Abonneer Log in

Profiel van de kandidaten en de verkozenen in de 13 Vlaamse centrumsteden

Samenleving & Politiek, Jaargang 13, 2006, nr. 9 (november), pagina 14 tot 22

Inleiding

Het is een vaak gehoorde stelling dat de gemeente het politieke beleidsniveau is waar de burger en de overheid het dichtst bij elkaar staan. Naast het positieve effect dat dit genereert op de mate van vertrouwen van de burger in zijn lokale overheid, vertaalt dit zich ook in een lage drempel om deel te nemen aan de politiek. Op die manier is de gemeentelijke politiek een aanvulling, of vaak zelfs een ‘vertaling in mensentermen’ van de ‘grote politiek’ die in Brussel wordt bedreven.
Ook in de wetenschappelijke en juridische literatuur vinden we deze stelling vaak impliciet of expliciet naar voor gebracht. Zo spitste het onderzoek naar de band tussen enerzijds het lokale niveau en anderzijds het federale of Vlaamse niveau zich voornamelijk toe op de onderlinge bevoegdheidsverdeling. Denken we maar aan het debat over het subsidiariteitsprincipe. Wat op het lokale niveau kan, moet je niet per se op het hogere niveau willen organiseren. Daarnaast kwam er in Vlaanderen een tweede debat op gang, als gevolg van de meeste recente fase in de staatshervorming (2001) en de overdracht van de voogdij over de gemeenten naar de Gewesten. Het ging dan meer bepaald over de (financiële) opwaardering van het statuut van de gemeentepoliticus en onder meer ook over de wenselijkheid van een decumulregeling.
Dan stelt zich de vraag of deze beide elementen (de burgernabijheid van het gemeentelijke niveau en de opwaardering van het gemeentelijke statuut) een ‘ander soort politicus’ aantrekt, of niet. Men kan zich immers de vraag stellen of dit verschil tussen ‘dorpsstraat’ en ‘wetstraat’ zich ook aftekent in de populatie politici die zich kandidaat stellen voor het opnemen van een gemeentelijk mandaat. Temeer omdat we in de voorgaande KANDI2003- en KANDI2004-onderzoeken van het Centrum voor Politicologie hadden aangetoond dat de politieke partijen, wat de federale en Vlaamse parlementsverkiezingen betreft, maar uit een vrij beperkte sociografische groep rekruteerden om hun kieslijsten samen te stellen. Zo constateerden we zowel in 2003 als in 2004 een duidelijk overwicht van mannelijke kandidaten, veelal bedienden of kaderleden (28%) of beroepspolitici (23%). Het aandeel arbeiders, werklozen en thuiswerkenden lag opmerkelijk laag, en ook wat de leeftijd betreft, botsten we op enkele bijzondere leemtes. Het aandeel min 30-jarigen (13,8%) was niet erg hoog. Maar vooral het aandeel van de 60-plussers was opvallend laag: het aandeel zakte verder van 9,3% in 2003 naar een schamele 7,7% in 2004.
Vandaar onze onderzoeksvraag of het gemeentelijke profiel daadwerkelijk verschilt van het federale/regionale profiel? Dat het antwoord op deze vraag niet voor elke stad hetzelfde zal zijn, blijkt sowieso uit de telling per stad van de kandidaten in 2006 die ook in 2003 en/of in 2004 op de lijsten stonden. Dat aandeel varieert van een zeer beperkte 4,3% in Turnhout en 5,4% in Roeselare (het ging respectievelijk om 8 en 15 personen), tot een niet onaanzienlijke 22,2% in Antwerpen (61 personen in het totaal). Ook in de andere provinciehoofdsteden als Gent (16,5%) en Leuven (11,6%) is de recuperatie van politiek personeel niet gering. Het verklaart uiteraard waarom het profiel van de Antwerpse kandidaat voor de gemeenteraadsverkiezingen in geringere mate verschilt van het profiel van de Antwerpse kandidaat bij de federale en regionale parlementsverkiezingen, dan dat in Turnhout of Roeselare het geval is.

