Abonneer Log in

Een sociaal marktdiscours

Samenleving & Politiek, Jaargang 13, 2006, nr. 10 (december), pagina 15 tot 24

Inleiding

Hoewel tegenstellingen en spanningen zowat tot de geplogenheden van het interprofessionele overleg behoren, kunnen de relaties tussen de sociale partners ook zodanig verzuren dat de relevantie van het overleg zelf in vraag wordt gesteld. Polarisering tussen sociale partners en maatschappelijke groepen die door vakbonden en werkgevers vertegenwoordigd worden, is minstens een latent gevaar. Het verkleint immers de kans om tot constructieve en breed gedragen oplossingen te komen. Die kans wordt nog kleiner als de linkerkant van het politieke spectrum verdeeld voor de dag komt in de politieke besluitvorming. Dit was het geval bij de onderhandelingen rond het Generatiepact. De sp.a en het ABVV slaagden er nauwelijks in een gemeenschappelijk standpunt te ontwikkelen. Een dergelijke tweespalt wekt bij de publieke opinie niet bepaald de indruk dat socialisten een gemeenschappelijke benadering van socio-economische problemen hanteren. Grote delen van de bevolking zijn er waarschijnlijk ook van overtuigd dat het socialisme een te verouderde en onwerkbare visie op economische ontwikkeling biedt. De soms zichtbare vertwijfeling binnen de socialistische politieke familie kan zulk wantrouwen in sociaaldemocratische recepten alleen maar voeden.
Dan komen de liberalen in hun benadering van de economie wat eenduidiger over. Zij geven zelfs min of meer blijk van een ideologische consensus. Een te grote publieke regulering verstikt het private initiatief en de economische vooruitgang kan ontwikkeld worden door meer ruimte te geven aan vrij ondernemen. Persoonlijke vrijheid laat immers ruimte aan ondernemingszin, die op zijn beurt welvaart brengt voor de hele samenleving. Het liberalisme beroept zich daarbij op een sterke academische en intellectuele stroom binnen de economische wetenschap. Die klinkt ongeveer als volgt:
‘als de vergelijking wordt gemaakt tussen de capaciteit van markten en de capaciteit van sociale planners om effectieve oplossingen voor het probleem van collectief handelen te realiseren, dan lijkt er nu een algemene consensus te bestaan over de grotere doeltreffendheid van markten. Om deze reden is er ook een dosis scepticisme geboden over administratieve oplossingen van complexe problemen die op een grote organisatorische verscheidenheid worden toegepast. Dit wil niet zeggen dat er geen rol is weggelegd voor doelbewust ontwerp, maar de schaal waarop doelbewuste planning kan worden toegepast, is onoverkomelijk beperkt.’1

Dit citaat geeft de kern van het liberale verzet tegen regelneverij en rigide bureaucratieën weer. Het ideologische uitgangspunt is dat de overheid zich beter als een poortwachter aan de rand van het economische gebeuren opstelt. Als poortwachter kan de overheid het principe van concurrentiestrijd op de markt in de praktijk brengen door het opleggen van minimale spelregels voor eerlijke concurrentie, het waarborgen van eigendomsrechten en het voorzien van een sociaal vangnet voor wie niet op eigen kracht meekan. Het liberale discours lijkt daarmee vrij duidelijk, én is bovendien concretiseerbaar in tastbare beleidsdaden.
Socialisten krijgen in dezelfde adem het verwijt dat ze enkel aandacht hebben voor het verdelen van de taart maar geen werkbare visie weten te formuleren over het bakken ervan. Het is waarschijnlijk juist dat het sociaaldemocratische discours over welvaartscreatie niet zichtbaar genoeg is en te incoherent verdedigd wordt ten aanzien van de publieke opinie. Tegelijk hebben de scherpe tegenstellingen, die naar aanleiding van het Generatiepact uit de buik van de samenleving naar boven kwamen, aangetoond dat het raken aan bestaande sociale regelingen sterke gevoelens van onrechtvaardigheid opwekt. De vraag is dan hoe die gevoelens vertolkt moeten worden in een ideologisch discours en in de politieke besluitvorming?
Het antwoord is dat socialisten in de bres moeten springen voor een overheid die niet louter als poortwachter passief toeziet maar die ook de rol vervult van actieve speler en coördinerende spelverdeler in de economie. Een groeiend aantal recente, en politiek onverdachte, publicaties in invloedrijke sociaal-wetenschappelijke tijdschriften ondersteunen de idee van de overheid als centrale speler in de vormgeving van markten. Inzichten uit dergelijk wetenschappelijk werk geven ademruimte aan een sociaaldemocratisch discours waarin de rol van de overheid geherwaardeerd wordt.
Steunend op argumenten uit deze literatuur, kunnen we de term ‘sociaal marktdiscours’ gebruiken om te verwijzen naar een coherent ideologisch perspectief dat zowel het ‘waarom’ als het ‘hoe’ van overheidsoptreden in de economie moet verhelderen. Een sociaal marktdiscours is met andere woorden een discours dat de overheid als poortwachter én als speler/spelverdeler in de economie legitimeert. Het morele uitgangspunt daarbij is dat een samenleving gerealiseerd moet worden die tegelijk economische groei als maatschappelijke gelijkheid nastreeft.
Het volgende hoofdstuk analyseert de liberale visie op de relatie tussen groei en gelijkheid, en formuleert daarop een antwoord dat binnen een sociaal marktdiscours zou passen. Vervolgens wordt dieper ingegaan op de mogelijkheid van overheidsinterventies in de economie. In het vierde hoofdstuk wordt bekeken welke de rol van overheid zou kunnen zijn en bij wijze van besluit wordt er gewaarschuwd voor een te residuele opvatting van de welvaartstaat.

