Abonneer Log in

Vakbonds- en vrouwenrechten in Cuba

Samenleving & Politiek, Jaargang 13, 2006, nr. 8 (oktober), pagina 46 tot 50

In Brussel werd onlangs een internationale beweging opgericht die de uitwisseling van ideeën wil stimuleren tussen de Cubaanse democratische linkerzijde en de Europese progressieven en socialisten: Cuba-Europa en Progreso.
Mia De Vits legt uit waarom ze tot het beschermcomité is toegetreden.

Spreken over Cuba is nooit gemakkelijk geweest voor progressieven. Maar het Amerikaanse embargo tegen Cuba mag geen excuus zijn om de mensenrechten - en in het bijzonder de syndicale rechten - niet te respecteren.
Het ABVV en het Internationaal Verbond van Vrije Vakverenigingen (IVVV) hebben altijd een centrale plaats toegekend aan de Verklaring van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) over de Fundamentele Principes en Rechten inzake Arbeid die in 1998 werden goedgekeurd. Cuba is lid van de IAO (sinds 1919), maar overtreedt voortdurend deze principes.

Syndicale rechten in Cuba

In Cuba bestaat er geen enkele vrijheid van vereniging, noch op politiek vlak, noch op sociaal vlak, noch cultureel of economisch. Uiteraard genieten de Cubanen dus ook geen syndicale vrijheden. De onvrijheid staat zelfs verankerd in de grondwet. Collectieve onderhandelingen zijn bijgevolg onbestaande. De statuten van de enig toegelaten vakbond in Cuba stipuleren letterlijk:
‘De Centrale van de Cubaanse Arbeiders (CTC) en de Vakbonden erkennen openlijk en bewust de opperste leiding van de Communistische Partij van Cuba, als detachement van de voorhoede en opperste organisatie van de werkende klasse. Ze heten de partij welkom, vereenzelvigen zich ermee en volgen haar beleid.’
Wetende dat de Communistische Partij de enige toegelaten partij is - en dat zelfs die partij in feite een schaamlap is voor het machtsmonopolie van een beperkte kring, voornamelijk, militairen rond Fidel Castro - mag gerust worden gesteld dat de CTC in wezen functioneert als een soort Ministerie van Arbeid binnen een maatschappij die verstoken is van collectieve en individuele vrijheden. De voornaamste functie van de officiële vakbond bestaat erin om de meer dan drie miljoen (de facto verplicht) aangesloten werknemers van de staatsbedrijven te mobiliseren, te controleren, te leiden en politiek te instrueren, om hen te verhinderen hun eigen belangen te verdedigen en hen te dwingen het regime actief te ondersteunen op de manier en op het moment waarop dat van hen gevraagd wordt. Nog nooit heeft er in het Castro-tijdperk één staking plaatsgevonden. Het stakingsrecht bestaat in Cuba niet, wettelijk noch feitelijk. Een poging tot het organiseren van een staking levert in het beste geval een one-wayticket richting gevangenis op.
In maart 2003 werden acht Cubaanse dissidenten die vrije vakbondsstructuren probeerden op te zetten tot gevangenisstraffen van 12 tot 26 jaar veroordeeld. De meest gekende onder hen is Pedro Álvarez Ramos van de onafhankelijke vakcentrale CUTC, aangesloten bij de CLAT.1 Hij kreeg in 2003 een gevangenisstraf van 25 jaar - hij zal 80 jaar zijn als hij in 2028 vrijkomt. Om ook de familie te straffen werd hij (zoals anderen) op honderden kilometer van thuis gevangen gezet, wat het driemaandelijkse familiebezoek nog zwaarder maakt. De gevangenissen in Cuba zijn bovendien vaak mensonwaardig - wellicht geen uitzondering in Latijns-Amerika. Cuba is het enige land in het westelijke halfrond waar gevangenen niet mogen worden bezocht door het Rode Kruis. Tijdens het proces tegen de vakbondsmensen gaf het regime toe dat agenten van de Staatsveiligheid tot in de top van de onafhankelijke vakbondsbeweging waren geïnfiltreerd en van daaruit zelfs communiceerden met de IAO en het IVVV.
