Abonneer Log in

Inteelt troef?

Het profiel van kandidaten en verkozenen bij de verkiezingen van 10 juni

Samenleving & Politiek, Jaargang 14, 2007, nr. 6 (juni), pagina 3 tot 11

Inleiding

Het is met verkiezingsuitslagen een beetje zoals met aandelenkoersen. Als de prijs van een aandeel spectaculair stijgt of een plotse duik neemt, dan staat er meteen een legertje analisten klaar om allerlei verklaringen uit de mouw te schudden, alsof dit koersverloop de evidentie zelve is. Precies het feit dat de verkiezingsuitslag, net als de beurskoersen, ongelooflijk onvoorspelbaar is, zou de analisten nochtans moeten aanzetten tot enige bescheidenheid. De waarheid is inderdaad dat geen enkele politieke analist het spectaculaire verlies van sp.a-spirit had zien aankomen. Het tegendeel is zelfs waar, want in de directe aanloop naar de verkiezingen vonden de meeste waarnemers dat Johan Vande Lanotte een uitstekend parcours aan het rijden was. Hij kwam zeer authentiek over, beheerste de dossiers als geen ander en slaagde erin om zich een rol aan te meten van wijze staatsman die boven het politieke gekrakeel stond… Kortom, mocht sp.a-spirit de verkiezingen hebben gewonnen, dan zou er zeker geen gebrek geweest zijn aan verklaringen hiervoor.
In Nederland gebruikt men meestal het beeld van de kaasstolp om aan te geven dat de politici en de politieke journalisten een wereld op zichzelf vormen en moeilijk kunnen inschatten wat ‘het volk’ echt denkt. Binnen de kaasstolp vond men dat Vande Lanotte goed bezig was, terwijl men daarbuiten klaarblijkelijk een vernietigend oordeel heeft geveld. Dat de politieke insiders zulke inschattingsfouten maken, heeft ongetwijfeld mee te maken met het feit dat ze over het algemeen hoger geschoold zijn dan de doorsnee kiezer en bovendien beroepsmatig met niets anders dan politiek bezig zijn. Dat laatste is natuurlijk een waarheid als een koe voor wat betreft de politieke journalisten en de politicologen. Maar ook bij de politici en de kandidaten is er een toenemende tendens naar meer professionalisering. Meer en meer worden de parlementen bevolkt door mensen die geen ander beroep hebben buiten de politiek en die (om het even met veel overdrijving te stellen) de echte wereld enkel kennen van horen zeggen.
Sinds enige tijd probeert het Centrum voor Politicologie van de K.U.Leuven dit fenomeen in kaart te brengen door systematisch gegevens te verzamelen over de kandidaten en de verkozen parlementsleden. Dit onderzoek naar het profiel van de kandidaten en de verkozenen vond voor het eerst plaats bij de verkiezingen van 2003 en 2004, en werd nu herhaald. Dit laat ons toe om na te gaan hoe het profiel van de politici sinds 2003 is geëvolueerd. Wordt het politieke speelveld vandaag nog meer gedomineerd door beroepspolitici dan dat in 2003 al het geval was? Zijn het telkens weer dezelfde politici die kandidaat zijn, of is er een groot verloop van kandidaten? En in welke mate verschilt dit van partij tot partij? Daarnaast kunnen we op basis van deze gegevens ook becijferen in welke mate de partijen hun lijsten openstellen voor jongere of oudere kandidaten. Ten slotte gaan we ook na in hoeverre de verscherping van de quota-regeling heeft geleid tot een groter aantal vrouwen in het parlement.

De onderzoekspopulatie

De analyse in het kandidatenonderzoek heeft betrekking op de Vlaamse kandidaten voor de verkiezingen van Kamer en Senaat van 10 juni 2007 van de volgende partijen1: CD&V/N-VA, Groen!, Open Vld, sp.a-spirit en Vlaams Belang. In totaal zijn dat 990 kandidaatsstellingen, die evenwel niet door evenveel personen worden ingevuld. Iemand kan immers tegelijkertijd kandidaat zijn bij de effectieven en de opvolgers. Vlaams Belang spant hier de kroon met 14 dubbele kandidaten, en ook Groen! heeft er maar liefst zeven. sp.a-spirit heeft slechts één kandidaat die tweemaal op dezelfde lijst staat, terwijl CD&V/N-VA en Open Vld er geen enkele tellen. Door het feit dat er 22 kandidaten dubbel op de lijst staan, zijn er in totaal 968 verschillende individuen opgenomen in het onderzoek.2 Wat de verkozen kandidaten betreft, worden alle 113 Vlaamse verkozenen in Kamer (88) en Senaat (25) in het onderzoek opgenomen, dus ook de zes verkozenen van de Lijst Dedecker.