Ongelijkheid en economische groei

Kenmerkend voor liberale denkers is dat zij gelijkheid als uitgangspunt nemen in het marktmechanisme: de markt zorgt voor welvaart, op voorwaarde dat individuen er op voet van gelijkheid en vrijheid aan kunnen deelnemen. Het liberalisme veronderstelt dus een grote mate van gelijkheid in de werking van het marktspel. Dit komt duidelijk tot uiting in de ideeën van Friedrich August von Hayek: ‘in zo’n spel maakt niemand een onderscheid in de behandeling van mensen (…) het is volledig in overeenstemming met het gelijkwaardig respect voor alle mensen dat de uitkomst van het spel voor verschillende mensen ook zeer verschillend kan zijn.’2 In een samenleving die fundamenteel en structureel gelijk is, zou het inderdaad redelijk zijn om te kiezen voor een grotere vrijheid in de verdeling van maatschappelijke goederen. Bij gebrek aan structurele machtsverschillen zou niemand in staat zijn zich een buitenproportioneel deel van de economische meerwaarde toe te eigenen. Elke productieve handeling zou daarom de welvaart van de gehele samenleving vergroten. Elke verhoging van de welvaart zou dan weer, via evenredige verdelingsmechanismen, tot een grotere welvaart van alle individuen leiden.
In een liberaal perspectief zijn zelfs de verliezers van het marktspel uiteindelijk met vrije concurrentie gediend, en wel op twee manieren. Vooreerst moeten de zwakkeren kunnen rekenen op een overheid die ‘als poortwachter van het economisch systeem’ een sociaal vangnet voorziet voor diegenen die op de markt geen bestaanszekerheid weten te bereiken. Om niet marktverstorend te werken moet zo’n vangnet zich uitsluitend richten tot degenen die uit de markt vallen. De overheid moet zich dus ook in sociaal opzicht strikt aan haar rol als poortwachter houden, want tenslotte bestaan ook sociale voorzieningen slechts bij gratie van een ongestoorde marktwerking. Ten tweede profiteren ook de onderste lagen van de bevolking op termijn van een algemene stijging van de welvaart. De economische groei - zo luidt het - verhoogt immers de tewerkstellings- en levenskansen van allen. In het liberale denken zijn ongelijkheid en armoede bijgevolg beperkte maar ook eerder tijdelijke fenomenen die door verdere vrijheid en verdere economische groei grotendeels worden opgeheven.
Deze visie werd lange tijd ondersteund door de zogenaamde ‘omgekeerde U-curve’, ook wel de Kuznets-hypothese genoemd. Simon Kuznets voorzag in 1955 dat ongelijkheid in vroege stadia van economische groei zou vergroten, vervolgens in meer intermediaire stadia van groei zou stabiliseren (maar toch nog significant zou zijn), om uiteindelijk in een derde stadium te dalen naarmate landen naar hogere niveaus van welvaart evolueren. De Kuznets-hypothese, en de empirische ondersteuning ervan in de jaren 1960 en 1970, werd geïnterpreteerd als het wetenschappelijke fundament voor het bestaan van een tijdelijke, maar onoverkomelijke afruil tussen groei en ongelijkheid: wie groei wil, moet tijdelijk de prijs van ongelijkheid betalen.3 Vanaf de jaren 1980 maakten longitudinale onderzoeken echter duidelijk dat de meeste landen helemaal niet het omgekeerde ‘U-patroon’ hadden gevolgd. De ongelijkheid in sommige landen bleef zeer groot, zelfs na lang volgehouden periodes van economische groei. Andere landen hebben een langdurige graduele economische groei gecombineerd met een consequent egalitaire samenleving. Hoewel de Kuznets-these door deze vaststellingen achterhaald is, blijft de idee dat er een objectieve afruil zou bestaan tussen groei en ongelijkheid niettemin aanhang genieten. Zo formuleerde Marc De Vos van de denktank Itinera Institute deze afruil onlangs nog als volgt in De Tijd (27/06/2006): ‘wat is verkiesbaar: snellere economische groei met algemene maar ongelijke inkomensstijging of tragere economische groei met meer herverdeling?’
Dat dilemma hoeft zich in de realiteit niet te stellen. We kunnen niet ontkennen dat de economische groei vaak ten goede komt aan diegenen die economisch al het sterkst staan. Deze groepen hebben immers net de macht om zich het surplus aan welvaart toe te eigenen. Roberto Korzeniewicz en Timothy Moran noemden dit de ‘constant drive toward inequality’. Die was, volgens hen, niet inherent aan economische groei op zich, maar wel aan de wijze waarop economische meeropbrengsten verspreid worden in de samenleving. Ongelijkheid is dus afhankelijk van hoe de samenleving institutioneel georganiseerd is! In die zin is het sociologische onzin om de samenleving als een homogene eenheidsworst te beschouwen. In tegenspraak met de Kuznets-hypothese, is ongelijkheid het resultaat van maatschappelijke verhoudingen en structuren (eerder dan van onontkoombare economische wetmatigheden). In een recente editie van _Theory and Society _ werd overtuigend aangetoond dat het verband tussen groei en ongelijkheid gemedieerd wordt door institutionele factoren die verschillen van land tot land.4 In sommige landen gaat groei samen met een versplintering of verarming van de groep middeninkomens en dus met meer langdurige ongelijkheid. In andere landen gaat economische groei dan weer gepaard met een versterking in de omvang en de economische positie van de middeninkomens, en dus met meer structurele gelijkheid. Ongelijkheid is dus een gevolg van maatschappelijke keuzes en beslissingen. Het is het resultaat van door mensen gemaakte structuren en verhoudingen, die in elke samenleving verschillen.
In een liberaal perspectief is er van dergelijke institutionele impact geen sprake: een gezonde werking van de markt veronderstelt juist de afwezigheid van institutionele invloeden. Een sociaal marktdiscours kan zich afzetten tegen het liberalisme door als uitgangspunt te nemen dat de bevolking uit gesegmenteerde concentraties van mensen bestaat. Zij kan dan duidelijk maken dat ongelijkheid afhankelijk is van maatschappelijke onderhandelingen, keuzes en structuren. Hierin zit zowel een morele als een pragmatische basis voor een sociaal marktdiscours vervat. Een morele basis is het streven naar gelijkheid. Een pragmatische basis is de erkenning dat gelijkheid het resultaat is van maatschappelijke verhoudingen, en niet louter van een ‘natuurlijke’ marktwerking. Beschikbaar onderzoek bevestigt ook dat weloverwogen sociale interventies, om meer gelijkheid te bewerkstelligen, de economische groei niet in de weg staan. Het tegenovergestelde is zelfs mogelijk: gelijkheid kan economische groei bevorderen. Er is met andere woorden niets irrationeels of achterhaald aan een streven naar gelijkheid.

