Abonneer Log in

Eindelijk \"la rupture\"

Voorbeschouwing bij de Franse presidentsverkiezing

Samenleving & Politiek, Jaargang 14, 2007, nr. 3 (maart), pagina 39 tot 49

Een offensief tegen de antipolitiek

De strijd om het Franse presidentschap is uitermate boeiend. De belangrijke kandidaten zijn interessante figuren, die elk op hun manier een antwoord trachten te bieden op het wijdverspreide gevoel van malaise. Daarbij proberen ze, vergeleken met de politiek van de voorbije twintig jaar, ook echt vernieuwend te zijn. Een deel van deze vernieuwing ligt in het qua stijl impliciet terug aanknopen bij vroegere tradities, die een kleurrijker en meer gepassioneerde politiek inhielden (de jaren van de Gaulle of Mitterrand van eind jaren 1970, begin jaren 1980). Daarnaast zetten alle kandidaten zich op een of andere manier af tegen de gangbare politiek. Daarom is deze campagne anders dan die van 2002, 1995 en 1988, die gedomineerd werden door de kopstukken van het centrumlinkse en centrumrechtse establishment. Toen ging het om een gesettelde, machiavellistische Mitterrand, een gedegen maar technocratische Jospin, en de zwaar in opspraak gekomen machtsmens Chirac, die nu geen kandidaat meer is. Met hun regenteske stijl waren ze van de publieke opinie vervreemd geraakt. Mede daardoor geraakte Jean-Marie Le Pen vorige keer onverwachts in de tweede ronde. Nu worden serieuze pogingen ondernomen om de grijsheid te doorbreken. Alle topkandidaten hanteren een discours van ‘rupture’, of ‘trendbreuk’. Zo hopen ze met een massa Fransen, die hebben afgehaakt of een proteststem uitbrengen, terug contact te krijgen.

Het kamp dat de presidentsverkiezingen van 22 april en 6 mei wint, heeft een aardige bonus in de verkiezingen voor de Assemblée nationale, de belangrijkste van de twee kamers, op 10 en 17 juni. Heel wat Fransen zullen op zo’n korte tijd niet van ideologische voorkeur veranderen. Velen willen geen cohabitation meer. Toch is het uitblijven van cohabitation geen zekerheid, temeer daar de rechtse UMP-regering nogal geflaterd heeft, terwijl kanshebber Sarkozy zich daarvan heeft kunnen distantiëren. Een rechtse president en linkse meerderheid is dus nog altijd mogelijk. In deze bijdrage gaan we op zoek naar gelijkenissen en verschillen tussen de belangrijkste kandidaten.1

Nicolas Sarkozy: Amerikaanse cowboy of moderne gaullist met wervend project?

Rechtsliberale accenten

Nicolas Sarkozy staat voorlopig op kop in de meeste peilingen voor de eerste en de tweede ronde, hoewel de socialiste Ségolène Royal serieus komt opzetten. Wat je er ook van denkt, ‘Sarko’ geeft alvast weer kleur aan het Franse politieke debat. De verleiding is groot om van de man een karikatuur te maken, wat de linkerzijde ook volop doet. De zoon van een Hongaarse aristocratische vader (anticommunistische vluchteling) en Frans-joodse moeder zit wellicht iets complexer in elkaar. Het klopt dat hij zich rechtser dan Jacques Chirac en het gevestigde neogaullisme positioneert. Op vlak van veiligheid heeft Sarkozy een compromisloos law-and-order-imago. Veiligheid blijft voor de Fransen een prioritair thema, en uit peilingen blijkt Sarkozy te scoren met zijn harde uitspraken, hardhandig beleid en mediageniek optreden als Minister van Binnenlandse Zaken. Initiatieven van de vorige linkse regering om in probleemwijken ‘police de proximité’ te ontwikkelen, werden teruggeschroefd ten voordele van het klassieke model, waarbij centralistisch georganiseerde politiekorpsen zonder veel affiniteit met de bewoners - desnoods met de ‘hogedrukreiniger’ - het gezag van de republiek komen handhaven. Critici wijzen juist dit element aan als belangrijkste factor bij het ontstaan van rellen in de banlieues. Onder meer om recidive te voorkomen, moet het hele beleid omtrent detentie en vervroegde vrijlating veel strenger; net als menig ander land heeft Frankrijk hier recent een aantal accidenten mee gehad. Sarkozy speelt met het idee van een verplichte gemeenschapsdienst van zes maanden voor alle jongeren.

