Abonneer Log in

Illegale immigratie: ethisch-filosofische kanttekeningen

Samenleving & Politiek, Jaargang 14, 2007, nr. 8 (oktober), pagina 48 tot 55

Het migratievraagstuk - en dan vooral de problematiek van de illegale immigratie1 - is vandaag niet weg te branden uit de politieke actualiteit. De complexe realiteit van mensen zonder papieren noopt echter tot een genuanceerde, omzichtige benadering. Deze bijdrage wil vanuit een aantal ethisch-filosofische kanttekeningen een dieper inzicht in en een grondiger bewustzijn van illegale migratie ontwikkelen. We richten ons hiertoe tot een kritische analyse van de achterliggende - vaak onuitgesproken - waardegeladen conflicten die binnen deze discussie spelen. In wat volgt, bespreken we de verschillende ethisch-normatieve argumenten met betrekking tot het beleid ten aanzien van mensen zonder papieren. Vervolgens formuleren we een aantal overwegingen die behulpzaam kunnen zijn in het streven naar een actiever en rechtvaardiger beleid inzake illegale migratie.

Vreemdeling of medemens? Over de paradox tussen staatssoevereiniteit en mensenrechten

Wereldwijde migratiestromen zijn een permanente realiteit die onze samenleving zonder meer voor enorme uitdagingen plaatst.2 Ze werken in op onze economische, sociaal-culturele en politieke weefsels en zetten de daaraan verbonden zekerheden op de helling. Op het meest fundamentele niveau legt de Global Age of Migration (Castles & Miller, 2003) een spanningsverhouding bloot tussen het huidige internationale systeem van natiestaten (dat vertrekt van de soevereiniteit en het zelfbeschikkingsrecht van elke staat) en het internationaal mensenrechtelijke kader waarbinnen alle Westerse democratieën zich hebben ingeschreven.
Het klassieke internationaal recht vertrekt van de Westfaalse notie van soevereiniteit (Morgenthau, 1985), die elke natiestaat zelfbeschikking toekent omtrent beslissingen inzake toegang tot het grondgebied en de daaraan verbonden voorwaarden. Immigratiewetten en controle op de toegang tot het grondgebied behoren tot de autonome beslissingsmacht van de staat. Een doortastende aanpak van illegale migratie vormt dus in feite de wezenlijke kern van het concept staatssoevereiniteit.

Toch neemt de externe inmenging in zuiver ‘interne staatsaangelegenheden’ hand over hand toe. Dankzij de opgang van de mensenrechten in de naoorlogse periode werd een doorbraak gerealiseerd inzake de bescherming van de rechtspositie van internationale migranten. Sinds 1985 kennen steeds meer Belgische rechtbanken mensen zonder papieren bepaalde grondrechten toe die verder reiken dan het recht op dringende medische hulp (Bouckaert, 2007). Kosteloos onderwijs voor minderjarige kinderen van documentloze ouders, het recht op huwelijk voor mensen met een onregelmatig verblijfsstatuut, het recht op een gezinsleven en op familiehereniging en de gegarandeerde minimale maatschappelijke dienstverlening door OCMW’s zijn allen exponenten van een mensenrechtelijke invulling van het vreemdelingenrecht (Foblets & Hubeau, 2001, pp. 173-174).

De opkomst van de mensenrechten heeft staten ertoe gebracht ook verantwoordelijkheden en verplichtingen ten overstaan van niet-burgers op zich te nemen. Daarmee wordt erkend dat bepaalde normen en waarden in conflict treden met (en soms zelfs primeren op) het strikte soevereiniteitsprincipe. Het mensenrechtelijk discours heeft de traditionele notie van staatssoevereiniteit in een meer antropocentrische richting gestuwd: het geloof van de internationale gemeenschap in de verplichting tot bescherming van bepaalde (groepen van) mensen als mensen, plaatst het menselijke belang boven het staatsbelang (Simonovic, 2002, p.376).