De overheid als poortwachter

Mogelijk kunnen zelfs de meest overtuigde liberalen nog instemmen met die laatste stelling. Maar het bestaan van ongelijkheid is voor hen in geen geval een reden om tussen te komen in de werking van de markt. Onder impuls van Hayek veronderstelt het liberalisme namelijk een ‘spontane’ orde in de samenleving. Dankzij de ‘natuurlijke’ initiatieven die mensen nemen, ontstaat er namelijk een concurrentiespel dat mensen aanzet tot het leveren van inspanningen. Mensen worden door de markt maximaal aangespoord om kennis en vaardigheden te ontwikkelen, en die aan te bieden in dienst van anderen. Omdat de markt vrije menselijke inspanningen en creativiteit maximaliseert en coördineert, biedt zij de beste kansen op een rijke en welvarende samenleving. Adam Smith moet zowat de eerste geweest zijn om dit mechanisme van welvaartscreatie uitgebreid te prijzen:
‘De natuurlijke inspanningen die elk individu levert om zijn eigen leefomstandigheden te verbeteren, wanneer hij zich mobiliseert in zijn streven naar vrijheid en zekerheid, is zo’n krachtig principe dat het op zichzelf, zonder enige bijstand, niet alleen de samenleving naar rijkdom en welvaart kan brengen, maar ook honderden effectieve obstakels die door de dwaasheid van menselijke regulering tegen haar werking worden opgeworpen, kan overwinnen.’5