De leeftijd

De gemiddelde leeftijd van de kandidaten bedraagt 42,8 jaar. Vergeleken met de gemiddelde leeftijd van de kandidaten in 2003 (44,3 jaar) en 2004 (43,7 jaar) valt op dat de kandidaten verkiezing na verkiezing jonger worden. Maar niet alleen de kandidaten worden jonger, ook de gemiddelde leeftijd van de verkozenen daalt. Al is de daling hier minder groot: de gemiddelde leeftijd van de 113 gekozenen van 10 juni 2007 bedraagt 45,2 jaar, bijna één jaar jonger dan de verkozenen in 2003. In 2007 is de verkozen kandidaat dus ruim twee jaar ouder dan de gemiddelde kandidaat.
Wanneer we de 113 gekozenen opdelen volgens leeftijdscategorie, dan komt de verjonging nog iets duidelijker tot uiting: een groot derde van de nieuwe parlementsleden (33,6%) is 40 jaar of jonger, terwijl dat in 2003 slechts een kwart van de gekozenen was. Bij de vrouwelijke gekozenen is dat zelfs 53,1%. De ouderen verdwijnen nagenoeg volledig uit beeld. Er zijn slechts vier nieuwe parlementsleden ouder dan 60 jaar: Herman De Croo, Etienne Schouppe, Hugo Vandenberghe en Francis Van den Eynde. In 2003 waren het er nog zeven.

Ook bij de kandidaten zien we duidelijk dat het aandeel twintigers alsmaar toeneemt en het aandeel 60-plussers verkiezing na verkiezing afneemt. De twintigers maken in 2007 bijna 16% uit van de kandidaten, terwijl dat in 2003 en 2004 13% was. Het aandeel van de 60-plussers, die in 2003 en 2004 al sterk ondervertegenwoordigd waren, daalt verder van 9,3% over 7,7% naar een schamele 6,4%. Het lijkt er dus sterk op dat de groeiende groep 60-plussers nog weinig kansen krijgt om zich verkiesbaar te stellen voor een politiek mandaat en er nog veel minder ook daadwerkelijk verkozen worden: in 2003 was nog 7,7% van de gekozenen een 60-plusser, in 2007 nog slechts 3,5%.

Tabel I: Leeftijdsverdeling van verkozenen en kandidaten voor de verkiezingen van 2003, 2004 en 2007.

In tabel II geven we de gemiddelde leeftijd van de kandidaten en de verkozenen per partij. Bij sp.a-spirit valt het verschil op tussen de gemiddelde leeftijd van de kandidaten (40,5 jaar) en van de verkozenen (47,5 jaar). sp.a-spirit heeft, gemiddeld, de jongste kandidaten maar wel de oudste verkozenen! Bij Groen! vinden we het tegenovergestelde patroon: die partij had geen uitgesproken jonge kandidatenploeg (gemiddeld 42,3 jaar)3, maar stuurt wel een zeer jonge ploeg naar Kamer en Senaat (35,8 jaar gemiddeld). Het Vlaams Belang had de oudste kandidaten (46,4 jaar), maar hun verkozenen zijn gemiddeld ongeveer even oud (45,1 jaar) als de kandidaten van CD&V/N-VA, Open Vld en de Lijst Dedecker.
Wanneer we de gegevens uitsplitsen per assemblee, bedraagt de gemiddelde leeftijd van de Vlaamse gekozenen voor de Kamer 44,6 jaar, en die van de Senaat 47,6 jaar.

Tabel II: Gemiddelde leeftijd per partij van de gekozenen en de kandidaten in 2003, 2004 en 2007.

