Abonneer Log in

Meester of dienaar?

De rol van de media tijdens de verkiezingscampagne

Samenleving & Politiek, Jaargang 14, 2007, nr. 4 (april), pagina 15 tot 24

Haat-liefdeverhouding

Wie het politieke gebeuren aandachtig volgt, heeft het wellicht wel gemerkt: de parallel tussen onze aardbol en de politiek. Beide lijken op hun manier met een vorm van opwarming te kampen. In het eerste geval gaat het om een geleidelijk proces dat jaren duurt, in het tweede geval om een acute opstoot van verkiezingskoorts. Maar de gevolgen zijn dezelfde: de temperatuursstijging verandert de omgeving en maakt mensen zenuwachtig. Voor politici betekent dit dat ze door journalisten van korter bij opgevolgd worden, maar ook dat ze zelf meer inspanningen (moeten) doen om zichzelf en hun boodschap via de media te verkopen. De voorbije weken hebben aangetoond dat het verwachte resultaat van strategische politieke keuzes in belangrijke mate wordt afgemeten aan de manier waarop politici erin (zullen) slagen om de media te bespelen. Heeft Jean-Marie Dedecker een kans om de kiesdrempel te halen? Pleegt Groen! met onbekende lijsttrekkers politieke zelfmoord? Hebben dossiervreters (als Greta D’hondt) nog een toekomst in de politiek? Telkens opnieuw bevatte het antwoord van de betrokkenen, tegenstrevers en politieke analisten beschouwingen over de plaats die politici moeten kunnen opeisen in de media. Maar niet alleen de relatie van politici tot de media, ook de houding van commentatoren ten aanzien van de politieke actoren zorgde voor de nodige nervositeit. Zo werd bijvoorbeeld in De Morgen een discussie gevoerd over de vraag hoe kritisch een journalist mag zijn om niet als populist versleten te worden (Buelens, 2007; Pauwels, 2007).
Deze voorbeelden tonen aan hoe belangrijk de media geworden zijn in het politieke spel, maar ook hoe sterk de spanningsrelatie tussen politiek en media is. Nu is die relatie altijd wel een haat-liefdeverhouding geweest, toch lijkt de positie die politici en journalisten ten aanzien van elkaar innemen steeds complexer te worden. De kritiek van politici op de media is bij momenten oorverdovend, hoewel ze tegelijkertijd in hun politiek handelen steeds nadrukkelijker inspelen op de communicatiemogelijkheden die de televisie, kranten en de radio bieden. Politici verwijten de media simplificatie, sensatiezucht, vertekening en dergelijke meer, maar ze proberen de media ook te omarmen, met als doel zichzelf en hun beleid te promoten of hun tegenstanders te bekritiseren. De vraag die velen zich dan ook stellen, is: wie zal in de komende verkiezingscampagne de rol van meester vervullen, en wie die van dienaar? Het is sowieso moeilijk om de toekomst te voorspellen, maar een analyse van de federale verkiezingen van 2003 legt een aantal dynamieken bloot die ook nu weer het politieke spel zullen beïnvloeden. Laat ons dus even achterom kijken naar de vorige verkiezingen, om ons dan een idee te vormen van wat we de komende maanden kunnen verwachten.