Op sociaaleconomisch gebied durfde de UMP-voorzitter de voorbije jaren behoorlijk liberaal uit de hoek te komen. Anders dan Chirac, die ooit het liberalisme ‘even desastreus’ als het communisme noemde, verwees Sarkozy in positieve zin naar het Amerikaanse model. De Franse staat moet afgeslankt worden; nu lezen we in zijn programma dat één op twee pensioneringen niet zullen worden heringevuld. Nog steeds legt hij veel meer de nadruk op strenge activering dan uitkeringen (wat in Frankrijk gevoeliger ligt dan in Vlaanderen) en wil hij het stakingsrecht beknotten. Ontslag en overuren moeten soepeler. Aan het adres van allochtonen die zich onvoldoende willen ‘integreren’, riep hij uit: ‘Si vous n’aimez pas la France, quittez-la!’. Ondertussen drukte hij immigratiewetgeving door, die gezinsvorming en -hereniging bemoeilijkt, maar meer mogelijkheden biedt voor een ‘immigration choisie’ in functie van economische noden op de arbeidsmarkt. In zijn programma staat dat alle immigranten Frans moeten leren. Onlangs maakte hij zich op TF1 nog dik over het offeren van schapen in appartementen. Zodoende kunnen Royal en co hem gemakkelijk in de extreemrechtse hoek duwen.

Terug naar het centrum

Maar uit concrete stellingnamen blijkt dat we het beeld van Sarkozy als Amerikaanse cowboy moeten nuanceren. Tijdens de rellen in de banlieues eind 2005, toen Sarkozy de jonge delinquenten ‘racaille’ noemde en daarmee effectief olie op het vuur goot, trokken nagenoeg álle partijen de repressieve kaart. In de gevestigde politiek had niemand iets zinnigs te vertellen over de sociaaleconomische grondoorzaken. Dat kwam pas later wat op gang. Zo probeerde de regering-de Villepin de jeugdwerkloosheid te lijf te gaan met het ‘contrat première embauche’, dat werkgevers een veel soepeler ontslagregeling voor jonge werknemers bood. Na massaal protest trok de regering het CPE terug in, en mocht premier de Villepin, tot grote spijt van Chirac, zijn presidentiële ambities opbergen. Sarkozy schaarde zich aan de kant van de tegenstanders die vreesden dat deze wetgeving de beruchte ‘précarité’ (het feit dat vele mensen in precaire omstandigheden leven) nog zou verergeren. Ondertussen stak hij zijn nek uit voor sociale en fiscale harmonisatie in Europa, ook niet meteen een neoliberale benadering. Omdat een rechtsliberaal imago in Frankrijk slechts een minderheid kan bekoren, is Sarkozy in de precampagne nog meer naar het centrum opgeschoven. Hij wekt de indruk van de sociale problemen een prioriteit te willen maken. Ook al zou hij het misschien willen, in Frankrijk kan een regering geen neoliberaal beleid voeren. Bovendien probeert hij onder druk van de warmere stijl van Royal zijn imago van koele kikker wat bij te sturen. In toespraken heeft hij het over de ontdekking van zijn emoties, die hij vroeger placht te verbergen, en andere diepzinnige dingen des levens. Zijn controversiële stijl heeft hem razend populair gemaakt, maar om het hoogste ambt te kunnen veroveren moet hij dringend van zijn imago van Amerikaanse cowboy af.

Allochtonen horen er toch bij

Sarkozy is één van de weinige toppolitici die zich uitspreken voor positieve discriminatie van allochtonen op de arbeidsmarkt. In het jakobijnse Frankrijk, dat binnen de ‘één en ondeelbare republiek’ particularismen maar met moeite wil erkennen, is dit een revolutionair standpunt. Hij heeft ook aan de kar getrokken voor de oprichting van een moslimraad, en pleit voor overheidsfinanciering voor moskeeën (o.a. om buitenlandse invloeden tegen te gaan). Daarnaast wil Sarkozy gemeentelijk stemrecht voor niet-EU-burgers (net als Royal). In duidelijke bewoordingen zet hij zich af tegen racisme, en pleit evenmin voor een totale assimilatie. Vanuit de klassieke Franse opvatting omtrent ‘laïcité’, die Sarkozy grosso modo deelt, moet de publieke sfeer zo neutraal mogelijk zijn (bijv. hoofddoekenverbod in de republikeinse school), maar in hun privéleven mogen mensen hun eigenheid behouden, een standpunt dat ook door veel Franse socialisten wordt ingenomen. In feite staat Sarkozy voor een complete acceptatie van migranten die zich in de waarden van de republiek inschrijven. Officieel zit Le Pen ook op deze lijn, maar onder meer door de jarenlange systematische associatie van allochtonen met criminaliteit, het pleidooi voor discriminatie tussen Fransen en niet-Fransen op velerlei vlakken, de totale assimilatiedwang, alsook de onophoudende demonisering van de islam, is bij het FN het racisme nooit ver weg. In zijn verkiezingsboek Témoignage en vele toespraken spreekt Sarkozy zich in ondubbelzinnig warme bewoordingen uit over allochtone medeburgers, inclusief moslimgelovigen. Etnisch-culturele diversiteit presenteert hij steevast als een verrijking die Frankrijk sterker maakt. Zijn eigen allochtone roots geven dit standpunt extra geloofwaardigheid. Ten slotte schafte hij de dubbele straf af, waarbij allochtone delinquenten na hun gevangenisstraf naar het land van herkomst werden teruggestuurd.

