Log in

De As van het Goede van Hugo Chávez

Samenleving & Politiek, Jaargang 14, 2007, nr. 2 (februari), pagina 56 tot 60

Hugo Chávez is als president van Venezuela niet alleen het langst regerende (levende) staatshoofd van Zuid-Amerika, hij is ook het meest controversiële. Een belangrijk onderdeel van zijn zogenaamd ‘Bolívariaans project’ vormen de relaties met het buitenland, en meer bepaald met de Latijns-Amerikaanse buren. In dit artikel wordt nader ingegaan op de middelen die Chávez gebruikt om het Bolívarianisme terrein te laten winnen in het continent.

Er gaat de laatste maanden geen week voorbij of de Venezolaanse president Hugo Chávez veroorzaakt een of andere diplomatieke rel, door een collega uit te schelden of zich te mengen in de nationale aangelegenheden van een aantal Latijns-Amerikaanse landen. Na Mexico, Chili en Colombia was vooral Peru aan de beurt naar aanleiding van de presidentsverkiezingen in dat land in juni 2006. Het is duidelijk dat steeds meer nationale verkiezingen in de regio worden beslecht in de context van de steun die Chávez geeft aan een bepaalde partij. Dit was onlangs nog het geval in Ecuador en Nicaragua. Vooraleer in te gaan op de buitenlandse politiek van Chávez is het echter noodzakelijk de inhoud te schetsen van zijn Bolívarianisme.

Het Bolívarianisme

Voormalig kolonel Hugo Chávez kwam in 1998 aan de macht in Venezuela, nadat hij in 1992 reeds een mislukte staatsgreep had gepleegd. Net zoals in andere Latijns-Amerikaanse landen gebeurde dit in de rol van outsider, nadat zowel de traditionele partijen (AD en COPEI) als het gevoerde economische beleid in diskrediet waren gebracht. Zowel vóór als na de verkiezingen bekende Chávez zich als een aanhanger van het Bolívarianismo. Een nogal vage theoretische term die elementen uit het marxisme, het denken van Simón Bolívar, het Latijns-Amerikaanse indigenisme en de Bijbel verzamelt. De laatste jaren herdoopte Chávez deze term steeds vaker tot het ‘Socialisme van de 21ste eeuw’. Na acht jaren aan de macht is eigenlijk nog steeds niet duidelijk wat Chávez precies bedoelt met zijn Bolívariaans project. Temeer omdat hij toegeeft dat het Bolívarianisme als politiek model geleidelijk vanuit de praktijk zal voortvloeien, én omdat Chávez’ discours zeer afhankelijk is van zijn publiek. Toch kan men een aantal elementen aanwijzen als typisch voor de ‘Bolívariaanse revolutie’. Op sociaal-politiek vlak maakt Chávez een punt van de participatieve democratie (of ‘Bolívariaanse volksdemocratie’), als tegenpool van wat hij de schijndemocratie noemt van zijn voorgangers. Bovendien moeten de talrijke petrodollars worden gebruikt voor het aanbieden van gratis onderwijs en gezondheidszorg, met als voorbeeld het Cubaanse model. Een kanttekening misschien hierbij is dat Chávez in de praktijk vaak, als een moderne caudillo, wil uitdelen zonder daarentegen capaciteiten te creëren. Critici van Chávez noemen zijn project dan ook een vorm van ‘petro-populisme’. Op economisch gebied worden het kapitalisme (in de vorm van het neoliberalisme) en de recente golf vrijhandelsakkoorden met ‘het imperium’, de VS, afgewezen. In de plaats moet een progressief-nationalistisch model worden ontwikkeld waarin de staat het opnieuw voor het zeggen krijgt, dankzij de nationalisatie van de cruciale economische sectoren. Ook moet er meer aandacht komen voor een aantal experimenten, zoals coöperatieven en co-management (in de vorm van EPS, oftewel Bedrijven van Sociale Productie), en voor een radicale landbouwhervorming. Kenmerkend voor het model van Chávez is ten slotte de exclusiviteit ervan: men is ofwel vóór, ofwel tegen.

