Log in

Werk verzekeren

Solidariteit en verzekering

De basisprincipes van de werkloosheidsuitkeringen zijn solidariteit en verzekering. Iedereen legt samen voor als het slecht gaat. Aanvankelijk deed men dat op vrijwillige basis, bijvoorbeeld gewoon in een sigarenkistje. De vakbonden hebben daar vanaf het begin een belangrijke rol in gespeeld. Later zijn de gemeenten bijgesprongen en nog later de nationale overheid. Vandaag is een werknemer verplicht een werkloosheidsbijdrage te betalen. Als hij werkloos wordt, kan hij rekenen op een uitkering. Dat is het principe van de verzekering, hoewel moet worden toegegeven dat dit in ons land wat uitgehold is omdat de uitkeringen gemiddeld eigenlijk nog maar 27% van het vroegere loon dekken.1 Het uitbetalen van de uitkeringen en de controle op de werklozen zijn federaal. Ze worden door de RVA gedaan. De begeleiding naar werk is regionale materie en wordt door de regionale arbeidsbemiddelingsdiensten gedaan. Zonder dat ik me daarmee meng in de communautaire discussie houdt mij in wat volgt vooral het federale niveau bezig. Ik wil eigenlijk in algemene termen een antwoord formuleren op een aantal commentaren die de laatste weken te horen en te lezen waren.

Een verzekering betaal je uit

Je kunt het ontstaan van het verhaal van de werkloosheidsverzekering lezen in: Werkloosheid in België 1929-19402, de boeiende doctoraatsstudie van de historicus Guy Vanthemsche. Het is verrassend wat men al in het verleden aan remedies uitgeprobeerd heeft. Zo dacht men in de jaren dertig dat de overheid werklozen moest opeisen. Men vond het schandalig dat werklozen ‘betaald werden om niets te doen’. Vooral op aandringen van conservatieve en landelijke milieus is op 31 mei 1933 een KB verschenen dat het mogelijk maakte werklozen op te eisen voor werken die anders niet door de privé gedaan werden. Het ging over herstel of aanleg van wegen, uitkuisen van greppels en waterwegen, bebossing enzovoort. De werkloze hoefde niet de hele dag te werken, maar net zolang tot hij zijn werklozenvergoeding ‘verdiend had’. Een werkloze die weigerde verloor zijn uitkering. Welnu, heel vlug bleek dat niet te werken. De organisatie werd aan de gemeenten overgelaten, maar het systeem werd vooral geboycot. Op 15 december 1935 werd nog een nieuw KB gemaakt en in 1936 werd onder impuls van de socialisten bepaald dat de vergoeding in geval van opeising een normaal loon moest zijn. Maar toen trok de economie aan en het werkloosheidsprobleem werd minder acuut. In 1939 was het echter weer zover. De werkloosheid flakkerde op en eind van dat jaar werd de opeising gereactiveerd. Het resultaat was weer niet goed. Je moet werklozen immers werk geven, niet bezig houden als kleine kinderen.