Identificatie van de populatie

Vanuit deze vaststelling, en de vraag of er aan de scheeftrekkingen uit 2003 en 2004 geremedieerd wordt op het gemeentelijke niveau, gingen we op zoek naar het profiel van de kandidaten bij de gemeenteraadsverkiezingen van 8 oktober 2006. Daartoe onderzocht het Centrum voor Politicologie van de K.U.Leuven1 een aantal kernvariabelen van de kandidaten (geslacht, leeftijd en beroep), alsook het feit of ze al dan niet een politiek mandaat op gemeentelijk of nationaal niveau bekleden. We deden dit onderzoek zowel voor de kandidaten als voor de gekozenen van de gemeenteraadsverkiezingen. De enorme omvang van het aantal kandidaten vormde echter een logistiek probleem. Op 8 oktober 2006 kwamen in alle Vlaamse gemeenten en provincies namelijk meer dan 35.000 kandidaten op. Het bijeensprokkelen van de sociografische gegevens van elke van deze kandidaten zou een gigantische operatie geweest zijn, waarvoor het ons aan tijd en middelen ontbrak. Daarom werd het onderzoek beperkt tot de kandidaten in de 13 Vlaamse centrumsteden. Dit zijn de steden: Aalst, Antwerpen, Brugge, Genk, Gent, Hasselt, Kortrijk, Leuven, Mechelen, Roeselare, Oostende, Sint-Niklaas en Turnhout.
Onze onderzoekspopulatie omvat alle kandidaten die op een kieslijst van één van de volgende partijen stonden (in alfabetische volgorde): CD&V, Groen!, N-VA, sp.a, Spirit, Vlaams Belang en VLD. In verschillende steden vormen een aantal partijen één kartellijst. Ook VLOTT- en Vivant-kandidaten werden opgenomen in de populatie, voor zover zij in één van de centrumsteden kandidaat zijn op een kartellijst met respectievelijk het Vlaams Belang of de VLD. In het totaal gaat het om 2.644 kandidaten en 63 verschillende kieslijsten. Sommige van deze lijsten presenteerden ook een aantal ‘onafhankelijke’ kandidaten (69 in totaal). Uiteindelijk werd één vijfde (20,5%) van de kandidaten verkozen (542 van de 2644 kandidaten). Naast deze 542 verkozen kandidaten van de grotere partijen werden ook nog 7 kandidaten van andere partijen (die niet tot de onderzoekspopulatie behoren) verkozen waardoor er eigenlijk 549 gekozenen zijn.
Het was ook onze bedoeling om na te gaan in hoeverre de verschillende scenario’s over de neutralisering van de lijststem, die onder de meerderheidspartijen circuleerden, voor een andere uitkomst gezorgd zouden hebben. We wilden met andere woorden de vergelijking maken tussen de groep effectief verkozen kandidaten (rekening houdend met één derde van de lijststemmen) en de kandidaten die louter op basis van de voorkeurstemmen verkozen zouden zijn.2 In de 13 onderzochte centrumsteden blijkt het evenwel om exact dezelfde kandidaten te gaan. Of men nu enkel de voorkeurstemmen in rekening brengt bij het aanduiden van de kandidaten, dan wel voor een derde rekening houdt met de lijststemmen, maakt met andere woorden geen enkel verschil uit. Dit komt vooral omdat bij lokale verkiezingen 80 à 90% van de kiezers een voorkeurstem uitbrengt. Als het relatief beperkte aantal lijststemmen dat resteert dan nog eens wordt gedeeld door drie, dan kan de impact ervan niet anders dan heel beperkt zijn. De lijststemmen blijken wel relatief vaak een verschil uit te maken bij de aanduiding van de eerste opvolger.3

