Abonneer Log in

Strafbare ideeën: geen goed idee

Samenleving & Politiek, Jaargang 14, 2007, nr. 3 (maart), pagina 32 tot 38

Ideas won’t go to jail. In the long run of history, the censor and the inquisitor have always lost.
The only sure weapon against bad ideas is better ideas.

Alfred Whitney Griswold (1906-1963)

De federale wetgeving inzake discriminatie en racisme wordt herzien.1 Waarschijnlijk had u daar al het één en ander van gehoord: het bracht ons namelijk de wekenlange soap rondom de ‘praktijktest’.2 Met al die commotie zou je bijna vergeten dat die wetgeving ook nog andere onderdelen heeft. En dat zou erg jammer zijn. Een bepaling die er op die manier ‘stoemelings’ doorheen dreigt te komen, is namelijk niet minder dan revolutionair.3 Niet elke revolutie is echter een goede zaak...

Waar gaat het om? Op voorstel van de regering zal onder de nieuwe Antiracismewet iemand strafbaar zijn als hij ‘denkbeelden, die zijn gegrond op rassuperioriteit of rassenhaat, verspreid [sic]’.4
Wellicht zal deze bepaling op het eerste gezicht weinig schokkend of zelfs vanzelfsprekend lijken. Racisme en uitingen ervan worden - tezamen met fundamentalisme en terrorisme - veelal gezien als de grootste hedendaagse bedreigingen voor de democratie. Bijkomende antiracistische maatregelen plegen dan ook nogal eens onkritisch onthaald te worden op gejuich. Racisme is slecht. Bestrijding van racisme is dus goed; en hoe meer bestrijding, hoe beter.
In een democratische rechtsstaat heiligen doelen - hoe nobel ook - echter niet alle middelen. In het volgende zal duidelijk worden dat de invoering van de voorgestelde bepaling een brug (of twee) te ver is. Eerst wordt een duiding geboden van de achtergronden van de nieuwe bepaling en van de motivatie en rechtvaardiging die de regering er voor aanbrengt. Vervolgens komt de inhoudelijke kritiek aan bod. Het stuk wordt afgesloten met een korte conclusie.

Strafbare ideeën...

De praktische aanleiding voor het invoegen van de nieuwe strafbepaling vinden we niet terug in het wetsontwerp. We moeten daarvoor terug naar 2004. In oktober van dat jaar vernietigde het Arbitragehof enkele onderdelen van de Antidiscriminatiewet. Tegen die wet hadden enerzijds vier mandatarissen van het (toenmalige) Vlaams Blok en anderzijds professor Matthias E. Storme verzoekschriften tot (gedeeltelijke) vernietiging ingediend. De verzoekers kregen op een aantal punten gelijk van het Hof.
Vooral streng was het Arbitragehof waar het ging om de meningsuitingen die de wet wenste te beperken. Van de drie bepalingen ter zake bleef alleen het ‘aanzetten tot haat, discriminatie en geweld’ overeind.5 De rest sneuvelde.
Eén van de elementen die het Hof vernietigde, was de bestraffing van het ‘openlijk te kennen geven van een voornemen tot discriminatie, haat of geweld’.6 Het Hof stelde in zijn arrest dat dit verbod ‘elk debat [smoort] omdat het verhindert dat diegene die dat voornemen uit, kan worden tegengesproken en ervan zou kunnen worden afgebracht dat voornemen te verwezenlijken’.7 Het Hof huldigt, met andere woorden, het principe dat het in een democratische samenleving het beste is om te reageren op slechte ideeën door er betere ideeën voor in de plaats te stellen.8 Als het uiten van een voornemen zo ernstig is dat het ‘aanzet tot discriminatie, haat of geweld’, dan zou het - zo stelt het Hof - strafbaar zijn op basis van de resterende bepaling uit de wet. Zo niet, dan is bestraffing nodig noch toegestaan.