Als ‘enfant terrible’ geduchte concurrent voor Le Pen

Sarkozy is wel degelijk een behoorlijk rechtse politicus, die de rechts-populistische onderstroom in de samenleving wil recupereren. In dit opzicht dringt de vergelijking met soortgelijke figuren in West-Europa zich op, met name Jean-Marie Dedecker en Rita Verdonk. Deze drie hebben met elkaar gemeen dat ze zich nadrukkelijk op dezelfde kwesties profileren als extreemrechts. Ze liggen ook alle drie zwaar overhoop met de top van hun centrumrechtse (ex-)partij. Dat partijestablishment wil om ideologische redenen niet zo ver meegaan in het populisme. Daarnaast vormt natuurlijk ook de combinatie van hun eigenzinnigheid en grote populariteit een bron van hevige spanningen, naast persoonlijke vetes. De grimmige vijandschap tussen Sarkozy en Chirac en diens acolieten is bekend. Sarkozy gaat er prat op geen afgestudeerde te zijn van de Ecole Nationale d’Administration (ENA), de instelling die talrijke toppolitici heeft voortgebracht en geassocieerd wordt met de technocratische, elitaire en regenteske stijl die nu door zoveel kiezers wordt uitgespuwd. Sarkozy is echter veel meer staatsman dan de andere twee voorbeelden. Hij heeft meer te bieden dan vuilspuiterij en het creëren van mediagenieke incidenten. De doorgedreven diabolisering van Sarkozy strookt alvast niet met de werkelijkheid. Zeggen dat Sarkozy Le Pen achterna holt, is te kort door de bocht. Wel speelt hij in op de bekommernissen van vele Fransen inzake gebrekkige integratie en veiligheidsproblemen (die op vele plaatsen de spuigaten uitlopen). En hij weet ook wel hoe hij minder frisse buikgevoelens moet bespelen. Denk aan zijn suggestie dat de jongerencriminaliteit in de banlieues wel eens iets te maken zou kunnen hebben met de polygamie (sic) in sommige milieus. Fraai is anders. Voor Sarkozy mag ook Turkije de EU niet in, want dat is ‘geen Europees land’. Hij zit op het inhoudelijke terrein van het FN, en reikt FN-kiezers (‘des gens qui souffrent’) expliciet de hand. Maar zijn discours situeert zich toch binnen een democratisch en niet-racistisch kader. Sarkozy is ook één van de weinigen die Le Pen in TV-debatten een toontje lager kan doen zingen. Het klopt niet dat hij totaal ongevoelig is voor de sociaaleconomische grondoorzaken van de jeugddelinquentie en de rellen. Wel kan hij verweten worden met dubbele tong te spreken. Ranzige stemmingmakerij, die voedsel geeft aan racisme, en diepe democratische en antiracistische overtuigingen wisselen elkaar voortdurend af. Chirac heeft dat nooit gedaan. Het is normaal dat progressieven dat niet pikken.

Gaullistische inspiratie

Hoe dan ook wil Sarkozy zich opwerpen als een moderne gaullist, die in zijn optreden aanknoopt bij enkele van de leidmotieven van de Gaulle: het gezag van de republiek herstellen waar nodig, om zo de gewone burger weer vertrouwen in de staat te geven (cfr. de Algerijnse crisis en Mei 1968), het belang van wilskracht, ondernemingsgeest en de ‘waarde van arbeid’ (in contrast met uitkeringen) om de sociale problemen op te lossen, Frankrijk opnieuw een maatschappelijk project en richting geven, en het nodige leiderschap aan de dag leggen om de maatschappij en de logge structuren in beweging te krijgen. Dat spreekt vandaag erg veel kiezers aan. Sarkozy heeft meer die gaullistische uitstraling dan Chirac, en het blijkt (nog altijd of opnieuw?) te werken. Ondertussen wil Sarkozy dat Frankrijk minder verkrampt reageert op Europa, mondialisering en interne regionaliseringstendensen. Dit is alvast één poging om het vertrouwen van vele Fransen in de politiek terug te winnen. Relatief tegenvallende peilingen voor Le Pen geven Sarkozy in dit opzicht enige reden tot optimisme.

Ségolène Royal: populistische marketing of bezielster van een warme samenleving?

