Log in

André Renard

Uitgelezen

'André Renard\"

Pierre Tilly
Le Cri, Brussel, 2005

Reeds vorig jaar verscheen een omvangrijk werk over de legendarische socialistische syndicalist André Renard. Het is een beetje vreemd dat het boek in Vlaanderen nog altijd niet is opgevallen, gezien hij echt niet alleen van belang was voor het Waalse syndicalisme. Het boek is onleesbaar, ik waarschuw maar meteen. Maar dat is geen reden om het links te laten liggen. En het is vooral geen reden om aan Renard voorbij te gaan.
Men mag de fout niet maken om hem uitsluitend te verbinden met de grote staking van 1960-61. Natuurlijk kwam hij daar echt naar boven. Zijn vroege dood in 1962 had echter voor gevolg dat er na dat hoogtepunt niet veel meer kon komen.

Renard is geboren in 1911. Hij werd reeds voor de Tweede Oorlog syndicaal volwassen. Hij heeft de jaren 1930 gekend en ondervonden wat het is om werkloos te zijn. Ik kan niet nalaten hem even te citeren ‘Ik zou willen dat diegenen die dikwijls zeggen dat werklozen zich amuseren, zelf eens, al was het maar enkele dagen, zonder werk zijn en verplicht zijn om er te zoeken. Ik zou willen dat zij voelen hoe pijnlijk die situatie van leegte en van isolement is, nadat men afgedankt is’ (p. 52). Verder kunnen we lezen dat het er voor hem niet op aankwam uitkeringen te geven, maar werk.

Renard was een arbeider. Hij kwam niet via grote theorieën tot het socialisme. Hij leerde het op de werkvloer. Er waren echter wel invloeden vanuit Frankrijk (waar hij eigenlijk geboren is) van het anarchisme en Pierre-Joseph Proudhon. Eigenlijk haalde hij vooral daaruit zijn inspiratie voor een ‘onafhankelijk syndicalisme’. Het zal een constante blijven: de vakbond moet los staan van de partijpolitiek. Aan de andere kant haalde hij ook veel uit het Scandinavische model, dat hem het belang van collectieve onderhandelingen bijbracht.

Doorslaggevend was echter niemand minder dan Hendrik De Man. Deze topintellectueel had inderdaad ook in Wallonië een ongelooflijke invloed. Zelfs toen we in Vlaanderen, na zijn debacle in de Tweede Wereldoorlog, beschaamd over hem geworden waren, bleef hij voor inspiratie zorgen aan de andere kant van de taalgrens. In elk geval had het plan van de arbeid een zeer belangrijke invloed op Renard. Hij vond er een nieuw socialisme, waar ook het individu van tel was. Het was echter vooral een socialisme dat de structuren wilde hervormen, zonder zich te laten verleiden het in termen van een marxistische revolutie te vertalen. Revolutie, maar voorzichtig en constructief. Dat zou voor Renard een basisbetrachting blijven. We vonden ze terug in de grote ABVV-congressen na de Tweede Wereldoorlog, maar de geest van De Man was echt nog levend in de staking van 1960-61. De hele discussie over arbeiderscontrole, die binnen het ABVV zo passioneel gevoerd is, gaat daarop terug.

Renard begon als basismilitant. Hij klom daarna op in de structuren van de metaalcentrale en van het interprofessionele ABVV. In 1944 publiceerde hij zijn ideeën in een brochure ‘Pour la révolution constructive, Déclarations de principes, Commentaires’. In 1945 kwam hij het nationaal bureau binnen. Het ABVV was op dat moment een onsamenhangend samenraapsel. De strijd tegen een cumul van een syndicaal en een politiek mandaat en voor _structuurhervormingen bleef hem vooruitduwen. Structuurhervormingen betekenden voor hem echter niet een ander soort economie. Hij dacht onmiskenbaar mee in termen van verhogen van de productiviteit en afromen van de vruchten voor de arbeidersklasse. Niet voor niets speelde hij een belangrijke rol in de naoorlogse Centrale Raad voor het Bedrijfsleven.
Renard cumuleerde ondertussen zelf nogal wat mandaten: voorzitter van het ABVV in Luik (zowel interprofessioneel als in de metaal), voorzitter van de mutualiteit in Luik en directeur van _‘La Wallonie’
. Later werd hij eerst Nationaal Secretaris en in 1952 adjunct Algemeen Secretaris van het ABVV. Louis Major had hem net geklopt, met stemmen uit Charleroi. Stilaan zag je wrijvingen ontstaan tussen Vlamingen en Walen. Men begon in Wallonië het gevoel te krijgen dat de Vlamingen een remmende factor werden. De koningskwestie was uiteraard een keerpunt. In 1950 schreef Renard: ‘Het is omdat we in Wallonië goed aanvoelen dat een economische democratie mogelijk is. Als we onze sociale bevrijding niet vinden in het kader van een gecentraliseerd België, dan moeten we dat kader gewoon breken.’ (p. 301). Als de Vlamingen het socialisme onmogelijk maken, dan maar zonder de Vlamingen.