Wat heeft dit te maken met de Antiracismewet en de nieuwe strafbaarstelling? Het geval wil dat het vernietigde artikel uit de Antidiscriminatiewet gebaseerd was op een zeer gelijkaardige - om niet te zeggen identieke - bepaling uit de Antiracismewet.9 Als het betreffende artikel heropgenomen zou zijn in de Antiracismewet, dan was de kans op een vernietiging zeer reëel geweest.10 Om dit te voorkomen, besloot de regering het artikel ‘preventief’ te schrappen.
Bepaalde minderheidsgroeperingen en het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding ervoeren dit echter als een stap terug in de bescherming tegen racistische uitlatingen. Bovendien vreesden sommigen dat België hierdoor niet langer zou voldoen aan verplichtingen die voortvloeien uit het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie (IVUR).11 Vandaar dat men een ‘vervanging’ heeft gezocht. De nieuwe bepaling in de huidige ontwerp-Antiracismewet is daar het resultaat van.
Het wetsontwerp zelf maakt opvallend weinig woorden vuil aan de invoeging van de nieuwe strafbaarstelling. In de Memorie van Toelichting luidt het slechts dat ‘de internationale verplichtingen inzake rassendiscriminatie’ België ertoe verplichten om de strafbaarstelling in te voeren. Meer bepaald zou het hierbij gaan om artikel 4 (a) IVUR.12
Het relevante deel van dat artikel bepaalt dat de staten die partij zijn bij het verdrag maatregelen moeten nemen om ‘onder andere: a. strafbaar bij de wet te verklaren het verspreiden, op welke wijze ook, van denkbeelden die zijn gegrond op rassuperioriteit of rassenhaat, aanzetting tot rassendiscriminatie, zomede alle daden van geweld of aanzetting daartoe, die zijn gericht tegen een ras of een groep personen van een andere huidskleur of etnische afstamming (...)’.

...geen goed idee

Tot zover lijkt er niet echt iets aan de hand. De ene bepaling gaat eruit, de andere komt erin. En dat alles zogezegd mooi in overeenstemming met internationale verdragen, die zulks zelfs zouden eisen. In werkelijkheid is de zaak complexer.
Om te beginnen klopt het niet dat België in aanvaring komt met de vereisten van het IVUR als het de nieuwe strafbaarstelling niet invoert. Ons land heeft namelijk juist op het punt van (onder meer) de vrijheid van meningsuiting een voorbehoud gemaakt bij het Verdrag.13 Naar dat voorbehoud werd tijdens de oorspronkelijke totstandkoming van de Antiracismewet ook herhaaldelijk verwezen.14 Dit had onder andere tot gevolg dat de ‘racistische belediging’ - die wel opgenomen was in het initiële wetsvoorstel van destijds - niet weerhouden werd als strafbaarstelling,15 maar slechts de meer afgelijnde strafbaarstellingen van het ‘aanzetten tot discriminatie, haat en geweld’ en het ‘publiciteit geven aan een voornemen tot discriminatie, haat en geweld’.
Van het argument van de internationaalrechtelijke noodzakelijkheid blijft daarmee al niet veel over. Temeer daar veel andere staten, die partij zijn bij het IVUR, evenmin de specifieke bepaling van het ‘verspreiden van ideeën’ omgezet hebben in hun nationale recht. Verschillende onder hen hebben immers - net als België - een voorbehoud geformuleerd bij het bewuste artikel.16 Ook nogal wat staten die geen voorbehoud maakten, hebben de bewuste bepaling toch niet omgezet in nationaal recht. Vele landen houden het louter bij een verbod op het ‘aanzetten tot haat, discriminatie en geweld’. Sommige stellen daarnaast eveneens ‘racistische beledigingen’ strafbaar. Daadwerkelijk het ‘verspreiden van ideeën’ beteugelen, is echter zeldzaam. Dit wijdverbreide ontbreken van deze bepaling in de wetgeving van staten die partij zijn bij het verdrag, lijkt echter geen fundamenteel conflict op te leveren met het IVUR. Zelfs het VN-Comité, dat verantwoordelijk is voor het toezicht op de uitvoering van het Verdrag, kaart deze situatie doorgaans namelijk niet aan als iets wat de bewuste staten moeten verhelpen.17 Het lijkt - zeker in het licht van het voorbehoud - dan ook erg twijfelachtig dat België op dit punt door het Comité wel zou worden geviseerd. In het onwaarschijnlijke geval dat de situatie toch kritiek zou uitlokken, dan geldt ten slotte dat de aanbevelingen en commentaren van dit Comité niet bindend zijn.