Participatieve campagne

Ook de socialistische presidentskandidate heeft begrepen waar de Fransen wakker van liggen: werk, ‘précarité’, onveiligheid, opvoeding en wantrouwen in de politieke klasse. En ook zij probeert er op een originele manier op in te spelen. Haar campagne steunt eveneens op het idee van ‘rupture’. Ze heeft het in haar directe, eenvoudige taal voortdurend over de sociale crisis, de politieke crisis, zelfs de morele crisis die Frankrijk teistert. Het eigen partijestablishment, met onder meer Lionel Jospin, Laurent Fabius en Dominique Strauss-Kahn, die intern met haar wedijverden om de PS-kandidatuur, noemde ze ‘olifanten’, ook al is ze zelf minister onder Mitterrand geweest en nu levenspartner van partijvoorzitter François Hollande. In de aanloop naar de precampagne trok ze het land rond om te ‘luisteren’ naar de mensen. Deze onuitgegeven ‘participatieve campagne’ kende ook een belangrijk luik via internet. Naar eigen zeggen leverde deze methode tal van nieuwe ideeën en inzichten op over de thema’s waar de Fransen echt mee bezig zijn. Veel van deze punten werden dan ook opgenomen in haar 100 voorstellen tellende ‘Pacte présidentiel’. Voor een deel van het publiek dat vooral van daadkracht houdt, stelde Royal zich met deze methode kwetsbaar op. Zo werd het ook door het Sarkozy-kamp, dat veel vroeger met concrete voorstellen op de proppen kwam, voorgesteld. Ook haar vrouw-zijn en niet-macho-stijl heeft in de strijd om het presidentschap ongetwijfeld geen eenduidig positieve werking. Royal speelt alvast haar vrouwelijkheid uit, met openlijke verwijzingen naar seksistische opmerkingen binnen en buiten haar partij. Ook het feit dat ze moeder van vier kinderen is, wordt aangewend om te bewijzen dat ze de problemen van de gezinnen en de moeders door en door kent. Of hoe ze haar ENA-label van zich af heeft weten te schudden.

Ségolisme: een Franse variant van ‘normen en waarden’

De eigenzinnigheid van Royal doet vele waarnemers gewagen van ‘Ségolisme’, wat een ander gedachtegoed zou zijn dat de klassieke PS-doctrine. Zo hanteert Royal een opmerkelijk waardendiscours. Haar antwoord op onveiligheid en jeugddelinquentie is een herijkte ‘citoyenneté’, of een herstel van normen en waarden. Daarom zijn opvoeding en onderwijs ontzettend belangrijk. Alles begint in het gezin en de school, die dan ook meer ondersteund moeten worden. Ze heeft lang geaarzeld alvorens zich (als enige van de vier grote kandidaten) uit te spreken voor homohuwelijk en homoadoptie. Royal staat open voor gemeenschapsdienst voor jongeren, met een verplichting voor de gestrafte jongeren. Sommigen mogen zelfs een tijdje naar het leger worden gestuurd. Ouders van delinquente jongeren zijn aan responsabilisering toe, onder meer met verplichte cursussen over opvoeding en inhouding van kindergeld. In verband met de school pleit ze voor kleine klasjes en veel meer investeringen in probleemwijken; ook moeten de ouders veel meer worden betrokken. Net als Sarkozy pleit ze voor consequente en harde repressie. Ze zal de band tussen sociaaleconomische ongelijkheid en onveiligheid niet ontkennen. Maar door de zo nadrukkelijke focus op opvoeding en waarden als belangrijkste component van de preventie brengt ze toch een relatief nieuw geluid binnen in het debat.

Dit is strategisch niet slecht bekeken. Het lijkt een reactionair verhaal, een discours dat een zekere ‘restauratie’ voorhoudt, maar het is iets dat vanuit brede lagen van de publieke opinie gevraagd wordt. Is de jongste verkiezingsuitslag in Nederland daar niet een uiting van, met zelfs een SP die ervan verdacht wordt terug te willen naar de jaren 1950, toen er meer zekerheid bestond? De Mei ’68-beweging heeft belangrijke emancipatorische en moderniserende processen teweeggebracht, en een conservatief referentiekader, in Frankrijk belichaamd door een autoritaire oorlogsgeneraal, terecht opzij geschoven. Maar wat is er in de plaats gekomen? Naast positieve verworvenheden, ook een te ver doorgeschoten individualisme, consumentisme, neoliberale mondialisering en onzekerheid op vele gebieden (werk- en inkomensonzekerheid, onveiligheid op straat, geweld op school, slechte integratie, e.d.). De samenleving is haar samenhang kwijtgeraakt. Maar een grote groep mensen wil nog steeds een houvast, en naast een materialistisch luik, hoort daar ook een waardenluik bij. Op die manier tapt Royal voor een stuk uit hetzelfde vaatje als Balkenende, zij het in combinatie met een klassieke socialistische inkomenspolitiek. In Nederland hebben we gezien dat dit (tijdelijk?) een effectief antwoord gebleken is op populistisch rechts (waarmee niet wordt gezegd dat het falen van de Fortuynisten alleen hierdoor te verklaren is). Vanuit strategisch oogpunt hebben we hier opnieuw een verdienstelijke poging om terug contact te krijgen met een groot deel van het electoraat, dat de afgelopen jaren extreemlinks of extreemrechts stemde (beide meer dan 15% bij presidents- en Europese verkiezingen), of massaal thuis bleef.

