natuurlijk niet weg dat de principes en methodes van het Scandinavische model inspirerend kunnen werken. Zo bewijzen de hervormingen van de Nederlandse regeringen-Lubbers en -Kok uit de jaren 1990, die de passieve welvaartsstaat omvormden tot een maatschappij met veel meer nadruk op arbeidsparticipatie, dat de welvaartsstaatregimes van het continentaal-Europese type toch enige soepelheid vertonen en de mogelijkheid in zich dragen om er elementen van andere regimetypes in te integreren.
Zo hebben we in Vlaanderen enkele jaren geleden een zorgverzekering opgericht die, in tegenstelling tot de Duitse zorgverzekering (de Pflegeversicherung), afstapt van ons traditioneel socialezekerheidsmodel en eerder volgens de Scandinavische principes is geconcipieerd: universele dekking van de bijdragen en de uitkeringen en niet gebonden aan arbeid, aan een sociaal statuut of aan de hoogte van vroeger betaalde bijdragen.
Zo zijn we in België ook gestart met een nieuw opvolgingssysteem voor de werkzoekenden: sinds 1 juli 2004 komen de mensen jonger dan 30 aan bod, sinds 1 juli 2005 de mensen jonger dan 40 en vanaf 1 juli 2006 de mensen jonger dan 50. De RVA volgt de werkzoekende strikt op en controleert hen op hun beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt en tegelijk begeleiden de regionale werkgelegenheidsdiensten de werkzoekenden zeer intensief via opleidingen, sollicitatietrainingen en werkaanbiedingen. Net als in Scandinavië proberen we dus om van onze sociale zekerheidssystemen springplanken te maken voor nieuwe mogelijkheden eerder dan passieve afhankelijkheidssystemen.
Daarbij is het toch belangrijk om nog twee opmerkingen te maken. Ten eerste kunnen we nog verder gaan in de richting van het voorbeeld uit het Noorden en eraan denken om de werkloosheidsuitkeringen te verhogen. De Scandinavische voorbeelden tonen immers aan dat de negatieve effecten van zo’n hoge uitkering volledig worden gecompenseerd door de intense begeleiding en opvolging. Dat betekent dus dat een financiële werkloosheidsval op het niveau van de werkloosheidsuitkering eigenlijk niet hoeft te bestaan, op voorwaarde dat er actief wordt opgevolgd en begeleid. Ten tweede misschien toch ook een uitzondering maken op het Scandinavische model: de beperking in de tijd van de werkloosheidsuitkering. Bij een efficiënte en strikte opvolging lijkt een beperking in de tijd toch weinig zinvol en weinig rechtvaardig. Dé betalingsvoorwaarde van de uitkering is en blijft immers de beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt en de inspanningen die men levert om aan het werk te geraken. Als men aan die voorwaarde voldoet, moet men de financiële ondersteuning van de zoektocht kunnen blijven krijgen. Als men niet aan die voorwaarde voldoet, heeft men geen recht op een werkloosheidsuitkering. Zo’n schorsing kan dus na 1 jaar of na 5 jaar gebeuren, maar het is vrij duidelijk dat de huidige betalingsvoorwaarde veel eerlijker is dan het botte systeem dat men na een bepaald aantal jaar geen recht meer heeft op een uitkering. De motivatie dat men vermijdt dat mensen zich in de werkloosheid nestelen, is ook al uit de lucht gegrepen, want de intensieve begeleiding en opvolging is op dit vlak veel efficiënter.

Een ander domein waar nog veel werk aan de winkel is en waarbij de Scandinavische landen enige inspiratie kunnen bieden, is de kinderopvang. De voorbije jaren werden al enkele maatregelen genomen om de opvang aantrekkelijker te maken en het aanbod te verruimen: de fiscale aftrek werd verruimd, er werden bijkomende gewone en flexibele opvangplaatsen gecreëerd, er werd een experiment gestart van kinderopvang in buurt- en nabijheidsdiensten, … Door al deze maatregelen blijven het totale aantal plaatsen en het gebruik van de kinderopvang toenemen. Toch kan en moet het nog een stuk beter. In het gebruik scoort de Franse Gemeenschap en zeker de Vlaamse gemeenschap (meestal) beter dan de buurlanden, maar we kunnen niet tippen aan de resultaten van de Scandinavische landen (behalve Finland).
De kinderopvang in België kan dus zeker nog extra, versnelde investeringen gebruiken. Het Scandinavisch voorbeeld suggereert ons alvast dat dergelijke investeringen heel wat voordelen hebben. Vooral de werkgelegenheid van vrouwen vaart er wel bij. Niet alleen omdat de kinderopvang hen in staat stelt om zelf (meer) te gaan werken, maar ook omdat diensten als kinderopvang vaak uitgevoerd worden door vrouwen. Volgens internationaal onderzoek zouden per 100 moeders die werken, 15 extra dienstenjobs worden gecreëerd.