Kortom: het invoeren van een strafbaarstelling rond het ‘verspreiden van ideeën’ is internationaalrechtelijk niet nodig. Binnen België is het voorts de vraag of het zelfs maar mogelijk is. Het ‘verspreiden van ideeën die gegrond zijn op rassuperioriteit en rassenhaat’ lijkt immers prima facie aanmerkelijk ruimer dan het ‘publiciteit geven aan een voornemen tot haat, discriminatie en geweld’. En zoals gezegd, werd die laatste bepaling reeds als strijdig met de vrijheid van meningsuiting vernietigd.18
Ook meer in het algemeen suggereert de rechtspraak van het Arbitragehof, inzake de vrijheid van meningsuiting, dat de voorgestelde strafbaarstelling erg problematisch is. Uit meer en meer arresten blijkt dat het Hof strikt toekijkt op de waarborging van dit recht en dat het daarbij soms verder wenst te gaan dan de minimumbescherming die wordt geboden in de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.19 Een belangrijk principe dat in deze arresten valt te ontwaren, is de afkeurende houding van het Arbitragehof ten aanzien van pogingen om het loutere verspreiden van ideeën te bestraffen (ook al zijn die beledigend, schokkend, discriminatoir of inhoudelijk onverzoenbaar met de mensenrechten).20 De laatste jaren wordt steeds duidelijker dat het Hof vindt dat meningen alleen aangepakt kunnen worden wegens hun gevolgen voor derden en voor de samenleving. Hoe de nieuwe bepaling te verzoenen zou zijn met deze rechtspraak is niet direct duidelijk: het ‘verspreiden van ideeën’ wordt immers op zich strafbaar gesteld. Van vereisten inzake intentie bij de dader, of gevolgen in de samenleving of onder slachtoffers, wordt geen melding gemaakt.

De (on)wenselijkheid van de maatregel geïllustreerd

De terughoudendheid van veel staten - inclusief België tot voor kort - om het verbod op het ‘verspreiden van ideeën’ om te zetten in nationaal recht, heeft natuurlijk haar redenen. Om dat heel concreet te illustreren, kijken we even naar een recent geval.
Een paar weken geleden was er wat media-aandacht voor een zaak waarin een gekende uitgever en verspreider van krijgshistorische werken aangeklaagd was door een minderheidsorganisatie.21 Waar ging het om? De uitgever had een pamflet uit de Tweede Wereldoorlog herdrukt. Het betrof een propagandafolder - getiteld ‘Vlamingen Op!’ - van de Waffen-SS uit het begin van de oorlog (1942). De minderheidsorganisatie had hiertegen een klacht ingediend, omdat de teksten, de afbeeldingen en de karikaturen uit het pamflet zouden ‘aanzetten tot jodenhaat’. Ze vroeg drie maanden cel, 500 euro boete en het uit de handel halen van de publicatie.