Ségolisme wel degelijk links

Op sociaaleconomisch gebied positioneert Royal zich duidelijk links, weliswaar met een programma dat ver af staat van Mitterrands (kortstondige) socialisme uit 1981. Van de grote democratische kandidaten is Royal de enige die tastbare verhogingen van minimumlonen en uitkeringen bepleit, daar waar de anderen meer inzetten op een hardere activering en bezuinigingen. Werklozen die een opleiding volgen, krijgen het eerste jaar een uitkering van 90% van het vroegere loon. Rechthebbenden van minimumuitkeringen die aan het werk gaan, krijgen van de staat een premie bovenop hun loon. Na zes maanden krijgt elke werkloze jongere een gesubsidieerde job, een betaalde stageplaats of een opleiding. Royal wil de verworvenheden van de 35-urenweek, die de regering-Jospin had ingevoerd en nadien door rechts is uitgehold, in ere herstellen maar wel de negatieve bijwerkingen elimineren. De overheid zal massale syndicalisatie aanmoedigen. De vennootschapsbelasting wil ze moduleren in functie van wat de bedrijven met de winst doen: bedrijven die de winst herinvesteren, in plaats van uitkeren, betalen minder. Winstgevende bedrijven die collectieve ontslagen doorvoeren, krijgen geen overheidssteun, en bedrijven die delokaliseren, moeten de steun terugbetalen.

De linksere profilering van Royal wordt scherper naarmate de verkiezingen naderen. Uit opinieonderzoek is gebleken dat Sarkozy meer arbeiders en laaggeschoolden aanspreekt dan Royal. Daarbovenop komt nog Le Pen die in dit segment heel sterk staat. De arbeidersklasse wordt dus massaal door rechts verleid. Of hoe aan de hand van een rechts veiligheids- en migrantendiscours, en door de zwakte van links, een rechtse hegemonie in Gramsciaanse zin gevestigd wordt. Uit studies is gebleken dat 60% van de kiezers zich momenteel eerder rechts positioneert. De PS staat vooral sterk bij hoger opgeleiden en overheidspersoneel. Door zich nu ondubbelzinnig tot het linkse kamp te bekennen en zich keihard tegen rechts en het centrum (‘ook rechts’) af te zetten, kiest Royal voor een moedige strategie. In plaats van zich klakkeloos te plooien naar een theoretische ‘mediaankiezer’, en zo bij Sarkozy aan te schurken, trachten Royal en de haren van het socialisme als tijdelijke minderheidsopinie een meerderheidsopinie te maken. Zoals het politieke leiders betaamt, probeert zij dus de kiezer nog ietwat in de eigen richting te kneden in plaats van zomaar achterna te lopen. Nu maakt ze van deze verkiezing een strijd tussen links en rechts. De voorbije maanden bestond daar de grootste onduidelijkheid over. De tegenkandidaten binnen de PS deden er alles aan om Royal af te schilderen als een Franse ‘Tony Blair’ of een ‘tweede Sarkozy’, terwijl één al meer dan genoeg was. Met haar discours dat een vernieuwende idealistische en een broodnodige materialistische component bevat, lijkt Royal nu eindelijk op dreef te komen, en qua charisma zelfs weer een beetje aan te sluiten bij de grote Mitterrand. Na jaren van grijsheid (met weliswaar de degelijke en integere Jospin) is er weer een begeesterend project, emotie, vuur. Het valt echter nog te bezien of de PS (eens aan de macht) een trendbreuk zal realiseren inzake de ‘précarité’, en of zij de ‘classes populaires’ voor een stuk kan heroveren.

De terugkeer van de olifanten

Al een hele tijd zit Royal in de meeste peilingen op grote afstand van Sarkozy. Er bestond twijfel over haar intellectuele bagage en binnen haar campagneteam bleek het serieus te rommelen. Zo stapte de expert economie op omwille van interne ruzies, maar volgens kwatongen ook omdat hij Royals budgettaire programma niet geloofwaardig vond. In februari verbaasde ze iedereen door tegenstanders als Jospin, Fabius en Strauss-Kahn in het campagneteam op te nemen. Blijkbaar hebben de ‘olifanten’ zich succesvol verzet tegen een eigenzinnige strategiebepaling waarbij de belangrijke partijbonzen werden uitgesloten. Daarmee is haar aantrekkelijke imago als nieuwe socialiste die afstand heeft genomen van de apparatsjiks, wat aangetast (niet helemaal!), maar in ruil krijgt ze de steun op het terrein van belangrijke clans. Het was voor de kansen van de sociaaldemocratie in de komende dubbele verkiezing nodig de rangen te sluiten na de bittere interne strijd. Er is misschien een verband tussen deze ontwikkeling en haar lichte koerswijziging in de richting van een klassieker socialisme. Normaal gezien moet Royal de tweede ronde halen. Nu vertrekt ze vanuit de oppositie tegen de kwakkelende regering-de Villepin. Nu geniet ze de volle steun van de linkse jakobinst Chevènement, en de ‘radicaux’ van Christiane Taubira. Beiden staan ideologisch dicht bij de PS, kwamen in 2002 apart op en gingen toen met vele potentiële Jospin-stemmen aan de haal.

François Bayrou: mossel noch vis, of de eerste president van de 21ste eeuw?

