Log in

2007, het jaar van ontmoeting en wederzijdse verrijking

nieuwjaarsbrief

Samenleving & Politiek, Jaargang 14, 2007, nr. 1 (januari), pagina 26 tot 30

De eerste nieuwjaarswensen voor 2007 zijn nog maar net uitgesproken - of de inkt is nog maar net opgedroogd - en de media herinneren er ons al aan dat de federale verkiezingen van dit jaar er in allerijl aankomen. Maar alles op zijn tijd. Het jaar 2006 was in sommige opzichten zulk een markant jaar dat het ook enige reflectie verdient. Met gebeurtenissen en trends die ons zullen (moeten) leiden doorheen 2007.

Het meest heuglijke nieuws in 2006 was voor mij, voor vele Antwerpse politici én voor vele Antwerpenaren natuurlijk de ‘overwinning van de democratie’ die ’t stad te beurt viel op de avond van 8 oktober. Ongeloof en complete verbazing waren de eerste reacties, bij alle partijen. Antwerpen verbaasde nationaal en internationaal. Dit was toch de stad van het prototype van dé verzuurde burger, de archetypisch klagende stadsbewoner?
Met zo’n duidelijke overwinning van de democratische partijen, en in het bijzonder van het kartel sp.a-spirit, lijkt het er op dat het merendeel van de Antwerpenaren de verzuring de rug heeft toegekeerd. Dat klopt natuurlijk niet helemaal en voor de hele stad. Maar het blijft overduidelijk dat vooral de kiezers in de kernstad (het district Antwerpen, maar ook de direct aanpalende districten Borgerhout en Berchem) veel geloof hechtten aan de nieuwe positieve wind die de laatste jaren was beginnen waaien. In de weken na de verkiezingen verzekerden velen mij - en mijn collega’s en vrienden - dat ze opnieuw met opgeheven hoofd, met een soort van hernieuwde energie, door ‘hun’ Antwerpen konden lopen. De verkiezingsuitslag werd voor velen een psychologische en emotionele krachtbron, een opgelucht en verfrist ademhalen na een al te lange, vervelend aanslepende verkoudheid.
Na de euforie - die altijd tijdelijk is - komt het er nu op neer om de Antwerpenaren in de volgende zes jaar te laten zien dat we hen au sérieux nemen. Dat we ook iederéén in de stad au sérieux nemen. Dat we eveneens werk maken van een beter gelijkekansenonderwijs, van tewerkstelling voor iedereen en van veel meer middelen voor de zwakkeren in onze stad. Ook zijn politici én verenigingen in ’t stad het nu aan zichzelf verplicht om ‘om te gaan met diversiteit’. Deze vaak impliciet of abstract geformuleerde wens van de Antwerpenaar moeten we concreter en tastbaarder maken. Vele stadsbewoners zijn zich terdege bewust van het nut, zelfs de noodzaak om ‘de andere’ of ‘het andere’ te leren kennen. Er is benieuwdheid maar ook nog een grote mate van angst of ongerustheid. Dit omgaan met diversiteit is dé uitdaging van de komende jaren. We zullen dit met z’n allen werkelijk gaan moeten leren zien als dé wissel op de toekomst van onze samenleving, en pogen dit te valoriseren als dé springplank naar meer innovatie, welvaart en welzijn.