Gebruik van kinderopvang

Uiteraard zijn er nog elementen die we kunnen of moeten overnemen. Denken we maar aan de investeringen in educatie, vorming en opleiding. Het wordt de hoogste tijd dat de eerder afgesproken engagementen voor vormingsinspanningen worden nagekomen. Het Generatiepact heeft die afspraken nog eens bevestigd en verstevigd: nog dit jaar moet een globale vormingsinspanning van 1,9% van de loonmassa bereikt worden, tegen 2010 moet 1 op 2 werknemers in de loop van een jaar vorming volgen of opleiding krijgen, …
Het belangrijkste bij het kopiëren of het transporteren van (elementen van) het Scandinavische succesverhaal is tenslotte dat we altijd het volledige plaatje in het achterhoofd blijven houden: het is een evenwichtig systeem van rechten en plichten dat economische groei en sociale bescherming op een coherente manier combineert en dat op basis van een politieke en sociale consensus hervormingen doorvoert met een langetermijnperspectief, maar ook compatibel met de wetgeving en de institutionele kenmerken die uit het verleden zijn gegroeid.

Conclusie

Is het Scandinavisch model nu zo goed en zoveel beter dan de andere Europese modellen? Ondanks de mankementen en uitdagingen is het antwoord op die vraag toch volmondig ja. De cijfers liegen niet. Het succes schuilt vooral in de coherentie van het volledige socio-economische beleid. Ze combineren een sterke competitiviteit met een sterke sociale zekerheid door het economische beleid, de arbeidswetgeving, de sociale zekerheid en de welvaartsvoorzieningen allemaal op één lijn te zetten en coherent te beheren en hervormen.
Het model is zo succesvol dat de vraag om het te kopiëren of transporteren uiteraard steeds meer wordt geopperd. Daarbij moeten we echter heel goed opletten en beseffen dat het Scandinavisch model een totaalconcept is met een heel uitgebalanceerd evenwicht tussen heel wat beleidslijnen en maatregelen. Die coherentie is in België veel moeilijker te realiseren door onze staatsstructuur en de soms ingewikkelde bevoegdheidsverdelingen. Toch betekent dit niet dat het Scandinavisch model niet inspirerend kan werken. Het actieve werkgelegenheidsbeleid is daar een heel goed voorbeeld van, maar ook de grote inspanningen en forse investeringen in de diensten aan de gezinnen (vooral kinderopvang) zouden tot voorbeeld moeten kunnen strekken.

Kevin Brackx
sp.a-studiedienst

Referenties
- Esping-Andersen G. (2000) A Welfare State for the 21st Century. Ageing societies, know-ledge-based economies, and the sustainability of European welfare states, rapport voor het Portugese EU-voorzitterschap ter voorbereiding van de Lissabontop.
- Mullally L. & O’Brien N. (Open Europe) (2006) Beyond the European Social Model.
- Andries M. (1997) De Belgische sociale zekerheid in de typologie van de welvaartsstaten, Centrum voor Sociaal Beleid (CSB - UA), Antwerpen.
- De Vos M. De truc met het Scandinavisch model, in: De Standaard, 19 juni 2006
- Eurostat
- FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg (2005) Evaluatie van het werkgelegenheidsbeleid van België 2003-2005.
- Working group on Flexicurity (2006) Flexicurity - a first step towards common guiding principles.
- Sapir A. (2005) Globalisation and the Reform of European Social Models, achtergronddocument voor de informele meeting, Brussel, september 2005.
- Larsen LL & Naessens A. Het Deense model van Bart Somers, in: De Standaard, 13 juni 2006
- PS-colloquium van vrijdag 9 juni 2006 met bijdrages van Elio di Rupo (minister-president van de Waalse regering en PS-voorzitter), Gabrielle Clotuche (hoofdadviseur bij de Europese Commissie en professor aan de UCL), Poul Nyrup Rasmussen (voorzitter PES en ex-premier Denemarken), Philippe Pochet (directeur van het Observatoire Social Européen en profesoor aan de UCL), Jean-Claude Barbier (onderzoeksdirecteur aan de Université Paris I), Mikko Kautto (Nationaal Centrum van het Welzijn) en Rudy Demotte (PS-minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)
- Kind & Gezin (2004) Het kind in Vlaanderen
- Jaarverslag Kind & Gezin 2004
- Slottoespraak minister van Sociale Zaken Rudy Demotte op het internationale seminarie Taking forward the European welfare states: common challenges. A contribution to the reflection on the future of the European Social Model, Brussel, 13 oktober 2005
- sp.a-partijbureau van maandag 22 mei 2006 met bijdrages van Poul Nyrup Rasmussen (voorzitter PES en ex-premier Denemarken), Maria Jespen (Deens onderzoekster bij EVV) en Annika Sundén (Zweeds instituut voor sociaal onderzoek)
- Vleminckx K., DG Sociaal Beleid, (2005) Taking forward the European welfare states: common challenges: a contribution to the reflection on the future of the European Social Model, internationaal seminarie, Brussel, 13 oktober 2005
- European Policy Centre (2005) The Nordic model: a recipe for European success?, working paper nr. 20

sociale zekerheid - sociale bescherming - Scandinavisch model

Samenleving & Politiek, Jaargang 13, 2006, nr. 7 (september), pagina 15 tot 23