De rechter verwierp de eisen van de organisatie en sprak de uitgever vrij. De rechtbank stelde dat uit de inleiding kon worden afgeleid dat de enige bedoeling van de uitgever erin bestond om het boekje beschikbaar te houden voor onderzoek en het brede publiek, en het niet verloren te laten gaan.22 ‘Dat hiermee ook aangezet wordt tot discriminatie, is allerminst aangetoond (...). Immers, de heruitgave kan ook in die zin worden opgevat dat de uitgever precies op een aanschouwelijke wijze een waarschuwing wil uitspreken tegen racisme of discriminatie, of eenvoudigweg de historische waarde van het propagandapamflet wil veiligstellen’, aldus het vonnis. Met andere woorden: ‘Alle verwijten die de burgerlijke partij aan beklaagde maakt, dienen in casu te worden toegerekend aan het oorspronkelijke document, en niet aan de beklaagde’.
Vrijspraak dus, en terecht. Onder de toekomstige wetgeving zou de uitgever echter niet zo eenvoudig zijn weggekomen. Dat zit als volgt: de bepaling op basis waarvan de uitgever nu werd vervolgd, is - zoals gezegd - het ‘aanzetten tot haat, discriminatie en geweld’. Voor de toepassing daarvan moeten enerzijds teksten en/of uitspraken inhoudelijk ‘aanzetten tot haat, discriminatie en geweld’. Maar dat is niet genoeg. Er moet ook een zogenaamd ‘bijzonder opzet’ voorhanden zijn.23 Simpel gezegd: er moet ook bewezen worden dat het de bijzondere bedoeling was van de aangeklaagde om ‘aan te zetten tot haat, discriminatie en geweld’.

Op twee vlakken zou de in te voeren strafbaarstelling dus drempelverlagend werken. Enerzijds zal het volstaan dat ideeën van rassuperioriteit of rassenhaat louter worden verspreid. Dat die verspreiding ook ergens toe ‘aanzet’ hoeft niet meer; ze moet zelfs niet beledigend of krenkend zijn. Anderzijds - en minstens even belangrijk - zou het ook niet meer nodig zijn om racistische bedoelingen aan te tonen. De nieuwe bepaling vereist slechts een ‘algemeen opzet’. Dat wil zeggen: het ‘willens en wetens’ verspreiden van de verwerpelijke ideeën is genoeg.

Het probleem dat de uitgever onder de toekomstige wetgeving zou hebben gehad, is duidelijk. Hij verspreidde teksten waarin duidelijk ideeën vervat waren die gegrond waren op rassuperioriteit en rassenhaat. De teksten en karikaturen in het SS-pamflet laten daar weinig twijfel over bestaan. Voorts werden deze teksten door de uitgever ook ‘willens en wetens’ verspreid; van onachtzaamheid was geen sprake. Dat hij weliswaar slechts wilde ‘aanzetten tot historische interesse’ en geenszins tot ‘racisme’, zou in beginsel niet langer relevant zijn. De tekst van de ontwerp is duidelijk. Voor andere interpretaties zal de rechter dan ook weinig tot geen ruimte hebben.
Zoveel repressieve druk is onaanvaardbaar. Temeer daar het voorbeeld geen losstaand geval betreft. Als (het verspreiden van) deze historische herdruk mogelijk in aanmerking komt voor sanctionering, dan is dat voor een eindeloze lijst andere werken ook het geval. En dan moeten we niet alleen denken aan Mein Kampf en aanverwante artikelen. Nogal wat religieuze boeken komen ook in het vizier. Voorts zijn van vrijwel alle grote denkers uit de (vroege) moderniteit wel uitspraken te vinden die zijn ‘gegrond op rassuperioriteit en rassenhaat’: lange tijd was immers het evolutionisme ook op het vlak van menselijk ‘rassen’ en culturen het gangbare denkkader. Zo kunnen we nog wel even doorgaan.