Klassieke visies

De relatie tussen de media en de politiek, en meer bepaald de rol van de media tijdens verkiezingscampagnes, is in Verenigde Staten reeds sedert het midden van vorige eeuw het voorwerp van wetenschappelijk onderzoek. Drie artikels in Journalism Quarterly en het boek The one party press? luidden na de presidentiële campagne van 1952 een nieuwe onderzoekstraditie in. De focus lag aanvankelijk op de geschreven pers. Pas vanaf 1968 werden ook de tv-zenders onder de loep genomen. Evoluties in de verkiezingscampagnes en de opkomst van nieuwe marketingtechnieken resulteerden in een exponentiële toename van het aantal onderzoeksvragen. Niet alleen in Amerika (Stempel & Windhauser, 1991; Iyengar, 1991; Ansolabehere e.a., 1993; Newman, 1994; Iyengar & Reeves, 1997), maar ook in Groot-Brittannië (Semetko e.a., 1991; Franklin, 1994; Kavanagh, 1995; Norris e.a., 1999) en Nederland (De Boer, 1995; Kleinnijenhuis e.a., 1998; Van Praag en Brants, 2000) gingen academici steeds meer aandacht schenken aan de rol van de media in het politieke veld.
Meer recent hebben ook Belgische onderzoekers deze thematiek ontdekt (De Swert, 2001; Van Aelst, 2004; Walgrave e.a., 2005; Van Aelst, 2006). Een aantal gebeurtenissen in Nederland (de hype rond Pim Fortuyn en de aandacht voor het ‘kontje’ van Wouter Bos) en België (de grote media-aandacht voor de dioxinecrisis en de visa-affaire) heeft het debat over de rol van de media in het politieke veld sterk aangewakkerd. De ongekende mediabelangstelling voor de federale verkiezingen van 2003 en dan vooral de ‘boom’ van infotainmentprogramma’s hebben de relatie media-politiek ook bij ons tot een onderwerp van discussie gemaakt. Het recente opiniestuk in De Standaard van Luc Huyse (2007), waarin hij stelt dat de media kiezersbedrog plegen omdat ze steeds meer aandacht schenken aan verkiezingen terwijl de kracht en betekenis van het electorale gebeuren afneemt, bewijst hoe sterk de thematiek op dit moment leeft.

Het onderzoek naar de relatie tussen de media en de politiek heeft geleid tot twee klassieke visies op de rol van de media in het politieke veld (Franklin, 1994). Pluralisten stellen dat de media als onafhankelijke instanties in staat zijn het politieke gebeuren op een kritische manier te benaderen. Journalisten vormen een onpartijdige vierde macht die de burger van informatie voorziet en die de politici op hun verantwoordelijkheden wijst. Onderzoekers uit de traditie van de radicale sociologie staan echter sceptisch tegenover die onafhankelijke en onpartijdige rol van de media. Zij stellen dat journalisten in de kaart spelen van de gevestigde machten, door de waarden en opvattingen van de dominante politieke groepen te verspreiden.

De rol en de opstelling van de media zijn in het bijzonder van belang tijdens de verkiezingscampagne. De opmerking van Huyse dat politieke beslissingen vandaag vele vaders hebben (de Europese Commissie, de Wereldbank, het IMF, de VS), is uiteraard terecht, maar verkiezingen blijven hoe dan ook een belangrijk democratisch instrument (wat hij ook erkent). In de aanloop naar de electorale gebeurtenissen besteden zowel politici als kiezers extra aandacht aan de politieke berichtgeving. Vanuit een pluralistische visie is het dus belangrijk dat de media zeker in deze periode hun onpartijdige en kritische rol waarmaken. Onderzoek hieromtrent in de Verenigde staten en Groot-Brittannië heeft zich vooral gericht op de agenda coverage, de stopwatch coverage en de directional coverage van de verkiezingscampagne (Stempel & Windhauser, 1991; Norris e.a., 1999; Norris, 2000). Langs deze wegen kunnen de media immers invloed uitoefenen op kiezers en politici. Wat de agenda coverage betreft, stelt zich de vraag welke thema’s en niet-inhoudelijke elementen de media belichten. Door te focussen op welbepaalde onderwerpen en personen kunnen journalisten een of meerdere partijen in de kaart spelen of tegenwerken. De idee van beïnvloeding via agenda coverage sluit aan bij de theorieën over agenda setting en issue ownership (Dearing & Rogers, 1996; Budge & Farlie, 1983). Onpartijdige stopwatch coverage impliceert dat er tijdens de campagne aan alle partijen min of meer evenveel aandacht wordt geschonken. In Groot-Brittannië bijv. wordt door de BBC in theorie een ‘5-5-4 ratio’ nagestreefd (Labour - Conservative Party - Liberal Democrat Party). Neutrale directional coverage vereist een evenwichtige balans van positieve en negatieve berichtgeving over alle partijen. Via hun positieve en negatieve commentaar zijn de media immers in staat partijen en personen op te hemelen of te kraken.