I. Algemeen profiel van de kandidaten en de gekozenen

A. Leeftijd

De gemiddelde leeftijd van de kandidaten bedraagt 44,4 jaar (tabel I). Het algemene cijfer van de administratie Binnenlands Bestuur, dat rekening houdt met alle 35.724 kandidaten in alle Vlaamse gemeenten en provincies, ligt iets hoger (45,0 jaar). In de 13 centrumsteden ligt de gemiddelde leeftijd van de vrouwelijke kandidaten (43,7 jaar) lager dan de mannelijke kandidaten (45 jaar). De spreiding over de verschillende leeftijdsgroepen verschilt niet zo sterk tussen mannelijke en vrouwelijke kandidaten. Ook de cijfers van de administratie Binnenlands Bestuur geven aan dat de vrouwelijke kandidaten (43,3 jaar) duidelijk jonger zijn dan de mannelijke kandidaten (46,6 jaar). De gemiddelde leeftijd van de lijsttrekkers in de centrumsteden (46,1 jaar) ligt anderhalf jaar boven het algemene gemiddelde. De lijstduwers zijn beduidend ouder: gemiddeld 54,4 jaar.

Tabel I: De leeftijd van de kandidaten in 2003, 2004 en 2006 en de gekozenen in 2006

Maken we de vergelijking met de gemiddelde leeftijd van de kandidaten in 2003 (44,3 jaar) en 2004 (43,6 jaar), dan valt op dat de leeftijd in 2006 in de 13 centrumsteden quasi even hoog ligt (tabel I). Tegelijk geven onze cijfers aan dat de spreiding van de leeftijd tussen de kandidaten bij de verkiezingen in 2006 duidelijk groter is dan bij de verkiezingen van 2003 en 2004. Er blijken relatief gezien duidelijk meer jongeren (onder de 30 jaar) en ouderen (boven 61 jaar) te kandideren op de ‘lokale’ lijsten dan op de ‘nationale’ lijsten.
De gemiddelde leeftijd van de gekozenen in de centrumsteden is 45,6 jaar. In vergelijking met de verkozen parlementsleden van 2003 en 2004 stellen we vast dat er bij de verkozen gemeenteraadsleden een grotere spreiding is over de verschillende leeftijdsgroepen. Er zijn zowel meer gekozenen uit de jongste leeftijdsgroep (12,7%; tegenover 3,5% in 2003 en 5,8% in 2004) als uit de oudste leeftijdsgroep (8,9%; tegenover 6,2% in 2003 en 7,1% in 2004).
In vergelijking met alle kandidaten zijn de verkozen kandidaten iets minder gespreid over de verschillende leeftijdsgroepen. Het percentage in de jongste groep valt terug van 18,6% naar 12,7% en het percentage in de oudste groep van 12,3% naar 8,9%. Van alle min 30-jarigen raakte 14,7% effectief verkozen; van alle 60-plussers 15,6%. In de groep van 51 tot 60-jarigen is het ‘slaagpercentage’ het grootst: 26,9% van de kandidaten geraakt ook verkozen.

Tabel II geeft de leeftijdsverdeling, opgedeeld per partij. Daarbij komen duidelijke verschillen tussen de partijen aan het licht. De Spirit-kandidaten zijn gemiddeld 40 jaar en daarmee veruit het jongst. De Vlaams Belang-kandidaten zijn gemiddeld 10 jaar ouder. Dit bevestigt de resultaten van de onderzoeken naar de parlementskandidaten in 2003 en 2004. Het gemiddelde van de andere partijen schommelt telkens tussen 42,5 en 44,9 jaar.

Tabel II: Gemiddelde leeftijd van de kandidaten en de gekozenen in de centrumsteden, volgens partij

Ook onder de verkozen kandidaten zijn het de Vlaams Belang-kandidaten die veruit het oudst zijn (gemiddeld 49 jaar). Maar ook de kandidaten van CD&V zijn gemiddeld wat ouder (46,8 jaar) dan die van de meeste partijen. Aan het andere uiterste staan de Spirit-raadsleden, die een gemiddelde leeftijd hebben van 41,9 jaar.
We kunnen besluiten dat jongeren en ouderen meer vertegenwoordigd zijn bij de gemeenteraadsverkiezingen van 2006 dan bij de ‘nationale’ verkiezingen van 2003 en 2004, en dit zowel bij de kandidaten als de gekozenen. Als we de kandidaten in de centrumsteden in 2006 echter plaatsen tegenover de gekozenen, zien we dat het aandeel jongeren en ouderen daalt. Hoewel deze leeftijdsgroepen redelijk vertegenwoordigd zijn op de kieslijsten, hebben ze het dus nog steeds moeilijk om verkozen te worden.

