Abonneer Log in

Spanje aan de vooravond van regionale verkiezingen

Samenleving & Politiek, Jaargang 14, 2007, nr. 5 (mei), pagina 48 tot 53

In Spanje worden op 27 mei verkiezingen gehouden voor de gemeenteraden en de gewesten, met uitzondering van Catalonië, Baskenland, Galicië en Andalusië. In deze bijdrage proberen we te achterhalen welke aspecten mee de uitslag van de verkiezingen zullen bepalen.

De factor ETA

Vóór de aanslag door ETA in de Madrileense luchthaven Barajas lag de socialistische partij PSOE voorop in alle peilingen. Dat de socialistische premier José Luis Rodríguez Zapatero onderhandelingen had aangeknoopt met de politieke vleugel van de ETA werd door alle politieke partijen, met uitzondering van de rechtse partij Partido Popular (PP), goedgekeurd. Na de terroristische aanslag, waarbij twee Ecuadorianen werden gedood, voelde Zapatero zich verplicht die onderhandelingen af te breken. ETA wou hem blijkbaar onder druk zetten om te onderhandelen over de onafhankelijkheid van Baskenland en de gratieverlening van ETA-gevangenen. (C, 07/02/2007, p.14) Zoiets kon Zapatero niet aanvaarden. Velen van de gevangen ETA-leden hebben immers gemoord, wat uiteraard niet ongestraft kan blijven. Familieleden van de vermoorde (para)militairen en politici hebben een organisatie opgericht. Ze protesteren in manifestaties, georganiseerd door de PP, tegen elke vervroegde vrijlating van ETA-terroristen.
Door de PP wordt aan Zapatero verweten dat hij gedurende de enkele maanden dat de ETA de vrede had bewaard, de actie van de politie tegen de terroristische organisatie heeft afgeremd. Hierdoor kreeg de ETA de mogelijkheid nieuwe aanhangers te winnen en zich te reorganiseren. Zapatero wordt door de leiding van de PP voorgesteld als een naïeveling, die zich door de ETA liet verschalken.
Deze actie boekte succes. In januari 2007 bleek uit een enquête dat 44,9% van de ondervraagden het ETA-terrorisme als het belangrijkste probleem beschouwden waarmee Spanje was geconfronteerd. Bij algemene verkiezingen zou de PSOE 38,8% van de stemmen behalen, en de PP 37,6%. Een verschil van amper 1,2%. In oktober 2006 was dit verschil nog 1,4% (EP, 25/02/2007, p.21). De Partido Popular trachtte, o.a. door een massale manifestatie in Madrid, Zapatero te doen aftreden. (EP, 05/02/2007, p.67) Dit mislukte. Zapatero behield de steun van de meeste regionale partijen. Onder de leiders van de Batasuna, de politieke vleugel van de ETA, zijn er meerdere die de aanslag betreuren en de vredesonderhandelingen willen hernemen. Zapatero eist evenwel dat ze openlijk de aanslag afkeuren. Hiertoe is de meerderheid van de leiding van de Batasuna nog niet bereid. (C, 05/02/2007, p.14)

Factoren die de uitslag daadwerkelijk bepalen…

Ondanks de pogingen van de PP om de strijd tegen ETA op het voorplan te houden, verzwakt de belangstelling voor dit probleem. Eind maart 2007 achtte slechts 42,5% van de Spanjaarden de houding van de regering ten opzichte van de ETA als beslissend voor hun toekomstig stemgedrag. (EP, 20/03/2007, p.25) Andere aspecten van het beleid treden op de voorgrond:
1) de evolutie van de werkloosheid en de algemene welvaart;
2) de realisaties van de regering in het binnen- en buitenland;
3) de verhoudingen tussen het centrale gezag en de autonome gemeenschappen;
4) de plaatselijke en regionale politieke gebeurtenissen, onder meer inzake corruptie.