Deze quote verwijst uitdrukkelijk naar de ‘belastende’ rol die regulering speelt en de bijdrage van elk individu - door zijn persoonlijk streven naar betere leefomstandigheden - in het voortbrengen van algemene rijkdom. Individuele vrijheid is daarom een grondvoorwaarde voor algemene welvaart. Rijke samenlevingen bieden aan elk individu kansen om zichzelf te verbeteren, want het concurrentiespel op de markt optimaliseert uiteindelijk de kansen van allen in de samenleving.6 Vooral Hayek heeft op invloedrijke wijze geargumenteerd dat een niet-interventionistische overheid essentieel is. De minieme rol van de overheid als poortwachter is niet zozeer noodzakelijk omdat het ethisch onverantwoord is, maar eenvoudigweg omdat het praktisch onmogelijk is om doelgericht tussen te komen in de complexe orde die door de markt tot stand wordt gebracht. De complexe marktverhoudingen tussen alle leden van de samenleving kunnen onmogelijk door één maatschappelijke instantie begrepen en beheerst worden. De markt is daarentegen een op zichzelf staand mechanisme dat op elk moment van de dag het ingewikkelde samenspel tussen vele miljoenen economische handelingen stroomlijnt.
De markt, zo schrijft Hayek, is een systeem ‘van onderling afhankelijke handelingen die bepaald worden door informatie en van doelstellingen die enkel gekend zijn door degenen die direct betrokken zijn bij die handelingen, maar die niet door een eventuele dirigerende autoriteit gekend kunnen worden.’7 Autoritaire interventies kunnen dit spontane en ordelijke systeem van onderlinge afhankelijkheid tussen mensen enkel verstoren: ‘spontane orde komt tot stand door het balanceren van elk element en van alle factoren die op een element inwerken, en door alle handelingen die door een element gesteld worden op elkaar uit te lijnen. Dit evenwicht zal verstoord worden als bepaalde handelingen gesteld worden door een andere agent op basis van andere kennis en in functie van andere doelstellingen’. Het hoogst haalbare is dat ‘we deze complexe orde in stand kunnen houden, niet door het dirigeren van haar leden, maar enkel door op onrechtstreekse wijze de regels af te dwingen die het kader scheppen waarin spontane orde kan ontstaan.’8

Het is deze Hayekiaanse, zeer afstandelijke en residuele visie op de rol van de overheid die door het neoliberalisme wordt gehanteerd. Dat is noodzakelijk omdat de markt een zo complexe orde vertegenwoordigt dat haar werking niet begrepen kan worden. Het neoliberalisme ijvert daarom voor het herconfigureren van de maatschappelijke macht van staat en markt in de richting van een maximale rol voor de markt.9 Veel overheidsinterventies die bedoeld zijn om de gezondheid en het welzijn van werknemers te bevorderen, zijn contraproductief. Zij tasten immers de ultieme waarborg voor economische zekerheid aan, zijnde de productiviteit en het concurrentievermogen van ondernemingen.10 Dit is de zogenaamde ‘perversiteitsthese’. Die stelt, volgens Block en Somers , als kernargument dat ‘goedbedoelde beleidsdaden die bijstand bieden aan armen door interventie van de overheid onvermijdelijk de begunstigden zelf in gevaar brengen door perverse stimulansen in de plaats te stellen van het marktmechanisme dat de armen leert om hard te werken.’11 In een zachtere variant gaat het niet zozeer om de aanbodkant van de arbeidsmarkt, maar wordt eerder gewezen op de perverse effecten aan de vraagzijde van de arbeidsmarkt. Bijvoorbeeld wanneer wettelijk gegarandeerde minimumlonen ervoor zorgen dat de laagste inkomensklassen uit de markt worden geprijsd. Die laatste variant kwam, vooruitlopend op de aanstaande interprofessionele onderhandelingen, recent nog boven in een opinieartikel in De Tijd (30/9/2006): ‘we moeten beseffen dat hogere minimumlonen de tewerkstellingskansen van de zwakkeren in de samenleving dreigen aan te tasten. Willen en moeten we die prijs betalen, gegeven de reeds schrijnende marginalisering van de laaggeschoolden op de Belgische arbeidsmarkt?’12 Dit soort argumenten geeft aan welke enge rol het liberale denken toedicht aan de overheid. Het neoliberalisme berust finaal op het primaat van de ‘ordeningspolitiek’: de overheid mag enkel de context creëren waarin de markt zich kan ontwikkelen, maar mag nooit interveniëren in haar eigenlijke werking. Significante minimumlonen zijn in die optiek ongewenst. Zij bemoeilijken immers de vrije werking van het marktmechanisme, waardoor het hele systeem van welvaartscreatie in het gedrang zou komen. De overheid zou zich volgens de neoliberale doctrine moeten laten leiden door het motto: ‘defining rules but refraining from moves.’13