Als ‘troisième homme’ kans op tweede ronde

Bayrou is het boegbeeld van de centristische Union pour la Démocratie Française (UDF), de stroming die reeds president Giscard d’Estaing voortbracht. Het UDF is in de jaren 1970 ontstaan uit verschillende centrumrechtse krachten (vooral christendemocraten, liberalen en centrumrechtse republikeinen) die zich niet bij het gaullisme wilden aansluiten. Het UDF is minder etatistisch en meer pro-Europees dan de neogaullisten. In 2002 vond een hergroepering plaats ter rechterzijde, waarbij de neogaullisten, die op vele punten (markt, Europa, regionalisering) niet meer zo conservatief uit de hoek komen als de Grote Generaal, het kleine partijtje Démocratie Libérale en vele UDF’ers opslorpten, en zo de Union pour un Mouvement Populaire (UMP) gingen vormen. Bayrou vond echter dat een onafhankelijk UDF moest blijven bestaan. De laatste Europese verkiezingen waren alvast een opsteker (12%). Bayrou beseft ook dat het UDF nodig is als vehikel om een serieuze gooi naar het presidentschap te kunnen doen. En nu speelt hij effectief mee. Opeenvolgende peilingen brengen niet Le Pen, maar François Bayrou in de rol van ‘troisième homme’. Stilaan bestaat er een kans dat Bayrou de tweede ronde haalt. Sommige peilingen geven Bayrou ruim 20%, waardoor hij in principe zowel Royal als Sarkozy bedreigt. Zijn kansen zijn verhoogd door peilingen die hebben aangetoond dat de centrist in de tweede ronde zowel Sarkozy als Royal gemakkelijk kan verslaan. Voor een deel van de TSS-stroming (‘Tout Sauf Sarkozy’) in de publieke opinie is dat belangrijk: vele peilingen suggereren dat Royal het in de tweede ronde tegen Sarkozy erg moeilijk zal krijgen.

Politieke albatros

Ideologisch kan het UDF vergeleken worden met de Britse Liberaal-Democraten of het Nederlandse D66. Pragmatisme is het handelsmerk van Bayrou. In het ene dossier leunt hij aan bij de PS, in het andere bij de UMP. Daardoor is de houding van de UDF ook niet altijd gemakkelijk te voorspellen. In het Europese Parlement zitten ze sinds enkele jaren bij de liberalen (voordien samen met de gaullisten bij de Europese Volkspartij). Een leidmotief is alvast hervorming. Bayrou wil Frankrijk in alle opzichten moderniseren, in de richting van een liberalere economie en meer democratische en transparante instellingen, inclusief regionalisering. Toch mag er nog veel geld vloeien naar sociaal beleid. Af en toe, bijvoorbeeld omtrent het CPE, staat Bayrou op een centrumlinkse lijn. Terwijl Sarkozy de vermogensbelasting wil verlagen, wil Bayrou ze hooguit hervormen, waarbij de opbrengst stabiel blijft. Meer dan van beklijvende voorstellen, moet Bayrou het hebben van de sfeer van vernieuwing die hij rond zich probeert op te wekken. Ook Bayrou staat in deze campagne duidelijk voor ‘rupture’, maar dat is altijd zo geweest. Altijd heeft hij de PS en de neogaullisten vereenzelvigd met conservatisme en dogmatisme. Maar ook in eigen huis wil hij een breuk. Ook al noemen ze zich een centrumpartij, toch heeft het UDF bij stembusakkoorden en regeringsvorming altijd aangeleund bij rechts. Daar wil Bayrou nu komaf mee maken. Hij acht de tijd rijp om het Franse politieke tweestromenland te doorbreken. Met enige zin voor propaganda, verklaart Bayrou zijn opmars in de peilingen als een volk dat zich in beweging heeft gezet voor verandering en door de twee machtspartijen niet meer kan tegengehouden worden. Bayrou wil na de verkiezingen, als was hij een politieke ‘albatros’, een brede coalitie, een regering van nationale eenheid, met het beste uit de drie grote democratische stromingen. Als president wil hij gerust een PS-figuur tot premier benoemen, ‘type Jacques Delors’ (dus gematigd, pro-markt, pro-Europa). De charmante boerenzoon en paardenfokker uit de Pyreneeën rekent op vele centrumrechtse kiezers die geen vertrouwen hebben in de bulldozer Sarkozy (‘die de Fransen tegen elkaar opzet’). Daarnaast richt hij zich tot centrumlinkse kiezers die niet geloven dat Royal in de tweede ronde Sarkozy kan verslaan, of vrezen dat het PS-establishment onder Royal sociaaleconomische hervormingen zal tegenhouden en te veel overheidsgeld zal uitgeven. Ook het fenomeen van de strategische stem voor Royal (in plaats van extreemlinks of de groenen) om Le Pen uit de tweede ronde te houden, zal mede dankzij de goede peilingen voor Bayrou en tegenvallende peilingen voor Le Pen (als het zo blijft!), misschien beperkter blijven dan de PS verhoopt. Wat Bayrou de komende weken nodig heeft, is een mediahype rond zijn persoon en de mythe van een nieuw Frankrijk, met een president Bayrou, die - met enige vertraging - Frankrijk eindelijk de 21ste eeuw binnenloodst (wat dat ook moge betekenen).