De internationale context wordt in zijn ogen momenteel gekenmerkt door twee tendensen.
Een eerste is het geleidelijk afbrokkelen van de politieke en economische dominantie van de VS in de huidige wereldorde. Aangezien, aldus Chávez, die dominantie precies verantwoordelijk is voor de armoede, ongelijkheid en inferieure positie van Venezuela en Latijns-Amerika in de wereld, moet die tendens versneld worden via de uitbouw van een zogenaamde ‘multipolaire as’ van naties zoals China, Rusland, Iran, Libië, Wit-Rusland en uiteraard Venezuela zelf. Zij moeten gezamenlijk een geopolitiek tegenwicht kunnen bieden voor Washington. Nogal wat van die landen behoren precies tot het ‘As van het Kwaad’ van George W. Bush.
De tweede tendens die Chávez detecteert, is de ‘links-nationalistische golf’ die zich recentelijk over de hele wereld uitstrekt, met Latijns-Amerika in het bijzonder. In dat continent alleen al waren er van de elf verkiezingen in 2006 acht overwinnaars van linkse strekking (alleen Honduras, Colombia en - nipt - Mexico stemden rechts).
Die golf leidde tot het ontstaan van twee assen. Een eerste noemt hij de negatieveMonroeïstische as’ van Mexico-Colombia-Peru-Chili, de lakeien van het Pentagon. De andere positieveBolívariaanse as’ bestaat uit Cuba-Venezuela-Brazilië-Bolivia-Argentinië-Uruguay, recent ook aangevuld met Nicaragua en Ecuador (nadat respectievelijk Ortega en Correa daar de verkiezingen wonnen). De Venezolaanse president ziet het als zijn taak om, als een nieuwe Simón Bolívar, de negatieve as te breken en een ‘Groot-Colombia’ te stichten, als een verzameling van souvereine volkeren in strijd met het (neo)kolonialisme. In de huidige context slaat dit kolonialisme vooral op het neoliberalisme dat vanaf de jaren tachtig werd opgelegd in het kader van de Washington Consensus. In de ogen van het overgrote deel van de Latijns-Amerikanen bracht die niets anders dan armoede, achteruitgang en frustratie met zich mee.