‘De media’

De vraag rijst nu of het beeld dat de twee klassieke stromingen schetsen niet te simplistisch is. Kunnen we de pers eenvoudigweg bestempelen als hetzij de meester, hetzij de dienaar van politieke partijen? En als het beeld van de dienaar het dichtst aanleunt bij de werkelijkheid, zijn het dan per se de regeringspartijen die gediend worden? Het antwoord op deze vragen is wellicht negatief. ‘De media’ zijn in de praktijk immers zeer verscheiden instanties en de mogelijke oorzaken van partijdigheid kunnen van uiteenlopende aard zijn. Enerzijds kunnen journalistieke kanalen bewust partijen bevoordelen of benadelen. Zo hebben kranten vaak een historisch gegroeide band met een partij of zuil (Norris, 1999; De Bens, 1997). Soms gebeurt het ook dat bepaalde media zich uiterst kritisch opstellen ten opzichte van extremistische partijen (De Swert, 2001). Anderzijds kunnen er mechanismen optreden die ertoe leiden dat bepaalde media ‘onbewust’ hun neutraliteit verliezen. Zo wordt vaak gesuggereerd dat commerciële media, die afhankelijk zijn van reclame-inkomsten, zich sterker richten op populaire thema’s en personen dan publieke media (zie o.a. Blumler, 1992). Onderzoek bevestigt dat commerciële en publieke tv-zenders niet altijd dezelfde agenda delen (Maddens, 1994). Verder is het zo dat mediakanalen een andere invalshoek hebben naarmate ze nationaal, regionaal of lokaal georganiseerd zijn. Die invalshoek kan bepaalde partijen en issues onder de aandacht brengen en andere in de marge duwen (Iyengar & Reeves, 1997). Denken we in ons land bijv. aan door de overheid gesponsorde optredens van plaatselijke politici op regionale televisiezenders. Het lijkt dan ook noodzakelijk al deze elementen in rekening te brengen en na te gaan in welke mate de journalistieke kanalen van elkaar verschillen. Maar dat is uiteraard niet mogelijk binnen de opzet van dit artikel. We beperken ons hier tot één case van stopwatch coverage, één van directional coverage en één van agenda coverage.

Stopwatch coverage

Tijdens de verkiezingscampagne schenken de media extra aandacht aan het optreden en de voorstellen van politici. Omgekeerd staan politici tijdens de campagne te popelen om een interview te geven, omdat ze op die manier zichzelf en hun ideeën aan een breed publiek kunnen aanprijzen. De vraag die zich dan stelt, is of de kandidaten van de verschillende partijen in het media-gewoel evenveel kans krijgen om zichzelf aan de kiezer voor te stellen? Om deze vraag te beantwoorden, voerden we een beperkte analyse van de stopwatch coverage van de verkiezingscampagne van 2003 uit.
In ons onderzoek focusten we op het televisieprogramma Bracke en Crabbé en op het radioprogramma De wandelgangen (Radio 1, 17u tot 19u). We gingen na hoelang de boegbeelden van de verschillende partijen in de aanloop naar de verkiezingen geïnterviewd werden.1 Van Bracke en Crabbé werden alle uitzendingen geanalyseerd, voor De wandelgangen startten we onze analyse drie weken voor de verkiezingen. Als we de interviewtijd van alle kopstukken van dezelfde partij samentellen, bekomen we de resultaten van Tabel 1.

Tabel 1: Duur interviews met partijboegbeelden (campagne 2003).