In mei van 2006 zag het er hoegenaamd nog niet naar uit dat het de goede richting kon uitgaan met die ‘diversiteitsaanvaarding’. Niet in Antwerpen, niet in Brussel. De meest hallucinante en alle verbeelding overstijgende gebeurtenis van vorig jaar was ook de meest intrieste en gewelddadige: de racistische moorden midden in de gezapige zijstraatjes van mijn hometown Antwerpen. Het waren niet de enige maar wel de meest opvallende voorbeelden van zinloos geweld. Maar ze leken geen alleenstaande gevallen meer. Er was een oprechte vrees voor een compleet verharde sfeer. Ze konden het begin zijn van een vicieuze cirkel van alsmaar meer confrontatie. Hoeveel slachtoffers van zinloos geweld zouden er nog kunnen volgen? Wie kon begin 2006, in ons gemoedelijke landje, vermoeden dat mensen niet alleen verbaal maar ook individueel fysisch tegen elkaar konden worden opgezet omdat de ene een andere huidskleur heeft of een andere religie belijdt? Het ‘kader’ was er natuurlijk; mede gepropageerd via sommige partijpolitieke programma’s. Maar ook door ondoordachte uitspraken van individuen en politici die beter zouden moeten weten. Het was onbegrijpelijk, onthutsend en afgrijselijk. Geen enkel adjectief kan weergeven hoe haat zo diep kan zitten. Zo diep dat op een mooie zomermiddag koudweg op onschuldige mensen kan worden geschoten. De stille maar bonte mars die daarop volgde, schreeuwde in al zijn ingetogenheid de verontwaardiging en ontsteltenis uit. Hier was mentaal en moreel een grens overschreden. Dit was de waarschuwing waartoe xenofobie en mensenhaat kan leiden. Tegelijkertijd groeide bij velen de bevestiging van de wil van de Antwerpenaar - en van andere marsgenoten - om diversiteit als een realiteit te beschouwen. Een realiteit waar je niet meer omheen kunt.

Die actieve aanvaarding van de realiteit en haar diversiteit is voor mij, als jonge vrouw van de tweede migratiegeneratie, evident. En ik hoopte dat die voor mij zo evidente concrete invulling van het actief pluralisme ook ruimer gedragen zou worden. Maar ik constateer de laatste jaren maar al te vaak hoe anderen, meestal allochtone moslimjongens maar de laatste tijd ook gehoofddoekte moslima’s, uitgesloten worden. De samenleving die ook de hunne is, aanvaardt hen niet zoals ze zijn. Zo ondervinden ze zéér vaak racisme en discriminatie tijdens sollicitaties, op de werkvloer, aan de lokettendiensten, tijdens de vrije tijd of gewoon op straat. Gek dat we aan die hoofddoek, na meer dan veertig jaar Turkse en Marokkaanse migratiegeschiedenis, nog steeds niet gewend zijn. Sterker nog: dat we die nog altijd als een uitheems, zelfs vijandig symbool beschouwen zodat sommigen hem zelfs uit het publiek domein en van de werkvloer willen bannen. Het toont aan dat we als beleidsmakers nog heel wat sensibilisering voor de boeg hebben en zelf dringend met ‘good practices’ voor de dag moeten komen. Daarin hebben we al te lang en schromelijk gefaald.
Veel allochtonen willen werken en hebben de nodige kwalificaties. Er mag niet te vlug gesproken worden van een verloren generatie. Het is hoog tijd om uit die vicieuze cirkel te geraken waarbij vooroordelen zorgen voor werkloosheid, en ontmoedigde allochtonen zorgen voor maatschappelijke problemen (wat op hun beurt weer de vooroordelen vergroot). Het jaar 2007 moet er een worden van de streefcijfers voor de diversiteit op de werkvloer. Het jaar van de effectieve en daadkrachtige uitbanning van discriminatie en racisme uit onze samenleving. Het is beschamend en een rechtsstaat onwaardig om te moeten constateren dat we op beide vlakken helemaal beneden de Europese ladder bengelen. Ook de media kunnen en moeten hun rol spelen door de positieve indrukken van diversiteit uit te vergroten in plaats van enkel de negatieve. De perceptie is nu eenmaal allesbepalend. Het kan onnodig verscherpen en confronteren, of anderzijds contact bevorderen en verenigen.