Hoewel in Cuba geen dwangarbeid of kinderarbeid als dusdanig bestaat, mag je best wat vragen stellen bij een onderwijssysteem dat de meeste scholieren vanaf 15 jaar verplicht in een kostschool op het platteland te verblijven, om er vier uur per dag onbetaald productieve arbeid te verrichten. Tussen 12 en 15 jaar moet iedereen er 45 dagen per jaar verblijven. Sommige oogsten, zoals de koffieoogst, zijn sterk afhankelijk van deze scholierenarbeid.
De IAO en het IVVV hebben steeds zware kritiek geuit op de discriminatie inzake tewerkstelling en beroep zoals die in Cuba voortdurend beoefend wordt door de vakbonden ten voordele van de zogenaamde voorbeeldige (lees: regimegetrouwe) arbeiders. Dat geldt niet enkel bij aanwerving en promotie. Het regime gebruikt de officiële vakbond in het bedrijf als kanaal voor de systematische discriminatie onder het personeel, door de bond o.m. te belasten met de politiek selectieve distributie van gebruiksartikelen (kleuren-tv’s, ventilators enz.), of bij het toekennen van nieuwe woningen tegen voordelige voorwaarden voor zij die zich naar buiten toe als vrienden van het regime profileren.
Europese organisaties denken beter twee keer na eer ze - in naam van een misbruikte Europese solidariteit - projecten in Cuba opzetten die dit soort discriminatoire praktijken in de hand werken en die vooral een propagandistisch dividend opleveren voor het regime. Cuba smeert deze solidariteit breed uit in de media en wil zo de indruk wekken dat de Europese (en Belgische) werknemers solidair zijn met het regime.
Eén van de meest flagrante overtredingen van de internationale voorschriften op het vlak van arbeid wordt begaan bij het contracteren van personeel door buitenlandse bedrijven (meestal gemengde bedrijven met Cubaanse staatsparticipatie). De aanwerving, afdanking en uitbetaling van de lonen gebeurt niet rechtstreeks door het bedrijf dat tewerkstelt, maar door een intermediair staatsagentschap. In overeenstemming met de Cubaanse ‘Wet op de buitenlandse investeringen’ laat dit staatsagentschap zich door het buitenlandse bedrijf het loon van de werknemers uitbetalen in buitenlandse deviezen en via een platte wisseltruc betaalt het de werknemer slechts 1/25 van het ontvangen bedrag uit, in nationale peso’s. Het staatsagentschap strijkt zo de overige 95% op (art. 33 en 34 van bovengenoemde wet). Iets wat regelrecht ingaat tegen artikel 6 en artikel 9 van de Conventie nr. 95 van de IAO, goedgekeurd door Cuba in 1959.
De beknotting van de democratische en syndicale vrijheden en de rigiditeit van de monopolistische staatseconomie zijn verantwoordelijk voor de economische neergang van Cuba na het opdrogen van de subsidiestroom uit de vroegere Sovjet-Unie. De reële waarde van het loon en van de pensioenen zijn gekelderd. Het pensioen bedraagt ongeveer 6 euro, het gemiddelde loon zo’n 11 euro - ook met de lagere voedselprijzen kan je daar in Cuba onmogelijk mee rondkomen. De ‘middenklasse’ van onderwijzers, vaklui, technici en goed opgeleide arbeiders is zowat de slechtst betaalde van Latijns-Amerika. Maar ‘gelukkig’ is er de zwarte markt en de illegale arbeid om het lage loon aan te vullen. De kwakkelende staatseconomie schept automatisch een zwarte vraag en een zwart aanbod om de gaten in de behoeftebevrediging op te vullen. Wie dus niet te oud of te ziek is geeft zich over aan illegale arbeid of illegale praktijken om het loon aan te vullen. De diefstal van artikelen en grondstoffen uit de staatsbedrijven richting clandestiene markt stijgt opzienbarend. Het aantal clandestiene ateliers is ontelbaar. Om niet tegen de lamp te lopen of verklikt te worden is openlijk politiek windhaangedrag de beste garantie. Een sfeer van cynisme, hypocrisie en verlies van arbeidsethiek viert hoogtij en ondergraaft de morele gezondheid van de Cubaanse samenleving. Een fenomeen dat vooral de positie van de vrouw in die samenleving treft.