B. Man/Vrouw

De zogenaamde quota-wet heeft ervoor gezorgd dat er nagenoeg evenveel mannen als vrouwen op de kandidatenlijsten staan. Als gevolg van het feit dat op bepaalde lijsten een oneven aantal kandidaten staat, bestaat er op deze lijsten steeds een verschil van maximum één tussen het aantal mannen en vrouwen. Op een geaggregeerd niveau geeft dat in de 13 centrumsteden als resultaat 1.337 mannen (50,6%) tegenover 1.307 vrouwen (49,4%).
De wet bepaalt verder dat de top drie van elke lijst uit personen van verschillend geslacht moet bestaan. In totaal geeft dat 74 vrouwen tegenover 115 mannen in de top drie van de onderzochte lijsten (of 39,2% vrouwen). Tussen de lijsten bestaan ook opvallende verschillen. Enkel op de 9 onafhankelijke Groen!-lijsten bestaat de top drie gemiddeld uit meer dan de helft vrouwen. De andere lijsten komen veelal niet verder dan de ene wettelijk verplichte vrouw in de top drie.
Bij de lijsttrekkers ligt het aandeel vrouwen nog lager: nog geen kwart van hen zijn vrouwen (23,8%). Ook hier scoort Groen! het best: in 6 van de 9 steden waar de partij apart opkomt, wordt de lijst getrokken door een vrouw.4 Ook bij de lijstduwers ligt het aandeel vrouwen laag. Slechts op 13 van de 63 onderzochte lijsten staat een vrouw op de laatste plaats (20,6%).5
Dat er nagenoeg evenveel vrouwen als mannen op de kandidatenlijsten stonden, heeft er echter niet toe geleid dat er ook evenveel vrouwelijke als mannelijke gekozenen zijn. In totaal zijn er in de centrumsteden 216 vrouwelijke en 326 mannelijke gekozenen. Omgekeerd is van alle vrouwelijke kandidaten in 2006 slechts 16,5% verkozen en van alle mannelijke 24,4%. We stellen vast dat er in de centrumsteden nog iets meer vrouwen zijn verkozen dan in de rest van Vlaanderen: 39,9% tegenover 33,4% (cijfers van de administratie Binnenlands Bestuur). Het percentage vrouwelijke raadsleden in heel Vlaanderen (33,4%) is vergelijkbaar met het percentage verkozen vrouwelijke parlementsleden in 2003 (32,7%) en 2004 (32,9%).
Als we elke centrumstad afzonderlijk bekijken, zien we dat er twee centrumsteden zijn waar er meer vrouwelijke dan mannelijke verkozen raadsleden zijn, meer bepaald Gent (52,9% vrouwen) en Hasselt (51,1% vrouwen). Aan het andere uiterste staan Genk (31,6%), Kortrijk (31,7%) en Turnhout (31,3%) waar iets minder dan één derde van de gekozenen vrouwen zijn. Toch is in elke stad minstens 30% van de verkozen kandidaten een vrouw.
Als we deze gegevens opsplitsen volgens partij, dan valt op dat Groen! de enige partij is met meer vrouwelijke dan mannelijke gekozenen (71,4%). Opvallend veel mannelijke gekozenen zijn er dan weer bij VLD (66,7%) en CD&V (65,1%).