Toch betekent dit niet dat de traditionele notie van ‘staatssoevereiniteit’ volledig geërodeerd zou zijn. Grondrechten kunnen immers - onder bepaalde voorwaarden - worden ‘gekwalificeerd’. Dat wil zeggen: afgewogen worden tegenover een aantal maatschappelijke verworvenheden en fundamentele rechtsgoederen, zoals de bescherming van de openbare orde, de goede werking van de arbeidsmarkt of het vrijwaren van het sociale zekerheidsstelsel (Foblets, Hubeau & Bouckaert, 2001, p.163). Daarenboven vallen heel wat mensenrechten-instrumenten, in het bijzonder deze die zich toespitsen op de tweede en derde generatie rechten3, nog steeds binnen het domein van de zogenaamde soft law : hoewel er een grote morele kracht van uitgaat, zijn deze rechten niet bindend voor de ondertekenende partijen en bestaat er geen instantie die deze rechten op dwingende wijze kan bekrachtigen (Agamben, 1998). Dat verklaart waarom er, ondanks de principiële gelijkheid in grondrechten tussen burgers en niet-burgers, in de praktijk nog steeds een scherpe scheidingslijn tussen beide blijft bestaan. Mensen zonder papieren, die onderaan de juridische ladder staan en die bovendien een uiterst beperkte kennis van en toegang tot het rechtssysteem hebben, zijn bijgevolg extra kwetsbaar als het aankomt op het juridisch afdwingbaar maken van hun (formele) rechten. Daardoor beperkt de bescherming van documentloze vreemdelingen zich in praktijk vaak tot de dringende medische hulp, zonder enige andere juridische garantie.

Een humaan, maar realistisch immigratiebeleid dient beide normatieve posities - de ‘soevereine’ belangen van natiestaten én de individuele rechten van (documentloze) migranten - in rekening te brengen. Een moeilijke evenwichtsoefening die ons weliswaar voor zware dilemma’s plaatst, maar die ons tegelijkertijd uitnodigt onze bestaande denkkaders radicaal te doorbreken. De spanning tussen soevereiniteit en mensenrechten bevraagt ons in onze morele identiteit als burgers van een democratische rechtsstaat. Tot welke samenleving willen wij behoren? Op welke waarden moet de samenleving waar we deel van uitmaken, berusten? Wie behoort tot ‘onze’ samenleving? Door het analyseren van de onderliggende waardeposities die van op de achtergrond steeds meespelen in de discussie omtrent illegale immigratie, kunnen bestaande concepten her-dacht worden en krijgen oude vanzelfsprekendheden een vernieuw(en)de invulling. De volgende paragrafen gaan na hoe ons denken over maatschappelijke solidariteit en sociale rechtvaardigheid - een vraagstuk dat binnen de discussie omtrent illegale migratie een centrale plaats inneemt4 - gekleurd wordt door de inherente spanning tussen soevereiniteit en mensenrechten.

Solidariteit uitgedaagd? It’s not about charity, it’s about justice

5

Voorstanders van het belang en de rol van soevereine natiestaten in het internationale staatsbestel hechten een belangrijke politieke en ethische waarde aan landsgrenzen. Ze markeren niet alleen de overgang tussen verschillende, onafhankelijke staten, maar ‘begrenzen’ ook de rechten en verplichtingen die staten jegens elkaar en jegens niet-onderdanen hebben. Het onderscheid tussen burgers en niet-burgers rechtvaardigt in de klassieke benadering van internationale rechtvaardigheid een verschillende behandeling: staten zijn er in eerste instantie toe verplicht de veiligheid en het welzijn van de eigen bevolking te garanderen. De wijze waarop deze verplichtingen concreet worden gerealiseerd, behoort tot de soevereine beslissingsmacht van elke natiestaat, wat meteen ook nationale verschillen in sociale beschermingssystemen en andere welzijnsvoorzieningen rechtvaardigt.