Het geslacht

De zogenaamde quota-wet heeft er voor gezorgd dat er nagenoeg evenveel mannen als vrouwen op de kandidatenlijsten stonden. Als gevolg van het feit dat op bepaalde lijsten een oneven aantal kandidaten staat, bestaat er op deze lijsten steeds een verschil van maximum één tussen het aantal mannen en vrouwen. Op een geaggregeerd niveau geeft dat als resultaat 50,7% mannen tegenover 49,3% vrouwen.
Tot en met 2004 mochten de eerste drie kandidaten op de lijst niet van hetzelfde geslacht zijn. In 2004 waren er heel wat partijen die gebruik maakten van de mogelijkheid om de eerste vrouw pas op de derde plaats te zetten. Dat was het geval met de helft (19 op 40) van de Vlaamse lijsten in 2004. Vanaf de verkiezingen van 2007 geldt de regel dat de eerste twee kandidaten niet van hetzelfde geslacht mogen zijn. Toch blijken de partijen nog in overwegende mate te kiezen voor een mannelijke lijsttrekker. In 80% van de gevallen is de lijsttrekker een man.
Dit heeft ertoe geleid dat het effect van de nieuwe regelgeving zeer beperkt is. Onder alle 113 Vlaamse gekozenen voor Kamer en Senaat tellen we slechts 41 vrouwen. Dit is 36,3% van het totaal, nauwelijks iets beter dan onder de vorige regelgeving. Toch zien we dat het aandeel vrouwelijke gekozenen over de jaren heen verder stijgt: van 23,3% in 1999, over 32,7% in 2003 naar 36,3% in 2007.
Wanneer we een kruistabel maken tussen leeftijdscategorie en geslacht, dan blijkt dat meer dan de helft van de vrouwelijke gekozenen 40 jaar of jonger is, terwijl dat bij de mannelijke gekozenen slechts 22,3% is. Niet alleen de vrouwelijke verkozenen, maar ook de vrouwelijke kandidaten waren duidelijk jonger dan hun mannelijke collega’s en worden ook steeds jonger. Ze maken net als in 2003 en 2004 de meerderheid uit van alle leeftijdscategorieën onder de veertig. Wanneer we de gemiddelde leeftijd van mannen en vrouwen bekijken, dan blijken vrouwen in 2007 (40,5 jaar) gemiddeld bijna vier jaar jonger dan de mannen (44,1 jaar). In vergelijking met 2003 en 2004 zijn het ook vooral de vrouwen die steeds jonger worden: de gemiddelde leeftijd voor vrouwelijke kandidaten was respectievelijk 42,8 jaar en 42,5 jaar, en die van de mannen 45,6 jaar en 44,7 jaar.

Het beroep

Tabel III geeft een overzicht van de beroepsactiviteiten van de kandidaten in 2007. Tegelijk worden deze cijfers vergeleken met de beroepen van de kandidaten in 2003 en 2004.

Tabel III: Beroepsactiviteit van de verkozenen en de kandidaten in 2003, 2004 en 2007.

Zoals ook in 2003 en 2004 het geval was, werkt bijna één derde van de kandidaten in 2007 als bediende of kaderlid. Hun aandeel in de totale kandidatenpopulatie bedraagt bijna 29%, een percentage dat heel dicht aanleunt bij hun aandeel in 2003 en 2004: respectievelijk 27,9% en 28,2%. Maar het aandeel bedienden en kaderleden is beduidend kleiner bij de effectief verkozen kandidaten. In 2007 maakt deze beroepsgroep slechts 8,8% van de verkozenen uit, een aandeel dat iets hoger ligt dan in 2003 (7,1%), maar lager dan in 2004 (11,6%).
De tweede grootste beroepsgroep bij de kandidaten in 2007 wordt gevormd door de beroepspolitici. Voor één op vier van de kandidaten vormt het politieke mandaat het hoofdberoep. En bovendien wordt deze groep steeds groter. In 2003 was nog maar 21,5% van de kandidaten beroepsmatig hoofdzakelijk met politiek bezig. In 2004 bedroeg dit procent al 23,2% en in 2007 stijgt het verder tot 25,7%. Bij de populatie van effectief verkozenen blijkt het aandeel van de beroepspolitici dan weer wat af te nemen, al blijven de beroepspolitici veruit de grootste groep: meer dan de helft (56,6%) van de in 2007 verkozen kandidaten is beroepspoliticus.
Ongeveer één vijfde van de kandidaten (20,5%) is zelfstandige of oefent een vrij beroep uit. Dit is een vergelijkbaar percentage als bij de voorbije verkiezingen. Bij de verkozenen daarentegen stijgt het aandeel van deze beroepsgroep vrij fors, van 16,8% in 2003 en 12,9% in 2004 naar 28,3% in 2007. Het is de eerste keer dat het aandeel zelfstandigen en beoefenaars van een vrij beroep hoger is bij de verkozenen dan bij de kandidaten.
Naast deze drie grote beroepsgroepen van kandidaten en verkozenen, zijn een aantal beroepscategorieën duidelijk ondervertegenwoordigd. In 2007 blijkt slechts 8% van de kandidaten tot de niet-actieven te behoren, terwijl dat in 2003 en 2004 nog respectievelijk 12,5% en 10,5% was. In 2003 waren er nog drie niet-actieven die een zetel konden bemachtigen, zowel in 2004 als in 2007 was dat er slechts één. Ook de arbeiders zijn sterk ondervertegenwoordigd zowel bij de kandidaten als de verkozenen. In 2007 zijn slechts 17 arbeiders kandidaat, een schamele 1,7%. Dit cijfer is vergelijkbaar met dat van 2003 (2%) en iets kleiner dan dat van 2004 (2,9%). Daartegenover staat wel dat het aandeel arbeiders bij de verkozenen toeneemt. In 2003 en 2004 werd geen enkele arbeider verkozen, in 2007 waren dat er twee. In januari had Johan Vande Lanotte zich ertoe geëngageerd om ervoor te zorgen dat ook die beroepsgroep vertegenwoordigd zou zijn in de socialistische fractie. Ondanks het forse zetelverlies voor zijn partij is hij daar, met Meryame Kitir, in geslaagd. De tweede arbeider Dirk Vijnck wordt geleverd door de Lijst Dedecker.