C. Beroep

Tabel III geeft aan dat het bij de kandidaten in de centrumsteden in de eerste plaats gaat om bedienden en kaderleden, niet-actieven, zelfstandigen en vrije beroepen. In vergelijking met 2003 en 2004 zijn er relatief gezien duidelijk minder beroepspolitici6 en partij- en kabinetsmedewerkers in 2006. Tegelijk zijn er in de centrumsteden ook meer niet-actieven en arbeiders kandidaat. Het vormt een tweede aanduiding, na de leeftijd, van het feit dat doorgaans politiek minder actieve groepen - jongeren en ouderen, niet-actieven en arbeiders - op de lijsten voor de gemeenteraadsverkiezingen toch redelijk vertegenwoordigd zijn.

Tabel III: De beroepsactiviteit van de kandidaten en de gekozenen - algemeen profiel

Als de vergelijking wordt gemaakt tussen de partijen vallen toch wel een aantal opmerkelijke verschillen op. Vooral het Vlaams Belang wijkt sterk af van het algemene profiel. Bij de Vlaams Belang-kandidaten zijn er relatief gezien veel meer niet-actieven en arbeiders, en minder bedienden en kaderleden, ambtenaren en onderwijzend personeel dan bij de andere partijen. Dat gepensioneerden het effect van hun politieke keuze op hun carrière niet meer moeten vrezen, verklaart wellicht hun hoge vertegenwoordiging bij Vlaams Belang. Daarnaast worden de gangbare veronderstellingen grotendeels bevestigd. Bij Groen! gaat het in de eerste plaats om bedienden, kaderleden, ambtenaren en onderwijzend personeel. Bij de VLD vooral om zelfstandigen en vrije beroepen. Bij de andere partijen is het beeld minder eenduidig. Wat beroepspolitici betreft, scoren vooral CD&V, sp.a en Spirit duidelijk hoger dan de andere partijen.
Bij de gekozenen valt meteen op dat het grootste deel van de lokale gekozenen in 2006 beroepspolitici zijn (36,4%). Toch is dit aandeel maar de helft zo groot als bij de federale en regionale verkiezingen van 2003 en 2004, waar de beroepspolitici meer dan 67% van de gekozenen uitmaakten. Van alle kandidaten was nochtans slechts 8,2% beroepspoliticus; deze zijn echter bijna allemaal verkozen (94,12%).
Arbeiders en niet-actieven zijn merkelijk beter vertegenwoordigd op de kieslijsten in 2006 dan in 2003 en 2004. De stelling dat de drempel voor de lokale politiek dus laag ligt, lijkt hierdoor bevestigd te worden. Evenwel geraken relatief weinig van die kandidaten ook effectief verkozen. Slechts 9,3% van de niet-actieven en 7,1% van de arbeiders werd verkozen. Daarnaast maken ze respectievelijk 8,9% en 2,1% van alle gekozenen uit.
Het Vlaams Belang vormt, wat die laatste vaststelling betreft, een beetje de uitzondering op de regel. In die partij raken wel relatief veel arbeiders (7,4%) en niet-actieven (21,3%) verkozen, terwijl het aantal beroepspolitici (21,3%) onder de gekozenen erg klein is in vergelijking met de andere partijen. Dat heeft in de eerste plaats te maken met het feit dat het aantal arbeiders (14,9%) en niet-actieven (37,6%) op de Vlaams Belang-lijsten zeer groot was. Maar van alle arbeiders op Vlaams Belang-lijsten wordt 10,4% verkozen en van alle niet-actieven 11,9%; dit is telkens iets boven het ‘slaagpercentage’ van die groepen. Althans voortgaand op de verkozen raadsleden in de centrumsteden is het Vlaams Belang de partij die het meest als een ‘arbeiderspartij’ kan worden beschouwd. Voor het overige valt vooral het grote aantal zelfstandigen en uitoefenaars van vrije beroepen op bij de VLD-gekozenen (32,4%) en het grote aantal bedienden en kaderleden bij de groene gekozenen (35,7%).