Het minste Kwaad

Het lijdt geen twijfel dat racisme schadelijk is en dat het bestreden moet worden. Dat geldt ook voor racistische uitlatingen. In sommige gevallen althans: op basis van duidelijke criteria en met respect voor rechtsstatelijke en grondrechtelijke waarborgen. Het is dat laatste dat men in het huidige wetgevende en implementatiebeleid soms lijkt te vergeten. De bestrijding van racistische meningsuitingen heeft zich de laatste jaren te veel laten leiden door de wil om volledige controle op het fenomeen te krijgen. Alle verwerpelijk en schadelijk geachte uitlatingen moesten en zouden onder de wetgeving vallen. Als dat niet het geval was, dan moest de wetgeving maar uitgebreid of ruimer geïnterpreteerd worden.24
Een dergelijk uitgangspunt is niet alleen onrealistisch, maar ook gevaarlijk. Het leidt tot een nietsontziende vlucht vooruit, die blind wordt voor negatieve neveneffecten. Er zijn al veroordelingen en processen wegens het versturen van een mailtje, voor één enkel zinnetje op internet en voor simpele café-ruzies.25 Laat staan welke (menselijke) schade aangericht zou worden bij het invoeren van de nieuwe strafbaarstelling.
Minstens even belangrijk is de schade die deze zoveelste uitzondering inzake racismebestrijding op algemene juridische regels en rechten toebrengt aan de rechtsstaat. Geconfronteerd met racisme wordt het onmogelijke mogelijk: preventieve censuur, (verplichte) ontzetting uit burgerlijke en politieke rechten, correctionalisering van drukpersmisdrijven, et cetera.26
Hiermee is niet gezegd dat deze maatregelen - afzonderlijk beschouwd - ongrondwettig zouden zijn. Zorgwekkend is echter wel enerzijds het gemak en de vanzelfsprekendheid waarmee ze genomen worden en anderzijds de cumulatie ervan. Inhoudelijke rechtvaardiging wordt niet nodig geacht, getuige ook het jongste voorstel: men volstaat met een loutere verwijzing naar een verdrag, dat bij nader inzien niets (bijkomends) vereist. Rechtsstatelijk is vrijheid de regel en beperking de uitzondering, die strikt noodzakelijk moet zijn en op overtuigende wijze moet worden gerechtvaardigd: de bewijslast ligt aan de kant van het verbod.27 Inzake racisme is echter langzamerhand een omgekeerde situatie gegroeid. De dooddoener dat de ‘vrijheid van meningsuiting niet absoluut is’, wordt gehanteerd als een carte blanche die om het even welke beperking zou rechtvaardigen voor de behartiging van het antiracismebeleid. Om het cru te zeggen: de frase ‘de vrijheid van meningsuiting is een groot goed, maar...’, is verworden tot het antiracistisch equivalent van ‘ik ben geen racist, maar...’.

Mensen als collateral damage en rechten die te buigen of breken zijn, naar gelang persoon en onderwerp: dat zijn veel gevaarlijker ideeën dan wat die enkele racist kan verspreiden die door een evenwichtiger benadering door de mazen van het net zou glippen...

