Abonneer Log in

Bij de start van een nieuwe ronde staatshervorming

redactioneel

Samenleving & Politiek, Jaargang 13, 2006, nr. 10 (december), pagina 1 tot 2

De kans is bijzonder groot dat er onderhandelingen komen over een nieuwe fase in de staatshervorming. Bijna alle Vlaamse partijen zijn vragende partij en velen maken hier een voorwaarde van om in een federale regering te stappen. Daarenboven is de situatie van de federale staatskas - mede door de financieringswet - bijzonder kwetsbaar; zeker in het licht van maatschappelijke trends als de vergrijzing. Dit verhoogt op zijn beurt de druk om bevoegdheden naar de regio’s en gemeenschappen over te hevelen, maar dan zonder de volledige, bijhorende middelen.

De Vlaamse werkgeversorganisaties VOKA, UNIZO en VKW hebben recent een pleidooi gehouden voor een verdere overdracht van sociaaleconomische hefbomen.
Verdere regionalisering is nochtans geen evidentie meer. Mocht men de resoluties van het Vlaams Parlement (onder meer de overdracht van gezondheidszorgen en kinderbijslag), en de nieuwe voorstellen die in Vlaanderen circuleren voor verdere fiscale autonomie en voor de volledige overdracht van het werkgelegenheidsbeleid (met inbegrip van werkloosheidsverzekering), allemaal uitvoeren, dan zou dit een grote impact hebben op de staatsstructuur. In feite wordt dan een proces ingezet waarbij het federale beleidsniveau finaal enkel nog bevoegd blijft voor de gezagsdepartementen. Bovendien zou dit een verregaande impact hebben op de federale solidariteitsmechanismen, zoals de sociale zekerheid.
Tijd dus voor een grondig debat waarin alle stakeholders betrokken worden. Een eerlijk debat moet argumenten confronteren met tegenargumenten. Zeker in de Vlaamse media komen vooral de argumenten pro-regionalisering aan bod. De huidige staatshervorming zou onafgewerkt zijn, met te veel versnipperde bevoegdheden om een daadkrachtig beleid te kunnen voeren. Men zou onvoldoende kunnen inspelen op de eigen specifieke situatie, bijvoorbeeld de sterk verschillende situatie op de arbeidsmarkt. Bovendien zouden er verschillen in beleidsvoorkeuren zijn. Zo ligt er in Vlaanderen een grotere nadruk op eerstelijnsgezondheidszorg en op een activerend arbeidsmarktbeleid, die het moeilijk maken om nog een consensus te vinden op federaal niveau. Ten slotte zijn er de ‘meer populistische’ argumenten, zoals de transfers die Vlaanderen zouden verarmen terwijl Wallonië er niet beter van wordt.
De tegenargumenten komen echter veel minder in het stuk voor. De staatshervorming is inderdaad niet af. Elke fase is onvolkomen en draagt daarmee de kiemen in zich van een nieuwe fase. Het feit dat de politieke partijen ‘gesplitst’ zijn, en dus enkel verantwoording moeten afleggen aan de eigen gemeenschap, zit daar zeker voor iets tussen.
Dat de sociaaleconomische situatie verschilt, is juist. Maar die verschillen zijn ook sterk aanwezig binnen de regio’s: de werkloosheid concentreert zich in het Waalse gewest in Luik en Charleroi, terwijl in Vlaanderen de werkgelegenheidsgraad een stuk hoger ligt in West-Vlaanderen dan in Limburg. Verschillen in beleidsvoorkeuren zullen ook wel bestaan, maar de huidige staatsstructuur laat al toe om daar (gedeeltelijk) op in te spelen. Daarnaast zijn de gemeenschappen geen homogeen ideologische blokken. Trouwens, de transfers naar armere gewesten zijn niet alleen een zaak van solidariteit, maar ook van welbegrepen eigenbelang. Niet alleen omwille van de omkeerbaarheid (nu richting werkloze Walen, straks richting grijze Vlamingen) maar vooral omwille van het economisch voordeel dat ook rijkere gewesten hierbij genieten. Zo is Wallonië de belangrijkste handelspartner van Vlaanderen. Als het over sociale zekerheid gaat, is er trouwens geen sprake van solidariteit tussen gemeenschappen, maar wel tussen personen.