Officiële invloedskanalen

Om zijn doel te bereiken, gebruikt Chávez zowel officiële als niet-officiële kanalen.
Wellicht het belangrijkste officiële kanaal om invloed uit te oefenen in de regio was het opstarten van ALBA (Spaans voor ‘dageraad’ en afkorting van ‘Bolívariaans Alternatief voor Amerika’) in 2004. Het is de tegenhanger van de door de Bush-administratie bepleite ALCA (Amerikaanse Vrijhandelszone). Aanvankelijk was het akkoord niet meer dan een uitbreiding van het Barrio Adentro-akkoord tussen Cuba en Venezuela, dat vooral betrekking had op samenwerking in onderwijs en gezondheidszorg. Eenmaal Evo Morales echter aan de macht kwam in Bolivia, werd dit land meteen lid van de organisatie. Ook andere naties van de ‘As van het Goede’, zoals Nicaragua en Ecuador, staan op het punt zich aan te sluiten. Het - opnieuw nogal vage - doel van ALBA is economische samenwerking op basis van productspecialisatie en solidariteit (in plaats van competitiviteit en concurrentie), wederzijdse hulp in de strijd tegen de armoede en het aanmoedigen van Latijns-Amerikaanse investeringen binnen de regio. Dit alles met een grote rol voor de staat en duidelijke regels voor de MNO’s. In de praktijk betekent ALBA (met als complement de ‘Handelsakkoorden van de Volkeren’ of TCP’s, de tegenhanger van de vrijhandelsakkoorden) samenwerking tussen Venezuela, Bolivia en Cuba. En dit op vlak van onder meer alfabetisering, het uitreiken van identiteitskaarten onder plattelandsbewoners (cedulación) en het uitsturen van (vooral Cubaanse) medici in geïsoleerde gebieden. Ook de ‘ruil’ van Venezolaanse olie tegen respectievelijk Boliviaanse soya en Cubaanse artsen en leerkrachten, het opleiden van 5000 Boliviaanse artsen in Cuba en het aanbieden van duizenden Venezolaanse studiebeurzen aan Boliviaanse studenten past in de praktische uitwerking van ALBA. Dé sleutel in de economische integratie is volgens Chávez de belangrijke olie- en gasindustrie in de regio. In het bijzonder in Venezuela: het land is de vijfde olieproducent van de wereld. Teneinde de ‘energetische integratie’ van de regio na te streven, werd vanuit Caracas de PetroAmérica in het leven geroepen om de bestaande nationale petroleumbedrijven te verenigen. Een aanzet daarvoor was de creatie van PetroCaribe in 2005, waarbij de Venezolaanse energiereus PDVSA goedkope olie zal leveren aan haar Caribische partners. Via Petrosur, ontstaan datzelfde jaar, werken Venezuela, Brazilië, Argentinië en Uruguay samen. Daarbinnen werd beslist om een megapijplijn (Gran Gasoducto del Sur) van ruim 10 000 kilometer aan te leggen. Die zal Venezolaans gas, door Brazilië, naar Argentinië brengen, met een zijtak vanuit Bolivia dat de tweede grootste gasreserves van het continent bezit. De Venezolaanse energievoorraden vormden trouwens een voorname reden voor de aansluiting van het land als volwaardig lid bij de Mercosur in juli 2006. Ten slotte is het eveneens de bedoeling om het bestaande akkoord tussen PDVSA en het Boliviaanse petroleumbedrijf YPFB uit te breiden tot PetroAndina voor de ganse Andesregio. En zo de drie regionale organisaties te verenigen onder PetroAmérica, met als spil het Venezolaanse PDVSA.

Een ander officieel kanaal waarmee Chávez invloed probeert uit te oefenen in de regio heet Telesur. Dit televisienetwerk is sinds midden 2005 in zowat gans Latijns-Amerika te bekijken. Onder de slogan ‘Nuestro Norte es el Sur’ (Ons Noorden is het Zuiden) probeert dit kanaal een ideologisch tegenwicht te bieden voor CNN in de regio. Het heeft daarbij uiteraard extra aandacht voor het reilen en zeilen van de Venezolaanse president. Telesur wordt voornamelijk gefinancierd door de participerende landen Venezuela (46%), Argentinië (20%), Cuba (19%), Uruguay (10%), Bolivia (5%) en bijkomend vanuit Brazilië. Na anderhalf jaar in de ether is het kanaal in 15 landen te bekijken (waarvan het grootste deel per kabel). Het potentieel wordt geschat op 20 miljoen kijkers. Het samenwerkingsakkoord met ‘s werelds andere ‘contrahegemonische kanaal’ Al Jazeera zorgde voor nogal wat kritiek in Washington.
Andere projecten zijn onder meer het stichten van een Universiteit van het Zuiden (Universidad del Sur), een Zuid-Amerikaanse Defensieraad (Consejo de Defensa de América del Sur) en het oprichten van een ontwikkelingsbank (Banco del Sur) als tegenwicht voor de Bretton Woods-instellingen. Een eerste signaal in dit verband was de aankoop door Venezuela van 1,6 miljard dollar aan Argentijnse staatsobligaties. Door deze actie (en het gebruik van bijna 10 miljard dollar aan internationale reserves) kon Argentinië in december 2005, net zoals Brazilië, de IMF-schuld in één keer terugbetalen. Aldus werd het land onafhankelijk gemaakt van deze instelling.