Stel je voor dat je huis afbrandt. Je denkt dat je goed verzekerd bent, maar de verzekeringsmaatschappij weigert te betalen, tenzij je een tegenprestatie levert. De consumentenprogramma’s op tv zouden er terecht moord en brand over schreeuwen. Of je hebt een zogenaamde aanvullende verzekering gewaarborgd inkomen. Tegenwoordig doen niet alleen zelfstandigen dat, maar ook bedienden en kaderleden. Als ze ziek worden is het inkomensverlies, wegens de plafonds aan de uitkeringen, heel groot. Een aanvullende verzekering kan soelaas bieden. Ik ga voorbij aan de problematiek dat de arbeiders uit zo’n systeem geweerd worden, maar stel de vraag wat men zou denken als de verzekeringsmaatschappijen zouden eisen dat de verzekerden die op een uitkering terugvallen klusjes voor hen doen? Op een verzekering moet je kunnen rekenen. Je moet aan de voorwaarden voldoen, uiteraard. En je mag niet sjoemelen, uiteraard niet. Voor een werkloosheidsverzekering die ook op solidariteit gestoeld is, is een essentiële voorwaarde dat de werkloze actief naar werk zoekt, zo nodig een opleiding volgt en ook daadwerkelijk ingaat op een passend werkaanbod. En een passend werk veronderstelt een normaal loon. Wie daar probeert aan te ontkomen, ondergraaft het systeem en is een onaanvaardbaar risico. Hij of zij moet zonder meer worden verwijderd.
Al de rest is afgunst, maar dan van de laagste soort. Wie immers denkt dat men van werkloosheidsuitkeringen rijk wordt, vergist zich. Een nuchtere journalist van De Tijd schreef het deze zomer met zoveel woorden: ‘Maar een ding is wel duidelijk: de uitkeringen zijn allesbehalve comfortabel, zelfs wanneer u de maximumuitkering ontvangt. En die maximumuitkeringen zijn slechts voor weinigen weggelegd.’3 Gezinshoofden krijgen hoogstens iets tussen de 900 en 1000 euro per maand, heel veel krijgen minder dan 900 euro. Probeer dan maar je kinderen niet te ontgoochelen op hun eerste schooldag. Bijna de helft van de alleenstaande werklozen heeft een inkomen tussen de 700 en de 800 euro. Men kan er zeker van zijn dat die mensen niet te veel hobby’s zullen hebben. Iets meer dan 40% van de samenwonenden ‘trekt’ een bedrag tussen 300 en 400 euro.4 Een alleenstaande schoolverlater die 21 jaar is krijgt 625 euro. De andere schoolverlaters die 21 zijn krijgen hoogstens 360 euro.

We leven duidelijk in een afgunstmaatschappij! Je zou denken dat enkel wie veel heeft, jaloers kan zijn op wie niet veel heeft. Het is misschien nog interessant deze bedragen te vergelijken met het zogenaamde leefloon, dat door de OCMW’s wordt uitgekeerd. Een gezin krijgt een leefloon van 834 euro per maand, een alleenstaande 625 euro en een samenwonende 417 euro. Wie de uitkering van werklozen afneemt, moet beseffen dat velen van hen verplicht zullen zijn een leefloon aan te vragen.