Deze traditionele notie van staatssoevereiniteit veronderstelt bijgevolg geenszins een afwezigheid van intermenselijke solidariteit. Integendeel, volgens deze visie creëert het bestaan van territoriale grenzen precies de voorwaarde voor een systeem van wederzijdse solidariteit, met name een solidariteit tussen burgers die behoren tot eenzelfde natiestaat. In die zin is het soevereiniteitsconcept niet enkel te beschouwen als een fort tegen ‘ongenode indringers’, maar tevens als een huis dat mensen - weliswaar onder bepaalde voorwaarden - een veilige thuishaven biedt met de garantie op een menswaardig bestaan. In de traditionele conceptie van de natiestaat vormt de nationale gemeenschap de normatieve basis voor maatschappelijke participatie en solidariteit - een collectief goed van de natie, waarbij de staat zich garant stelt voor de toepassing ervan (Lodewyckx et al., 2004, pp. 52-58).

Hoewel binnen de klassieke rechtvaardigheidsopvatting solidariteit geenszins beperkt blijft tot de eigen onderdanen, wordt wel een zekere gradatie ingebouwd. Verantwoordelijkheden van natiestaten ten overstaan van niet-burgers reiken minder ver en beperken zich tot het garanderen van de minimale rechtsgaranties zoals voorgeschreven door het internationale recht. Immigratie- en grenscontroles zijn bijgevolg gerechtvaardigd om verschillende redenen: (1) de bescherming van de eigen, particuliere cultuur en waarden, (2) het recht op zelfbeschikking, (3) het primaat van particuliere verplichtingen. Hoewel zo’n ‘particularistisch’ perspectief6 dus wel degelijk oog heeft voor de verplichtingen die mensen hebben ten overstaan van andere medemensen, definieert het deze verplichtingen niet zozeer in termen van rechtvaardigheid, maar in termen van humanitaire bijstand.

Vanuit mensenrechtelijk perspectief wordt veel meer nadruk gelegd op de onderlinge verbondenheid, in plaats van op de verschillen tussen mensen in hun hoedanigheid van onderdanen van deze of gene natie. Kosmopolitische theorieën7 verdedigen het belang van (het respect voor) universele waarden als menselijke waardigheid, gelijkheid, rechtvaardigheid en individuele basisrechten. Aangezien (lands)grenzen vanuit moreel oogpunt arbitraire constructies zijn (Carens, 1987, p.252) benadrukt een kosmopolitische benadering de plicht om vreemdelingen in nood te helpen. Rechtvaardigheid vereist dat men de belangen van alle betrokkenen, inclusief potentiële migranten, op gelijke wijze tegenover elkaar afweegt. Voor kosmopolitische benaderingen kunnen bijgevolg geen grenzen gesteld worden aan maatschappelijke solidariteit: sociale rechtvaardigheid is geen privilege voor de eigen onderdanen, maar behoort ieder mens toe. Een humaan migratiebeleid, ook ten aanzien van mensen zonder papieren, wordt vanuit deze (relatief) open grenzen-positie beschouwd als een kwestie van mondiale rechtvaardigheid (global justice). In een maximalistische interpretatie impliceert mondiale rechtvaardigheid een open grenzen-politiek en een onvoorwaardelijk recht op migratie: vrije migratie - indien het al geen recht op zich is - stelt de armen in staat zich naar die plaatsen te begeven waar de natuurlijke rijkdommen en mogelijkheden zich bevinden, waardoor een globale herverdeling van welvaart kan plaatsvinden (Carens, 1992, p.26; Goodin, 1992, p.8). In een meer gematigde interpretatie zijn open grenzen slechts een noodzakelijke maatregel wanneer beleidsinspanningen om de grondoorzaken (ongelijke handelsverhoudingen, structurele grondstoffenroof, klimaatveranderingen, uitblijven van volledige schuldkwijtschelding) van globale onrechtvaardigheden en ongelijkheden aan te pakken, niet geleverd worden of onvoldoende effect ressorteren (Seglow, 2005, pp. 329-330).