De rechten van de vrouw

De afwezigheid van het recht op vereniging, en van onafhankelijke media die problemen kunnen aankaarten, verhoogt op dramatische wijze de kwetsbaarheid van bepaalde groepen in de samenleving. Ik wil dit concreet illustreren aan de hand van het thema van het geweld tegen vrouwen en van prostitutie op Cuba.
Zeer zeker zijn deze rechten op een aantal vlakken sinds de revolutie sterk uitgebreid (niet alleen in Cuba trouwens). Nog voor de revolutie en voor Batista stond Cuba op dat vlak trouwens al veel verder dan de meeste andere Latijns-Amerikaanse landen. Maar van een regime dat van de daken schreeuwt dat Cuba een voorbeeld is op het vlak van vrouwenrechten verwacht je als socialiste en als vrouw toch in de eerste plaats dat die vrouwen zich vrij en autonoom kunnen organiseren. Het tegendeel is echter waar. De communistische Federación de Mujeres Cubanas bezit volgens de grondwet het staatsmonopolie over de vrouwenbeweging. Voorzitster is sinds 1960 de 76-jarige Vilma Espín - echtgenote van Raúl Castro. De gevolgen van dit staatsmonopolie op de belangenverdediging van vrouwen zijn nefast. Onthutst was ik na het lezen van het rapport over het geweld tegen vrouwen in Cuba van de speciale rapporteur van de Verenigde Naties Radhika Coomaraswamy (08.02.2000, met opvolging in 27 02. 2003).2
Het rapport beschrijft uitvoerig hoe de overheid al dan niet vermeende jineteras, dat zijn de jonge vrouwen die zich, vaak slechts bij gelegenheid, overgeven aan betaalde seks of meer systematische prostitutie, aan de schandpaal nagelen. Prostitutie is in Cuba niet strafbaar, maar valt wel onder de ‘wet op de gevaarlijkheid’ (potentieel gevaar), door de strafwet omschreven als de neiging die iemand vertoont om eventueel misdaden te begaan. Een vergaarbakwet die ‘asociaal’ gedrag bestraft met tot 4 jaar vrijheidsberoving en waarvan wellicht al duizenden al dan niet vermeende prostituees het slachtoffer werden. Het is een draak van een wet die in geen enkel beschaafd land door de mazen van het democratische vangnet, publieke opinie, parlement en grondwettelijk hof, zou geraken. Ik citeer uit het rapport:
‘Anti-social behaviour and causing disturbance to the community are considered manifestations of such dangerousness. If a person is determined to be dangerous in accordance with the aforementioned provision, the Penal Code allows for the imposition of pre-criminal measures, including re-education for periods of up to four years. The person may be detained by the State during that time until the dangerousness disappears from the subject.’
Tijdens haar onderzoek werd de speciale UNO-rapporteur onafgebroken vergezeld door vertegenwoordigers van de Federación de Mujeres Cubanas, en mocht ze niet vrij spreken met gevangenen of met onafhankelijke organisaties. Het gebrek aan juridische bescherming maakt van sommige jonge vrouwen in Cuba een gemakkelijke prooi voor de politie. De scheidingslijn tussen ontspanning in de discotheek, omgang met toeristen, gelegenheidsprostitutie en systematische prostitutie valt in Cuba namelijk moeilijk te trekken. De aanhouding, vaak in de vorm van razzia’s, gebeurt in de regel op basis van uiterlijke kenmerken (kleding, maquillage,…) en van de plaats waar de vrouwen zich bevinden (plaatsen waar met deviezen moet worden betaald zoals sommige discotheken, toeristische centra…), en niet op basis van bewezen feiten.
Vrouwen die opgepakt worden op basis van de wet op de ‘gevaarlijkheid’, krijgen eerst een waarschuwing, een volgende keer belanden ze, na een spoedproces, meestal zonder advocaat, soms 4 jaar in gesloten werkkampen, waar ze nog steeds volgens het UNO-rapport slechts om de 15 dagen 2 uur bezoek ontvangen, en waar de levensomstandigheden, voeding en medische verzorging barslecht zijn. Gedwongen arbeid en politieke brainwashing staan dagelijks op het menu. Vele van deze jonge vrouwen hebben nog kleine kinderen. Het rapport klaagt ook aan dat prostituees vaak verbannen worden naar hun provincie van oorsprong, en wijst erop dat dit strijdig is met het recht op beweging gegarandeerd door de Universele Verklaring van de Mens.
Als je stukken leest uit de (verboden) onafhankelijke pers, merk je dat het fenomeen van de repressie tegen jonge vrouwen tot vandaag onverminderd doorgaat. Het regime kent enkel de repressieve aanpak. Geen vrouwenorganisatie, vakbond of partijkrant die daarover in Cuba rept. Terloops verbaast de speciale rapporteur zich over het hoge aandeel vrouwen in het aantal zelfdodingen, haar gerapporteerd door de autoriteiten: 75% (van een aantal dat in Cuba sowieso erg hoog ligt). Dit percentage staat in sterk contrast met de heersende tendens in de meeste landen waar het mannenaandeel veel hoger ligt dan dat van de vrouwen.
Over ongewenst seksueel gedrag stelt het rapport:
‘In haar contacten met vakbondsleiders uit de sectoren van handel, cultuur en communicatie kreeg de speciale rapporteur te horen dat er geen gevallen van ongewenst seksueel gedrag gerapporteerd worden. Ook bij de officiële vakbondskoepel Central de Trabajadores de Cuba waren er nooit klachten over ongewenst seksueel gedrag op het werk.’
Hoewel de officiële vrouwenfederatie overal sterk ingeplant is in Cuba, en, volgens het rapport ook vaak goed werk verricht, verbaast de speciale rapporteur er zich over dat er in het land geen vluchthuizen bestaan. Ze wijst ook op de pijnlijke huisvestingsproblemen, waardoor vaak drie generaties in een of twee kamers opeengestapeld zitten, wat aanleiding geeft tot frequent huiselijk geweld.
In haar eindbesluit doet de speciale rapporteur enkele duidelijke aanbevelingen: ontmanteling van de speciale rehabilitatiecentra opgezet voor prostituees, opzetting van speciale wetgeving rond huishoudelijk geweld en ongewenst seksueel gedrag, de oprichting van vrouwenvluchthuizen in alle provincies, toegang van internationale en nationale organisaties tot de gevangenissen (het Rode kruis krijgt in Cuba geen toegang), eerbiediging van de politieke en burgerlijke rechten van vrouwen door het toestaan van onafhankelijke politieke en civiele organisaties en door het garanderen van de onafhankelijkheid van het gerecht, het stopzetten van willekeurige aanhoudingen.