D. Gemeentelijke mandaten

Tabel IV toont de verschillende mandaten die in rekening werden gebracht in het onderzoek naar de lokale politieke activiteitsgraad van de kandidaten. Alle 13 burgemeesters zijn opnieuw kandidaat bij de gemeenteraadsverkiezingen van 8 oktober. Enkel de Gentse burgemeester Frank Beke doet dat niet als lijsttrekker, maar als lijstduwer. Verder staan 103 van de 108 schepenen van de 13 centrumsteden opnieuw op de lijst (95,4%). Bij de gemeenteraadsleden ligt het verloop duidelijk hoger dan bij burgemeesters en schepenen: 308 van de 428 gemeenteraadsleden (exclusief burgemeesters en schepenen) komt opnieuw op (72%). Opvallend is verder dat 12 van de 13 OCMW-voorzitters kandidaat zijn bij de komende gemeenteraadsverkiezingen (92,3%).7 Van de 158 OCMW-raadsleden staan in totaal 100 personen op de kandidatenlijsten van 8 oktober (63,3%).

Tabel IV: Aantal lokale mandatarissen dat kandidaat is

Alles samen zijn gemiddeld driekwart van de gemeentelijke mandatarissen op 8 oktober opnieuw kandidaat. Omgekeerd vervullen één op de vijf kandidaten een lokaal politiek mandaat. Uitgesplitst per partij valt op dat dat cijfer bij de CD&V- en de sp.a-kandidaten stijgt naar bijna één op drie.
Wanneer de verkozen kandidaten onder de loep worden genomen, blijkt dat er in de dertien centrumsteden 207 kandidaten zonder ervaring in de lokale politiek zijn verkozen (of 38,2% van alle gekozenen). Daarnaast zijn er 335 lokale mandatarissen die opnieuw verkozen zijn (of 62,6% van alle mandatarissen die kandidaat waren). Het gaat hier echter niet noodzakelijk om een herverkiezing, omdat de lokale mandatarissen ook de OCMW-raadsleden omvatten die niet in de gemeenteraad zetelen. Als we de gegevens opsplitsen volgens de aard van het lokale mandaat, dan zien we dat vooral de kandidaten die een uitvoerend mandaat hebben er het beste voor staan. Alle burgemeesters en meer dan 90% van de schepenen en OCMW-voorzitters zijn herverkozen in de gemeenteraad. Bij de gemeenteraadsleden zijn twee derde van de kandidaten herverkozen. Bij de OCMW-raadsleden is minder als één derde verkozen tot gemeenteraadslid.
Uitgesplitst per partij blijken de uittredende lokale mandatarissen van Spirit en Vlaams Belang het meest kans te maken om raadslid te worden: dat is het geval met drie vierden ervan. Ook bij CD&V en sp.a is er, met zeven op tien uittredende mandatarissen die worden verkozen, een grote mate van continuïteit. Het is vooral bij N-VA, VLD en Groen! dat veel uittredende lokale mandatarissen, ongeveer de helft zelfs, geen zetel in de wacht slepen.