De overheid als speler en spelverdeler

Een groeiend aantal wetenschappelijke studies levert nochtans empirische argumenten dat een minimalistische rol van de overheid noch de beste noch de snelste weg biedt naar economische welvaart. Rekening houdend met de economische turbulentie in onze mondialiserende wereld, lijken meer en meer onderzoekers juist overtuigd van het belang van een sterke overheid die de werking én de uitkomst van het marktspel actief helpt bepalen. Campbell en Klaes schreven in het Cambridge Journal of Economics (2005) dat ‘liberalisering in de vorm van deregulering’ zich vaak baseert op ‘een naïef geloof in markten die gereproduceerd zouden kunnen worden door het louter handhaven van vage eigendomsrechten’. Deze auteurs verdedigen het standpunt dat ‘de allocatie van economische goederen, zelfs als die allocatie via het marktmechanisme verloopt, steeds het werk is van bewuste maatschappelijke afspraken die een grondslag moeten vinden in de wet.’ De markt is niet zozeer een spontane orde maar wel het geordend resultaat van maatschappelijke afspraken: ‘rules’ zijn altijd ook ‘moves’. Bijgevolg kan het ‘nooit de vraag zijn of de markt gereguleerd moet worden of niet, want zonder regulering kan zij niet bestaan.’14 Politieke regulering is bijgevolg een noodzakelijk gegeven. Regulering máákt de markt en bepaalt onvermijdelijk mee de uitkomsten van het marktspel.
Deze auteurs verleggen hiermee de aandacht van de hoeveelheid regulering naar de aard van de overheidsinterventies. In een vergelijkbare argumentatie stellen de econoom Wilkinson en de socioloog Lapido dat neoliberale argumenten voor non-interventie moeilijk te handhaven zijn, ‘gezien de vitale rol van overheidsregulering in het stimuleren, eerder dan in het verhinderen, van technologische ontwikkeling en dynamische efficiëntie.’15 De voornaamste uitdaging is dus niet om private actoren te ontlasten van de bezwarende rol van de overheid, maar eerder om te begrijpen welke rol de overheid speelt bij het aanpassen van het maatschappelijk productiesysteem aan de economische veranderingen, zoals het totstandkomen van nieuwe markten, het fusioneren van ondernemingen en de verspreiding van nieuwe technologieën.16 In bepaalde omstandigheden zijn krachtige interventies in het hart van het systeem zelfs noodzakelijk om economische ontwikkeling mogelijk te maken.17 Sommige private economische opportuniteiten zouden zich eenvoudigweg niet voordoen zonder een ‘operationele inbreng van publieke actoren.’18 Wilkinson en Lapido schrijven:
‘de productieve waarde van overheidsregulering is bijzonder zichtbaar gedurende periodes van snelle technologische veranderingen en verschuivingen in consumentenvoorkeuren. Meer specifiek wanneer dit soort veranderingen dreigt uit te monden in een daling van het aantal ondernemingen en/of van de werkgelegenheid. De onzekerheid die gedurende dergelijke periodes ontstaat, kan aanleiding geven tot een cyclus van destructieve competitie waarbij individuele ondernemingen de druk op hun werknemers opvoeren om op korte termijn een voordeel ten opzichte van hun concurrenten te realiseren. Het doorbreken van zo een destructieve cyclus, het realiseren van een geordend herstel, het vervangen van verouderde technologie of het hervormen van de industrie gebeurt wellicht best in een context van concurrentiebeperkende samenwerking.’

Dit soort argumenten maakt snelle opgang in enkele van de meest invloedrijke wetenschappelijke tijdschriften over socio-economische thema’s. Daarmee wordt afstand genomen van het Hayekiaanse denken. Zo vinden Griffiths en Zammuto een belangrijk aantal empirische indicaties dat landen die steunen op geliberaliseerde markten relatief slecht presteren wanneer ondernemingen snel een antwoord moeten vinden op verstrekkende economische uitdagingen.19 Deze onderzoekers argumenteren verder dat industrieën, die afhankelijk zijn van activiteiten met hoge toegevoegde waarde, sterk gebaat zijn bij vruchtbare en wederzijdse samenwerking tussen ondernemingen en overheid. Griffiths en Zammuto noemen dit ‘joint governance’, verwijzend naar regelmatig en omvattend overleg tussen private en publieke actoren over het vormgeven van economische ontwikkeling. In zulk model wordt het beleid ‘niet eenvoudigweg opgelegd door bureaucraten of politieke vertegenwoordigers, maar is regelgeving juist het resultaat van regelmatige en uitgebreide consultatie en coördinatie met de private sector’. Hier is de overheid niet meer, maar zeker ook niet minder, dan een speler in het economische weefsel van de samenleving. Private en publieke actoren nemen hun beslissingen uiteindelijk op autonome manier, waardoor het project van de overheid ‘niet inschiet aan cliëntelisme of particuliere belangen, en zakelijke belangen ook niet ten onder gaan door afstandelijke en houterige bureaucraten’.