De gemeentelijke mandaten

Het is ook interessant om na te gaan in hoeverre de kandidaten en de verkozenen lokaal verankerd zijn, in de zin dat ze een politiek mandaat bekleden op gemeentelijk niveau (burgemeester, schepen en gemeente- of districtraadslid). Bij de federale verkiezingen van 2007 had 60% van de kandidaten een gemeentelijk mandaat, een percentage dat beduidend hoger is dan in 2004 (46%) en in 2003 (51,7%). Deze lokale mandatarissen zijn in de eerste plaats gemeente- of districtraadsleden (40,4%), maar ook schepenen (13%) en burgemeesters (5,8%). Van de verkozen parlementsleden blijkt maar liefst 70,8% een gemeentelijk mandaat te bekleden. Dit aandeel is hoger dan in 2004 (61,9%), maar lager in 2003 (72,6%). Het gaat bij de verkozenen in de eerste plaats om gemeenteraadsleden (46%). Er werden 15 burgemeesters verkozen.

Tabel IV: Aandeel van de kandidaten en verkozenen dat een gemeentelijk mandaat bekleedt

Wanneer we deze cijfers opsplitsen per partij, dan blijkt dat vooral het Vlaams Belang opvallend veel lokale mandatarissen op de lijsten plaatst. Meer dan drievierden van de kandidaten op de Vlaams Belanglijsten zijn gemeenteraadslid en bij de verkozen kandidaten gaat het zelfs om 90%. Dit is uitermate veel, ook in vergelijking met de percentages voor kandidaten en verkozenen in 2003 (53,0% en 73,9%) en 2004 (41,5% en 68,3). Bij sp.a-spirit is de helft van de kandidaten en van de verkozenen lokaal mandataris, wat toch iets lager is dan bij de verkiezingen van 2003. CD&V/N-VA en Open Vld hebben telkens percentages (van 65 tot 75%) die vergelijkbaar zijn met die van de vorige verkiezingen. Lijst Dedecker heeft twee gekozenen die ook gemeenteraadslid zijn, ondanks het feit dat de partij nog niet bestond bij de gemeenteraadsverkiezingen van 2006.

De nationale mandaten

Hoeveel kandidaten en verkozenen hebben of hadden een nationaal mandaat? Onder nationale mandaten verstaan we zowel de parlementsleden van Kamer, Senaat, Vlaams4, Brussels en Europees parlement, als de ministers op die verschillende niveaus. In totaal blijken 217 van de 990 kandidaten een nationaal mandaat uit te oefenen (21,9%), wat toch een stuk meer is dan bij de verkiezingen van 2004 (16,1%). Daarnaast was in totaal bijna 72% van de zetelende parlementsleden kandidaat, net iets meer dan in 2004 (69,3%).
Van de 113 verkozen kandidaten zijn er 79 die al een nationaal mandaat hadden (69,9%). Bij die 79 gekozen nationale mandatarissen zijn er 14 regeringsleden en 65 parlementsleden. Alle 11 Vlaamse federale regeringsleden, alle 10 ministers van de Vlaamse Regering en 2 van de 3 Vlaamse leden van de Brusselse regering waren kandidaat op 10 juni. Negen van hen waren echter niet verkozen. Het gaat voor de federale regering om Els Van Weert. Daarnaast waren de niet verkozen ministers Geert Bourgeois, Marino Keulen, Fientje Moerman, Kathleen Van Brempt, Dirk Van Mechelen en Frank Vandenbroucke van de Vlaamse regering. Ook de twee Vlaamse leden van de Brusselse regering die deelnamen aan de verkiezingen, namelijk Pascal Smet en Guy Vanhengel, waren niet verkozen.