Zuinig zijn met RVA-geld

Maar dat de uitkeringen niet royaal zijn, is op zich natuurlijk geen reden om niet secuur toe te zien of alle vergoedingen terecht uitbetaald werden. De RVA geeft elke maand een uitkering aan 1,2 miljoen personen of 17,6% van de beroepsactieve bevolking. In het jaar 2005 kwam dat neer op ongeveer 8.000 miljoen euro! Daarvan ging 3.900 miljoen naar werkzoekenden. Want de RVA zorgt ook voor een uitkering aan tijdelijke werklozen, deeltijdse werknemers, vrijgestelde oudere werklozen, bruggepensioneerden, vrijgestelden om sociale en familiale redenen, begunstigden van activeringsmaatregelen, onthaalouders en werknemers die hun werktijd aanpassen.5 Maar 3.900 miljoen euro blijft een gigantisch bedrag. Alleen al daarom moet heel strikt worden opgevolgd of werklozen de afspraken in het contract van hun verzekering tegen werkloosheid nakomen.
Sinds 1 juni 2004 is daarom een procedure in gang gezet om het zoekgedrag van werklozen te activeren. Het komt erop neer dat werklozen door de RVA worden opgeroepen en moeten aantonen dat ze efficiënt werk zoeken. Indien de RVA-ambtenaar of zogenaamde facilitator vindt dat het zoekgedrag niet voldoet, wordt een werkloze een verbintenis voorgelegd waarin hij zich heel concreet engageert zijn gedrag bij te sturen. De RVA kan een werkloze die zich niet aan de afspraken houdt sanctioneren. De regionale arbeidsbemiddelingsdiensten sanctioneren nooit zelf, maar signaleren aan de RVA wie zich niet aan de regels houden. Dat zijn de fameuze ‘transmissies’ van gegevens. In de opvolging door de RVA zijn drie fasen voorzien: vanaf 1 juli 2004 werden alle werklozen jonger dan 30 opgeroepen, vanaf 1 juli 2005 alle werklozen jonger dan 40 en vanaf 1 juli 2006 alle werklozen jonger dan 50 jaar. Of men ook werklozen ouder dan 50 zal oproepen zal worden beslist bij een evaluatie in 2007.
Men ziet onmiddellijk dat dit een enorme operatie is, met duizenden en duizenden brieven en gesprekken. De laatste fase is nog maar net opgestart. Vandaag is vooral zicht op de resultaten van de eerste fase, maar toch al gedeeltelijk op deze van de tweede. In de eerste fase bleek 63% van de werklozen voldoende inspanningen te doen. Ze mochten gewoon verder doen. In de tweede fase was dat 54%. In de eerste fase ondertekenden 37% een verbintenis, in de tweede 44%. Deze werklozen moeten dan een aantal bijkomende inspanningen doen om werk te zoeken. Die afspraken worden op papier gezet en later wordt nagekeken of het engagement wordt nagekomen.
Sinds het begin van de nieuwe activeringsprocedure werden 3.684 werkzoekenden gesanctioneerd. Voor alle duidelijkheid: dat zijn de werklozen die gesanctioneerd werden in het kader van de activeringsprocedure, omdat ze bijvoorbeeld hun afspraken niet nakwamen of werk weigerden. Er was op een bepaald moment discussie of de verschillende regio’s wel op eenzelfde manier gegevens aan de RVA doorgeven. Ondertussen doen alle regio’s dat op de afgesproken elektronische wijze. Die moet allen nog verder worden verfijnd. De RVA krijgt niet altijd voldoende elementen om over een dossier te oordelen en één regio stuurt dan maar papieren dossiers na. Dat is een tijdelijke oplossing. Iedereen moet gewoon dezelfde elektronische methode gebruiken, al is het evident dat er minder zal worden geschorst in een regio waar minder werk aangeboden wordt. Maar het is een afgeleide discussie. Dat is zelfs het geval met de vraag of er voldoende geschorst wordt. Het hele - federale en regionale - beleid moet een tewerkstellingsbeleid en geen schorsingsbeleid, laat staan een heksenjacht op werklozen, zijn. Iedere schorsing is in die optiek een mislukking. Het komt er helemaal niet op aan om werklozen te schorsen of op een andere manier te sanctioneren. Het komt er op aan hen maximaal te stimuleren om opnieuw aan het werk te gaan en indien nodig mag dat dwingend zijn. Enkel wie echt van slechte wil is riskeert een sanctie.

De activering werkt

De procedure is er gekomen na zeer lange onderhandelingen, waar ook de sociale partners bij betrokken werden. Om de 6 maanden moet een commissie een voorlopige evaluatie maken en eventueel bijsturingen voorstellen. Er zijn al een aantal beperkte verbeteringen voorgesteld en doorgevoerd. In 2007 zal een grondige evaluatie gebeuren, voorbereid door een onafhankelijk onderzoeksbureau. Vandaag komt de belangrijkste kritiek van vakbondszijde. De operatie zou te veel inspanningen vragen in verhouding met de opbrengst. Men zou die middelen beter investeren in directe tewerkstellingsmaatregelen. En vooral: wat voor zin heeft het om werklozen telkens opnieuw op te roepen en rekenschap te vragen over hun zoekgedrag naar werk als er geen effectief aanbod voor hen is?