De boegbeelden van de twee grootste regeringspartijen kregen zowel in Bracke en Crabbé als in De wandelgangen de meeste interviewtijd. Er was dus sprake van een zeker Mattheuseffect, dat vooral in het voordeel van sp.a-spirit speelde. VLD en sp.a, die dankzij hun ministers in de loop van de regeerperiode al veel in de media kwamen, kregen ook tijdens de campagne een bonus. Maar het effect had zijn grenzen, vooral voor Agalev. Hoewel de partij in de regering zat, werden de groene kopstukken veel minder geïnterviewd dan die van CD&V. Het waren dus vooral de drie traditionele partijen die met de grootste brokken van de interviewtijd gingen lopen.
Een tweede opvallende vaststelling is dat de kopstukken van het Vlaams Blok en de N-VA ongeveer even lang aan het woord werden gelaten. En dat terwijl het Vlaams Blok bijna vier keer zoveel kamerleden in haar rangen telde dan de N-VA. Over de interviewstijl van ‘Bracke en Crabbé’ kan men blijven discussiëren, maar wat de toegestane interviewtijd betreft, heeft de VRT het Vlaams Blok niet bevoordeeld.
Ten derde blijkt uit Tabel 1 dat de partijen zonder kamerleden nauwelijks de kans kregen om hun verkiezingsprogramma in interviews uiteen te zetten. De kleine partijen, die weinig middelen hadden voor traditionele campagneacties, verdronken ook in het mediagewoel.

Directional coverage

Voor onze tweede analyse focusten we op de commentaarstukken van drie Vlaamse kranten: De Standaard, De Morgen en Het Laatste Nieuws. We stelden ons de vraag of de balans van positieve en negatieve berichtgeving over de verschillende partijen sterk uiteen liep. Concreet gingen we per commentaarstuk na in hoeveel paragrafen iets positief of negatief over de verschillende partijen werd gezegd.2 Alle commentaarstukken die verschenen in de laatste maand voor de verkiezingen (vanaf 18 april 2003) werden in de analyse opgenomen. Dat waren 24 artikels voor De Standaard en Het Laatste Nieuws, en 23 voor De Morgen. Deze laatste krant publiceerde de dag voor de verkiezingen geen commentaarstuk.
Per krant en per partij telden we de paragrafen met een positieve vermelding samen, alsook de paragrafen met een negatieve vermelding. Daarnaast maakten we een overzicht van het aantal artikels waarin een partij minstens éénmaal op een positieve of een negatieve manier aan bod kwam. Als een partij in een commentaarstuk in vier paragrafen negatief werd afgeschilderd, telde dit dus als één artikel met een negatieve vermelding. Tabel 2 toont het resultaat van deze analyse.

Tabel 2: Directional coverage in de krantencommentaren (campagne 2003).

Het valt onmiddellijk op dat de balans voor de verschillende partijen niet dezelfde was en dat er ook verschillen waren tussen de drie kranten. Wat de regering als geheel betreft, lag de beoordeling van de drie kranten wel in dezelfde lijn. Zowel in De Standaard, De Morgen als in Het Laatste Nieuws helde de balans van de regering duidelijk over naar de negatieve kant.
De VLD kwam in De Morgen op een negatieve eindscore uit, terwijl de Vlaamse liberalen in De Standaard en Het Laatste Nieuws nipt een positief resultaat wisten te behalen. CD&V behaalde vooral in De Standaard, maar ook in De Morgen een negatieve totaalscore, terwijl haar eindbalans in Het Laatste Nieuws in evenwicht was.
sp.a-spirit kreeg in De Standaard en Het Laatste Nieuws voornamelijk positieve commentaar. In De Morgen stond de eindbalans van de Vlaamse socialisten op neutraal. Agalev was de enige partij met drie dezelfde beoordelingen op haar rapport. Vooral in De Standaard, maar ook in De Morgen en Het Laatste Nieuws was de eindbalans van de Vlaamse groenen duidelijk negatief.
Het Vlaams Blok en de N-VA kwamen slechts sporadisch in de commentaarstukken voor. Over de nieuwe partijen en de partijen zonder parlementsleden hadden de opiniemakers het helemaal niet.