Tabel V: Gekozen nationale mandatarissen op 10 juni 2007.

Naast de 14 regeringsleden zijn er 65 parlementsleden verkozen. Daarbij gaat het zowel om politici die voorheen zetelden in de federale Kamer en Senaat, in het Vlaams, Brussels en Europees Parlement. In totaal is 24,1% van de vóór 10 juni zetelende parlementsleden verkozen op 10 juni. Iets meer dan 70% van hen was kandidaat. Het grote verschil tussen de twee percentages wijst erop dat een heel pak van de parlementsleden eerder ondersteunend op de verkiezingslijsten aanwezig was. Wanneer we opsplitsen per parlement, dan blijkt dat 60% van de Vlaamse parlementsleden kandidaat was bij de federale verkiezingen. Slechts 12,5% van hen is ook verkozen. Veel parlementsleden stonden dan ook op onverkiesbare plaatsen, of op minder prominente plaatsen onderaan de lijst. Van de zes Brusselse parlementsleden die kandidaat waren bij de federale verkiezingen van 10 juni, is niemand verkozen. Ook zijn slechts 2 van de 11 Vlaamse Europarlementsleden die kandidaat waren, verkozen. Een tweede opvallend gegeven is dat weliswaar 85,2% van de uittredende Kamerleden weer kandidaat was, maar dat slechts 44,3% van hen ook opnieuw verkozen is. Hetzelfde geldt voor de Senaat waar 87,1% kandidaat was en slechts 29% opnieuw verkozen werd.

We zien dus duidelijk dat, hoewel er veel federale kandidaten waren die een regionaal mandaat bekleedden, deze in veel minder gevallen ook daadwerkelijk verkozen worden dan hun collega’s uit het federale parlement. Dit geeft aan dat we de zogenaamde ‘vervlechting’ van regionale en federale verkiezingen toch moeten nuanceren. De regionale parlementairen blijken de lijsten van de federale verkiezingen vooral te ondersteunen, zonder effectief een mandaat na te streven. Deze stelling bleek in 2003 ook al te kloppen en ging in 2004 op in de omgekeerde richting: de federale parlementsleden die deelnamen aan de regionale en Europese verkiezingen deden dat om de lijsten te steunen eerder dan om zelf verkozen te worden.

Al kandidaat in 2003 en/of 2004 ?

Ten slotte kunnen we, door de databestanden van 2003, 2004 en 2007 samen te leggen, nagaan in hoeverre de partijen in 2007 met nieuwe kandidaten hebben uitgepakt, dan wel of ze de kandidaten van 2003 en 2004 hebben ‘gerecycleerd’. We stellen vast dat de partijen in 2007 voor ongeveer de helft een beroep deden op politici die ook al in 2003 en/of 2004 op hun lijsten stonden. Een kwart (23,4%) van de kandidaten in 2007 stond zelfs zowel in 2003 als in 2004 op de lijst. Net iets meer dan 50% van de kandidaten in 2007 is dus nieuw, en dit is grosso modo in elke partij het geval. Bij de verkozen kandidaten valt het aantal nieuwe kandidaten echter terug tot 9,7%. Meer dan de helft van de gekozenen in 2007 stond zelfs zowel in 2003 als in 2004 op een lijst: het gaat om 63 van de 113 gekozenen (55,7%). Er is met andere woorden in alle partijen een aanzienlijke groep politici die zich keer op keer kandidaat stellen én ook worden verkozen.