De spanning tussen een universeel kosmopolitisch rechtvaardigheidsideaal en de meer traditionele opvatting die uitgaat van de morele waarde van meer particuliere belangen en verplichtingen die mensen hebben door hun verbondenheid met bijzondere anderen, plaatst liberale democratieën en hun respectieve bevolking voor uiterst pijnlijke dilemma’s inzake de omgang met illegale migratie. Enerzijds botst een sterke gerichtheid op rechtvaardigheid als impartialiteit (d.w.z. als een geheel van universele, abstracte principes die voor iedereen gelijk zijn) op praktische en menselijke grenzen. De reële wereld, waarin we geconfronteerd worden met schaarse middelen, kwetsbare politieke machtsverhoudingen en allerlei andere beperkingen en onzekerheden, lijkt een strikt kosmopolitische toepassing van rechtvaardigheid uit te sluiten. Anderzijds is het stellen van grenzen - vanuit de klassieke rechtvaardigheidsconceptie die nauw samenhangt met de notie van staatssoevereiniteit - óók een vorm van onrecht. Want hoe kunnen we, als onderdanen van een liberale democratie, waar het respect voor mensenrechten en fundamentele democratische waarden grondwettelijk is verankerd, tegen diezelfde principes ingaan wanneer we geconfronteerd worden met de komst van (ongenode) immigranten? Waar eindigt rechtvaardigheid precies en waar begint liefdadigheid? En valt die lijn zo eenvoudig te trekken? Antwoord bieden aan dit waardeconflict, zonder daarbij in interne contradicties te vervallen, is de gezamenlijke uitdaging waar Westerse democratieën vandaag de dag voor staan. Vooralsnog lijken kosmopolitische idealen het te moeten afleggen tegen de wetten van de haalbaarheid. Om de patstelling tussen de twee perspectieven te overstijgen moeten echter beide conceptuele denkkaders radicaal worden opengetrokken en moet worden gezocht naar creatieve, vernieuwende invullingen van wat solidariteit en rechtvaardigheid in de multiculturele maatschappij van vandaag (kunnen) betekenen.

Concluderende beschouwingen

Illegale migratie is in vele opzichten een ‘moeilijk’ thema: de problematiek is complex, het overzicht is zoek en de vooroordelen zijn veelvuldig. Precies daarom vormt het ook vanuit politiek opzicht een uiterst heikele problematiek. Zowel in conservatieve als progressieve kringen is het migratiethema verworden tot een pijnlijke splijtzwam, die diverse, erg uiteenlopende gevoeligheden en principes blootlegt. De hier besproken ethisch-normatieve paradox getuigt van deze gecompliceerde realiteit. Tegelijk werd duidelijk dat die ‘ongemakkelijke’ realiteit niet te ontvluchten valt. Vanuit het besef dat diverse, zeer uiteenlopende normatieve overtuigingen meespelen in onze houding ten aanzien van illegale immigratie en dat allen een eigen bestaansreden en functie hebben, gaan we in deze laatste paragrafen na welke concrete aanbevelingen uit ons pleidooi voor zorgvuldige afweging en grens-doorbrekend denken kunnen worden afgeleid.

(a) Op weg naar een evenwichtig beleid: het belang van een permanente ethische commissie