Het uur van de waarheid voor Jean-Marie Le Pen

Als hij zijn 500 handtekeningen van burgemeesters, departementale en regionale verkozenen en/of parlementsleden bemachtigt (wat nog niet zeker is), is Le Pen (78) opnieuw kandidaat. Net als in 2002 is hij in de peilingen niet de derde man (in 2002 was dat Chevènement), maar dat kan op onderschatting wijzen. FN-afvallige Bruno Mégret doet nu alvast niet mee en steunt Le Pen. De zurige rechtse Euroscepticus en islamofoob Philippe de Villiers kan op het platteland dan weer een paar kostbare procentpunten afsnoepen. Maar nu is Le Pens belangrijkste concurrent Sarkozy, die veel populairder is dan de linkse ‘gaullist’ Chevènement in 2002. De grote vraag is of Sarkozy Le Pen klein kan krijgen. Door op Le Pens terrein te spelen, neemt Sarkozy wel degelijk risico’s. Door in 2002 het veiligheidsthema te bespelen, hebben Jospin en Chevènement Le Pen wellicht aan extra stemmen geholpen. Misschien brengt Royal ook een aantal verloren schapen eindelijk terug naar de socialistische stal. Als Le Pen nog eens wil stunten, moet hij het nu doen. De kans dat Le Pen in 2012 nog serieus kan meespelen, is klein. En de opvolging binnen het FN is problematisch. Dochter Marine Le Pen pakt nog het best op TV, maar zal zij dezelfde toverkracht bezitten?

Het ‘antiliberale’ kamp: sektarische verdeeldheid

Hoopje ellende?

De linkerkant van de PS is in Frankrijk altijd belangrijk geweest. De voorbije jaren viel daar in presidents- en Europese verkiezingen meer dan 20% van de uitgebrachte stemmen. De voornaamste componenten, die in deze verkiezing opnieuw aantreden, zijn de communistische partij (PCF), de trotskisten (een drietal partijen) en Les Verts. In 2002 was er ook Chevènement. Nu is er de nieuwe kandidatuur van de beroemde andersmondialist en ‘boer’ José Bové. In de peilingen geraakt haast niemand boven de 3%, een hoopje ellende dus. ‘Antiliberaal links’ (op de groenen na) heeft knap gemobiliseerd tegen de Europese Grondwet, met de steun van de PS’er Laurent Fabius (die voorheen nochtans een boegbeeld was van de liberale vleugel van de PS). Mede uit deze succesvolle beweging kwam het idee van een antiliberale eenheidskandidaat naar boven. Velen zagen in José Bové de geknipte man, die dan ook aan deze alliantie is beginnen bouwen. Al vlug bleek het een maat voor niks. De trotskisten Arlette Laguiller (Lutte Ouvrière) en Olivier Besancenot (Ligue Communiste Révolutionnaire), en PCF-boegbeeld Marie-George Buffet lieten weten weer elk apart te willen opkomen. De groenen waren verscheurd over de zaak. De linkervleugel wou de uitgesproken linkse kandidatuur van Bové steunen, anderen wilden een eigen ecologisch verhaal blijven verdedigen, met als uiteindelijke kandidaat ex-minister Dominique Voynet. Bovendien werden de groenen geconfronteerd met de mogelijke kandidatuur van de populaire mediafiguur Nicolas Hulot, een soort Franse Al Gore, die in peilingen grote ogen gooide. Velen binnen Les Verts hadden weinig vertrouwen in Hulot, maar tegen hem kandideren zou weinig zin hebben gehad. Uiteindelijk besliste Hulot toch niet op te komen. Wel liet hij alle kandidaten een ‘Pacte écologique’ ondertekenen. Daarmee konden Sarkozy, Royal en Bayrou zich (ten koste van Les Verts) groen profileren. Volgens de peilingen heeft Voynet grote moeite om aan de kiezers het verschil duidelijk te maken tussen het mainstream hippe milieubeleid dat in het discours van anderen opgang maakt, en een beleid van ecologische duurzaamheid dat grenzen stelt aan de groei.

Waarom niet Nederland of Duitsland achterna?