Besluit

Wat kunnen we op basis van deze gegevens nu besluiten betreffende de in de inleiding vermelde tendens naar professionalisering van de politiek? Partijen zetten in toenemende mate beroepspolitici op de lijsten, dit wil zeggen mensen die de politiek als hoofdberoep hebben. Het procent beroepspolitici op de lijsten bedroeg in 2003 nog 21,5% en in 2004 23,2%, maar liep in 2007 verder op tot 25,7%. In heel veel gevallen gaat het om hetzij uittredende federale parlementsleden, hetzij om parlementsleden op een ander niveau. Van alle zetelende parlementsleden was 72% kandidaat, net iets meer dan in 2004 (69,3%). Samenhangend daarmee stellen we vast dat ongeveer de helft van de kandidaten al een tijdje meedraaien en ook al in 2003 en/of 2004 op de lijst werden geplaatst.
De indruk dat inteelt troef is bij de lijstvorming wordt nog versterkt wanneer we naar de verkozen kandidaten kijken. Zo’n 69,9% van de verkozenen had al een uittredend mandaat. Niet minder dan 56,6% is beroepspoliticus. Van de 113 gekozenen in 2007 waren er 55 die ook in 2003 dadelijk bij de verkiezingen verkozen werden, en 35 die ook in 2004 werden verkozen. Liefst 20 politici werden zowel in 2003, in 2004 als in 2007 verkozen. Het gaat om Bert Anciaux, Johan Vande Lanotte, Freya Van den Bossche, Hilde Claes, Patrick Janssens en Renaat Landuyt voor sp.a-spirit; Bart Somers, Karel De Gucht, Patrick Dewael en Guy Verhofstadt voor Open Vld; Jean-Marie Dedecker (VLD en Lijst Dedecker), Yves Leterme, Etienne Schouppe en Inge Vervotte (CD&V en CD&V/N-VA); en een uitgebreide Vlaams Blok/Belang delegatie met Filip De Man, Filip Dewinter, Gerolf Annemans, Frank Vanhecke, Anke Vandermeersch en Francis Van den Eynde.
Voor het overige valt uit onze analyse vooral te onthouden dat zowel de kandidaten als de verkozenen steeds jonger worden. Ouderen raken nauwelijks nog aan de bak op de lijsten en in het Parlement. Dit lijkt op het eerste zicht in tegenspraak met de vaststelling dat het steeds dezelfde politici zijn die kandidaat zijn en parlementslid worden. Maar de kandidaten die al sinds 2003 meedraaien en verkozen worden, zijn daarom natuurlijk niet noodzakelijk ‘oud’. Vaak gaat het integendeel om politici die het product zijn van een eerdere verjongingsgolf in de politiek. En bovendien blijft er hoe dan ook nog een belangrijke instroom van nieuwe kandidaten die door de band ook wat jonger zijn. Bij deze nieuwe kandidaten zijn er relatief veel vrouwen. Vandaar dat de tendens naar verjonging zich vooral bij de vrouwelijke kandidaten aftekent.
Dat op 10 juni inteelt troef was, moeten we trouwens ook nog in een ander opzicht wat nuanceren. In vergelijking met 2003 en 2004 blijkt het aantal beroepspolitici bij de verkozen kandidaten wat af te nemen. En bovendien werden er zowaar twee arbeiders verkozen in het parlement. Voor de helft is dat het gevolg van de doelbewuste strategie van sp.a-voorzitter Johan Vande Lanotte om opnieuw mensen met werkvloerervaring het parlement binnen te loodsen. Het mag dan ook wel paradoxaal heten dat uitgerekend de politicus die een ernstige inspanning heeft gedaan om de politieke kaasstolp eventjes te openen, de verkiezingen heeft verloren.

Karolien Weekers, Bart Maddens, Ine Vanlangenakker en Stefaan Fiers
K.U.Leuven, Centrum voor Politicologie

Noten
1/ Ook de Lijst Dedecker werd gecontacteerd om mee te werken, maar gezien we op 1 juni 2007 enkel gegevens m.b.t. de kieskring Oost-Vlaanderen hadden ontvangen, werd beslist de kandidaten van Lijst Dedecker buiten beschouwing te laten wat de kandidaten betreft. De zes verkozen kandidaten van de Lijst Dedecker werden wel opgenomen in de analyse van de verkozen kandidaten.
2/ Tenzij anders aangegeven, hebben de cijfers betrekking op de totale populatie van 990 kandidaatstellingen en tellen de dubbele kandidaten dus ook twee keer mee.
3/ Ook niet ten opzichte van de kandidatenlijsten in 2003 en 2004 bijvoorbeeld.
4/ Personen die tegelijk in het Vlaams Parlement en in de Senaat zetelen (de gemeenschapssenatoren) worden hier enkel geteld als Vlaams parlementslid.

verkiezingen - profiel politici

Samenleving & Politiek, Jaargang 14, 2007, nr. 6 (juni), pagina 3 tot 11