We kunnen ons ter linkerzijde niet beperken tot een puur defensieve houding. We moeten zelf richting geven aan dit debat. Drie elementen zijn daarbij onontbeerlijk: een evenwichtige visie op de staatsinrichting, een coöperatieve ingesteldheid en de vaste wil om solidariteit te verzekeren.
De regionalisering wordt vaak verdedigd met het argument dat het beleid zo dicht mogelijk bij de burgers moet liggen. Dit subsidiariteitsprincipe is echter geen vrijbrief om alles zomaar te decentraliseren. Het houdt ook in dat sommige materies nu eenmaal beter op een ’hoger’ beleidsniveau worden aangepakt. De Vlaamse zorgverzekering is hiervan een mooie illustratie. Zonder die in vraag te stellen, moeten we wel vaststellen dat inwoners van alle lidstaten die in Vlaanderen komen werken er toegang tot kunnen krijgen, behalve de Walen. Hoe we het draaien of keren, het beleid zal in de toekomst gelaagd zijn, verdeeld over verschillende niveaus, multi-levelgovernance in het jargon.
Dit zal een coöperatieve ingesteldheid vergen van de politici. Beleidskeuzes moeten het resultaat zijn van afstemming en zullen vaak het voorwerp uitmaken van samenwerkingsakkoorden. Dit is bittere noodzaak gezien materiële bevoegdheden en instrumenten vaak verdeeld liggen. Ook zo op het terrein van arbeidsmarkt- en werkgelegenheidsbeleid. De arbeidsmarktbevoegdheden liggen bij de gewesten en gemeenschappen, maar een aantal instrumenten zijn federaal gebleven. De recente praktijk toont aan dat dit op zich geen onoverkomelijk probleem hoeft te zijn. Denken we maar aan het akkoord over de versoepeling van arbeidsmigratie vanuit de nieuwe lidstaten. We hebben hiervoor een federaal voorwaardenkader, dat enkel voor knelpuntberoepen opgelijst wordt door de regio’s afzonderlijk. Of denken we aan de vernieuwde federale procedure inzake controle van werklozen, die in het Vlaamse Gewest gepaard gaat met de zogenaamde sluitende begeleidingsaanpak (die moet garanderen dat werkzoekenden eerst een passend aanbod krijgen). Dit is geen sinecure. Het zal van de beleidsmakers blijvende inspanningen vergen, alsook van de sociale partners die in het overleg voldoende ruimte moeten maken voor regionale situaties en beleidsaccenten.
Het alternatief is de volledige overdracht van de (para)fiscale instrumenten en van de arbeidswetgeving. Dit is echter niet wenselijk vanuit solidariteitsoverwegingen. Sociale bijdragen zijn er immers in de eerste plaats om de sociale zekerheid te financieren. En de werkloosheidsverzekering is in de eerste plaats een sociale verzekering waarvan werknemers moeten kunnen genieten in functie van het sociaal risico. En dit los van hun woonplaats. Sociale bescherming, via arbeidswetgeving en sociaal overleg, wordt het best op een zo hoog mogelijk niveau gegarandeerd (wat decentrale invulling of regionale aanvullingen niet uitsluit). Ook de vennootschapsbelasting blijft het best federaal om een neerwaartse fiscale spiraal en bijhorende besparingen op de overheidsuitgaven te vermijden. We geven het IMF voor deze éne keer gelijk waar ze in zijn recente rapport over België aanstipt dat het goedkoper maken van kapitaal, in verhouding tot arbeid, weinig werkgelegenheidsvriendelijk is.
Voorstellen tot verdere staatshervorming worden in ieder geval het best onderworpen aan een solidariteitstoets.

Jean-Marie De Baene
Redactielid

edito - solidariteit - staatshervorming

Samenleving & Politiek, Jaargang 13, 2006, nr. 10 (december), pagina 1 tot 2