De rol van de overheid: liberale versus sociale ideeën

Uit het voorgaande volgt dat een liberaal discours en een sociaal marktdiscours in de rol van poortwachter een belangrijk raakpunt hebben. Als poortwachter moet de overheid een juridische context garanderen waarin handel mogelijk is. Zij moet een oplossing bieden voor wanneer de markt faalt, bijvoorbeeld in de vorm van sociale voorzieningen, en moet zelfdestructieve marktprocessen, zoals monopolievorming, een halt toeroepen. Overheden moeten ook sociale stabiliteit verzekeren en in een collectieve infrastructuur voorzien. Een economie zonder transportinfrastructuur, zonder collectief onderwijssysteem, zonder universiteiten die economisch waardevol onderzoek verrichten, en zonder afdwingbare regels die bedrog en diefstal verbieden en beteugelen, is immers ondenkbaar. Een alerte en gedoseerde overheid is dus een noodzaak voor economische ontwikkeling.

Waar een liberaal marktdiscours en een sociaal marktdiscours uiteenlopen, is met betrekking tot overheidsinterventies die verder gaan dan de rol van poortwachter. Een sociaal marktdiscours kan steunen op steeds meer wetenschappelijk bestudeerde feiten die de cruciale rol van de overheid als speler en spelverdeler in de economie documenteren. In geavanceerde, kennisintensieve, en snel veranderende economieën lijkt coördinatie door de overheid een kritische succesfactor te zijn. Een goed draaiende economie wordt bijgevolg gekenmerkt door zowel het marktmechanisme als overheidsinmenging. Als de overheid economische ontwikkeling wil ondersteunen dan mag ze zich, in scherpe tegenstelling tot wat Hayek voorschreef, niet beperken tot de residuele rol van poortwachter. De impulsen van de overheid bestaan erin om op het gepaste moment juist die omstandigheden te creëren en die productiefactoren aan te reiken die economische ontwikkeling versnellen. Het gaat daarbij onder meer om logistieke infrastructuur, energie, vaardige en gezonde werknemers, een collectief systeem van kennisopbouw via publiek gefinancierde onderzoeksinstellingen, verzekeringssystemen die het nemen van risico’s in de economie bevorderen, enz. De overheid moet logistiek, coördinerend en regulerend optreden. En dit in zowel de organisatie van de productie, als in het bevorderen van marktuitwisseling. Het is die coördinerende en regulerende rol, in de kern van het marktmechanisme, die de competitiviteit van een nationale economie bepaalt. Daarom is het argument dat de hoogte van de minimumlonen een centrale rol speelt in de competitiviteit van de economie misleidend en in hoge mate naast de kwestie. Wie bijvoorbeeld denkt dat de Indische software industrie puur dankzij het vrije marktmechanisme wereldwijd bepalend is geworden, vergist zich. Wie denkt dat het Chinese economische mirakel louter te danken is aan liberalisering vergist zich eveneens. En wie denkt dat liberalisering op zichzelf welvaart genereert moet zich afvragen waarom dat niet van toepassing lijkt op de Afrikaanse economieën.
Succesvolle economische ontwikkelingen zijn het resultaat van doelgericht en overlegd economisch beleid. Daarbij wordt gesteund op een omvangrijke economische rol van overheidsinstellingen en op een uitgebreide dialoog tussen publieke instanties en private ondernemingen. Een gemengde economie is daarom de enige denkbare: als poortwachter moet de overheid een halt toeroepen aan ongewenste marktprocessen, maar als speler/spelverdeler moet zij wenselijke marktprocessen helpen mogelijk maken. Een stereotiep tegenargument is dat de ineenstorting van het communisme de onwerkbaarheid van een al te grootschalige en autoritaire overheid heeft bewezen. Natuurlijk heeft het communisme bewezen dat een te dirigerende en autoritaire overheidsinmenging allicht meer kwaad dan goed zal doen. Maar een grootschalig top-down dirigerend beleid is niet hetzelfde als een beleid dat op grote schaal op een selectieve, sociaal gemotiveerde en overlegde wijze kleinschalige initiatieven neemt in het maatschappelijk productiesysteem. In het laatste geval treedt de overheid coördinerend op, waardoor zij het aanpassingsvermogen en de slagkracht van de economie kan versterken. In het autoritair communistische systeem trad de overheid dirigerend op, waardoor ze vele vormen van creativiteit en kansen op vooruitgang in de kiem smoorde. Recent onderzoek is overtuigend in zijn aanwijzingen dat er tussenvormen bestaan waarbij de slagkracht van zowel de overheid als van de markt gemaximaliseerd wordt. Die tussenvormen krijgen geen plaats in het neoliberale denken, terwijl zij vanuit zowel sociaal als economisch oogpunt heel aantrekkelijk zijn. Ze vormen daarom een perfect uitgangspunt voor een sociaal marktdiscours.