Besluit

Bij de gemeenteraadsverkiezingen van 8 oktober 2006 werd een grotere diversiteit aan kandidaten aangeboden in de 13 centrumsteden, dan bij de federale of regionale parlementsverkiezingen van 2003 en 2004. Op die manier werd tegemoet gekomen aan een kritiek die leefde ten aanzien van de smalle rekrutering van kandidaten in 2003 en 2004. Er staan in 2006 meer vrouwen, jongeren en ouderen op de lijsten, en er zijn ook meer niet-actieven en arbeiders die zich kandidaat stellen. Deze groepen hebben het echter nog moeilijk om effectief verkozen te worden, want hun aandeel is een stuk lager bij de gekozenen.
Er zijn echter opvallende verschillen tussen de partijen onderling. Groen! is de enige partij met meer vrouwelijke dan mannelijke gekozenen (71,4%). Bij de leeftijd- en beroepsindeling vallen de oudere en gepensioneerde kandidaten van het Vlaamse Belang op. Niet toevallig zijn het personen die geen effect meer moeten vrezen van hun politieke engagement op hun carrière.
Daarnaast blijkt dat de pariteit op de kieslijsten voor een belangrijke doorbraak heeft gezorgd in de vertegenwoordiging van vrouwelijke kandidaten en gekozenen. Al lijken de cijfers op het eerste gezicht niet bijster spectaculair. Slechts 24% van de lijsten in de centrumsteden wordt door vrouwelijke lijsttrekkers getrokken en slechts 39% van de topdrieplaatsen wordt door vrouwelijke kandidaten ingenomen. Het gaat dus om een minimale inspanning van de partijen om te voldoen aan de wettelijke vereisten dat er minstens één vrouw in de top drie staat. Toch stemden de kiezers in de centrumsteden een heel stuk meer vrouw-minded: de gemeenteraden in de dertien steden bestaan voortaan uit 39,9% vrouwen tegenover 60,1% mannen. In Gent en Hasselt zijn er zelfs meer vrouwelijke dan mannelijke raadsleden!
Tenslotte bleek er een zeer grote recuperatie van zetelende mandatarissen te zijn: ruim driekwart van de zetelende gemeenteraadsleden is opnieuw kandidaat. Alle burgemeesters zijn opnieuw kandidaat en ook 95% van de schepenen stellen zich verkiesbaar. Op die manier vullen de zetelende gemeenteraadsleden en schepenen al 20 procent van de kieslijsten op. Na de verkiezingen bleek er echter een opvallend aantal nieuwe kandidaten verkozen te zijn, namelijk 38% van de gekozenen bleek geen ervaring te hebben in de lokale politiek. Diegenen met een uitvoerend mandaat stonden er echter het beste voor: alle burgemeesters en meer dan 90% van de schepenen en OCMW-voorzitters zijn herverkozen in de gemeenteraad. Op die manier blijft ook de gemeentepolitiek, ondanks de grotere diversiteit onder de kandidaten, toch nog steeds een zaak van een kleine schare steeds weerkerende politici.

Ine Vanlangenakker, Bart Maddens, Karolien Weekers en Stefaan Fiers
Centrum voor Politicologie, K.U.Leuven

Noten
1/ De auteurs willen ook Jo Noppe en Lien Vandyck uitdrukkelijk bedanken bij de hulp voor het verzamelen en analyseren van de achtergrondgegevens van de verschillende kandidaten en gekozenen.
2/ Zoals bekend voorzag het oorspronkelijke kiesdecreet in een aanduiding van de effectieve kandidaten op basis van hun voorkeurstemmen, dit wil zeggen zonder rekening te houden met de lijststemmen. Na de schorsing van deze regeling door het Arbitragehof opteerde de Vlaamse regering om de lijststemmen voor één derde mee in rekening te nemen (terwijl die vroeger voor de helft werden overgedragen).
3/ Dit werd in het kader van dit onderzoek echter niet systematisch onderzocht.
4/ Bij sp.a-spirit gaat het om 3 van 10 lijsten, bij VLD-Vivant om 3 van de 12 lijsten. Bij CD&V/N-VA worden 2 van de 11 kartellijsten getrokken door vrouwen en bij het Vlaams Belang slechts 1 lijst. Geen enkele van de andere lijsten (de aparte CD&V-, N-VA-, en VLD-lijsten en de kartellijsten sp.a-spirit-Groen! en VLD-CDO-Groen!) wordt getrokken door een vrouw.
5/ Bij het Vlaams Belang wordt slechts één van de 13 lijsten geduwd door een vrouw, bij de VLD zelfs geen enkele lijst. De algemene cijfers van de administratie Binnenlands Bestuur tonen 20% vrouwelijke lijsttrekkers en 30% vrouwelijke lijstduwers.
6/ Met ‘beroepspolitici’ bedoelen we federale en regionale parlementsleden, politici met een federaal of regionaal uitvoerend mandaat en diegenen met een lokaal uitvoerend mandaat (burgemeester en schepenen).
7/ Enkel in Roeselare is de OCMW-voorzitter geen kandidaat.

verkiezingen - politiek leiderschap - profiel politici

Samenleving & Politiek, Jaargang 13, 2006, nr. 9 (november), pagina 14 tot 22