Niet-officiële invloedskanalen

Naast de officiële kanalen zijn er nog een aantal niet-officiële kanalen waarmee Chávez zijn Bolívariaanse revolutie terrein wil doen winnen.
Allereerst is er zijn steun aan ene of gene partij bij de nationale verkiezingen in een aantal Latijns-Amerikaanse landen. Chávez doet regelmatig rechtstreekse oproepen aan een bepaald land om voor een (Chávez-gezinde) ‘progressief-nationalistische’ kandidaat te stemmen. In Bolivia was dit het geval met Evo Morales, in Peru met Ollanta Humala, in Mexico met López Obrador, in Nicaragua met Daniel Ortega en in Ecuador met Rafael Correa. Vooral in Peru leidde de constante inmenging van Chávez bij de presidentsverkiezingen tot hevige discussies. Naast een reeks scheldwoorden aan het adres van de toenmalige presidentskandidaat Alan García (Chávez noemde hem onder andere een ‘dief’, ‘valsspeler’, ‘uitschot’ en ‘een krokodil uit dezelfde poel als [toenmalig president] Alejandro Toledo’), was het vooral de vermeende financiële steun die Humala zou ontvangen hebben die heel wat stof deed opwaaien. Dit leidde onder meer tot de terugtrekking van de Peruaanse ambassadeur uit Venezuela, een diplomatieke breuk tussen beide landen en, al was het ondertekenen van een vrijhandelsakkoord van zowel Peru als Colombia met de VS de officiële reden, het opheffen van het lidmaatschap van Venezuela in de Andijnse Gemeenschap.
Daarnaast richtte Chávez in 2003 het Bolívariaanse Congres van de Volkeren (CBP) op, dat een aantal politieke bewegingen in de regio verenigt in de strijd voor de eenheid van Latijns-Amerika, tegen het kapitalisme en tegen de invloed van de VS in Latijns-Amerika (in de vorm van vrijhandelsakkoorden, de drugsoorlog en het Plan Colombia). Tot deze ‘internationale’ behoren onder meer de Sem Terra-beweging van Brazilië, het FMLN van El Salvador, de Sandinisten van Nicaragua, de Comités ter Verdediging van de Revolutie uit Cuba, de Bolívariaanse cirkels uit Venezuela, Pachacuteq uit Ecuador en Morales’ beweging MAS uit Bolivia. Dit zijn allemaal bewegingen die op hun manier electorale en strijdelementen (wegblokkades, marsen en algemene stakingen) combineren in hun zoektocht naar staatsmacht en zowat zeker financieel ondersteund worden door Chávez.
Ten slotte werd er, parallel aan het CBP, op clandestiene wijze de Continentale Bolívariaanse Coördinatie (CCB) opgericht. Tot deze vereniging behoren politieke bewegingen die de gewapende strijd als politiek middel prediken, waaronder het Chileense FPMR, de Peruaanse MRTA, Patria Libre uit Paraguay en, als centrum van de beweging, de Colombiaanse FARC. Vaak wordt Chávez gelinkt aan deze laatste guerrillabeweging, vooral nadat bekend geraakte dat een aantal FARC-kopstukken, zoals Rodrigo Granda, een tijdlang geheim onderdak vonden op Venezolaanse bodem. Bovendien vermoedt Bogotá dat een deel van Venezuela’s talrijke wapenaankopen doorgesluisd worden naar de Colombiaanse guerrilla. Het is dan ook onnodig te zeggen dat Chávez niet langer een graag geziene gast is in Colombia; overigens de trouwste bondgenoot van Washington in de regio. In tegenstelling tot bij de CBP, probeerde Chávez zich steeds te distantiëren van de CCB, maar recentelijk kwamen een aantal banden aan het licht tussen de organisatie en de Venezolaanse regering.

Duurzaamheid van Chavez’ Bolívariaanse Revolutie?