De kans is dus groot dat er straks links van Royal alweer een hele troep kandidaten aantreedt (misschien een zestal). Dat lijkt erg stom. Ook al is de kans op de tweede ronde heel klein, een slagkrachtige uitstraling en een goede beurt in de eerste ronde van een presidentsverkiezing is voor het maatschappelijke debat en de toekomst van de betrokken stromingen erg belangrijk, en dat bereik je niet met zo’n potsierlijke verdeeldheid. Toch zijn bepaalde breuklijnen niet zomaar weg te wissen. Les Verts steunden de Europese Grondwet, de anderen niet. PCF en Les Verts zijn niet vies van regeringsdeelname met de PS, de anderen wel. Communisten en groenen zullen wellicht zonder veel aarzeling Royal steunen in de tweede ronde. Binnen de groep van de ‘antikapitalisten’ bestaan gradaties inzake ideologische zuiverheid. Communisten en trotskisten doen soms wel uitspraken over milieu, maar ecologie interesseert hen eigenlijk geen moer. Zij plaatsen nog steeds een productivitische logica (inclusief kernenergie in het geval van de PCF) tegenover het idee van grenzen aan de groei. Eventueel had José Bové, die ideologisch een brug legt tussen extreemlinks en groenen, voor deze welbepaalde verkiezing wel degelijk een geloofwaardige eenheidskandidaat kunnen zijn. Maar erg duurzaam zou deze alliantie niet zijn.

Het zou echter mogelijk moeten zijn, zoals in Nederland en Duitsland, een meer gestroomlijnde uiterst-linkse en groen-progressieve stroming te hebben, in een context waarin de sociaaldemocraten socio-economisch sterk bij het centrum en de belangen van de middenklasse aanleunen (te weinig herverdeling, te weinig altermondialisme), en onvoldoende ingrijpend de milieucrisis willen aanpakken. Deze partijen kunnen inzake regeringsdeelname een werkbaar standpunt innemen, in de zin van ‘alleen als we trendbreuken kunnen realiseren’. Ook omtrent Europa moeten de tegenstellingen niet overroepen worden, daar geen enkele partij tegen Europese integratie als zodanig is. Op die manier kan dit deel van het politieke spectrum van een zestal spelers naar twee worden teruggebracht. In Europese verkiezingen hebben LO en LCR al samengewerkt. Beide stromingen vissen dan, ondanks een zekere overlapping, in sociologisch andere vijvers. De eerste stroming zou met meer slagkracht linkse proteststemmen kunnen aantrekken bij misnoegde arbeiders en werklozen en andere ontevredenen onderaan de maatschappelijke ladder. De tweede stroming zou drager zijn van de politieke ecologie, die behalve een links sociaaleconomisch programma, immateriële waarden en grenzen aan de groei vooropstelt, en zodoende ook een groot deel van het Bové-publiek aanspreekt.

Hoog tijd voor een democratischer ‘Zesde Republiek’

De gaullistische Vijfde Republiek, die in 1958 tot stand kwam, maakt het kleinere partijen echter niet gemakkelijk. De presidents- en Assemblée-verkiezing verlopen in hun tweede ronde volgens het ‘the winners takes it all’-principe, dat tweeledige blokvorming in de hand werkt. Zonder stembusakkoorden met de PS geraken linksere partijen nauwelijks in het parlement. De huidige UMP-regering voerde bovendien een kiesdrempel in van 10% voor de regio’s en hoge feitelijke drempels voor de Europese verkiezingen (voortaan 8 kiesomschrijvingen in plaats van één). Op die manier worden belangrijke stromingen in de Franse maatschappij onvoldoende vertegenwoordigd. Bij het referendum voor de EU-Grondwet bleek de parlementaire meerderheid een maatschappelijke minderheid te zijn. Royal zegt wel in beperkte mate proportionaliteit te willen invoeren.

Even stuitend zijn de moeilijkheden die de kleinere presidentskandidaten ondervinden om hun 500 handtekeningen te bemachtigen. Zo zijn kleurrijke figuren als Bové, Besancenot of de Villiers nog altijd niet zeker of ze mogen meedoen. Elke keer zijn er klachten dat burgemeesters door de grote partijen onder druk worden gezet. Le Pen grijpt deze problematiek telkens aan om zich in zijn lucratieve rol van slachtoffer van het systeem te wentelen. Heel wat onafhankelijke burgemeesters willen daarnaast, zolang de handtekeningen openbaar gemaakt worden, niet de indruk wekken dat ze voor iemand partij kiezen. Het is volkomen legitiem dat de Vijfde Republiek wil verhinderen dat straks een paar honderd nobele onbekenden en fantasten zich kandidaat stellen, maar dit gedoe, waarbij zelfs kandidaten met een paar miljoen of meer potentiële kiezers mogelijks aan de zijlijn moeten blijven, ondermijnt het democratische proces en voedt de antipolitiek. De vraag is of deze toestand houdbaar is. Sarkozy heeft al een oproep gelanceerd om de handtekeningen voor kandidaten als Le Pen en Besancenot te leveren. Anonimiteit bij de handtekeningen, of ondersteuning van kandidaturen via petities vanuit het volk, zou alvast een democratischer methode zijn.

Dries Lesage
*Politicoloog aan de Vakgroep Politieke Wetenschappen, UGent *

cartoon: © Arnout Fierens

Noot
1/ Het artikel werd ingediend op 13 maart.

verkiezingen - Frankrijk

Samenleving & Politiek, Jaargang 14, 2007, nr. 3 (maart), pagina 39 tot 49