Het valt niet uit te sluiten dat dit hele traject eenvoudiger kan. Men moet wel beseffen dat het waarschijnlijk niet mogelijk is zomaar de snelheid van de procedure te verhogen, zonder werkelijk massaal te investeren in de mensen die ze moeten uitvoeren. Als men iets wil doen zal het waarschijnlijk eerder in de richting gaan van een selectievere oproeping van de werklozen. Maar er is afgesproken dat pas volgend jaar te overwegen. Eerst moet de cyclus volledig af zijn. De procedure houdt in elk geval principieel stand. Een belangrijke meerderheid van de werklozen zoekt wel degelijk werk zoals het hoort. Een niet onbelangrijk aantal moet worden aangespoord om dat beter te doen. Omdat zij van slechte wil zijn? Niet noodzakelijk. Men mag niet onderschatten dat heel veel mensen niet altijd de goede methode hanteren. Men mag vooral ook niet onderschatten dat veel werklozen na verloop van tijd de moed verliezen en berusten. Het feit dat de RVA hen een aanporring geeft is soms al voldoende. De kans die zij krijgen om zich te herpakken wordt meestal effectief gegrepen. Het zou fout zijn om die groep onmiddellijk te schorsen. Daarmee creëer je te veel maatschappelijk ongenoegen. Een belangrijk aantal van die groep zal dan trouwens via het systeem van het leefloon moeten worden opgevangen. Het is gewoon voor iedereen beter hen vooralsnog in een gewoon arbeidscircuit te houden. De vraag is of dat proces van zoeken echt vol te houden is als de werkloze niet op een bepaald moment werk krijgt. Natuurlijk niet. Maar uit een tussentijdse evaluatie is al gebleken dat het systeem een zekere effectiviteit heeft. De groep die in de procedure zat, werd vergeleken met een controlegroep, die ongeveer gelijk samengesteld was maar in de periode voor de nieuwe procedure. De uitstroom naar tewerkstelling bleek significant beter. Er moet wel worden toegegeven dat het verschil niet spectaculair is. Dat betekent dat het rendement van de hele operatie niet verschrikkelijk hoog is. Heeft dit te maken met het systeem als zodanig of heeft dat te maken met het feit dat ieder nieuw systeem een aantal kinderziekten moet overwinnen of heeft het ook te maken met een tekort aan arbeidsplaatsen? Volgend jaar kennen we het antwoord.

De werkloosheid daalt

Maar eigenlijk is de belangrijkste vraag of de werkloosheid nu daalt of niet. En dan moet de gemiddelde krantenlezer vaststellen dat het niet eenvoudig is om dat uit te maken. Om de haverklap vind je andere cijfers en wat erger is, volgens de ene bron daalt de werkloosheid, volgens de andere stijgt deze. Het probleem is dat er heel veel verschillende bronnen bestaan, die allemaal wel hun waarheid in zich dragen. De belangrijkste bronnen zijn de RVA en de regionale arbeidsbemiddelingsdiensten.
De RVA geeft cijfers op basis van de verwerking van gegevens van de uitbetalingen die de maand voordien gedaan werden aan werkzoekende volledig werklozen. Omdat de uitbetalingsinstellingen hun gegevens reeds afsluiten uiterlijk de tiende dag van de maand, worden betalingen na die tiende dag geteld bij de volgende maand. Alle regionale instellingen gebruiken dezelfde methodiek. Zij tellen de personen die ingeschreven zijn als werkzoekende en niet werken op de laatste dag van de maand. De groep die zij tellen is ruimer dan de groep die de RVA telt. De regionale instellingen geven ook de werkloosheidsgraad weer, die de verhouding aangeeft van het aantal niet werkende werkzoekenden ten opzichte van de beroepsbevolking.