Op het politieke vlak was er in 2006, los van het diversiteitsdebat en zijn zinloze confrontaties, nog meer verontrustend nieuws te rapen. De schandalen die zich voornamelijk bezuiden de taalgrens voordeden, waren zeer nefast voor de democratie en voor het vertrouwen van de mensen in ‘hun’ politici. Begin januari van dit jaar kregen deze, op zich al sterk communautair getinte, spanningen ook koninklijke of prinselijke allures. Volgens de laatste tellingen en barometerwaarnemingen is het geloof van de burgers in onze instellingen bedroevend laag. Deze al te broze toestand maakt dat we zulke wantoestanden, veroorzaakt door politici die het politieke mandaat bezoedelen in hun zoektocht naar financiële en misschien andere materiële zelfbevrediging, kunnen missen als kiespijn. Des te schrijnender is het als je bedenkt dat de gevolgen van dit profitariaat altijd, zij het direct of indirect, ten koste gaan van de meest zwakken en behoeftigen in onze maatschappij.
De burger kan bij dit alles een zeer duaal gevoel hebben: ja, het moet en zal de juiste richting uitgaan - want daarvoor hebben we gestemd - maar neen, 100% vertrouwen hebben we daar niet in. En de volgende federale verkiezingen staan, zoals gezegd, nu al voor de deur. Veel te vroeg na de vorige lokale stembusgang voor sommigen, maar dat maakt ze niet minder onvermijdelijk. In het electorale epicentrum van mei of juni 2007 situeert zich de titanenstrijd tussen Verhofstadt en Leterme. Gaan zij, met of zonder bril, en met een betere of slechtere ‘gebarentaal’, écht praten over ideologie, over een visie op lange termijn, over beter bestuur en over sociale rechtvaardigheid en mondiale betrokkenheid? Of worden het wederom compleet gemediatiseerde verkiezingen? Wordt politiek nu definitief beperkt door een te enge verpersoonlijking - sommige zeggen: veramerikanisering - of kunnen we deze trend nog doorbreken? Ik hoop van wel. Ik hoop dat langetermijnvisie en het engagement om nog voor iets te vechten, ons politieke credo en onze drive mogen zijn. Niet in het minst om ons idealisme over te brengen en het vertrouwen in ons, en de instellingen, aan de burgers terug te geven.

Het stond in de sterren geschreven dat de federale stembusgang van 2007 voorafgegaan zou worden door communautair spierballenvertoon. Wie het hardst op de borst klopt, haalt de krantenkoppen. Wie er continu uitspringt - zij het positief of negatief - haalt eveneens de headlines. De ervaring leert gelukkig echter ook dat diegenen die het hardst roepen - soms vrij snel nadien - meestal ook gepercipieerd worden als diegenen die het diepst in het zand moeten bijten.
Ik pleit dan ook voor een meer evenwichtig discours over de belangrijke thema’s, alsook voor een realistische communautaire agendasetting. De dialoog met de Franstalige broeders en zusters voeren we daarom best ook rustig. Vóór het heetst van de strijd. Hoe hard de muur van het Franstalige front en hun ‘non’ ook lijkt. In het heetst van de strijd zijn er géén winnaars. Daarna wel, mits we daar naartoe werken. Wat mij betreft hadden onze hoogste politieke verantwoordelijken in dit land daartoe allang initiatieven moeten nemen over de partijgrenzen heen. De communautaire discussie is namelijk onontkoombaar. Hopelijk is het nog niet te laat. Het alternatief is de zwaarste communautaire kater ooit en het gevaar af te stevenen op een langdurige crisis. Iets wat de bevolking ons zeker niet in dank zal afnemen.

We streven allen naar goed bestuur op alle niveaus en vechten allen voor meer sociale rechtvaardigheid en welvaart. Maar wat ik de laatste tijd moeilijk kan rijmen met de finaliteit van het politieke engagement, is die evolutie en drang naar het puur cijfermatige. Het zien van de samenleving als een bedrijf, en de bevolking enkel en alleen als ‘stakeholders’. Ik weet natuurlijk ook wel dat de rekening moet kloppen en dat de staat als een goede huisvader met zijn financiën moet omgaan. Maar hoe kunnen we zakelijk, en met veel trots, aankondigen dat de staatsschuld van Vlaanderen tegen 2009 afgebouwd zal zijn terwijl verschillende rapporten, van de Koning Boudewijnstichting of de Universiteit Antwerpen, er ons pijnlijk op wijzen dat we in onze rijke regio ook een toename aan armoede en behoeftigheid kennen? Gaan we in 2009 dan minder armen en leefloners hebben?