Men kan zich de vraag stellen hoe duurzaam Chávez’ Bolívariaanse Revolutie is, en wat haar invloed dan is in de regio.
Vooreerst is het duidelijk dat de olieprijs hierin een cruciale rol speelt. Zolang Venezuela olie kan verkopen tegen de huidige prijzen, kan het natuurlijk de regio beïnvloeden door bepaalde politieke krachten te ondersteunen en goedkope olie te leveren aan bevriende landen.
Daarnaast kan men misschien wel spreken over een aantal ‘Chávez-gezinde’ landen maar bij een deel daarvan, en zeker Brazilië, is er eerder sprake van tolerantie van Chávez, dan wel van appreciatie voor diens model. Er schuilt wel degelijk een kloof tussen de verschillende ‘linkse broeders’ in Latijns-Amerika. Ondanks hun gemeenschappelijke bekommernis om het sociale luik na decennia opnieuw op de agenda te plaatsen, zijn de verschillen tussen het ‘narcisme-leninisme’ van Chávez, het indigenisme van Morales, het Chileense model en het hervormde socialisme van Lula da Silva in Brazilië groter dan soms wordt voorgesteld. Overigens lijkt een twist over het leiderschap in Zuid-Amerika tussen Brazilië en Venezuela zeker niet ondenkbaar. Na een periode van relatieve zwakte, als gevolg van een reeks corruptieschandalen, kwam Lula immers versterkt uit de recente verkiezingen. Dat zal zich zeker uiten in het buitenlands beleid van Brazilië. Recente verkiezingen in de regio maakten trouwens duidelijk dat er weliswaar een belangrijk segment van de Latijns-Amerikanen bepaalde agendapunten met Chávez deelt (waaronder de eis tot het hervormen van de economie en meer regionale integratie als een antwoord op de mondialisering), maar dat een misschien wel groter deel genoeg heeft van de Venezolaanse inmenging in binnenlandse kwesties. De electorale nederlaag van bijvoorbeeld Ollanta Humala in Peru en, in mindere mate, van López Obrador in Mexico kan volgens waarnemers hierdoor verklaard worden. Ook in het Bolivia van Evo Morales ontstaat er nogal wat kritiek vanwege de grote invloed die Chávez verwerft in de nationale politiek.
Bovendien dient men een duidelijk onderscheid te maken tussen het discours van Chávez en diens werkelijke daden: de Chávez die voor een gezelschap Amerikaanse investeerders spreekt, is totaal anders dan degene die, aan de zijde van boezemvrienden Diego Maradona en Fidel Castro, anti-Bushmanifestaties voorzit. Kritische stemmen in de regio verwijten Chávez dan ook dat, terwijl hij de Amerikaanse president uitscheldt als ‘de grootste terrorist van de wereld’ of ‘erger dan Bin Laden’, het gros van de Venezolaanse olie nog steeds richting VS gaat. Vandaar ook dat Washington vooralsnog geen duidelijke taal sprak aan het adres van Chávez, zeker wanneer het conflict in het Midden-Oosten blijft aanhouden. Tegelijkertijd beseft de Bush-administratie dat men voorzichtig moet handelen in een continent waar de Amerikaanse invloed stelselmatig afneemt ten voordele van locale linkse en/of nationalistische elementen. Bovendien moet men rekening houden met de expansie van de economische invloedssfeer van China.

Ten slotte werden er op 3 december van 2006 verkiezingen gehouden in Venezuela. Die werden weliswaar overtuigend gewonnen door Hugo Chávez - hij haalde ruim 61% - maar toch is duidelijk dat een groeiend aantal Venezolanen kritiek heeft op de president. Ze verwijten hem onder meer diens aanzienlijke uitgaven in het buitenland, zijn steeds meer autoritaire stijl en de groeiende invloed van de militairen. Zelf zegt Chávez te willen blijven tot in 2021. Vraag is of dit niet te ambitieus is in een, nog steeds, onstabiele regio als Latijns-Amerika?

Sébastien Adins
Licentiaat in de politieke wetenschappen (Universiteit Gent)

Venezuela - Hugo Chávez - Bolívarianisme

Samenleving & Politiek, Jaargang 14, 2007, nr. 2 (februari), pagina 56 tot 60