Besluit: opgepast voor de residuele (welvaart)staat.

Een zeer uitgesproken liberaal economisch discours stelt ‘de markt’ voor als een onaantastbare verzelfstandigde en superieure maatschappelijke orde, die gevrijwaard moet worden van overheidsinterventies. Bijgevolg moet de vrijheid (die ondernemers toelaat te innoveren) vergroot en de impact van de overheid verhoudingsgewijs beperkt worden. Minder overheid zal dan tot meer welvaart leiden. Een concreet voorbeeld van deze redenering is het liberale streven naar een residuele welvaartstaat, waarin de overheid zich volledig terugplooit op de rol poortwachter. De residuele welvaartstaat is in een liberaal discours de enige redelijke staat omdat zij de economie behoedt voor de perverse effecten van regulering. In de residuele welvaartstaat hoeft het beleid zich bijvoorbeeld niet bezig te houden met de middenklasse. De overheid hoeft enkel aandacht te hebben voor armoede, ten minste voor zover die armoede veroorzaakt wordt door een gebrek aan toegang tot de markt. Dit werd geïllustreerd in de discussie omtrent prijsinterventies in de private vastgoedmarkt door Johan Albrecht in een opinieartikel in De Standaard (20/12/2005): ‘de overheid moet de vastgoedmarkt alleen evalueren vanuit de behoeften van de zwakste groepen. De verzuchtingen van een deel van de middenklasse zijn niet prioritair.’ Het probleem met een dergelijk residuele visie is dat er slechts eenzijdige maatregelen worden getroffen op het niveau van de symptomen van maatschappelijke problemen (i.c. armoede). Er gaat daarbij zeer weinig aandacht uit naar de oorzaken van maatschappelijke problemen (versterkte ongelijkheden op de markt die de koopkracht en productieve waarde van de middengroepen in de bevolking aantasten). Bij het doortrekken van die benadering naar de arbeidsmarkt worden bovendien kansen op economische ontwikkeling onbenut gelaten. Door de rol van speler en spelverdeler te negeren is er ook geen mogelijkheid voor de overheid om via investeringen in het aanbod van arbeidskrachten een doelgerichte impuls te leveren aan de economie. Het is deze visie waartegen een sociaal marktdiscours in het verweer moet gaan. Ruimte geven voor private initiatieven vergt in bepaalde omstandigheden juist meer interventie van de overheid, niet minder. Een te liberaal beleid zal van economische groei de aandrijving maken van een stuurloos voertuig dat op termijn zichzelf dreigt vast te rijden. Een constructief en progressief socio-economisch beleid moet zich daarentegen (zowel om morele als om pragmatische redenen) richten op de ongelijkheid die in het marktmechanisme vervat zit. Dat is geen kwestie van afgunstsocialisme, maar wel van het doelgericht ondersteunen en promoten van zowel de sociale als de economische ontwikkeling van de samenleving.
Een moeilijkheid hierbij is dat de Hayekiaanse visie helaas ook een duidelijke weerslag heeft op de aard van beschikbare cijfers. Vooralsnog leveren statistische gegevens te weinig informatie die het uittekenen van de overheid als speler/spelverdeler kunnen ondersteunen. Dat heeft veel te maken met de Hayekiaanse invloed op de economische wetenschap in het algemeen, en op de gebruikelijke beleidsondersteunende gegevensverzameling over de economie in het bijzonder. Het ontbreekt veel te veel cruciale vragen aan een duidelijk antwoord. Wat zijn bijvoorbeeld de kenmerken van de banen die de afgelopen jaren verdwenen zijn? Wie zijn de mensen die hun job verloren hebben en wat zijn hun kansen op nieuwe tewerkstelling? Welke jobs zijn er bijgekomen in welke bedrijven, en voor wie zijn deze jobs toegankelijk, voor wie niet en waarom?20 In een Hayekiaanse economische visie zijn die vragen niet relevant. Dit soort dynamiek is deel van de spontane orde waarin de overheid zich niet mag mengen. In de spontane marktorde zullen de verliezers, in het verlies zelf, immers de stimulans vinden om zich te heroriënteren naar economisch meer rendabele activiteiten. Een sociaal marktdiscours moet echter wijzen op de barrières waardoor sommigen groepen in de samenleving niet op eigen kracht de weg (terug)vinden naar economische voorspoed. Zo’n discours komt daarmee tegemoet aan de gevoelens van onrechtvaardigheid en machteloosheid die aan de basis liggen van maatschappelijke polarisering. Een sociaal marktdiscours moet die gevoelens een constructieve, in plaats van polariserende, stem geven in het debat.