De Nationale Bank, Het Nationaal Instituut voor de statistiek, het Planbureau en de Administratie werkgelegenheid en arbeidsmarkt baseren zich op cijfers van de regio’s, maar doen daar allerlei bewerkingen op, bijvoorbeeld om vergelijkingen met andere Europese landen te kunnen maken. Het blijft echter ontzettend moeilijk om die vergelijkingen helemaal te laten kloppen. Er blijven telkens weer belangrijke verschillen in de manier waarop de verschillende landen hun statistieken samenstellen. Heel vaak worden dus appelen met peren vergeleken.
Eurostat gebruikt als enige een totaal andere methode. De instelling doet een beroep op een enquête bij de huishoudens. Men vraagt dus de mensen naar hun toestand op de arbeidsmarkt en naar eventuele acties om aan de werkloosheid te ontsnappen. Men kan er niet omheen dat de mensen niet altijd op dezelfde manier antwoorden. Men heeft bijvoorbeeld vastgesteld dat sinds de zogenaamde activeringsprocedure van werklozen meer mensen antwoorden dat ze acties ondernemen om aan werk te komen. Vroeger gaven ze zichzelf niet op als werkloze, plots worden ze wel als zodanig gerekend. Oudere werklozen en PWA-ers die beschikbaar moeten zijn voor de arbeidsmarkt antwoorden ook al anders dan toen dat nog niet het geval was. Dit verklaart minstens voor een deel waarom Eurostat tot de conclusie kan komen dat de werkloosheid in ons land stijgt.
Hoe dan ook, de RVA baseert zich op uitbetalingen, een objectieve parameter. Welnu, volgens de RVA-gegevens6 daalt het aantal volledig uitkeringsgerechtigde werklozen. De afname is het grootst bij de groep tussen 25 en 30 jaar, maar er is ook een duidelijke vermindering bij de groep jonger dan 25. De groep van de werklozen boven de 55 jaar stijgt dan weer. Maar de werkloosheid daalt globaal wel degelijk. In elk geval stijgt de vraag naar arbeid, zowel in Vlaanderen als in Wallonië. In Wallonië gaat dat voorlopig niet samen met een echte daling van de werkloosheid, men moet eerder van een stabilisering spreken. Dat is wel het geval in Vlaanderen.
Deze gunstige evolutie is natuurlijk voor een stuk bepaald door de internationale economische context, maar waarschijnlijk toch ook door het regeringsbeleid. Het is te vroeg om de effecten van het generatiepact te meten, maar de jongerenmaatregelen moeten normalerwijze effect sorteren. En wie regelmatig met vakbondsmensen praat, ondervindt dat zij proberen mee te denken met de logica dat het van levensbelang is dat mensen langer aan het werk blijven. Misschien vinden zij het niet leuk, maar bij herstructureringen proberen zij een andere aanpak. En over het algemeen lijkt de mentaliteit te wijzigen. Er zijn aanwijzingen dat mensen verwachten dat ze later op pensioen zullen kunnen gaan.7 En in elk geval zal de demografische evolutie haar werk doen. Er zullen zich gewoon minder mensen op de arbeidsmarkt aanbieden. Deze zomer kopte een krant ‘Groot tekort aan hoog opgeleiden’8. Het was een stuk over de moeilijkheden van topbedrijven uit de bank-, chemie- en technologiesector om hoogopgeleiden te vinden. Die moeten de babyboomgeneratie vervangen, die op pensioen aan het vertrekken is.