Vandaag de dag slaat de balans van het migratiebeleid sterk door naar een politiek van het ‘haalbare’, geïnspireerd door het discours van de traditionele staatssoevereiniteit. Precies daardoor is menselijkheid en billijkheid in de toepassing van het huidige beleid vaak ver te zoeken. Om het kosmopolitische, mensenrechtelijke discours beter tot haar recht te laten komen in het beleid, pleit deze bijdrage in eerste instantie voor een diversificatie van de beslissingsmacht. Op dit ogenblik liggen beslissingen omtrent de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen in handen van slechts één overheidsinstantie, met name de Dienst Vreemdelingenzaken van de FOD Binnenlandse Zaken. De invloed van andere actoren die zich bewegen binnen het veld van de migratieproblematiek (ngo’s, vrijwilligersorganisaties, IOM, lokale comités) blijft, ondanks een vaak voortreffelijke expertise, beperkt tot lobbywerk. Op die wijze blijven discutabele maatregelen vaak onbekritiseerd. Daarom is de oprichting van een politiek onafhankelijke, permanente ethische commissie meer dan wenselijk. Deze commissie, die een gedifferentieerde samenstelling kent, waaronder vertegenwoordigers van gespecialiseerde ngo’s, onafhankelijke juristen en andere actoren binnen het sociale werkveld, moet twee afzonderlijke taken vervullen.
Enerzijds bestaat haar opdracht erin de vreemdelingenwetgeving systematisch af te toetsen. Deze aftoetsing betreft niet louter de juridische geldigheid van getroffen maatregelen of initiatieven, maar vooral de ethische aanvaardbaarheid (in termen van respect voor de menselijke waardigheid) ervan. Een systematische screening van de Belgische vreemdelingenwet maakt het mogelijk een duidelijk rechtskader op te bouwen8, waardoor het immigratiebeleid buiten haar strikt juridisch-legalistisch kader kan treden en openingen kunnen worden gecreëerd naar meer ethisch geïnspireerde overwegingen - overwegingen die vanzelfsprekend nooit in een strikt juridisch jargon gevat kunnen worden.
Anderzijds moet deze commissie een duidelijk mandaat krijgen om in gevoelige dossiers, waarin verschillende waarden conflicteren met elkaar (bijv. uitwijzing van illegale families, detentie van minderjarigen, razzia’s), op te treden als een soort bemiddelingsinstantie en een onafhankelijke visie naar voren te schuiven die mee bepalend is voor de uiteindelijke beslissing. Indien het advies van de commissie niet gevolgd wordt, pleiten we voor een motivatieplicht.

(b) De dichotomieën voorbij: op weg naar een integrale benadering ten aanzien van migratie

Afstappen van een dichotomisch denken ten aanzien van illegale immigratie opent de weg naar een pragmatische aanpak gericht op een behoedzame en zorgvuldige afweging van de achterliggende, vaak uiteenlopende normatieve kaders. Daarbij moet een gezond evenwicht gevonden worden tussen overwegingen van intermenselijke solidariteit enerzijds en van ‘verlicht eigenbelang’ anderzijds. Vanuit die optiek ijveren we voor een meer integrale benadering ten aanzien van migratie. Een integrale aanpak van illegale migratie heeft oog voor de samenhang met andere problematieken, waaronder structurele ongelijkheden, (onder)ontwikkeling en armoede, (on)veiligheid en (aantasting van de) mensenrechten. Elk migratiebeleid moet dan ook ontwikkeld worden vanuit een overkoepelende visie, in samenhang met het ontwikkelings-, ecologisch, veiligheids- en buitenlands beleid.

Bestaansvoorwaarden voor zo’n integrale aanpak zijn interdepartementaliteit (onderlinge afstemming van verschillende overheidsdiensten) en multi-level governance (een vervlechting van verschillende beleidsniveaus). Wat het eerste betreft moet de ijzeren greep van de FOD Binnenlandse Zaken op de migratieproblematiek verzacht worden ten voordele van een gecoördineerde aanpak. In die zin moet een Minister of Staatssecretaris voor Migratie, belast met deze coördinerende rol, overwogen worden. Wat het laatste betreft moet allereerst gewezen worden op het belang van het internationale niveau, waarbij niet alleen supranationale instanties hun rol te spelen hebben, maar waarbij ook aandacht moet uit gaan naar dialoog en partnerschap met de landen van herkomst. Ten tweede moet ook het lokale bestuurlijke en gerechtelijke niveau sterker betrokken worden bij het ontwerp en de uitvoerig van een integraal migratie- en vluchtelingenbeleid. Vaak stellen we immers vast dat op gemeentelijk niveau uitwijzingsbevelen niet worden uitgevoerd, omdat mensen zonder papieren daar niet zozeer benaderd worden als een abstracte categorie, maar eerder als concrete mensen, ingebed in de lokale gemeenschap en participerend aan het lokale sociale en culturele leven. Die context van ‘nabijheid’ verklaart ook de protestacties van scholen en actiecomités tegen uitwijzingen van mensen zonder papieren.