Agenda coverage

In navolging van buitenlands onderzoek gingen we tot slot na of er tussen de Vlaamse media verschillen zijn wat betreft de agenda coverage. Concreet onderzochten we of de nieuwsuitzendingen van Radio 1 en Q-music tijdens de verkiezingscampagne al dan niet hetzelfde nieuws brachten. Gedurende één maand voor de verkiezingen (vanaf 18 april 2003) registreerden we elke dag hoeveel tijd beide zenders besteedden aan de verschillende nieuwsfeiten.3 Voor Radio 1 analyseerden we de nieuwsuitzendingen van 19u, voor Q-music die van 18u. Na de verkiezingen telden we per thema alle tijd samen en berekenden we hoeveel percent van de totale tijd over dat onderwerp werd bericht.4 Ook gingen we na hoeveel dagen elk thema in het nieuws was. Het resultaat van deze registratie is weergegeven in tabel 3.

Tabel 3: Agenda coverage in het radionieuws (campagne 2003).

Uit deze tabel blijkt dat de agenda coverage van het Radio 1-nieuws en van het Q-music-nieuws niet identiek was. Q-music besteedde tijdens de campagne voor de federale verkiezingen van 2003 meer aandacht aan mobiliteit/verkeer, criminaliteit/misdaad en de vogelpest. Omgekeerd ging Radio 1 vaker en/of dieper in op de problemen in de gevangenissen, de oorlog in Irak en de verkiezingscampagne.

Lessen van 2003

Wat leren we nu uit deze resultaten? Zijn de media een onpartijdige en kritische vierde macht of spelen ze in de kaart van de gevestigde machten? Bevestigen onze data de stelling van de pluralisten of sluiten ze aan bij de stelling van de radicale sociologie?
De drie besproken cases maken duidelijk dat beide stromingen een te simplistisch beeld schetsen van de realiteit. De relatie tussen de media en de politieke partijen is complex. De beschrijving ervan moet gebeuren met de nodige nuances. Onze bevindingen m.b.t. de stopwatch coverage lijken het beeld te bevestigen van de media als dienaars van de gevestigde machten. Tijdens de verkiezingscampagne van 2003 kregen de kopstukken van de drie traditionele partijen in Bracke en Crabbé en in De wandelgangen de meeste interviewtijd toegewezen. In verhouding tot het aantal kamerleden kon vooral sp.a-spirit op een mediabonus rekenen. De boegbeelden van nieuwe partijen en van partijen zonder kamerleden werden nauwelijks aan het woord gelaten.
De resultaten voor de directional coverage in de commentaarstukken van De Standaard, De Morgen en Het Laatste Nieuws tonen echter aan dat de media wel degelijk kritisch zijn. Het totaal aantal negatieve commentaren (en vermeldingen van negatieve nieuwsfeiten) lag veel hoger dan het aantal positieve commentaren (en vermeldingen van positieve nieuwsfeiten). Bovendien waren de kranten niet mals voor bepaalde gevestigde machten, met name voor de regering, de groene regeringspartij en in mindere mate voor CD&V. De kranten namen stelling in, maar zijn sterk ontzuild. Verder valt op dat Agalev tijdens de campagne van 2003 in een negatieve spiraal terechtkwam: de partij werd zwaar onder vuur genomen door haar politieke tegenstanders, kreeg als regeringspartij op radio en tv relatief weinig interviewtijd toegewezen en kreeg in de krantencommentaren de wind van voren.
Een belangrijke vaststelling is ook dat ‘de media’ niet altijd één blok vormen tijdens de verkiezingscampagne. In de aanloop naar de federale verkiezingen van 2003 beoordeelden De Standaard, De Morgen en Het Laatste Nieuws sommige partijen verschillend en een analyse van de agenda coverage in het nieuws van Radio 1 en Q-music bracht aan het licht dat de twee radiozenders niet aan alle nieuwsfeiten dezelfde aandacht schonken. Zo berichtte Q-music meer over mobiliteit/verkeer, criminaliteit/misdaad en de vogelpest. Radio 1 had het vaker over de problemen in de gevangenissen, de oorlog in Irak en de verkiezingscampagne. Van een hechte vierde macht lijkt dus niet echt sprake. ‘De media’ is veeleer een beest met vele koppen: soms likt de schoothond, vaak blaft de waakhond en tussendoor bijt de bloedhond.