Het raakt niet vanzelf opgelost

Toch zijn er nog altijd reuzenproblemen, die zich niet vanzelf zullen oplossen. De RVA wijst erop dat 20% van de volledig werklozen toegelaten werd op basis van studies.9 Dat wil zeggen dat die groep rechtstreeks van school in de dop terecht komt. We zijn namelijk een van de weinige landen die jongeren die nog nooit gewerkt hebben een uitkering geven. Men mag zich daar niet veel bij voorstellen: er moet een wachtperiode in acht worden genomen en het gaat om een minimumuitkering. Maar toch is dit een duidelijke uitzondering op het verzekeringsprincipe. Die uitzondering is perfect te verdedigen, omdat die groep jongeren dan op zijn minst nog een inkomen heeft. De rellen eerder dit jaar in Frankrijk hebben ongetwijfeld vele oorzaken, maar het feit dat daar geen wachtuitkeringen worden toegekend draagt ertoe bij dat jongeren zich nutteloos en wanhopig voelen. Maar als er dan toch een wachtuitkering is, moet dit zo kort mogelijk zijn. Nu constateert men dat van de personen die minstens 5 jaar werkloos zijn 13% toegelaten werd op basis van studies. Dat zijn meer dan 28.500 personen! Zij hebben dus na hun studies nooit gewerkt!
Natuurlijk is dat een zeer heterogene groep, die niet eens behoorlijk in kaart gebracht is. Dat zijn heus niet allemaal jongeren die lang gestudeerd hebben en van het leven profiteren door wat in het zwart bij te klussen. Daar zitten ook flink wat diploma’s tussen die op de arbeidsmarkt niet veel waard zijn. Overigens heeft de helft van de werklozen jonger dan 25 niet eens een diploma middelbaar onderwijs. Zij hebben hun recht op een uitkering via werken verworven, maar zij hebben toch wel bijzonder weinig troeven om vlug terug aan de bak te komen. Een beleid dat hen gewoon dagelijks opvolgt is het beste antwoord. Maar dat beleid zal vooral heel veel moeten investeren in hun opleiding. Het is waarschijnlijk niet aan die groep dat men iedere dag 5 echte werkaanbiedingen kan geven. De voorzitter van sp.a heeft over de jongeren gezegd dat de overheid de plicht heeft hen binnen zes maanden aan het werk te helpen. Het is een uitdaging, maar het is alvast een veel motiverender discours dan de dreiging om uitkeringen af te pakken. De werkloze heeft plichten, maar ook de overheid.
Is er dan niet meer dan genoeg werk, dat de Belgen niet meer willen doen? Waarom komen de buitenlanders wel? Is dat echt een ernstige vraag? Natuurlijk komen buitenlanders omdat ze hier, in vergelijking met hun eigen land, heel veel kunnen verdienen. Dat is net om dezelfde reden dat er in Polen jaarlijks honderdduizenden Oekraïners toestromen om te werken.10 Ook de Poolse economie kampt met een groeiend tekort aan arbeidskrachten in de landbouw, in de bouw en de gezondheidszorg. Tegelijk is er een werkloosheidsgraad van 18%! Wie durft zeggen dat die werkloze Polen niet willen werken?
Natuurlijk zijn er knelpuntberoepen, waarvoor het wat langer duurt voor ze ingevuld geraken. Dat is vervelend en daar moet hard aan worden gewerkt. Maar men mag niet doen of dat alleen een zaak is van werklozen die er maar niet willen op ingaan. Zo’n weigeringen zijn er en ze moeten worden aangepakt, daar is geen discussie over mogelijk. Vandaag plukken we echter ook nog altijd de vruchten van een beleid dat heel lang gewacht heeft om te investeren in langdurig werklozen. Het is nu eenmaal veel makkelijker om mensen terug aan het werk te krijgen wanneer ze nog niet lang werkloos zijn. We schreeuwen graag moord en brand over het feit dat bijvoorbeeld meer dan de helft van de werkloze gezinshoofden langer dan 5 jaar werkloos is, maar we hebben hen wel jaren aan hun lot overgelaten! En nog vandaag aarzelen werkgevers telkens weer om iemand die langdurig werkloos is geweest aan te werven.
Het is hoe dan ook vaak een zaak van net niet de juiste kwalificaties of een aantal onoplosbare praktische problemen, zoals mobiliteit. Het is veel minder een zaak van werklozenval, want op dat vlak heeft de regering wel degelijk ernstig werk geleverd. Er blijft vooral een probleem voor de alleenstaande vrouwen met kinderlast en het is onmiskenbaar dat het systeem werklozen tegenhoudt om deeltijds aan het werk te gaan. Maar voor de rest is er van een werklozenval niet veel sprake meer.
Laten we niet proberen aan te tonen dat er geen nepsollicitaties zijn, die zijn er. Dat die werkgevers die ze vaststellen toch de moed opbrengen dat ook aan de VDAB te melden. Maar laat ons ook niet ontkennen dat er ook nepvacatures zijn, van werkgevers die er een vorm van reclame mee maken of die de lat gewoon veel te hoog leggen. En aan de werkgevers die echt niet de geschikte mensen vinden, doe ik het voorstel om een soort tewerkstellingscel op te richten. Die bedrijven werken dan samen met de regionale arbeidsbemiddelingsdiensten en de RVA om werklozen een opleiding te geven die met zekerheid tot een job leiden. Werklozen die daar maar niet willen op ingaan riskeren wat mij betreft een sanctie.
En helaas is er in de werklozenpopulatie een belangrijke groep voor wie het hopeloos is. Traditioneel ging men ervan uit dat een zogenaamde frictionele werkloosheid van om en bij de 3% onvermijdelijk is. Dat wil zeggen dat er ook in een situatie van volledige tewerkstelling nog mensen werkloos blijven. Meestal is dat dan voor korte tijd, maar zelfs in de beste perioden van tewerkstelling zijn er toch nog die maar niet aan de bak komen. Randgevallen, marginalen, sukkelaars… of ook gewoon mensen die het moeilijk hebben om zich aan een waanzinnige tijd aan te passen. Vandaag is die groep angstaanjagend groot. De administrateur generaal van de VDAB schatte die groep in Vlaanderen op 20% van de werklozen. Het zal niet helpen hiervoor de ogen te sluiten. Misschien moet op een bepaald moment worden beslist die groep uit de werkloosheid te halen en een ander statuut te geven. Maar men mag daartoe toch niet te vlug beslissen. Het blijft belangrijk om zo lang mogelijk te proberen hen in een gewoon arbeidscircuit te integreren.