Onze natuurlijke bondgenoten in Cuba

Onze vrienden van de Cubaanse democratische linkerzijde verdienen de volle steun van alle democratische socialisten en a fortiori van de vakbondsmensen en van de verdedigers van de rechten van de vrouw. Het is een illusie te geloven dat Cuba uit zichzelf zal evolueren naar een democratie. Zonder de volgehouden inspanning van een georganiseerde progressieve democratische oppositie in Cuba riskeert het huidige regime te evolueren in een richting die absoluut niet gewenst is: een corrupte Chinese of Russische variant, of naar een democratie die voldoet aan de strategie van Washington. Ondanks de repressie, het cynisme, de materiële tekortkomingen, de verdachtmakingen vanuit alle hoeken is er in Cuba een groep moedige mannen en vrouwen die de waarden van het democratische socialisme blijven uitdragen: democratie, solidariteit, herverdeling, gelijkheid van kansen, geweldloosheid.
De beheerste manier waarop de Cubaanse Arco Progresista geleid door Manuel Cuesta Morúa zijn sociaaldemocratisch project uitbouwt, heeft op mij indruk gemaakt. Zij zwichten niet voor de begrijpelijke verleiding van een ultraradicale vlucht vooruit zoals sommige Cubanen, voornamelijk die in Miami. Zij verkiezen geduldig meer ademruimte te creëren voor discussie en dialoog binnen de samenleving, om ooit een onmisbare partner te worden in de dialoog met de regering, en zo de Cubaanse samenleving te redden van een gevaarlijke confrontatie. Mijn vakbondservaring leert me dat dit de geschikte weg is. Ooit zal er toch moeten worden onderhandeld tussen oppositie en machthebbers. De armoede, de jarenlange opgestapelde haat in de Cubaanse samenleving en de geopolitieke situatie van Cuba tegenover de VS laten geen gevaarlijk spel toe.
Ik toon mijn solidariteit met onze Cubaanse vrienden door toe te treden tot het beschermcomité van de pas opgerichte internationale vzw Cuba-Europa en Progreso (www.cuba-europa.org, in opbouw). De vereniging wordt voorgezeten door mijn Spaanse socialistische collega in het europarlement, Luis Yáñez-Barnuevo en door de Cubaanse sociaaldemocratische leider Manuel Cuesta Morúa.
De beweging wil een brug maken tussen de progressieven in Cuba en Europa. Ik hoop dat de vereniging kan bijdragen tot een betere bekendheid in Cuba van onze sociaaldemocratische visie en van een aantal positieve kanten van het Europese model. Omgekeerd wil ik bijdragen tot een betere bekendheid van de inspanningen van onze Cubaanse vrienden binnen de progressieve bewegingen in Europa.
De (te verwachten) opvolging van Fidel Castro door zijn broer Raúl opent wellicht een verschuiving van een eenpersoonsregime naar een meer collectief leiderschap door de communistische partij. Discussies aan de top kunnen op termijn nieuwe perspectieven openen voor beperkte economische hervormingen en kunnen in een later stadium uitmonden in een dialoog tussen het regime en de samenleving, en dus ook met de georganiseerde oppositie. Ik hoop van harte dat de Arco Progresista in deze nieuwe context een belangrijke rol zal kunnen spelen.

Mia De Vits
Europarlementslid sp.a 3

Noten
1/ De CLAT is de koepel van christelijk georiënteerde vakbonden in Latijns-Amerika.
2/ http://www.unhchr.ch/Huridocda/Huridoca.nsf/0/cab2b9bda29591c0802568ac00531e1b/$FILE/G0010672.doc
3/ Met dank aan Dirk Van den Broeck voor de hulp bij het verzamelen van de informatie.

Cuba - vrouwen - vakbond

Samenleving & Politiek, Jaargang 13, 2006, nr. 8 (oktober), pagina 46 tot 50