In 1954 en in 1956 gingen twee belangrijke ABVV-congressen door. Renard was de drijvende kracht achter de voorbereidingen. De socialistische vakbond probeerde een economische doctrine uit te werken. ‘Medebeheer’ en ‘directe actie’ waren sleutelwoorden. Het kapitalisme hoefde niet meteen omver geworpen te worden, maar minstens de energiesector was aan nationalisering toe. In 1960 kwam het niet alleen tot een grote confrontatie tussen de vakbond en de regering-Eyskens. Vooral de strijd tussen de Vlamingen (met onder andere Major en Dore Smets van de Algemene Centrale) en de Walen barstte in alle hevigheid los. De Vlamingen waren voor de Walen meer en meer conservatieve tegenkrachten. Kort na de staking nam Renard ontslag uit zijn nationale functies. Hij bleef leider van de Luikse vakbond, maar stichtte de Mouvement Populaire Wallon (MPW). Het moest een beweging worden, geen vakbond en geen partij. Federalisme en structuurhervormingen bleven de motor. In 1962 stierf hij plots na een beroerte. Ook zijn beweging zou niet lang meer leven.

Ik heb het boek onleesbaar genoemd. Het is oorspronkelijk een doctoraatsthesis. Ik vermoed dat de 700 bladzijden weinig redactioneel bewerkt zijn. In elk geval is het volgepropt met feiten en ideeën. Vooral met ideeën. De draad is niet altijd duidelijk, soms springt de auteur echt van de hak op de tak. En vooral, je leert er betrekkelijk weinig over de persoon van André Renard. Het boek is duidelijk geen biografie, hoogstens een voorstudie. Slechts een enkele keer vind je iets van de mens terug.

Is er zo weinig bewaard? Ik kan mij dat niet voorstellen. Ik weet zeker dat er nog mensen leven die hem gekend hebben. Hoe functioneerde hij bijvoorbeeld in het Nationaal Secretariaat? Hoe was zijn verhouding met Major? Of iets lager bij de grond: waarom moest hij zonodig op kosten van de beweging met een Porsche rijden? En was hij zo autoritair als bijvoorbeeld Jacques Yerna, die andere belangrijke Luikse syndicalist, beweerde? Het zijn maar enkele vragen, maar je vindt er geen antwoord op.

En toch is de voorstudie de moeite waard. Je wordt er meegetrokken in een zeer boeiende geschiedenis, die gewoon aan de actualiteit ‘appelleert’. Vandaag vinden de Vlamingen zich afgeremd door de Walen. Ze hebben het niet over structuurhervormingen, maar ze denken dat hun economie beter zal draaien zonder de Walen. Renard dacht dat de Vlamingen een rem waren voor het socialisme. Vandaag denken de Vlamingen dat de Walen een rem zijn voor … ja waarvoor? Toch niet voor het socialisme, heb ik de indruk. Ook vandaag nog wordt in de vakbond gediscussieerd over de relatie met de partij. Je hebt er even vurige voorstanders van een volstrekte onafhankelijkheid. Natuurlijk kun je al lang niet meer een mandaat in de vakbond cumuleren met dat van volksvertegenwoordiger. Major deed dat! Maar tegelijk kunnen vakbond en partij elkaar maar niet missen. En misschien vooral: we zijn vandaag nog altijd schatplichtig aan de ideeën over socialisme en syndicalisme. In Vlaanderen hebben we De Man wel doodgezwegen, maar we zijn er niet in geslaagd zijn socialisme te overstijgen. In Wallonië is men dan misschien gewoon blijven steken in dat socialisme.

Samenleving & Politiek, Jaargang 13, 2006, nr. 9 (november), pagina 54 tot 55