(Pre)campagne 2007

Hoewel de echte campagne voor de federale verkiezingen van 2007 nog op gang geschoten moet worden, stellen we vast dat de meeste politieke partijen nu al anticiperen op de beschreven rol van de media in het verkiezingsspel. Een duidelijk voorbeeld is het Vlaams Belang. De partij krijgt in de media al jaren relatief weinig aandacht en dus is ze genoodzaakt om zich rechtstreeks tot de kiezer te richten. Vlaams Belang was dan ook de eerste partij die affiches plaatste langs de Vlaamse wegen. Dat deed ze al in februari, meer dan drie maanden voor de verkiezingen, gevolgd door een folderactie begin maart. Vlaams Belang heeft dus een gezicht in de precampagne, maar dan vooral buiten de media. Ook de N-VA weet dat ze, als kleine partij en ongelijke partner in het kartel CD&V-N-VA, weinig stopwatch coverage toebedeeld zal krijgen in de laatste rechte lijn naar de verkiezingen. Daarom heeft de Vlaams-nationalistische partij het voorbeeld van Vlaams Belang gevolgd en vroeg in de precampagne via affiches het eigen merk nog eens in de verf gezet.
De Open Vld, een traditionele partij die in de regering zit én de Eerste Minister levert, beschikt over heel wat mogelijkheden om de mediaspots naar zich toe te trekken. En die kansen heeft de Open Vld de eerste maanden van dit jaar niet onbenut gelaten. Met een vierde burgermanifest, een congres, een gratis boek en de premier als boegbeeld domineerden de Vlaamse liberalen de politieke berichtgeving. De bedoeling was om het imago van ruziemakers af te schudden en de inhoud van de agenda coverage te bepalen. De Open Vld moest al vroeg in de aanloop naar de verkiezingen een tandje bijsteken, want de resultaten van de peilingen en een aantal lokale verkiezingsuitslagen waren dramatisch. De vraag is echter of de partij die inspanningen kan volhouden.
CD&V besliste om de agenda setting van de Open Vld te counteren met een eigen ideologisch manifest, maar deed dat zonder meteen ook al haar electorale boegbeeld, Yves Leterme, uit te spelen. Het waren Wouter Beke, Jo Vandeurzen en een aantal voormalige sterkhouders van de CVP die in aanzienlijke mate het mediagezicht van de CD&V bepaalden in februari en begin maart. Yves Leterme mocht in de media komen, maar als de man die met ‘goed bestuur’ bezig is. Alleen voor Debby & Nancy maakte de Vlaamse minister-president een uitzondering.