Ten slotte willen we in het kader van een integraal beleid ook pleiten voor een structurele betrokkenheid van de migrantengemeenschappen zelf. Institutionele mechanismen van dialoog, ontmoeting, consultatie en coöperatie, zodat ook het perspectief van migranten, hun waardigheid en hun rechten een essentieel onderdeel worden van een vernieuw(en)de migratiepolitiek, zijn vandaag de dag meer dan ooit aan de orde. Het incorporeren van het perspectief van de (potentiële) migrant en van de actieve strategieën die gehanteerd worden door migranten en vluchtelingen, kan immers leiden tot nieuwe inzichten die de huidige maatregelen en wetgeving niet alleen toetsen aan hun effectiviteit en efficiëntie, maar tevens aan hun menselijke waardigheid.

An Verlinden
Center for Ethics and Value Inquiry, UGent

Literatuur
- Agamben G. (1998), Homo sacer. Sovereign Power and Bare Life, Stanford, Stanford University Press.
- Castles S. & Miller M. (2003), The Age of Migration. International Population Movements in the Modern World, 3rd edition, New York, The Guilford Press.
- Bouckaert S. (2007), Grondrechtenbescherming voor documentloze vreemdelingen doorheen de Belgische en internationale rechtspraak vanaf 1985: verwezenlijkingen en uitdagingen, Antwerpen, Maklu.
- Carens J. (1987), ‘Aliens and Citizens: the Case for Open Borders’. In: Review of Politics, 49(2), pp. 250-273.
- Carens J. (1992), ‘Migration and Morality: A Liberal Egalitarian Perspective’, In : Barry B. & Goodin R.E. (eds.), Free Movement : Ethical Issues in the Transnational Migration of People and of Money, London/New York, Harvester Wheatsheaf.
- Düvell F. (2006), Illegal Migration in Europe, Houndmills, Palgrave/MacMillan.
- Foblets M-C. & Hubleau B. (2001), ‘Grondrechten als doorbraak. De rechtspositie van vreemdelingen en allochtonen op Belgisch grondgebied’. In: Vranken J., et al. (eds.), Komende generaties, wat weten we (niet) over allochtonen in Vlaanderen?, Leuven/Leusden, Acco.
- Foblets M-C, Hubeau B. & Bouckaert S. (2001), ‘De opmars van de Mensenrechten. Enkele illustrates’. In: Vranken J. et al. (eds.), Komende generaties, wat weten we (niet) over allochtonen in Vlaanderen?, Leuven/Leusden, Acco.
- Goodin R.E. (1992), ‘If people were money…’, In: Barry B. & Goodin R.E. (eds), Free Movement: Ethical Issues in the Transnational Migration of People and Money. University Park, PA, Penn State University Press, pp. 6-22.
- IOM (2000). ‘Statistics on irregular migrants as of 21 November’. Te consulteren op http://www.iom.int
- Lodewyckx I. et al. (2004). ‘Maatschappij en etnische diversiteit: wat is mogelijk, wat is wenselijk?’. In: Timmerman C. et al. (red.), Wanneer wordt vreemd, vreemd? De vreemde in beeldvorming, registratie en beleid. Leuven, Acco.
- Miller D. (1988),‘The ethical significance of nationality’, In: Ethics, 98(4), pp. 647-662.
- Miller D. (1995), On Nationality. Oxford, Oxford University Press.
- Morgenthau H. (1985), Politics among Nations: The Struggle for Power and Peace (6th ed.). New York, McGraw-Hill.
- PICUM (2007). ‘PICUM’s Comments on the Communication from the Commission on ‘Policy priorities in the fight against illegal immigration of third-country nationals’, COM (2006) 402 final’. Te consulteren op www.picum.org.
- Pogge T. (2002), World Poverty and Human Rights. Cambridge, Polity Press.
- Seglow J. (2005), ‘The Ethics of Immigration’. In: Political Studies Review, 3(3), pp. 317-334.
- Simonovic I. (2002), ‘Relative Sovereignty of the Twenty First Century’. In: Hastings International and Comparative Law Review, pp. 371-373.
- Stalker P. (1994), The Work of Strangers: A Survey of International Labour Migration. Geneva, ILO.
- Vulsteke B. (2005), Illegally Resident Third Country Nationals in Belgium: State approaches towards them and their profile and social situation. Belgian Contact Point of the European Migration Network. [http://www.dofi.fgov.be/nl/statistieken/belgian%20migration%20point/Illegally%20Resident%20TCN%20in%20Belgium%20final.pdf]
- Walzer M. (1983), Spheres of Justice: A Defense of Pluralism and Equality. New York, Basic Books.