Seth Maenen
Centrum voor Sociologisch Onderzoek (CESO), K.U.Leuven

Noten
1/ Levinthal D. (2002) Organizational Capabilities in Complex Worlds In: Dosi G., Nelson R. R. & Winter S.G.(reds.), The Nature and Dynamics of Organizational Capabilities (pp. 363-379) Oxford, Oxford University Press - eigen vertaling.
2/ von Hayek F. (1991) Spontaneous (‘grown’) order and organized (‘made’) order. In: Thompson G., Levacic R., Mitchell J. & Frances J. (reds.), Markets, Hierarchies and Networks. The Coordination of Social Live (pp. 293-301). London, Sage Publications in association with The Open University.
3/ Korzeniewicz R. P. & Moran T. P. (2005) Theorizing the relationship between inequality and economic growth. In: Theory and Society, 34, pp. 277-316.
4/ Ibid.
5/ Adam Smith geciteerd door Wilkinson F. & Lapido D. (2002) ‘What can governments do?’ In: Burchell B.L., Lapido D. & Wilkinson F. (reds.), Job Insecurity and Work Intensification (pp. 112-136). London, Routledge - eigen vertaling.
6/ von Hayek F. (1991) ‘Spontaneous (‘grown’) order and organized (‘made’) order’. In: Thompson G., Levacic R., Mitchell J. & Frances J.(reds.), Markets, Hierarchies and Networks. The Coordination of Social Live (pp. 293-301). London, Sage Publications in association with The Open University.
7/ Ibid.
8/ Ibid.
9/ Sidaway J. & Pryke M. (2000) The Free and the Unfree. ‘Emerging Markets’, The Heritage Foundation and the ‘Index of Economic Freedom’. In: Bryson J.R., Daniels P.W., Henry N. & Pollard J. (reds.), Knowledge, Space, Economy (pp. 176-190). London, Routledge.
10/ Wilkinson F. & Lapido D. (2002) What can governments do? In: Burchell B.L., Lapido D. & Wilkinson F. (reds.), Job Insecurity and Work Intensification (pp. 112-136). London, Routledge.
11/ Block F. & Somers M. (2003) In the Shadow of Speenhamland: Social Policy and the Old Poor Law. In: Politics and Society, 31(2), pp. 283-323.
12/ De Vos M., ‘Hogere minimumlonen of meer koopkracht?’, In: De Tijd, 29/09/2006
13/ Campbell D. & Klaes M. (2005) The principle of institutional direction: Coase’s regulatory critique of intervention. In: Cambridge Journal of Economics, 29, pp. 263-288.
14/ Ibid.
15/ Wilkinson F. & Lapido D. (2002) What can governments do? In: Burchell B.L., Lapido D. & Wilkinson F. (reds.), Job Insecurity and Work Intensification (pp. 112-136). London, Routledge.
16/ Zie Fligstein N. & Sweet A. S. (2002) Constructing Polities and Markets: An Institutionalist Account of European Integration. In: American Journal of Sociology, 107(5), pp. 1206-1243.
17/ Griffiths A. & Zammuto R. F. (2005) Institutional Governance Systems and Variations in National Competitive Advantage: An Integrative Framework. In: Academy of Management Review, 30(4), pp. 823-842.
18/ Rangan S., Samii R. & Van Wassenhove L. (2006) Constructive Partnerships: When Alliances between Private Firms and Public Actors Can Enable Creative Strategies. In: Academy of Management Review, 31(3), pp. 738-751.
19/ Griffiths A. & Zammuto R. F. (2005) Institutional Governance Systems and Variations in National Competitive Advantage: An Integrative Framework. In: Academy of Management Review, 30(4), pp. 823-842.
20/ Een pas gestart Strategisch Basisonderzoek (SBO), gefinancierd door het IWT, probeert precies deze statistische gebreken te ondervangen, zie http://soc.kuleuven.be/ceso/onderzoek/2/proposal%20KEROSINE

economie - sociale ontwikkeling - vrije markt

Samenleving & Politiek, Jaargang 13, 2006, nr. 10 (december), pagina 15 tot 24