Tot slot

Werkloosheidsuitkeringen zijn gebaseerd op de principes van solidariteit en op verzekering. Wie een verzekeringscontract afsluit verklaart zich akkoord met de voorwaarden. Hij put er rechten en plichten uit. Een werkloze moet zich inzetten om werk te vinden, de overheid moet hem begeleiden naar werk. In ons land is de begeleiding toevertrouwd aan de regio’s. De RVA moet uitbetalen en controleren. Er is een heel proces uitgetekend dat controleert of de werklozen wel echt op zoek zijn. Als gevonden wordt dat iemand slabakt, dan wordt hij eerst nog aangespoord.
De toekomst zal uitwijzen of deze procedure niet beter kan. Ze blijkt effect te scoren, maar in een situatie van massale werkloosheid is de operatie in alle opzichten gigantisch. Ondertussen blijkt de werkloosheid geleidelijk opgeslorpt te worden. Of dit een definitieve tendens is, valt af te wachten. Er is in elk geval een economische heropbloei, maar er is vooral de demografische evolutie.
Maar een gunstige evolutie van de tewerkstellingsmogelijkheden lost niet alles op. Er zullen nog lange tijd inspanningen moeten worden gedaan om werklozen toe te leiden tot een gepaste oplossing. Het is te begrijpen dat het bedrijfsleven daar niet altijd geduld kan voor opbrengen, maar het is ook een zaak van maatschappelijk evenwicht. Men kan niet zomaar mensen afschrijven omdat ze al dan niet tijdelijk aanpassingsproblemen hebben.
En voor diegenen die een punt maken van het tijdelijk maken van uitkeringen: de beste remedie is ervoor zorgen dat mensen heel vlug opnieuw een job hebben. Dan is hun uitkering per definitie tijdelijk.

Peter Vanvelthoven
*Minister van werk *

Noten
1/ Dat is de reden waarom de sociale partners in hun ‘Akkoord in de schoot van de Groep van 10 omtrent de welvaartsaanpassingen van sociale uitkeringen, de verlaging van de werkgeverslasten en de verdere uitvoering van het generatiepact’ ook voorstellen doen om sommige werkloosheidsuitkeringen te verhogen. Het akkoord dateert van 20/09/06.
2/ Vanthemsche G. (1989), De werkloosheid in België 1929-1940, Epo, Berchem.
3/ De Tijd, 4/8/06 - van de auteur zijn alleen de initialen JB gegeven.
4/ RVA, Analyse van de uitkeringen voor volledige werkloosheid, 28 juli 2006.
5/ Jaarverslag RVA 2005.
6/ RVA cijfers van 6/7/06 en Analyse uitkeringen volledige werkloosheid van 28/7/06.
7/ SD Works.
8/ De Morgen, 23/08/06, J. Meyer en E. Vanbrussel.
9/ Idem.
10/ De Tijd, 23/8/06 - van de auteur, correspondent in Warschau, zijn alleen de initialen EO gegeven.

arbeid - tewerkstelling - werkloosheid

Samenleving & Politiek, Jaargang 13, 2006, nr. 8 (oktober), pagina 4 tot 11