Noten
1/ Het concept ‘illegale’ migratie is fel gecontesteerd. Omdat het echter nog steeds de meest gebezigde term is binnen het Nederlandse taalgebied, houden we gemakshalve vast aan deze terminologie. Een zinvolle nuancering betreft niettemin de stelling dat enkel migratie illegaal kan zijn in de zin van een praktijk of handeling die ingaat tegen de vigerende wetgeving, terwijl migranten - als personen - nooit illegaal kunnen zijn (PICUM, 2007, pp. 1-2). Voor deze laatsten prefereren we dan ook de term ‘documentloze migranten’ of ‘mensen zonder papieren’.
2/ In België wordt het totale aantal mensen zonder papieren geschat op vijftig- tot honderdduizend (Stalker, 1994, Vulsteke, 2005), Voor Europa staat de teller op vijf tot acht miljoen (Düvell, 2006), terwijl het wereldwijde aantal wellicht schommelt tussen vijftien en dertig miljoen (IOM, 2000).
3/ De tweede generatie mensenrechten omvatten de sociale, economische en culturele rechten, zoals omschreven in de artikelen 22 tot en met 27 van de UVRM (een niet-bindende verklaring). De derde generatie mensenrechten verwijst naar de collectieve rechten of solidariteitsrechten, zoals het recht op zelfbeschikking van minderheidsgroepen of het recht op een gezond leefmilieu.
4/ De spanning tussen soevereiniteit en mensenrechten weerspiegelt zich ook in andere deelaspecten van het vreemdelingenbeleid, waaronder de discussies over veiligheid en criminaliteit. Die discussie wordt gekenmerkt door een spanning tussen enerzijds de traditionele, bij het soevereiniteitsdenken aansluitende conceptie van veiligheid als staatsveiligheid en anderzijds een veel bredere, mensenrechtelijke invulling van veiligheid als ‘menselijke veiligheid’ (human security).
5/ Passage uit de toespraak van de Ierse popzanger Bono (U2) tijdens The National Prayer Breakfast (2006), die de wereldpers haalde.
6/ Particularistische benaderingen beklemtonen de intrinsieke waarde van particuliere (nationale) verbanden en relaties tussen mensen. Standaarden van rechtvaardigheid krijgen volgens deze benadering vorm vanuit de traditie van een particuliere gemeenschap en zijn bijgevolg contextgevoelig. Daarom primeren vanuit moreel oogpunt de wederzijdse verplichtingen van medeburgers ten overstaan van elkaar en van de staat ten overstaan van haar burgers op de algemene verplichtingen die we hebben ten overstaan van alle mensen als mensen (Miller, 1988 & 1995 en Walzer, 1983).
7/ Kosmopolitische benaderingen vertrekken van de idee dat alle mensen, als mens, behoren tot één enkele gemeenschap, met name de mensheid (humanity). Voor hen is de morele waarde van het individu, en niet die van de gemeenschap, primordiaal (Pogge, 2002; Carens, 1987).
8/ Op dit ogenblik is dat slechts zeer gebrekkig, aangezien positieve beslissingen nooit gemotiveerd worden. Ook over de effectiviteit van bepaalde regels, zoals de opsluiting in gesloten centra, bestaan weinig of geen gegevens.

immigratie - ethiek - filosofie

Samenleving & Politiek, Jaargang 14, 2007, nr. 8 (oktober), pagina 48 tot 55