De evolutie van de werkloosheid en van de algemene welvaart

Toen in december 1982 de Spaanse socialistische partij voor het eerst de verkiezingen won, leefden vele gezinnen in grote armoede. De werkloosheid bedroeg ongeveer 18% van de potentieel actieve bevolking. De lonen waren laag en de werklozensteun onvoldoende om een gezin te onderhouden. Daarenboven werd de koopkracht van de armen uitgehold door een inflatie van 14%, waarbij de lonen in onvoldoende mate werden aangepast.
Regeringshoofd Filipo Gonzalez slaagde erin verbetering te brengen. Hij voerde een 40-uren-week, betaald verlof van 60 dagen en een verhoging van de pensioenen en de werklozensteun in. (TE,03/12/1983, p.61) Zijn belangrijkste politieke prestatie was de toetreding in 1986 van Spanje tot de EEG (nu EU). Dankzij deze toetreding bekwam Spanje subsidies voor de verbetering van zijn basisstructuren, investeringen in ondernemingen en projecten van die aard om economische vooruitgang van achtergebleven gebieden te bevorderen. Spanje ontving van 1986 tot 1993 8,2 miljard euro, van 1994 tot 1999 27,8 miljard euro en van 2000 tot 2006 54,7 miljard euro.1 Vooral in de jaren 1996-2003, tijdens de rechtse regering van José María Aznar, heeft Spanje in sterke mate geprofiteerd van deze uitgebreide hulpverlening. De Spaanse economie boomde. En er waren voldoende arbeidskrachten beschikbaar om aan de grotere vraag naar arbeid te voldoen. Elke EU-investering verhoogde niet alleen de productiecapaciteit van de Spaanse economie, maar zorgde voor een stijging van het nationaal product. Er vormde zich een gunstige cyclus. De hogere werkgelegenheid schiep meer inkomen en een grotere vraag naar goederen. Deze leidde op haar beurt tot grotere afzetmogelijkheden voor de bedrijven en nog meer vraag naar arbeidskrachten.
De PP, die - ingevolge enkele corruptieschandalen tijdens de regering-Gonzalez - de verkiezingen van juni 1997 had gewonnen, verwierf mede daardoor een grote populariteit.2 Ze verloor evenwel de parlementaire verkiezingen van maart 2003, omdat ze had gepoogd de bevolking te bedriegen wat betrof de daders van de bloedige aanslag van 11 maart 2003. Ze had voorgehouden dat het een ETA-aanslag betrof, terwijl het op de vooravond van de verkiezingen duidelijk werd dat Al Qaida-terroristen voor het bloedbad verantwoordelijk waren. Door deze gebeurtenis won de PSOE de verkiezingen. Ze kon dankzij de goede economische situatie de overheidsuitgaven verhogen met het oog op een verbetering van het onderwijs, de gezondheidszorg en de hulp aan de armere lagen van de bevolking. In 2006 bereikte de groei van het bbp 3,9%. (EP, 21/02/2007, int.) Meer dan in alle lidstaten van de EU. De werkloosheid bedroeg in het derde trimester van 2006 8,15% van de potentieel actieve bevolking.3 Dit is ongeveer evenveel als in de meeste EU-lidstaten.