Jogchum Vrielink 28
Redactielid en Assistent aan de KU Leuven

Noten
1/ Zie: Wetsontwerp ter bestrijding van discriminatie tussen vrouwen en mannen, Parl. St. Kamer, 2006-2007, nr. 51-2721; Wetsontwerp ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie, Parl. St. Kamer, 2006-2007, nr. 51-2722; Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme en xenofobie ingegeven daden, Parl. St. Kamer, 2006-2007, nr. 51-2720.
2/ Of eigenlijk zelfs maandenlang. De controverse stak voor het eerst de kop op in maart 2005 (hoewel het in 1999 en 2001 ook al door Johan Leman aangekaart was). Na enige (publieke) windstilte kwam het opnieuw boven in januari 2006 en vervolgens nog eens in juni van dat jaar. De laatste oprisping was in januari en februari van dit jaar.
3/ Dit - merkwaardig genoeg - in tegenstelling tot de praktijktest, die in veel buur(t)landen allang ingeburgerd is, evenals in de VS. Zie hierover: De Prins D., ‘Laagdrempelige discriminatietest is noodzakelijk kwaad’, De Juristenkrant, 2007, nr. 141, 4.
4/ Artikel 21, Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 30 juli 1981, Parl. St. Kamer, 2006-2007, nr. 51-2720/1, 153. De sancties zullen respectievelijk ‘een gevangenisstraf van een maand tot een jaar’ en/of ‘een geldboete van vijftig euro tot duizend euro’ zijn (vermeerderd met de wettelijke opdeciemen).
5/ Artikel 6 § 1, 1ste streepje Antidiscriminatiewet.
6/ Voormalig artikel 6 § 1, 2de streepje Antidiscriminatiewet.
7/ Arbitragehof nr. 157/2004, 6 oktober 2004, B.60.
8/ Sottiaux S. en Vrielink J., ‘Een arrest, vijf mijlpalen’, De Juristenkrant, 2004, nr. 96, 4.
9/ Artikel 1 lid, 3, 3o en 4o Antiracismewet.
10/ Dit uiteraard in de veronderstelling dat er opnieuw verzoekschriften tot vernietiging worden ingediend, maar dat lijkt het geval te zullen zijn: Storme kondigde al een nieuwe actie aan “indien men zou volharden in de boosheid” (zie: De Wit J., ‘Experts: ‘Antidiscriminatiewet discrimineert’’, Gazet van Antwerpen, 27 februari 2007, 9).
11/ In België goedgekeurd door middel van de Wet van 9 juli 1975, B.S. 11 december 1975.
12/ Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme en xenofobie ingegeven daden, Parl. St. Kamer, 2006-2007, nr. 51-2720/1, 34 en 61.
13/ Dit voorbehoud luidt: ‘Het Koninkrijk België wil (...) de nadruk leggen op het belang dat het hecht aan het feit dat artikel 4 van het Verdrag bepaalt dat de in de alinea’s a, b en c bedoelde maatregelen zullen worden genomen met inachtneming van de beginselen vervat in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en van de rechten die uitdrukkelijk worden genoemd in artikel 5 van het Verdrag. Bijgevolg is het Koninkrijk België van oordeel dat de bij artikel 4 opgelegde verplichtingen dienen samen te gaan met het recht op vrijheid van mening en meningsuiting, alsmede met het recht op vrijheid van vreedzame vergadering en vereniging. Deze rechten worden afgekondigd in de artikelen 19 en 20 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en opnieuw bevestigd in de artikelen 19 en 21 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. Ze worden insgelijks vermeld in de punten viii en ix van alinea d, van artikel 5, van het bedoelde verdrag. Daarenboven wil het Koninkrijk België de nadruk leggen op het belang dat het eveneens hecht aan de eerbiediging van de rechten vermeld in het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, met name in de artikelen 10 en 11 respectievelijk met belichting tot de vrijheid van mening en van meningsuiting en de vrijheid van vreedzame vergadering en vereniging’.
14/ Zie o.m.: Parl. St. Senaat 1980-81, nr. 594/2, 6. Opvallend genoeg ontbreekt in het nieuwe ontwerp elke verwijzing naar het voorbehoud.
15/ Zie: wetsvoorstel tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenofobie ingegeven daden, Parl. St. Kamer 1979, nr. 214/1.