Een partij die zich van de wetten van de media weinig tot niets lijkt aan te trekken, is Groen!. Met een rits relatief onbekende lijsttrekkers zal het voor de partij zeer moeilijk worden om tijdens de campagne op de berichtgeving te wegen. In 2003, toen Agalev nog ministers in de federale regering had, moest de partij in de strijd om de stopwatch coverage al flink onderdoen voor de drie traditionele partijen. Nu wordt die strijd nog lastiger. Bovendien moet Groen! oppassen dat ze door eenzijdige directional coverage niet opnieuw in een negatieve spiraal terecht komt. Toen bekend raakte wie de groene lijsttrekkers zouden zijn en hoe ze aangesteld waren, stonden de commentaren bol van twijfels, hoongelach en negatieve reacties.
Sommigen zullen de opmerkingen over de onbekende lijsttrekkers counteren door te stellen dat de Vlaamse groenen nooit echt figuren uitgespeeld hebben, maar steeds hun wervende kracht uit hun inhoudelijke boodschap haalden. Hun affiches zijn daar toch het bewijs van? Daar zit natuurlijk een grond van waarheid in. Bovendien zijn de groene thema’s door Al Gore nadrukkelijk op de politieke agenda gezet, maar de vraag is of Groen! het klimaatthema nog voldoende kan claimen. De voorbije maanden was de partij in de eerste plaats met zichzelf bezig. Daarvan heeft vooral de sp.a handig van geprofiteerd om mee op de kar te springen. Met de Minister van Leefmilieu als beleidsmaker, Margaretha Guidone als brug naar het grote publiek en een klimaatplan onder de arm heeft sp.a heel wat moeite gedaan om via de agenda coverage en de stopwatch coverage haar groene flank af te dekken. En de partij zal de komende maanden ongetwijfeld proberen om met de mediabonus, waarop ze als traditionele regeringspartner kan rekenen, het groene laken verder naar zich toe te trekken. Of de kopie even authentiek is als het origineel, zal de kiezer op 10 juni uitmaken.
Tot slot is er nog buitenbeentje Lijst Dedecker. De analyse van de campagne van 2003 leert dat kleine en nieuwe partijen verdrinken in het mediagewoel. Het wordt voor de voormalige judocoach dan ook een aartsmoeilijk opdracht om op te vallen in de berichtgeving. Toch heeft de nieuwe partij juist dat nodig, want financiële reserves om zich (zoals Vlaams Belang) rechtstreeks tot de kiezer te richten heeft Lijst Dedecker nauwelijks. Maar de vergelijking met de kleine partijen die in 2003 aan de verkiezingen deelnamen, loopt misschien wel mank. Jean-Marie Dedecker heeft in vergelijking met Leo Goovaerts en Ward Beysen, de kopmannen van Veilig Blauw en Liberaal Appel, op het eerste gezicht een aantal troeven in handen: hij is een bekende Vlaming en een controversiële figuur. En als er iets is waar de media van smullen, is het wel dat.