De realisaties van de socialistische regering-Zapatero

Zapatero is sinds maart 2004 erin geslaagd een groot aantal wetten door de Cortes en de senaat te doen goedkeuren. Dit was geen gemakkelijke taak want in geen van de kamers beschikt zijn partij over een absolute meerderheid.
In de Cortes beschikt PSOE over 164 van de 350 zetels, zodat PSOE 12 zetels te kort heeft om een volstrekte meerderheid te bereiken. Ze moet daarom regelmatig beroep doen op stemmen van de ultralinkse partij Izquierda Unida (IU, 5 zetels) en van regionale partijen, zoals de Catalaanse CiU (Convergència i Unió de Catalunya, 10 zetels) en ERC (Esquerra Republicana de Catalunya, 8 zetels) en de Baskische PNV (Partido Nacionalista Vasco, 7 zetels). (EP, 20/03/2006, p.16)
In de senaat is de positie van de PSOE zwakker omdat de meerderheid van de zetels gelijk wordt verdeeld over de provincies. Zo is de PP in de dun bevolkte provincies van het noorden de sterkste partij. Ze bekwam hierdoor meer zetels dan bij een verdeling op basis van het stemmenaantal. Ondanks deze moeilijke situatie wist Zapatero meerdere wetten goed te keuren. De voornaamste zijn:
- De wet betreffende de nationale defensie. Ze voorziet dat Spaanse soldaten alleen in opdracht van de VN mogen worden belast met buitenlandse interventies. Deze wet verantwoordt a posteriori de terugtrekking van het Spaans contingent uit Irak.
- De wet waarbij homohuwelijken worden toegelaten, én ze kinderen mogen adopteren.
- De wet op de snelle echtscheiding. Deze wet maakt het mogelijk een vraag tot echtscheiding in te dienen, zonder (zoals bij de vorige wetgeving) één jaar gescheiden te leven.
- Er werden ook nieuwe wetten op het niveau van het lager en secundair onderwijs en universiteiten uitgevaardigd. Deze waren dringend noodzakelijk. Spanje besteedde in 2003, op het einde van de PP-regering, slechts 2,8% van zijn bbp aan lager en secundair onderwijs en 1% aan de universiteiten. In België waren deze percentages respectievelijk 4,0% en 1,3%. (EP, 13/08/2006, p.28) Het onderwijs was maar verplicht tot 16 jaar. Ongeveer 30% van de leerlingen verliet het secundair onderwijs zonder diploma. Spanje was hierdoor één van de EU-lidstaten met een beperkt aantal goed geschoolde jongeren. (EP, 12/11/2005, p.35; EP, 13/11/2006, p.28)
Het wetsontwerp op het lager en secundair onderwijs verhoogde de beschikbare kredieten. Het botste op heftige weerstand vanwege de bisschoppen, ondersteund door de PP, omdat godsdienst niet langer een verplicht vak was. (EP, 15/11/2005, p.1) Daarenboven zouden de godsdienstleraars in de officiële scholen voortaan aangesteld en betaald worden door de overheid.(EP, 30/11/2005, p.27) De PP organiseerde een grote manifestatie in Madrid waaraan scholieren uit het katholiek onderwijs en katholieke ouders deelnamen. Uiteindelijk werd een compromis bereikt. Godsdienst bleef een keuzevak, maar de bisschoppen behielden het recht de godsdienstleraars te selecteren.
Een wet op de universiteiten werd in maart 2007 goedgekeurd. Ze verleende aan de universiteiten een grotere autonomie bij de keuze van hun administratief en wetenschappelijk personeel, en verhoogde de kredieten voor wetenschappelijk onderzoek en studiebeurzen. (EP, 22/03/2007, p.44)
- In mei 2006 bereikte Zapatero na veertien maanden onderhandelen een overeenkomst tussen de patroonsorganisaties en de vakbonden, met het oog op het verzekeren van meer vaste aanwervingen in ruil voor beperking van de loonsverhogingen (EP, 10/05/2006, int.)
- Op 15 maart 2007 keurde de Cortes een wet goed voor emancipatie van de vrouwen. Bij verkiezingen moeten de lijsten van de kandidaten minstens 40% vrouwen voordragen. Bovendien zal na elke mannelijke kandidaat een vrouw volgen. Ondernemingen met meer dan 250 arbeiders moeten een plan opstellen om de gelijke behandeling van mannelijke en vrouwelijke werknemers te waarborgen. Bedrijven, waarvan de aandelen op de beurs zijn genoteerd, moeten vrouwen opnemen in hun beheerraad. (EP, 16/03/2007, int.)

