Abonneer Log in

De relativiteit van verkiezingen

redactioneel

Samenleving & Politiek, Jaargang 14, 2007, nr. 5 (mei), pagina 1 tot 3

Als u dit leest, is de stembusslag volop aan de gang. Met verkiezingen is het altijd een beetje als met wielerwedstrijden. Om de haverklap wordt gezegd dat de koers opengebroken is en het spel nu echt wel begonnen is. Wie terugkijkt op de lopende campagne ziet een lange rit die in het begin een paar ontsnappingen kende (de versnelling van Open Vld, incl. nieuw burgermanifest) en nadien een hele poos voortkabbelde. De ploegen hergroepeerden de wedstrijd en vanaf dan regende het aankondigingen dat we vertrokken waren. Een kras voorstel, een opverend congres, de kandidatuur van Johan Vande Lanotte, 1 mei of de outing van Leterme. Telkens opnieuw trok het peloton zich (niet) op gang. Dat is een constante in verkiezingscampagnes.

Een andere constante is de vraag waar deze verkiezingen nu eigenlijk over gaan. Alsof er één centraal thema of één cruciale kwestie moet zijn waarrond de verkiezing zich centreren. Het federale beleidsniveau kent heel veel gevoelige beleidsdomeinen, de samenleving een hele reeks van prangende vragen. Naast die verticale dossiers (sociale zekerheid, arbeidsmarkt, justitie, integratie, milieu, enz.) zijn er ook horizontale (vooral begroting en staatshervorming) die heel wat boeiende discussies opleveren. Kortom, het zou een zonde zijn mochten verkiezingen zich over één vraag buigen. Niet enkel omdat die geforceerde agendasetting andere heikele thema’s stiefmoederlijk achterwege zou laten, maar ook omdat tijdens de komende regeringsvorming over heel veel gesproken wordt, en het dus goed is dat we over elk van die thema’s de mening van partijen kennen.
Traditioneel klinkt de wijsheid dat er ook nu weer veel op het spel staat (voor alle afzonderlijke partijen en uiteraard voor dé politiek in het algemeen) en dat ongeveer alles mogelijk is. En wat het ook wordt, de kiezer heeft altijd gelijk. Of tenminste, de winnaars hebben gelijk. De verliezers moeten zich wel vergist hebben. Dat is in de aanloop naar 10 juni niet anders. Breekt CD&V paars? Of is dat bestand hardnekkiger dan we denken? Kan Open Vld beter doen dan gepeild en een interne broederstrijd vermijden? Keert Groen! terug? Valt sp.a aan de juist kant van 20%? Enzovoort. Voor de hele samenleving is de toekomst van ons sociaal model de inzet. Vergrijzing stelt bijzondere uitdagingen. We moeten heel dringend investeren in justitie, in de fiscale administratie, enz. Kortom, we staan alweer voor een belangrijk keerpunt.
Hoewel er dus veel gelijkenissen zijn met andere campagnes en verkiezingen, is er deze keer ook wel wat bijzonders aan de hand. Niet zozeer omdat de toekomst van een aantal spraakmakende politici die de voorbije decennia de wetstraat hebben gekleurd, zoals Guy Verhofstadt, op het spel staan. Niet zozeer omdat het best zou kunnen dat de volgehouden groei van het Vlaams Belang voor het eerst echt gestopt zou kunnen worden (te rekenen vanaf de regionale verkiezingen van 2004, waarmee 2007 - ondanks het feit dat het federale verkiezingen zijn - best wel vergeleken mag worden). Ook niet zozeer omdat de christendemocraten, na een intermezzo van acht jaar, misschien terug het federale roer overnemen. En ten slotte niet zozeer omdat de kans op een socialistische premier zelden zo groot was als op 10 juni.
Het bijzondere heeft veel te maken met de spanning in het electorale landschap en, daarmee samenhangend, met de nakende regeringsvorming. In principe is die niet zoveel moeilijker dan anders. Alleen zorgt de haast obligate staatshervorming voor een wel heel ingewikkelde toestand. Door de invoering van de provinciale kiesdrempel, een annex van de provinciale kieskringen, en de daaropvolgende sanering van het partijlandschap via kartelvorming, bestaan er straks geen - wellicht met uitzondering van Groen! - kleine formaties meer om een klassieke regering met twee families (en dus vier partijen) te depanneren om tot een noodzakelijke tweederdemeerderheid te komen. De druk om tot een staatshervorming te komen, is sinds het Lambermont-akkoord aardig opgebouwd. Dossiers zoals Brussel-Halle-Vilvoorde en de nachtvluchtensoap van Zaventem zorgen voor de nodige ontsteking. Op de agenda staan dan niet vooral de resoluties van het Vlaams regeerakkoord uit 1999, die luidens het Vlaams regeerakkoord Leterme I nog steeds het officiële eisenplatform uitmaken van die regeringspartners. Maar vooral de defederalisering van het arbeidsmarktbeleid, waarvan de grenzen moeilijk te trekken zijn, lijkt alvast een prominente rol op te eisen. Combineer dat met de heikele ontstekingsdossiers en een magere federale begroting, en zelfs zonder electorale patstelling is een regeringsvorming complex. Costa en Forum hebben eerder bewezen dat een staatshervorming moet worden onderhandeld aan het begin van een legislatuur, onder de dreiging om niet met de regering te starten. Anders gebeurt daar nadien niets mee of wordt de volgende regering er onophoudelijk door gegijzeld. Ondertussen is duidelijk dat CD&V/N-VA van staatshervorming een halszaak maakt. Immers, de kandidatuur en eventuele transfer van Leterme werd expliciet gekoppeld aan betekenisvolle stappen in staatshervorming. Eerder al liet dit kartel weten niet federaal mee te regeren indien er geen staatshervorming in het regeerakkoord werd geschreven.