Maarten Van Craen
Politicoloog, Universiteit Hasselt

Literatuur
- Ansolabehere S., Behr R. & Iyengar S. (1993). The media game: American politics in the television age. Basingstoke, Macmillan.
- Blumler J. (ed.) (1992). Television and the public interest: vulnerable values in West European broadcasting. London, Sage.
- Budge I. & Farlie D. (1983). Explaining and predicting elections: issue effects and party strategies in twenty-three democracies. London, Allen and Unwin.
- Buelens G. (2007). Iedereen is van de wereld. In: De Morgen, 28.02.2007.
- Dearing J. & Rogers E. (1996). Agenda-setting. Thousand Oaks (Calif.), Sage.
- De Bens E. (1997). De pers in België. Het verhaal van de Belgische dagbladpers gisteren, vandaag en morgen. Tielt, Lannoo.
- De Boer C. (1995). Peilingen in de pers: een studie naar het gebruik van opiniepeilingen in Nederlandse dagbladen in de periode 1960 - 1988. Amsterdam, Universiteit van A’dam.
- De Swert K. (2001). Tussen vergeetput en schandpaal: strategieën tegen extreemrechts in drie Vlaamse kranten. Antwerpen, UIA, PSW-paper.
- Franklin B. (1994). Packaging politics. Political communications in Britain’s media democracy. London, Arnold.
- Huyse L. (2007). Verkiezingen in Niemandsland. In: De Standaard, 10.03.2007.
- Iyengar S. (1991). Is anyone responsible? How television frames political issues. Chicago (Ill.), University of Chicago Press.
- Iyengar S. & Reeves R. (ed.) (1997). Do the media govern? Politicians, voters, and reporters in America. Thousand Oaks (Calif.), Sage.
- Kavanagh D. (1995). Election campaigning: the new marketing of politics. Oxford, Blackwell.
- Kleinnijenhuis J., Oegema D. & De Ridder,J. (1998). Paarse polarisatie: de slag om de kiezer in de media. Alphen aan den Rijn, Samsom.
- Kleinnijenhuis J., Oegema D. & De Ridder J. (2003). De puinhopen in het nieuws: de rol van de media bij de Tweede-Kamerverkiezingen van 2002. Alphen aan den Rijn, Kluwer.
- Maddens B. (1994). Kiesgedrag en partij-strategie: de samenhang tussen de beleidsmatige profilering van de partijen en het kiesgedrag van de Vlamingen op 24 november 1991. Leuven, KULeuven.
- Newman B. (1994). The marketing of the president: political marketing as campaign strategy. Thousand Oaks (Calif.), Sage.
- Norris P., Curtice J. & Sanders D. (1999). On message: communicating the campaign. London, Sage.
- Norris P. (2000). A virtuous circle: political communications in postindustrial societies. New York (N.Y.), Cambridge University Press.
- Pauwels T. (2007). Journalistieke principes en het democratisch debat. In: De Morgen, 01.03.2007.
- Semetko H., Blumler J. & Gurevitch M. (1991). The formation of campaign agendas: a comparative analysis of party and media roles in recent American and British elections. Hillsdale (N.J.), Erlbaum.
- Stempel G. & Windhauser J. (ed.) (1991). The media in the 1984 and 1988 presidential campaigns. Westport (Conn.), Greenwood.
- Van Aelst P. (2004). De eigen thema’s in de media als garantie voor electoraal succes? Een vergelijking tussen media en partijagenda in de Belgische verkiezingscampagne van 2003. Antwerpen: Universiteit A’pen. PSW-paper.
- Van Aelst P. (2006). Toeschouwer, speler of scheidsrechter: een empirische studie over de rol van de media in de verkiezingscampagne van 2003. Antwerpen, Universiteit Antwerpen.
- Van Praag P. (2000). Tussen beeld en inhoud: politiek en media in de verkiezingen van 1998. Amsterdam, Het Spinhuis.
- Walgrave S., De Winter L. & Nuytemans M. (2005). Politieke agendasetting in België (1991-2000): de moeilijke dialoog tussen publieke opinie, media en het politieke systeem. Gent, Academia Press.

Noten
1/ De kopstukken van de verschillende partijen konden in beperkte mate interviewtijd ‘veroveren’ tijdens interviews met meerdere personen, maar de verdeling van de interviewtijd werd in zeer grote mate bepaald door de programmamakers.
2/ Zowel een positieve/negatieve commentaar als de vermelding van een positief/negatief nieuwsfeit (vb. goed resultaat in een peiling) werd in de berekeningen opgenomen.
3/ Voor beide radiozenders ontbreken de gegevens van zondag 11 mei 2003 in onze analyse.
4/ We wijzen erop dat de nieuwsuitzendingen van Radio 1 gemiddeld genomen langer duurden dan die van Q-music. De totale tijd van alle Radio 1-nieuwsuitzendingen bedroeg ongeveer 2 uur en 10 minuten, bij Q-music was dat ongeveer 1 uur en 25 minuten. Om beide radiozenders te kunnen vergelijken, berekenden we hoeveel percent van de tijd ze aan een bepaald thema besteedden.

campagne - verkiezingen - media en politiek

Samenleving & Politiek, Jaargang 14, 2007, nr. 4 (april), pagina 15 tot 24