Niet alleen op het binnenlands plan heeft Zapatero een actief beleid gevoerd. Hij heeft de eenmaking van Europa ondersteund door de Spanjaarden ertoe te bewegen bij referendum de Europese grondwet goed te keuren. Hij hielp het tot stand komen van een overeenkomst over de EU-begroting door te aanvaarden dat Spanje voor de periode 2007-2013 minder subsidies van de EU bekomt, dan bijv. Polen.4 Op het internationale plan trachtte Zapatero vooral overeenkomsten af te sluiten met Latijns-Amerikaanse landen. Daar hebben Spaanse maatschappijen directe investeringen uitgevoerd. In Argentinië vertegenwoordigen de Spaanse 43,7% van alle buitenlandse investeringen, en in Chili 22,5%. Dat is meer dan de Verenigde Staten. (EP, 17/07/2006, p.57) Ook met betrekking tot de relaties met Cuba zorgde Zapatero voor veranderingen. Aznar slaagde er destijds in de EU te overtuigen sancties uit te vaardigen tegen Cuba. Zapatero heeft nu zijn Minister van Buitenlandse Zaken Miguel Angel Moratino naar Cuba gezonden om met Raúl Castro te onderhandelen over het heropenen van het Spaans cultureel centrum te Havana. (EP, 02/04/2007, p.25) Dit is een eerste stap naar het hernemen van de economische en culturele betrekkingen van de EU met Cuba. Frankrijk en Italië zijn gewonnen voor zo’n toenadering. Tsjechië en de meeste andere Oost-Europese lidstaten willen hiervan niet horen omdat ze de relatie met de Verenigde Staten niet wensen te verstoren. Merkel heeft op de Europese ministerraad voorgesteld de economische betrekkingen met Cuba te hernemen en zich niet te moeien in de binnenlandse aangelegenheden. (C, 06/04/2007, pp.28-29) De Amerikaanse regering tracht dit te verhinderen door te dreigen met juridische vervolgingen als aan Cuba of Venezuela goederen, vervaardigd met behulp van Amerikaanse licenties, worden geleverd.

Zapatero verleent meer autonomie aan Spaanse gewesten

In tegenstelling tot het Franco-bewind en de PP-politiek, erkent Zapatero het recht van de verschillende gewesten op meer autonomie. De Catalanen, Basken en Navarezen hebben eigen socialistische partijen, die niet moeten gehoorzamen aan de instructies uitgaande van de PSOE in Madrid. In Catalonië heeft een coalitieregering van de socialisten met twee regionale partijen een nieuw statuut door het Catalaans parlement doen goedkeuren. Dit statuut voorziet dat het grootste deel van de belastingsopbrengst van deze rijke provincie aan de regionale regering toekomt. De Cortes keurde het statuut goed, maar de PP heeft bij het Constitutioneel Hof beroep aangetekend tegen deze beslissing. In dit Hof beschikken rechtsgezinde magistraten over een geringe meerderheid. Middels een stemming werd het statuut ongrondwettelijk verklaard. De regering zal in de herfst van dit jaar nieuwe magistraten benoemen, waardoor deze beslissing zal worden herzien. Ondertussen werd een gelijkaardig statuut per referendum goedgekeurd in Andalusië. Daar raadde de plaatselijke PP haar aanhangers aan ja te stemmen.
Baskenland beschikt reeds over een vergaande autonomie (het heeft bijv. zijn eigen politie). De leiding van Batasuna stelde, als eerste stap naar een Baskische staat, voor de autonome provincie Navarra, waar veel Basken wonen, bij Baskenland te voegen. Dit lokte een felle reactie uit van de regering van Navarra, die vasthoudt aan haar autonomie. De onderhandelingen tussen Batasuna en Zapatero blijven geblokkeerd, gezien Zapatero geen beslissing wil nemen die ingaat tegen de wensen van de meerderheid van de Navarrezen (EP, 19/03/2007, p.22, p.30). De regering heeft eveneens een strafvermindering verleend aan een Baskische terrorist, die reeds 15 jaar gevangenis achter de rug had. Hij trachtte, met succes, door een hongerstaking zijn vrijlating af te dwingen. (EP, 04/03/2007, p.24) Zapatero verdedigde deze beslissing met de overweging dat hij de ETA geen ‘heldenfiguur’ wil bezorgen. De leiding van de PP organiseerde daaropvolgend een nieuwe grote protestbetoging te Madrid. (EP, 26/03/2007, p.18)