Hoe we als lid van één - maar meestal van meerdere - geografisch, etnisch of cultureel bepaalde bevolkingsgroep(en) overeen zullen komen en hoe we naar elkaar toe groeien, zal bepalen hoe we die interculturaliteit aanpakken. De demografische, politiek-geografische en mondiale ontwikkelingen zullen ook in 2007 (en de volgende decennia) onze realiteit alsmaar meer gaan beheersen. De asiel- en migratiepolitiek, en de negatieve en repressieve connotatie die rond deze thematiek hangt, wordt (gelukkig maar) hoe langer hoe meer op het internationale en Europese niveau omgebogen tot een positieve dynamiek. Mensen kunnen immers niet gestopt worden aan de grenzen - hoe hoog en lang de hekken ook mogen zijn, of hoe diep het water van de zee. De teksten en de politieke retoriek hebben het nu eindelijk over het samengaan van migratie en ontwikkeling, roterende migratiefaciliteiten, overdracht van kennis en technische infrastructuur. Met andere woorden, migratie als bron van wederzijdse verrijking. Maar ook daar is nog veel werk aan de winkel. In het verlengde ervan kunnen we onze kop niet blijven in het zand steken voor de duizenden ‘sans papiers’. We kunnen niet blind en gevoelloos blijven voor hen, die jarenlang en vaak met kinderen in onze steden verblijven, die blijk geven van integratie en werkbereidheid, maar in een totaal vacuüm van rechteloosheid moeten zien te overleven. Laten we de politieke moed en generositeit hebben om deze mensen een menswaardig bestaan aan te bieden en humane oplossingen aan te reiken voor diegenen die niet bij ons kunnen blijven.

Ten slotte wordt 2007 voor België in zijn functie van permanent lid van de VN-Veiligheidsraad een zeer interessante uitdaging. En een kans voor onze bevolking om de wereldproblemen van iets nabijer te volgen dan anders. Dat we in het Grote Merengebied met onze geschiedenis en expertise verantwoordelijkheid zullen opnemen, lijkt me de evidentie zelf. En hopelijk wordt het voor de Congolezen het jaar van de heropbouw van hun land na decennia mensenleed. Maar ons klein landje kan en moet meer van zich laten horen op het internationale vlak. De executie van de Iraakse dictator Saddam Hoessein, aan de vooravond van het Offerfeest (het feest van verzoening en vergeving!), laat een wrange nasmaak achter. We keken als internationale gemeenschap jarenlang toe op een olieverslaafde lidstaat van de VN die dit in wezen oneerlijk proces - los van de schuldvraag van de man - compleet orchestreerde. Een proces dat de toekomst van de internationale justitie zwaar heeft gehypothekeerd, en daardoor de wereldverhoudingen en machtsdeling daarin ongeloofwaardig heeft gemaakt. De oorlog tegen terreur en de angst die deze vorm van politiek teweegbrengt, mag ons niet verlammen. Het moet ons dwingen de oorzaken onder ogen te zien, en daarbij niet-militaire oplossingen als bijbel te hanteren. Het Midden-Oosten moet een dwingende prioriteit zijn tijdens ons mandaat in de Veiligheidsraad. Het stoppen van het geweld en het aantal doden in Irak, Palestina en Libanon is de verdomde plicht van België en van Europa de volgende jaren. Ons land heeft de - soms wat verguisde - reputatie om altijd een compromis te kunnen puren uit quasi en schijnbaar onoplosbare politieke kluwens. Laten we daarmee dit jaar dan maar het verschil maken op het internationale vlak. Hoe klein we ook mogen zijn als land, laat ons in 2007 de wereld maar een stapje dichter bij de vrede en meer respect voor de mensenrechten brengen. Geluk en vrede kunnen we niet kopen, dat weten we ondertussen, maar wensen hebben we met hopen. Laten we daar dan mee proberen de wereld te veranderen. Een Gelukkig 2007.

Fauzaya Talhaoui
Senator voor spirit en Antwerps gemeenteraadslid voor sp.a-spirit

integratie - inburgering - diversiteit

Samenleving & Politiek, Jaargang 14, 2007, nr. 1 (januari), pagina 26 tot 30