De verwachting is dat paars niet kan overleven, en dat misschien ook de Groen!-zetels niet zullen volstaan, al kan het vooruitzicht van een milieuminister die partij wel over de streep trekken. Met andere woorden, dat CD&V/N-VA wel eens onmisbaar zouden kunnen zijn. Wat er ook van weze, het scenario dat voor een tweederdemeerderheid onderhandelingen met CD&V/N-VA of Open Vld in de oppositie nodig zijn, lijkt geen garantie voor een geslaagde nieuwe communautaire ronde, het Franstalig verzet nog buiten beschouwing gelaten. Een Open Vld die na een afstraffing in de oppositie belandt, zou wel eens een tijd lang vrij onstabiel kunnen zijn omdat die partij dat verlies intern moet verwerken, met de nodige afrekeningen als gevolg. CD&V/N-VA zal vanuit de oppositie alvast weinig zin hebben om een staatshervorming mee te steunen, die ongetwijfeld te licht zal worden bevonden. Maar zoals gezegd, de toekomst van paars is al vrij onzeker en er zijn geen kleintjes meer over om straks die tweederdemeerderheid mee dicht te rijden.
Vandaar dat een tripartite - andere formules voor een tweederderegering zijn niet zeer aannemelijk - wel eens de uitkomst zou kunnen zijn. Dat reduceert de oppositie tot Vlaams Belang en Groen!. We krijgen dan alvast langs Vlaams kant netjes een kopie van de Vlaamse politieke setting. In stilte wordt daar soms nog een bijzonderheid aan toegevoegd: zo’n tripartite kan zich wel eens beperken tot een termijn van twee jaar, om vanaf 2009 de Vlaamse en federale verkiezingen weer te laten samenvallen. Die splitsing, ooit met overtuigende argumenten beslist in het Sint-Michielsakkoord, zou ongedaan worden omdat (top)politici toch niet de discipline hebben om eens niet aan verkiezingen deel te nemen. Het onderscheid tussen de beleidsniveaus is daardoor bij heel wat kiezers verdwenen. En dat was precies het opzet van die gescheiden verkiezingen.
Het gaat niet meer over die grote ‘inhoudelijke’ uitdagingen waar we voor staan. Maar de aanloop naar 10 juni is slechts de eerste ronde. Vanaf 11 juni (of liever in de avond van 10 juni) start de tweede, voor de toekomst van ons land minstens even belangrijke, ronde. Het is niet onverstandig om ons daar ook de komende weken voldoende van bewust te zijn. Niet dat we daar gek veel vat op hebben, maar het relativeert wel een beetje alle drukte tijdens de voorbije en komende weken. We verdelen de kaarten, maar kunnen nadien niet meer doen dan afwachten hoe ze gespeeld worden.
Die tweede ronde wordt gedomineerd door een beperkt aantal kernspelers. Er komt op het eerste zicht vrij veel volk aan te pas, maar uiteindelijk zijn de kernbesluitvormers op twee handen te tellen. Wie hierin een lekker ouderwets elitair complot of spannend spectaculair geheim genootschap meent te zien, vergist zich. Die machtsconcentratie is een constante in de Belgische politiek.
Het grootste nieuws daarover is niet zozeer dat ons systeem zo gesloten is, maar wel dat het zo gesloten blijft. Decennialang, vanaf de contestatiebeweging in de jaren 1960, wordt geschreven, gesproken en geagiteerd over deze verregaande machtsconcentratie. Referenda, nieuwe politieke cultuur, rechtstreekse verkiezing van de partijvoorzitter, democratisering van het partijbureau,… niets heeft ten gronde die werking bijgestuurd. Meer nog, er is geen kentering op komst. Volgens Marc Van Peel, in De Morgen van 21 april is er ‘in de evolutie van vandaag, met de verbabing en de populariteitspolls, minder tegengewicht. Men zegt dat het de particratie vergroot, maar dat klopt niet. Het versterkt de oligarchie. Niet de macht van de partij wordt groter, maar de macht van Guy Verhofstadt, Yves Leterme, Johan Vande Lanotte of wie er ook op de eerste stoel zit. De oligarchen werven rond zich electoraal aantrekkelijk potentieel. Vanuit democratisch oogpunt is dat geen goede evolutie. Eigen aan een oligarchie is dat iedereen er zich bij leert neer te leggen. We mogen wel eens kritisch doen, maar we moeten zorgen dat de leider de leider blijft. Zolang hij goed is, wordt hij niet afgevoerd. Het is beter om meer checks and balances te hebben.
Toch hoor je mij niet zeggen dat het vroeger beter was. Ik geloof nogal in het zelfreinigende karakter van het systeem.’ Kortom, de oligarchisering gaat binnen de particratie onverkort verder.
Omdat het lijkt te werken, voelen we het niet zo aan maar toch is dit een ernstig democratisch probleem. Dat is geen groot inhoudelijk dossier voor 10 juni. Daar wordt in de stratego-spelletjes in de aanloop naar 10 juni zelfs niet over geroerd. En toch is het een bijzonder fundamenteel kenmerk van ons systeem. Een dat onwrikbaar lijkt en bestand is tegen alle veranderingen die verkiezing soms met zich meebrengen. Er zijn veel verkiezingen in ons land, maar de democratie is stevig begrensd.

Carl Devos
Hoofdredacteur

edito - verkiezingen - campagne

Samenleving & Politiek, Jaargang 14, 2007, nr. 5 (mei), pagina 1 tot 3