De weerslag van regionale en plaatselijke gebeurtenissen

Gezien op 27 mei gemeentelijke en regionale verkiezingen worden gehouden, spelen plaatselijke toestanden en gebeurtenissen een grote rol. In Madrid zelf wonen veel bemiddelde burgers die steeds voor de PP stemmen. Volgens een recente enquête zal 53% van de kiesgerechtigden er voor de PP stemmen, tegen 38% voor de PSOE. (EP, 26/03/2007, p.25) In de voorsteden van Madrid wonen arbeiders die PSOE stemmen. Daardoor zou de PSOE kunnen winnen in het ‘autonome gebied Madrid’. In Barcelona komt het burgemeesterschap normaal toe aan een kandidaat van de socialistische partij. In Valencia is, ondanks de republikeinse traditie, de PP aan de macht. Dit is toe te schrijven aan de toename van het aantal middenstanders en de verrijking van een deel van de bevolking door grondspeculatie. In vele stadjes hebben PP-burgemeesters en -schepenen zich laten omkopen bij het verlenen van bouwvergunningen. Ook in de gewesten Murcia, de Balearen en de Canarische eilanden hebben PP-gezaghouders zich schuldig gemaakt aan corruptie. Tegen Eduardo Zaplano, woordvoerder van de PP in de Cortes, is een onderzoek ingesteld. Als burgemeester van Benidorm liet hij er een pretpark bouwen. Bevriende ondernemingen mochten facturen indienen voor werken die ze nooit uitvoerden. Wie dit geld heeft opgeraapt, is niet duidelijk. (EP, 09/04/2007, p.25) In hoeverre dergelijke schandalen zullen leiden tot overwinningen van de PSOE bij verkiezingen in de betrokken gemeenten of gewesten, blijft onzeker. Corruptie is in Spanje een oud zeer dat niet altijd veel verontwaardiging opwekt.

Conclusie

De uitslagen van de Spaanse verkiezingen van 27 mei zullen normaal van streek tot streek en van gemeente tot gemeente verschillen. Gezien niet in alle gewesten wordt gestemd, vormt de uitslag van de verkiezingen geen goede basis voor het voorspellen van de politieke evolutie in gans het land. Positief voor de PSOE is de mislukking van de PP om de problematiek van de ETA-terreur als centraal verkiezingsthema te houden. Ook de stelselmatige oppositie van de hogere geestelijkheid tegen de PSOE-regering vormt geen ernstige bedreiging. De leiding van de kerk heeft door haar conservatieve houding de bevolking van de godsdienst vervreemd. Zelfs in de meest katholieke gebieden (Andalusië, Castilla-Leon en Galicië) is minder dan 15% van de bevolking nog praktiserend katholiek. (EP, 05/04/2006, p.27) Op termijn is de veroudering van de Spaanse industrie gevaarlijker voor de stabiliteit van een socialistisch, progressief bewind. Ze is gehecht aan traditionele nijverheden als textiel, kleding, leder, schoenen, automontage en scheepsbouw. Die producties worden nu goedkoper gerealiseerd in de nieuwe industriestaten van Oost- en Zuid-Oost-Azië. De Spaanse handelsbalans vertoont een toenemend tekort, dat gedekt wordt door de hoge inkomsten uit het toerisme en de verkoop van immobilia aan vreemdelingen.5 Of deze de-industrialisatie zal leiden tot een verzwakking van de linkse partijen blijft een open vraag. De daling van het aantal industriële arbeiders wordt grotendeels gecompenseerd door een stijging van de werkgelegenheid in de bouwnijverheid, winkels en horecabedrijven. Ook de toename van het aantal intellectuelen bevordert het behoud van een socialistische parlementaire meerderheid.

Gaston Vandewalle
Professor emeritus Universiteit Gent

Gebruikte afkortingen:
C : Cambio
E : L’Echo
EP : El País
EP int. : artikel van EP op internet
KHA : Keesing Historisch Archief
LC : La Caixa Monthly Report
LM : Le Monde
TE : The Economist

Noten
1/ LC, Monthly Report, december 2006, p. 64
2/ Vandewalle G., ‘Liberaal nationalisme en sociaal liberalisme in Spanje’, In: Samenleving en politiek, juni 2001, pp. 35-36
3/ KHA, nov 2006, pp. 669-670
4/ Spanje zal de komende zes jaar 31.536 miljard euro aan EU-subsidies ontvangen, tegenover 59.698 miljard euro voor Polen. (LM, 15/09/2006)
5/ Broder A., Histoire économique de l’espagne contemporaine, Economica, Parijs,1998, pp. 321-322

verkiezingen - Spanje - Zapatero

Samenleving & Politiek, Jaargang 14, 2007, nr. 5 (mei), pagina 48 tot 53