16/ Artikel 4 is voorwerp van het op één na hoogste aantal voorbehouden in vergelijking met andere artikelen uit het Verdrag: maar liefst 20 staten hebben op dit punt voorbehouden of verklaringen geformuleerd.
17/ Wel is het zo dat het Comité in zijn Algemene Aanbeveling nr. 15 uit 1993 gesteld heeft dat artikel 4 in zijn totaliteit gezien moet worden als ‘central to the struggle against racial discrimination’ en dat ‘in the opinion of the Committee, the prohibition of the dissemination of all ideas based upon racial superiority or hatred is compatible with the right to freedom of opinion and expression (...).’ Dit doet echter geen afbreuk aan het voorbehoud dat België terzake gemaakt heeft, temeer daar de aanbevelingen van het Comité niet bindend zijn (cf. infra). Bovendien moet deze aanbeveling gerelativeerd worden, aangezien bepaalde Staten (bijv. Japan) het Verdrag geratificeerd hebben gepaard gaande met een interpretatie van artikel 4 die lijnrecht ingaat tegen die van het Comité, nadat deze aanbeveling werd uitgevaardigd.
18/ Sterker nog, de bepaling lijkt zelfs ruimer dan de toentertijd verworpen ‘racistische belediging’.
19/ Zie hierover: Sottiaux S., ‘Het Arbitragehof herwaardeert de vrijheid van meningsuiting’, R.W., 2001-2002, 185-193. Vgl. Velaers J., ‘Het Arbitragehof en de antidiscriminatiewet’, T.B.P., 2004, nr. 10, randnr. 29; Ang F., ‘De (on)verenigbaarheid van de anti-discriminatiewet met de Grondwet’, TvMR, 2004, nr. 4, 16.
20/ Zie: Sottiaux S. en Vrielink J., ‘De Negationismewet op het hellend vlak’, TvMR, 2005, nr. 2, 6-13.
21/ Corr. Antwerpen 9 februari 2007, onuitg. Zie o.m.: Aerts K., ‘Rechter spreekt uitgever vrij van racisme’, Het Laatste Nieuws, 10 februari 2007, 10; Jha, ‘Boek over jodenvervolging zet niet aan tot racisme’, Het Nieuwsblad, 10 februari 2007; Belga, ‘Uitgever vrijgesproken van racisme’, De Standaard, 10 februari 2007, 4.
22/ De inleiding van de uitgever, voorin het pamflet, luidde als volgt: ‘De herdruk van deze folder zal voor veel mensen een verrassing zijn. Echter, dit boekje gedrukt in 1942, is het waard niet te worden vergeten. Zeldzaam geworden, is het een typisch voorbeeld van de propaganda voor de Waffen-SS in het begin van de oorlog. Deze publicatie past in het kader van de uitgeverij De Krijger om historische informatie beschikbaar te maken voor een breder publiek. De herdrukken zijn identiek aan de originele publicaties qua inhoud. Presentatie en formaat kunnen wel afwijken. Wij hopen met deze publicatie de interesse in onze geschiedenis aan te wakkeren’.
23/ Het Arbitragehof stelde dit vereiste ten aanzien van de vrijwel gelijkluidende bepaling uit de Antidiscriminatiewet (zie: Arbitragehof nr. 157/2004, 6 oktober 2004, B.51). In de rechtsleer is gesteld dat er geen redenen zijn waarom dit opzetsvereiste niet tevens zou gelden bij de toepassing van de Antiracismewet.
24/ Zie: Claes E. en Vrielink J., ‘Antiracisme en rechtsstatelijke strafrechtspleging’, NjW, 2005, nr. 99, 151-168.
25/ Zie voor een overzicht van toepassingen van de Antiracismewet: De Prins D., Sottiaux S. en Vrielink J., Handboek Discriminatierecht, Mechelen, Kluwer, 2005, randnrs. 727-1049.
26/ Mutatis mutandis geldt overigens hetzelfde inzake ‘terrorisme’. Het is dan ook geen toeval dat in toenemende mate personen en/of groepen op grond van beide typen wetgeving tegelijk vervolgd worden.
27/ In de woorden van het Hof: ‘exceptions to the freedom of expression must (...) be construed strictly, and the need for any restrictions must be established convincingly’. Zie o.m.: Hof Mensenrechten, Feldek v. Slovakia, arrest van 12 juli 2001, Recueil/Reports, 2001, § 72 en Hof Mensenrechten, Perna v. Italy, arrest van 6 mei 2003, Recueil/Reports, 2003, § 31.
28/ Jogchum Vrielink is co-auteur van het Handboek Discriminatierecht (Kluwer, 2005).

racisme - vrije meningsuiting - antidiscriminatiewet

Samenleving & Politiek, Jaargang 14, 2007, nr. 3 (maart), pagina 32 tot 38